VIERDE BEDRIJF.

Trompetgeschal. Chorus komt op.

CHORUS. Stelle uw verbeelding thans een tijd u voor,

Dat sluipend ruischen en het stikziend duister

Der wereld wijde welving gansch vervult.

Zacht galmt nu in de’ onzaal’gen schoot der nacht

Van kamp tot kamp ’t gegons van beide legers,

Zoodat de wachters op hun posten schier

’t Geheim gefluister wederzijds verstaan.

Vuur blikt op vuur, door bleeke vlammen ziet

Elk leger ’t ander in ’t gebruind gelaat,

Elk ros tart ros, hun fier gebriesch doorboort

Het domm’lig oor der nacht, en van de tenten,

Waar wapensmeden ridderpantsers gespen,

Hun snelle hamer losse nagels klinkt,

Verneemt men ’t schriksignaal der voorbereiding.

Dorpshanen kraaien en de klokken slaan,

Het derde droom’rig morgenuur verkondend.

Trotsch op hun tal en zorg’loos, dobb’len reeds

De Franschen in hun waan en zelfvertrouwen

Om de Engelschen, op lagen prijs geschat,

En vloeken op de nacht, de loome sluipster,

Die, als een rimp’lige oude tooverkol,

Traag voorthinkt. De Engelschen, ter dood gewijd

Als offers, zitten zwijgend bij hun vuren,

Geduldig, overwegend welk gevaar

De morgen brengen zal; hun ernstig uitzicht,—

Diepholle wangen, stukgestreden kleed’ren,—

Toont aan de maan, die staart, hen als zoovele

Afschuwb’re geesten. Maar wie hem nu ziet,

Den hoogen veldheer dezer jammerschaar,

Van wacht tot wacht, van tent tot tent zich spoedend,

Hij roepe:—„Lof en glorie op zijn hoofd!”

Want hij gaat om, bezoekt geheel zijn leger,

Wenscht met bescheiden lach hun goeden morgen,

En noemt hen landgenooten, vrienden, broeders.

Geen enk’le trek op ’t koninklijk gelaat

Getuigt van ’t vreeslijk heer, dat hem omringt;

De moeitevolle, gansch doorwaakte nacht

Brengt hij geen enkel stipje kleur ten offer;

Frisch blikt hij rond en overmeestert zwakheid

Met kalm gelaat en zachte majesteit,

Dat elk, hoe uitgeput en bleek te voren,

Hem ziende, zoeten troost put uit zijn blik.

Gelijk de zon, strooit zijn milddadig oog

Alom aan ieder rijke gaven toe,

Dat kille vrees versmelt en hoog en laag

Van nieuwen moed, van vuur doortinteld zijn.—

Aanschouwt, zooveel onwaardigheid kan schetsen,

Een flauwen schijn van Hendrik in de nacht.

En dan moet ons tooneel naar ’t slagveld ijlen;

Doch, o helaas! onteeren zullen wij,—

Met vier of vijf geschaarde, stompe klingen,

Bij dwaas, belachlijk vechten slecht gevoerd,—

Den naam van Agincourt. Toch, komt! en ziet

Het wezen in den schijn, dien ’t spel u biedt.

(Chorus af.)

Koning Hendrik de Vijfde · 第 19 / 32 题