Het legerkamp der Franschen bij Agincourt.
De Connetabel van Frankrijk, de Heer van Rambures, de Hertog van
Orleans, de Dauphijn en Anderen komen op.
CONNETABEL. Nu, ik heb de beste rusting ter wereld. Ware het al dag!
ORLEANS. Gij hebt een uitmuntende rusting; maar laat mijn paard recht
wedervaren.
CONNETABEL. Het is het beste paard van heel Europa.
ORLEANS. Zal het nooit morgen worden?
DAUPHIJN. Mijn prins van Orleans en mijn heer de groot-connetabel, gij
spreekt van paarden en rustingen,—
ORLEANS. Gij zijt van beide zoo goed voorzien als eenig prins ter
wereld.
DAUPHIJN. Wat is dit een lange nacht!—Ik ruil mijn paard voor geen
enkel ander, dat op vier hoeven loopt, Ça, ha! Hij springt van den
grond op, alsof hij veerkrachtige haren tot ingewanden had; le cheval
volant, de Pegasus, qui a les narines de feu! Als ik hem bestijg, zweef
ik omhoog, ben ik een valk; hij draaft op de lucht; de aarde zingt, als
hij haar aanraakt; in het horengekletter van zijn hoef is meer muziek
dan in de veldfluit van Hermes.
ORLEANS. Hij heeft de kleur van de muskaatnoot.
DAUPHIJN. En de hitte van de gember. Het is een dier voor Perseus,
niets dan vuur en lucht; de trage elementen, aarde en water, toonen
zich nooit in hem, dan in zijn geduldige rust, als zijn berijder hem
bestijgt; hij is inderdaad een paard, alle andere knollen kan men
beesten noemen.
CONNETABEL. Inderdaad, doorluchtig heer, hij is een alleruitmuntendst,
voortreffelijk paard.
DAUPHIJN. Hij is de prins der kleppers; zijn gebriesch is als het bevel
van een monarch, en zijn houding dwingt tot hulde.
ORLEANS. ’t Is genoeg, neef.
DAUPHIJN. Kom, dat is een man zonder geest, die niet van het klimmen
van den leeuwrik af tot het ter kooi gaan van het lam op telkens nieuwe
wijs den welverdienden lof van mijn klepper kan zingen; het is een
thema, steeds vloeiend als de zee! Verander het zand in welsprekende
tongen en mijn paard biedt stof voor die allen. Het is een onderwerp
voor een souverein om over te redeneeren, en voor den souverein van een
souverein om op te rijden, en voor de wereld, de bekende zoowel als de
onbekende, om al haar eigen bezigheden ter zijde te leggen en dit wezen
aan te staren. Ik schreef eens een sonnet tot zijn lof en begon aldus:
„O, wonder der natuur!”
ORLEANS. Ik heb een sonnet op iemands geliefde zoo hooren beginnen.
DAUPHIJN. Dan heeft men dat nagevolgd, wat ik op mijn renner maakte;
want mijn paard is mijn geliefde.
ORLEANS. Uw geliefde draagt goed.
DAUPHIJN. Draagt mij goed; wat de voorgeschreven deugd en volkomenheid
van een goede en uitsluitend eigen geliefde is.
CONNETABEL. Nu, maar mij dacht gisteren, dat uw geliefde u duchtig den
rug schudde.
DAUPHIJN. Dat deed misschien de uwe u ook.
CONNETABEL. De mijne was niet gebreideld.
DAUPHIJN. O dan was zij zeker oud en mak, en dan reedt gij, als een
Iersche Kern, zonder uw pofbroek, in uw enge vleeschkleurige hozen.
CONNETABEL. Gij hebt veel verstand van rijden.
DAUPHIJN. Laat u dan van mij waarschuwen; zij, die zoo rijden en niet
behoedzaam rijden, vallen in vuile poelen. Ik heb liever mijn paard tot
geliefde.
CONNETABEL. Dan had ik even lief, dat mijn geliefde een huurknol was.
DAUPHIJN. Ik zeg u, connetabel, mijn geliefde draagt zijn eigen haar.
CONNETABEL. Daarop zou ik met evenveel recht kunnen roemen, als mijn
geliefde een zeug was.
DAUPHIJN. Le chien est retourné à son propre vomissement, et la truie
lavée au bourbier; gij maakt van alles gebruik.
CONNETABEL. Toch niet van mijn paard als geliefde, en ook niet van
zulke spreekwoorden, die zoo weinig bij de zaak passen.
RAMBURES. Heer connetabel, de rusting, die ik heden avond in uw tent
zag, zijn het sterren of zonnen, die er op zijn?
CONNETABEL. Sterren, heer.
DAUPHIJN. Enkele er van zullen morgen wel vallen, denk ik.
CONNETABEL. En toch zal mijn hemel er niet door verarmen.
DAUPHIJN. Dit kan zijn, want gij draagt er veel overtollige, en het zou
te meer eer zijn, als er eenige verdwenen.
CONNETABEL. Juist zooals uw paard uw loftuitingen draagt; hij zou even
goed draven, als er eenige van uw grootsprekerijen afgeworpen waren.
