DERDE TOONEEL.

Het Engelsche legerkamp.

Het Engelsch leger, Gloster, Bedford, Exeter, Salisbury en Westmoreland

komen op.

GLOSTER. Waar is de koning?

BEDFORD. Hij reed van hier, om hen geschaard te zien.

WESTMORELAND. Zij hebben zestigduizend strijdb’re mannen.

EXETER. Vijf tegen één; en dan, ’t zijn versche troepen.

SALISBURY. God zij met ons! hun overmacht is schrikk’lijk.

Behoede u God, mylords! mij roept mijn plicht;

Zien wij elkaar niet weer, dan in den hemel,

Dan, welgemoed,—mijn eed’le hertog Bedford,

En waarde heeren Gloster, Exeter,—

En, beste neef,—gij strijders, vaart dan wel!

BEDFORD. Vaarwel, mijn Salisbury; geluk verzelle u!

EXETER. Vaarwel, mijn waarde lord; strijd dapper heden!

Doch ik beleedig u door zulk vermaan;

Gij zijt van de echte stof der dapperheid.

(Salisbury af.)

BEDFORD. Hij is zoo rijk aan dapperheid als goedheid;

Vorstlijk in beide.

(Koning Hendrik komt op.)

WESTMORELAND. O, hadden wij nu hier

Slechts één tienduizendtal van hen in England,

Die heden niets doen.

KONING HENDRIK. Wie is ’t, die dit wenscht?

Mijn neef van Westmoreland?—Neen, waarde neef,

Wacht ons de dood, genoeg is ons getal

Om England te doen treuren; wacht ons ’t leven,

Hoe kleiner tal, te meer deelt elk in de eer.

Gods wil geschiede! wensch geen man hier meer.

Bij Jupiter, ik heb geen dorst naar goud,

En vraag niet, wie er op mijn kosten teert,

Mij deert het niet, als men mijn kleed’ren draagt:

Mijn ziel streeft niet naar zulk uitwendig goed;

Maar is het zondig, eere te begeeren,

Dan leeft geen zondaar thans, zoo boos als ik.

Neen, neef, wensch niet één man uit England hier;

Bij God, ik wil niet zooveel eere derven,

Als, dunkt mij, één man meer mij rooven zou,—

Voor niets ter wereld. Wensch niet één man meer;

Roep, Westmoreland, veeleer door ’t leger uit,

Dat, wie voor dezen strijd den moed niet heeft,—

Laat hem vertrekken, hem een paspoort reiken,

En steek, tot reisgeld, kronen in zijn beurs;

Wij willen niet in diens gezelschap sterven,

Die de gemeenschap ducht met onzen dood.

Het is van daag het Crispianusfeest;

Wie ’t overleeft en welbehouden thuis komt,

Springt, als die dag genoemd wordt, plotsling op,

Verheft zich bij den naam van Crispianus.

Wie dezen dag doorleeft en de’ ouden dag ziet,

Noodt op den heil’gen avond vóór deez’ dag

Zijn buren jaarlijks tot een feest en zegt hun:

„De dag van morgen is Sint Crispianus”;

En dan stroopt hij zijn mouw op, toont zijn wonden,

En zegt: „Die zijn van Sint-Crispinusdag”.

Schoon de ouderdom vergete, hij moge alles

Vergeten zijn, maar weet toch nog uitvoerig,

Wat daden hij op dien dag heeft verricht;

En onze namen zullen in zijn mond

Gemeenzaam zijn als alledaagsche woorden:

Hendrik de koning, Bedford, Exeter,

Warwick en Talbot, Salisbury en Gloster;

En volle bekers houden die in eer.

De goede man vertelt zijn zoon dien strijd,

En nimmer daagt Crispinus Crispianus,

Van dezen dag tot ’s werelds ondergang,

Of op dien dag wordt er van ons gesproken,

Ons, wein’gen, ons, gelukkigen, ons, broeders;

Want wie vandaag met mij zijn bloed vergiet,

Hij zal mijn broeder zijn; hoe laag zijn stand

Ook zijn moog’, aad’len zal dien deze dag;

En Engelsche edellieden, nu in bed,

Vervloeken ’t eens, dat zij alhier niet waren,

En zwijgen als vernietigd, spreekt er iemand,

Die met ons vocht op Sint-Crispinusdag.

