Het Engelsch legerkamp bij Agincourt.
Koning Hendrik, Bedford en Gloster komen op.
KONING HENDRIK. Gloster, ’t is waar, wij zijn in groot gevaar;
Maar des te grooter zij dan onze moed,—
Goeden morgen, broeder Bedford.—God almachtig!
In booze dingen schuilt een kern van goed,
Zoo slechts de mensch bedachtzaam dien er uitperst;
Want onze booze buur leert ons vroeg opstaan,
Wat èn gezond is èn de huizing bouwt;
En bovendien, hij is, schoon buiten ons,
Ons een geweten, dat ons allen predikt,
Ons loff’lijk te bereiden voor ons eind.
Zoo kunnen wij uit onkruid honig lezen
En ons den duivel zelf tot leer doen zijn.
(Erpingham komt op.)
Goeden morgen, oude Thomas Erpingham;
Op zachter peluw mocht dit grijze hoofd
Zich vlijen, dan op Frankrijks harden grond.
ERPINGHAM. Toch niet, mijn vorst, dit leger is mij liever;
’k Zeg nu, „mijn bed is als des konings bed.”
KONING HENDRIK. Goed is het, dat de mensch zijn lijden liefkrijgt
Door voorbeeld; dit verlicht en sterkt den geest;
En luikt de ziel weer op, dan breken zeker
Des lichaams leden, die verstorven schenen,
Hun doodswâ los en roeren zich op nieuw
Met afgeworpen huid en frissche vlugheid.—
Sir Thomas, leen me uw mantel.—Gij, mijn broeders,
Gaat namens mij de legervorsten groeten,
Brengt hun mijn morgenwenschen en zegt allen,
Terstond zich te verzaam’len in mijn tent.
GLOSTER. Volgaarne, heer en vorst.
(Gloster en Bedford af.)
ERPINGHAM. Verzel ik uwe hoogheid?
KONING HENDRIK. Neen, mijn vriend,
Ga gij naar Englands grooten met mijn broeders;
Ik en mijn hart, wij moeten ons beraden:
Daarom, gezelschap is mij niet gewenscht.
ERPINGHAM. De Hemelheer zij met u, eed’le Hendrik.
(Erpingham af.)
KONING HENDRIK. God loone u, brave grijze, uw wakker woord!
(Pistool komt op.)
PISTOOL. Qui va là?
KONING HENDRIK. Goed vriend.
PISTOOL. Geef mij verklaring, zijt gij officier?
Of zijt gij laag, gering en van het volk?
KONING HENDRIK. Ik ben de leider van een compagnie.
PISTOOL. Sleept gij de felle speer?
KONING HENDRIK. Ja zeker. Wat zijt gij?
PISTOOL. Een edelman, gelijk de keizer ’t is.
KONING HENDRIK. Dan zijt gij beter dan de koning zelf.
PISTOOL. De koning is een haantje’, een hart van goud,
Een knaap vol leven, spruit des roems,
Van ouders goed, van vuist een echte held;
Ik kus zijn modderschoen, en recht van harte
Min ik den jongen vechtersbaas.—Uw naam?
KONING HENDRIK. Henri le Roy.
PISTOOL. Le Roy? die naam is Cornisch; fokte u Cornwal op?
KONING HENDRIK. Neen, ik ben uit Wales.
PISTOOL. Kent gij Fluellen?
KONING HENDRIK. Ja.
PISTOOL. Ik sla hem wis zijn knoflook om zijn bol, Op Davidsdag; zeg
dit hem aan.
KONING HENDRIK. Zorg dan op dien dag uw dolk niet in uw muts te dragen,
opdat hij u dien niet in den bol sla!
PISTOOL. Zijt gij zijn vriend?
KONING HENDRIK. Ja, zelfs aan hem verwant.
PISTOOL. Dan Figo voor uw deel!
KONING HENDRIK. Ik dank u, God zij met u!
PISTOOL. Mijn naam heet zich Pistool.
(Pistool af.)
KONING HENDRIK. Hij past goed bij uw grimmigheid.
(Fluellen en Gower komen op, van verschillenden kant.)
