ZEVENDE TOONEEL.

Het legerkamp der Franschen bij Agincourt.

De Connetabel van Frankrijk, de Heer van Rambures, de Hertog van

Orleans, de Dauphijn en Anderen komen op.

CONNETABEL. Nu, ik heb de beste rusting ter wereld. Ware het al dag!

ORLEANS. Gij hebt een uitmuntende rusting; maar laat mijn paard recht

wedervaren.

CONNETABEL. Het is het beste paard van heel Europa.

ORLEANS. Zal het nooit morgen worden?

DAUPHIJN. Mijn prins van Orleans en mijn heer de groot-connetabel, gij

spreekt van paarden en rustingen,—

ORLEANS. Gij zijt van beide zoo goed voorzien als eenig prins ter

wereld.

DAUPHIJN. Wat is dit een lange nacht!—Ik ruil mijn paard voor geen

enkel ander, dat op vier hoeven loopt, Ça, ha! Hij springt van den

grond op, alsof hij veerkrachtige haren tot ingewanden had; le cheval

volant, de Pegasus, qui a les narines de feu! Als ik hem bestijg, zweef

ik omhoog, ben ik een valk; hij draaft op de lucht; de aarde zingt, als

hij haar aanraakt; in het horengekletter van zijn hoef is meer muziek

dan in de veldfluit van Hermes.

ORLEANS. Hij heeft de kleur van de muskaatnoot.

DAUPHIJN. En de hitte van de gember. Het is een dier voor Perseus,

niets dan vuur en lucht; de trage elementen, aarde en water, toonen

zich nooit in hem, dan in zijn geduldige rust, als zijn berijder hem

bestijgt; hij is inderdaad een paard, alle andere knollen kan men

beesten noemen.

CONNETABEL. Inderdaad, doorluchtig heer, hij is een alleruitmuntendst,

voortreffelijk paard.

DAUPHIJN. Hij is de prins der kleppers; zijn gebriesch is als het bevel

van een monarch, en zijn houding dwingt tot hulde.

ORLEANS. ’t Is genoeg, neef.

DAUPHIJN. Kom, dat is een man zonder geest, die niet van het klimmen

van den leeuwrik af tot het ter kooi gaan van het lam op telkens nieuwe

wijs den welverdienden lof van mijn klepper kan zingen; het is een

thema, steeds vloeiend als de zee! Verander het zand in welsprekende

tongen en mijn paard biedt stof voor die allen. Het is een onderwerp

voor een souverein om over te redeneeren, en voor den souverein van een

souverein om op te rijden, en voor de wereld, de bekende zoowel als de

onbekende, om al haar eigen bezigheden ter zijde te leggen en dit wezen

aan te staren. Ik schreef eens een sonnet tot zijn lof en begon aldus:

„O, wonder der natuur!”

ORLEANS. Ik heb een sonnet op iemands geliefde zoo hooren beginnen.

DAUPHIJN. Dan heeft men dat nagevolgd, wat ik op mijn renner maakte;

want mijn paard is mijn geliefde.

ORLEANS. Uw geliefde draagt goed.

DAUPHIJN. Draagt mij goed; wat de voorgeschreven deugd en volkomenheid

van een goede en uitsluitend eigen geliefde is.

CONNETABEL. Nu, maar mij dacht gisteren, dat uw geliefde u duchtig den

rug schudde.

DAUPHIJN. Dat deed misschien de uwe u ook.

CONNETABEL. De mijne was niet gebreideld.

DAUPHIJN. O dan was zij zeker oud en mak, en dan reedt gij, als een

Iersche Kern, zonder uw pofbroek, in uw enge vleeschkleurige hozen.

CONNETABEL. Gij hebt veel verstand van rijden.

DAUPHIJN. Laat u dan van mij waarschuwen; zij, die zoo rijden en niet

behoedzaam rijden, vallen in vuile poelen. Ik heb liever mijn paard tot

geliefde.

CONNETABEL. Dan had ik even lief, dat mijn geliefde een huurknol was.

DAUPHIJN. Ik zeg u, connetabel, mijn geliefde draagt zijn eigen haar.

CONNETABEL. Daarop zou ik met evenveel recht kunnen roemen, als mijn

geliefde een zeug was.

DAUPHIJN. Le chien est retourné à son propre vomissement, et la truie

lavée au bourbier; gij maakt van alles gebruik.

CONNETABEL. Toch niet van mijn paard als geliefde, en ook niet van

zulke spreekwoorden, die zoo weinig bij de zaak passen.

RAMBURES. Heer connetabel, de rusting, die ik heden avond in uw tent

zag, zijn het sterren of zonnen, die er op zijn?

CONNETABEL. Sterren, heer.

DAUPHIJN. Enkele er van zullen morgen wel vallen, denk ik.

CONNETABEL. En toch zal mijn hemel er niet door verarmen.

DAUPHIJN. Dit kan zijn, want gij draagt er veel overtollige, en het zou

te meer eer zijn, als er eenige verdwenen.

CONNETABEL. Juist zooals uw paard uw loftuitingen draagt; hij zou even

goed draven, als er eenige van uw grootsprekerijen afgeworpen waren.