(Salisbury komt weder op.)

SALISBURY. Mijn hooge vorst, maak u met spoed gereed;

De Franschen staan in al hun praal geschaard,

En zullen onverwijld den aanval doen.

KONING HENDRIK. Wij zijn geheel gereed, zoo ’t hart het is.

WESTMORELAND. Verga de man, wiens hart nog achterblijft!

KONING HENDRIK. Wenscht gij niet langer hulp uit England, neef?

WESTMORELAND. Gehengde ’t God, mijn vorst, dat gij en ik

Geheel alleen den strijd beslechten konden!

KONING HENDRIK. Zie, nu wenscht gij vijfduizend strijders weg;

Dit lijkt mij beter, dan één meer te wenschen.—

Gij allen kent uw plaatsen;—God zij met u!

(Trompetgeschal. Montjoye komt op.)

MONTJOYE. Nog eenmaal kom en vraag ik, koning Hendrik,

Of ge over losgeld onderhand’len wilt

Vóór uw niet af te wenden nederlaag;

Want waarlijk, bij den maalstroom zijt gij reeds,

Gij moet verzwolgen worden. Bovendien

Zegt uit erbarmen u de connetabel;

Vermaan tot boete uw volk, opdat hun zielen

In vrede naar een beter wijkplaats scheiden

Dan deze velden, waar hun arme lijven

Ter rotting zullen liggen.

KONING HENDRIK. Wie zendt thans u?

MONTJOYE. De connetabel van het Fransche rijk.

KONING HENDRIK. Ik bid u, breng mijn vorig antwoord weer:

Maakt eerst mij af, verhandelt dan mijn beend’ren.

Algoede God, wat hoonen zij ons, armen!

De man, die eens de huid des leeuws verkocht,

Toen ’t beest nog leefde, kwam bij ’t jagen om.

Recht velen onzer vinden, dit vertrouw ik,

Te huis een graf, waarop, zoo ’k hoop, een bronzen

Getuig’nis leven zal van dezen dag;

En hij, die hier zijn dapp’re beendren laat,

Manmoedig stervend,—schoon in mest bedolven,—

Hij wordt beroemd; de zon begroet hem daar,

En doet zijn eer als damp ten hemel stijgen,

Terwijl zijn aardsche deel uw lucht verderft,

En door zijn stank in Frankrijk pest verwekt.

Zie, zoo vol dapperheid is Englands volk,

Dat het, schoon dood, gelijk een opstuit-kogel,

Nog losbreekt in een tweede vaart van onheil

En met herleving van zijn moordlust doodt.

Fier wil ik spreken; zeg den connetabel,

Dat wij slechts krijgers voor een werkdag zijn,

Ons praalgewaad en goudpronk overspat

Door regenmarschen zijn in ’t moeilijk veld,

Geen vederspriet meer onze helmen siert,—

Een goede waarborg, dat we u niet ontvliegen,—

En ons de tijd recht haav’loos heeft gemaakt,

Maar ’t hart, bij God, steeds in zijn feestdos is.

En mijn arm krijgsvolk zegt mij, vóór de nacht

Verlangt het schoone kleedren, of het trekt

De fraaie nieuwe rokken van de Franschen

Hun over ’t hoofd en jaagt hen uit den dienst.

Als zij dit doen,—en zoo het God behaagt,

Doen zij het wis,—dan is mijn losgeld spoedig

Bijeengebracht.—Heraut, spaar verd’re moeite,

Kom, goede vriend, geen losgeld hier meer vragen;

Geen ander bied ik aan, dan deze leden,

Die, als ik hun ze laten zal, verminkt

En waardloos zijn.—Zeg dit den connetabel.

MONTJOYE. Dit zal ik, koning Hendrik. Vaar dan wel;

Van geen heraut zult gij nu verder hooren.

(Montjoye af.)

KONING HENDRIK. Ik vrees, gij komt nog eens om losgeld weer.

(De hertog van York komt op.)

YORK. Mijn vorst, op mijne knieën smeek ik u,

De voorhoede aan te mogen voeren.

KONING HENDRIK. Goed, wakk’re York.—Op, mannen! ’t zij gewaagd!

Bestuur ’t, o God! zooals het u behaagt!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vijfde · 第 22 / 32 题