GOWER. Overste Fluellen!
FLUELLEN. Pst! in den naam van Jezus Christus, spreek zachter! Het is
de chrootste wonderpaarheid in de gesamentlijke wereld, als de
waarhaftige en oude prifilegien en wetten fan de oorlogen niet gehouden
worden. Als gij de moeiten zoudt willen nemen fan te onderzoeken de
oorlogen van Pompejus den grooten, zult gij vinden, dit verzeker ik u,
dat er in het legerkamp van Pompejus geen kikelkakel is, geen
bibbelbabbel; ik verzeker u, gij zult vinden, dat de ceremoniën van de
oorlogen, en de zorgen er van, en de formaliteiten er van, en de
matigheid er van, en de zedigheid er van, geheel anders zijn.
GOWER. Kom, de vijand maakt leven, men hoort hem de geheele nacht.
FLUELLEN. Als de vijand een ezel is en een nar en een snappende
windmaker, is het choed, denkt gij, dat wij ook zouden zijn, ziet gij,
een ezel en een nar en een snappende windmaker? Op uw geweten af,
spreek!
GOWER. Ik wil zachter spreken.
FLUELLEN. Ik pid u en verzoek u, dat gij het wilt.
(Gower en Fluellen af.)
KONING HENDRIK. Er zit, al moog’ het wat vreemdmodisch schijnen,
Toch in dien man uit Wales veel moed en ijver.
(Bates, Court en Williams komen op.)
COURT. Broeder John Bates, is dat niet de morgen, wat daar aanbreekt?
BATES. Ik geloof van ja, maar veel reden hebben wij niet, om naar de
komst van den dag te verlangen.
WILLIAMS. Wij zien daar het begin van den dag, maar het einde zullen
wij, denk ik, wel nimmer zien.—Wie gaat daar?
KONING HENDRIK. Goed vriend.
WILLIAMS. Onder welken overste dient gij?
KONING HENDRIK. Onder Sir Thomas Erpingham.
WILLIAMS. Een goed oud veldoverste en een recht vriendelijk heer. Zeg
ons eens, hoe denkt hij over onzen toestand?
KONING HENDRIK. Als over menschen, die op een zandbank gestrand zijn,
en verwachten, dat de volgende vloed hen wegspoelt.
BATES. Hij heeft toch aan den koning zijn gedachten niet gezegd?
KONING HENDRIK. Neen, en dat zou ook niet goed wezen. Want al zeg ik
dit tot u, ik geloof, dat de koning maar een mensch is zooals ik ben.
Het viooltje ruikt voor hem evenals voor mij; de lucht ziet er voor hem
even zoo uit als voor mij; al zijn zinnen zijn menschelijk van aard;
zijn praal ter zijde gelaten, verschijnt hij in zijn naaktheid
eenvoudig als een mensch, en al nemen zijn wenschen een hooger vlucht
dan de onze, zoo moeten zij toch, als zij dalen, met gelijke vlucht als
de onze nederkomen. Daarom, als hij grond ziet tot vrees, zooals wij
het doen, dan moet zijn vrees ongetwijfeld evenzoo smaken als de onze;
maar toch moet niemand, die zijn oordeel gebruikt, hem eenigen schijn
van vrees mededeelen, opdat hij, die toonend, zijn leger niet moedeloos
make.
BATES. Uitwendig mag hij zooveel moed toonen als hij wil, maar ik
geloof toch, hoe koud de nacht ook zij, dat hij zich tot aan den hals
toe in den Theems wenscht,—en ik wenschte, dat ik daar bij hem was, op
alle gevaar af, als wij hier maar vandaan waren.
KONING HENDRIK. Op mijn woord, ik wil u wel zeggen, wat ik van den
koning denk; ik geloof, dat hij nergens anders wenscht te zijn dan waar
hij is.
BATES. Dan wenschte ik, dat hij hier alleen was; dan zou hij zeker
wezen van voor losgeld vrij te komen en dan was het leven van menigen
armen duivel gered.