DAUPHIJN. Ik wenschte, dat ik in staat ware, hem met al den lof te

laden, dien hij verdient.—Zal het dan nimmer dag worden? Ik wil morgen

een mijl draven, en mijn weg zal geplaveid zijn met Engelsche

gezichten.

CONNETABEL. Dit wil ik niet zeggen; de weg mocht eens gezichten tegen

mij trekken. Maar ik wenschte wel, dat het dag was, want ik verlang

dien Engelschen de ooren te wasschen.

RAMBURES. Wie wil met mij dobbelen om een twintig krijgsgevangenen?

CONNETABEL. Gij moest eerst uzelf op het spel zetten, eer gij ze hebt.

DAUPHIJN. ’t Is middernacht; ik wil mij gaan wapenen.

(De Dauphijn af.)

ORLEANS. De dauphijn verlangt naar den morgen.

RAMBURES. Hij zou de Engelschen wel opeten.

CONNETABEL. Hij zal er wel evenveel opeten, als hij ombrengt.

ORLEANS. Bij de blanke hand mijner dame, hij is een dappere prins.

CONNETABEL. Zweer bij haar voet; dan kan zij den eed vertrappen.

ORLEANS. Geen edelman in het leger is grooter held dan hij.

CONNETABEL. Een leger is een bed, en daar is hij een held.

ORLEANS. Hij heeft nooit iemand leed gedaan, zoover ik weet.

CONNETABEL. Hij zal ’t morgen ook niet doen; dien goeden naam zal hij

in eere houden.

ORLEANS. Ik weet, dat hij dapper is.

CONNETABEL. Dit is mij door iemand gezegd, die hem nog beter kent dan

gij.

ORLEANS. Wie is dat?

CONNETABEL. Wel, hij heeft het mij zelf gezegd, en hij voegde er bij,

dat hij er zich niet om bekommerde, of iemand het wist.

ORLEANS. Dat behoeft hij ook niet te doen; verborgen deugden heeft hij

niet.

CONNETABEL. Toch wel, op mijn eer, maar deze heeft nooit iemand gezien

dan zijn kamerdienaar; ’t is een verkapte dapperheid, en als zij in het

licht komt, zal zij het schuwen.

ORLEANS. Afgunst heeft een booze tong.

CONNETABEL. Ik zal dat spreekwoord dompen met:—„een vriendenoog, een

vleiersmond.”

ORLEANS. En ik vang dat op met:—„Geef den duivel wat hem toekomt.”

CONNETABEL. Juist opgemerkt; gij verklaart er uw vriend tot duivel mee.

Maar nu krijgt uw spreekwoord den wind van voren met:—„Naar de hel met

den duivel.”

ORLEANS. Gij zijt in spreekwoorden de baas, en waarom? Een narrenpijl

is ras verschoten.

CONNETABEL. Daar schiet gij het doel voorbij.

ORLEANS. Het is niet de eerste maal, dat men u voorbijschiet.

(Een Bode komt op.)

BODE. Heer groot-connetabel, de Engelschen liggen binnen de

vijftienhonderd pas van uw tenten.

CONNETABEL. Wie heeft den afstand gemeten?

BODE. De heer van Grandpré.

CONNETABEL. Een dapper en recht nauwkeurig edelman.—Werd het nu maar

dag!—Ach, die arme Hendrik van Engeland!—hij verlangt niet zoo naar den

dageraad als wij.

ORLEANS. Wat een ongelukkige dwaze hals is deze koning van Engeland,

met zijn domkoppen van aanhangers zoo ver van honk te gaan!

CONNETABEL. Als die Engelschen een greintje verstand hadden, zouden zij

maken, dat zij wegkwamen.

ORLEANS. Dat hebben zij in het geheel niet; want hadden zij in het

hoofd eenig verstandelijk wapentuig, dan konden zij nimmer zulke zware

stormkappen op het hoofd dragen.

RAMBURES. Dat eiland Engeland brengt recht dappere schepsels voort; hun

bullebijters hebben huns gelijken niet in moed.

ORLEANS. Stomme rekels, die blindelings een Russischen beer in den mond

loopen en zich de koppen laten verbrijzelen als rotte appels. Gij kunt

even goed zeggen, dat het een dappere vloo is, die haar ontbijt durft

nuttigen op de lip van een leeuw.

CONNETABEL. Juist, juist; en evenals de bullebijters zijn de mannen;

zij gaan er ruw en onbesuisd op los en laten hun verstand thuis bij hun

vrouwen. En geef hun dan veel rundvleesch te eten, en ijzer en staal,

dan vreten zij als wolven en vechten als duivels.

ORLEANS. Ja, maar bij die Engelschen is het rundvleesch nu zeker

verduiveld schaarsch.

CONNETABEL. Dan zullen wij morgen bevinden, dat zij alleen trek hebben

in eten en niet in vechten. Het wordt tijd om ons te wapenen; komt,

willen wij gaan?

ORLEANS. ’t Is nu twee uur; elk onzer heeft,—laat zien,—

Voor zich een honderd Engelschen te tien.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vijfde · 第 18 / 32 题