Het Fransche legerkamp.
De Dauphijn, Orleans, Rambures en Anderen komen op.
ORLEANS. De zon verguldt reeds onzen wapendos; Mijn’ heeren, op!
DAUPHIJN. Montez à cheval!—Mijn paard! varlet! lacquay! ha!
ORLEANS. O, fiere moed!
DAUPHIJN. Via!—les eaux et la terre!
ORLEANS. Rien puis? l’air et le feu!
DAUPHIJN. Le ciel! neef Orleans.
(De Connetabel komt op.)
Nu, connetabel?
CONNETABEL. Hoor, hoe de rossen brieschen van verlangen!
DAUPHIJN. Bestijgt hen, striemt de flanken hun in bloed!
Dit spring’ dan heet den Engelschen in de oogen,
En doov’ hen met moeds-overvloeiing! ha!
RAMBURES. Wat! weenen zouden ze onzer paarden bloed?
Hoe kunt gij dan hun eigen tranen zien?
(Een Bode komt op.)
BODE. De vijand staat geschaard, gij pairs van Frankrijk!
CONNETABEL. Te paard! gij dappre prinsen! fluks te paard!
Ziet hen slechts aan, die arme hongerlijders;
En reeds uw glans zuigt hun de zielen uit,
Laat schalen, doppen slechts van menschen over.
Er is geen werk genoeg voor onze handen,
Nauw bloed genoeg in al hun ziek’lijke aad’ren,
Dat elke kortelas een smet ontvang’,
Die onze dapp’ren heden zullen trekken,
Maar dra weer bergen bij gebrek aan buit.
Laat ons op hen slechts blazen; want dan werpt
De wasem onzer dapperheid hen om.
’t Is uitgemaakt en duldt geen twijfel, heeren,
Dat reeds de tros van legerknechts en boeren,
Die nutt’loos zwermend onze krijgerscharen
Omgeven, mans genoeg ware om dit veld
Te zuiv’ren van een zoo armzaal’gen vijand,
Al namen wij een standpunt aan dien berg
Om werkloos toe te zien. Doch dit gedoogt
Onze eer geenszins. Wat zal ik zeggen, heeren?
Laat ons een weinig, bijster weinig doen,
En alles is gedaan. Geev’ de trompet
Het sein! Stijgt op en schaart u; want ontzet
Verbleek’ die schaar, en zonder tegenweer
Legge England knielend ons de wapens neer!
(Grandpré komt op.)
GRANDPRÉ. Wat sammelt gij zoo lang, gij pairs van Frankrijk?
Die eiland-krengen, wien geen hoop meer rest
Voor hun gebeent’, ontsieren ’t morgenveld;
Armzalig fladd’ren hun gescheurde vodden,
Die onze lucht verachtend schokt en schudt.
Wat beed’laarsbende! Mars schijnt daar bankroet,
Gluurt angstig door een roestig helmvizier;
De ruiters zitten daar als luchterbeelden,
Die toortsen dragen; van hun knollen hangt
De kop laag neer, de huid en heupen lillen,
Slijm vloeit hun uit het lichtloos, brekend oog,
En in hun slappen bek ligt hun gebit,
Groen van ’t gekauwde gras, stil, onbeweeglijk;
En over allen vliegen reeds hun beulen,
De drieste kraaien, hunk’rend naar haar uur.
Doch geen beschrijving kan de woorden vinden,
Om ’t leven af te malen van een schaar,
Die, levend, reeds zoo levenloos zich toont.
CONNETABEL. Zij wachten, na gedaan gebed, den dood.
DAUPHIJN. Zegt, willen wij hun kost en kleed’ren zenden,
En voor hun uitgevaste paarden voêr,
En daarna met hen vechten?
CONNETABEL. Ik wacht slechts op mijn standaard. Maar, in ’t veld!
Ik wil van een trompetter ’t vaantje nemen;
Dit dien’ mij bij mijn haast. Op, tot den strijd!
De zon staat hoog reeds; wij verdoen den tijd.
(Allen af.)