DAUPHIJN. Ik wenschte, dat ik in staat ware, hem met al den lof te
laden, dien hij verdient.—Zal het dan nimmer dag worden? Ik wil morgen
een mijl draven, en mijn weg zal geplaveid zijn met Engelsche
gezichten.
CONNETABEL. Dit wil ik niet zeggen; de weg mocht eens gezichten tegen
mij trekken. Maar ik wenschte wel, dat het dag was, want ik verlang
dien Engelschen de ooren te wasschen.
RAMBURES. Wie wil met mij dobbelen om een twintig krijgsgevangenen?
CONNETABEL. Gij moest eerst uzelf op het spel zetten, eer gij ze hebt.
DAUPHIJN. ’t Is middernacht; ik wil mij gaan wapenen.
(De Dauphijn af.)
ORLEANS. De dauphijn verlangt naar den morgen.
RAMBURES. Hij zou de Engelschen wel opeten.
CONNETABEL. Hij zal er wel evenveel opeten, als hij ombrengt.
ORLEANS. Bij de blanke hand mijner dame, hij is een dappere prins.
CONNETABEL. Zweer bij haar voet; dan kan zij den eed vertrappen.
ORLEANS. Geen edelman in het leger is grooter held dan hij.
CONNETABEL. Een leger is een bed, en daar is hij een held.
ORLEANS. Hij heeft nooit iemand leed gedaan, zoover ik weet.
CONNETABEL. Hij zal ’t morgen ook niet doen; dien goeden naam zal hij
in eere houden.
ORLEANS. Ik weet, dat hij dapper is.
CONNETABEL. Dit is mij door iemand gezegd, die hem nog beter kent dan
gij.
ORLEANS. Wie is dat?
CONNETABEL. Wel, hij heeft het mij zelf gezegd, en hij voegde er bij,
dat hij er zich niet om bekommerde, of iemand het wist.
ORLEANS. Dat behoeft hij ook niet te doen; verborgen deugden heeft hij
niet.
CONNETABEL. Toch wel, op mijn eer, maar deze heeft nooit iemand gezien
dan zijn kamerdienaar; ’t is een verkapte dapperheid, en als zij in het
licht komt, zal zij het schuwen.
ORLEANS. Afgunst heeft een booze tong.
CONNETABEL. Ik zal dat spreekwoord dompen met:—„een vriendenoog, een
vleiersmond.”
ORLEANS. En ik vang dat op met:—„Geef den duivel wat hem toekomt.”
CONNETABEL. Juist opgemerkt; gij verklaart er uw vriend tot duivel mee.
Maar nu krijgt uw spreekwoord den wind van voren met:—„Naar de hel met
den duivel.”
ORLEANS. Gij zijt in spreekwoorden de baas, en waarom? Een narrenpijl
is ras verschoten.
CONNETABEL. Daar schiet gij het doel voorbij.
ORLEANS. Het is niet de eerste maal, dat men u voorbijschiet.
(Een Bode komt op.)
BODE. Heer groot-connetabel, de Engelschen liggen binnen de
vijftienhonderd pas van uw tenten.
CONNETABEL. Wie heeft den afstand gemeten?
BODE. De heer van Grandpré.
CONNETABEL. Een dapper en recht nauwkeurig edelman.—Werd het nu maar
dag!—Ach, die arme Hendrik van Engeland!—hij verlangt niet zoo naar den
dageraad als wij.
ORLEANS. Wat een ongelukkige dwaze hals is deze koning van Engeland,
met zijn domkoppen van aanhangers zoo ver van honk te gaan!
CONNETABEL. Als die Engelschen een greintje verstand hadden, zouden zij
maken, dat zij wegkwamen.
ORLEANS. Dat hebben zij in het geheel niet; want hadden zij in het
hoofd eenig verstandelijk wapentuig, dan konden zij nimmer zulke zware
stormkappen op het hoofd dragen.
RAMBURES. Dat eiland Engeland brengt recht dappere schepsels voort; hun
bullebijters hebben huns gelijken niet in moed.
ORLEANS. Stomme rekels, die blindelings een Russischen beer in den mond
loopen en zich de koppen laten verbrijzelen als rotte appels. Gij kunt
even goed zeggen, dat het een dappere vloo is, die haar ontbijt durft
nuttigen op de lip van een leeuw.
CONNETABEL. Juist, juist; en evenals de bullebijters zijn de mannen;
zij gaan er ruw en onbesuisd op los en laten hun verstand thuis bij hun
vrouwen. En geef hun dan veel rundvleesch te eten, en ijzer en staal,
dan vreten zij als wolven en vechten als duivels.
ORLEANS. Ja, maar bij die Engelschen is het rundvleesch nu zeker
verduiveld schaarsch.
CONNETABEL. Dan zullen wij morgen bevinden, dat zij alleen trek hebben
in eten en niet in vechten. Het wordt tijd om ons te wapenen; komt,
willen wij gaan?
ORLEANS. ’t Is nu twee uur; elk onzer heeft,—laat zien,—
Voor zich een honderd Engelschen te tien.
(Allen af.)