KONING HENDRIK. Ik durf zeggen, dat gij hem niet zulk een kwaad hart
toedraagt om hem hier alleen te wenschen, al zegt ge dit ook om te
polsen, hoe anderen denken. Mij dunkt, ik zou nergens zoo gelaten
sterven dan in het gezelschap van den koning, omdat zijn zaak
rechtvaardig en zijn strijd eervol is.
WILLIAMS. Dat is meer dan wij weten.
BATES. Ja, en meer dan ons past te onderzoeken; want wij weten genoeg,
als wij weten, dat wij des konings onderdanen zijn. Als zijn zaak
onrechtvaardig is, uit ons wischt onze gehoorzaamheid aan den koning de
zonde er van weg.
WILLIAMS. Maar als zijn zaak niet goed is, dan heeft de koning zelf een
zware rekening te vereffenen, wanneer al die beenen en armen en
hoofden, die in een veldslag afgehouwen zijn, zich verzamelen en allen
roepen: „wij stierven daar en daar”; eenigen vloekend, sommigen om een
wondheeler jammerend, sommigen om hun vrouwen, die zij in armoede
achterlieten, anderen om hun onbetaalde schulden, anderen om hun
onverzorgde kinderen. Ik vrees, dat er weinigen zijn, die goed sterven,
als zij in een veldslag sterven; want hoe kunnen zij eenige
christelijke beschikking maken, als bloed hun eenige gedachte is? Nu,
en als die menschen niet goed sterven, dan ziet het er donker uit voor
den koning, die hen er toe gebracht heeft, daar toch ongehoorzaamheid
aan hem tegen alle regels van onderdanigheid zou strijden.
KONING HENDRIK. Dus, als een zoon, die door zijn vader op den handel
wordt uitgezonden, in zijn zonden op zee verongelukt, zou, volgens uw
regel, de schuld van zijn goddeloosheid neerkomen op den vader, die hem
uitzond. Of als een dienaar, die op zijns meesters bevel een som gelds
overbrengt, door roovers wordt overvallen en in vele onverzoende
ongerechtigheden sterft, zoudt gij zeggen, dat de zaken van den meester
de oorzaak zijn van het eeuwig verderf van den dienaar. Maar dit is zoo
niet; de koning is niet verantwoordelijk voor het uiteinde van elk
zijner soldaten in het bijzonder, zoo min als de vader voor dat van
zijn zoon, of de meester voor dat van zijn dienaar, want zij verlangen
hun dood niet, als zij hun diensten verlangen. Bovendien, er is geen
koning, hoe vlekkeloos zijn zaak ook zij, die haar, als de wapenen
moeten beslissen, met louter vlekkelooze soldaten kan uitmaken.
Sommigen hebben misschien de schuld van voorbedachten en opzettelijken
doodslag op hun geweten; anderen de misleiding van maagden door het
verbroken zegel des meineeds; anderen weer maken zich van den oorlog
een bolwerk, nadat zij den zachten boezem des vredes door roof en
plundering hebben opengereten. Als deze menschen nu aan de
gerechtigheid ontsnapt en de straf in hun land ontloopen zijn, hebben
zij, al konden zij menschen te snel zijn, toch geen vleugels om God te
ontvlieden; de oorlog is zijn gerechtsdienaar, de oorlog is zijn wraak;
zoodat hier menschen wegens vroegere verbreking van ’s konings wetten
door den lateren strijd des konings gestraft worden; waar zij den dood
vreesden, hebben zij er het leven afgebracht; en waar zij veiligheid
zochten, komen zij om. Dus, als zij onvoorbereid sterven, is de koning
evenmin schuldig aan hun eeuwig verderf, als hij vroeger schuldig was
aan die misdaden, voor welke zij nu bezocht worden. De dienst van
iederen onderdaan is des konings, maar de ziel van iederen onderdaan is
zijn eigene. Daarom moest ieder soldaat in den oorlog doen, wat ieder
kranke in zijn bed doet: zijn geweten rein wasschen van ieder stofje;
en als hij zoo sterft, is het sterven hem gewin; of, sterft hij niet,
dan is het hem een zegenrijk tijdverlies, waarin hij zulk een
voorbereiding won. En voor hem, die er het leven afbrengt, zal het geen
zonde wezen, als hij denkt, dat God, in wiens hand hij zich zoo
gewillig gegeven heeft, hem dien dag heeft laten overleven, om Zijn
grootheid te zien en anderen te toonen, hoe zij zich moeten
voorbereiden.
WILLIAMS. Dit is zeker, ieder die in zonde sterft: de zonde op zijn
eigen hoofd! De koning heeft die niet te verantwoorden.
BATES. Ik verlang niet, dat hij voor mij verantwoordelijk is; en toch
ben ik besloten wakker voor hem te vechten.
KONING HENDRIK. Ik heb zelf den koning hooren zeggen, dat hij zich niet
wil laten vrijkoopen.
WILLIAMS. Ja, dat heeft hij gezegd, opdat wij lustig zouden vechten;
maar als ons de hals is afgesneden, kan hij nog wel vrijgekocht worden
en zijn wij er toch niet verder mee.
KONING HENDRIK. Als ik dat beleef, zal ik nimmer aan zijn woorden meer
geloof slaan.
WILLIAMS. Gij zult het hem dus betaald zetten! Dat is een gevaarlijk
schot uit een vlierboomhouten geweer, door de ontevredenheid van een
arm onderdaan op een monarch afgevuurd! Even goed kunt gij beproeven,
de zon in ijs te veranderen, door haar met een pauwenveertje in ’t
gelaat te waaien. Gij wilt nooit meer aan zijn woorden geloof slaan?
loop, dat is een dwaas zeggen!
KONING HENDRIK. Uw uitval is wel wat al te heftig; ik zou boos op u
zijn, als de tijd het toeliet.
WILLIAMS. Laat ons er dan om vechten, als gij in het leven blijft.
KONING HENDRIK. Dat neem ik aan.
WILLIAMS. Waaraan zal ik u erkennen?
KONING HENDRIK. Geef mij eenig onderpand van u, en ik zal het op mijn
muts dragen; als gij het dan durft erkennen, zal ik er om vechten.
WILLIAMS. Hier is mijn handschoen; geef gij er mij een van u.
KONING HENDRIK. Daar.
WILLIAMS. Dien wil ik ook op mijn muts dragen. Als gij ooit, na morgen,
tot mij komt en zegt: „dat is mijn handschoen,” mijn hand er op, dan
geef ik u een oorveeg.
KONING HENDRIK. En als ik het beleef, dat ik dien handschoen weer zie,
zal ik hem terugvorderen.
WILLIAMS. Gij zult u wel even gaarne laten hangen.
KONING HENDRIK. Nu, ik doe het, al tref ik u in des konings gezelschap
aan.
WILLIAMS. Houd uw woord; vaarwel!
BATES. Legt het bij, gij Engelsche zotten, legt het bij; wij hebben
Fransche twisten genoeg, als gij verstand hadt van rekenen.
KONING HENDRIK. Inderdaad, de Franschen kunnen wel twintig Fransche
kronen tegen één zetten, dat zij ons zullen slaan; want zij dragen hun
Fransche kale kroontjes op den kop. Maar het is voor een Engelschman
geen hoogverraad, Fransche kronen te besnoeien, en morgen zal de koning
zelf een snoeier en kerver zijn.
(De Soldaten af.)
Ja, op den koning! laden wij ons leven,
Ziel, schulden, bange vrouwen, kind’ren, zonden,
Den koning op!—Wij moeten alles dragen.
O, drukkend lot der vorsten, tweelingbroeder
Der grootheid, onderdaan te zijn van de’ adem
Van elken zotskap, die voor niets gevoel heeft
Dan voor zijn eigen hartzeer! Hoeveel zielsrust,
Aan burgers toebedeeld, ontbeert een koning!
En wat, wat heeft een koning voor op burgers,
Dan luister, luister, die voor ieder blinkt?
En wat, wat zijt gij, menschen-afgod luister,
Wat zijt gij voor een god, dat ge aardsche nooden
Meer lijden moet, dan uw aanbidders doen?
Wat hebt gij als bezitting, wat als renten?
O, luister, wijs mij aan, wat is uw waarde?
Wat is de ziel der hulde, u toegebracht?
Zijt gij iets anders nog dan plaats, rang, vorm,
Ontzag en vrees bij and’re menschen wekkend,
Maar, hoe gevreesd ook, toch veel min gelukkig
Dan zij in hunne vrees?
Wat drinkt gij vaak in steê van zoete hulde,
Dan ’t gif der vleierij? O, groote grootheid,
Word ziek, en zoek genezing bij uw luister!
Gelooft gij, dat de vuur’ge koorts zal wijken
Voor titels, toegeruischt door kruiperij?
Verdwijnen zal voor lenig, diep gebuig?
Staat met des beed’laars knie ook zijn gezondheid
U ten gebode? Neen, gij trotsche droom,
Die met eens konings rust zoo listig speelt,
Ik ben een koning, die u kent; ik weet,
Rijksappel niet, niet scepter, noch de balsem,
Noch zwaard, noch staf, noch vorstlijk diadeem,
Noch ’t kleed, doorwerkt met goud en parels, noch
De titels, voor een koning uitgegalmd,
De troon, waar hij op zit, de vloed van praal,
Die tegen ’s werelds hoogen oever klotst,
Dit alles, neen, geen driewerf kostb’re luister,
Dit alles—kan niet, in een staatsiebed,
Zoo rustig slapen als de lage slaaf,
Die met gevulden buik en ledig hoofd
Ter rust zich legt, verzaad van ’t brood des zwoegens,
De schrikb’re nacht, het hellekind, nooit ziet,
Maar als een knecht, van ’t morgenrood tot de’ avond,
Voor Phebus’ oogen zweet, en heel de nacht
Slaapt in Elysium, rijst bij ’t morgenkrieken
En Hyperions rossen aan helpt spannen,
En zoo het stadig ijlend jaar steeds bijhoudt
Met winstenbrengende’ arbeid tot aan ’t graf.
Omstraalde een vorst geen luister, o, dan ware
Zulk een armzaal’ge slover, die in arbeid
De dagen afspint en in slaap de nachten,
Een koning vóór en won het ver hem af.
De slaaf, een deelnoot in den vreê des lands,
Geniet dien; maar ’t grof brein bevroedt het luttel,
Hoe staâg de koning voor dien vrede waakt,
Welks uren meest den boer ten voordeel zijn.
(Erpingham komt op.)
ERPINGHAM. In zorg, heer, zijn uw eed’len om uw afzijn,
En zoeken u in ’t leger.
KONING HENDRIK. Oude vriend,
Roep gij hen allen samen in mijn tent;
Ik zal nog voor u daar zijn.
ERPINGHAM. ’k Ga, mijn vorst.
(Erpingham af.)
KONING HENDRIK. O, God der scharen, staal mijn krijgers ’t hart;
Vervul hen niet van vrees; ontneem hun nu
’t Begrip van reek’nen, zoo des vijands aantal
Hun ’t hart ontrukken zou!—O, Heer, denk heden,
O, heden niet, gedenk niet aan de zonde
Mijns vaders bij het grijpen naar de kroon!
’k Heb Richards lijk op nieuw ter aard besteld,
Er meer oprechte tranen aan gewijd,
Dan door geweld er druppels bloed uit vloten.
Een jaargeld geef ik aan vijfhonderd armen,
Die tweemaal daags de maag’re hand ten hemel
Verheffen, dat dit bloed vergeven zij;
En twee kapellen zijn door mij gebouwd,
Waar ernstig, plechtig steeds de priesters zingen
Voor Richards ziele. Meer nog wil ik doen,
Al zij, al wat ik doen wil, zonder waarde,
Omdat mijn boete toch na alles komt,
Vergiff’nis smeekend.
(Gloster komt op.)
GLOSTER. Mijn vorst!
KONING HENDRIK. De stem mijns broeders Gloster?—Ja;
Ik weet, waartoe gij komt en ga met u;—
De dag, mijn vrienden, alles roept mij nu.
(Beiden af.)