ZESDE TOONEEL.

Het Engelsch legerkamp in Picardije.

Gower en Fluellen komen op, elkander ontmoetende.

GOWER. Hoe staat het, overste Fluellen? komt gij van de brug?

FLUELLEN. Ik verzeker u, daar worden zeer uitstekende diensten pegaan

pij de prug.

GOWER. Is de hertog van Exeter ongedeerd?

FLUELLEN. De hertog van Exeter is zoo heldenmoedig als Agamemnon, en

een man, dien ik pemin en eer, met mijn ziel, en mijn hart, en mijn

verknochtheid, en mijn leven, en mijn levensmiddelen, en al mijn

vermogen. Hij is,—Chod sij gedankt en geprijst!—gewond op geenerlei

wijs, maar hij houdt de prug, zoo dapper mogelijk, en met

foortreffelijke wetenschap fan den oorlog. Daar is een faandrig

luitenant pij de prug,—ik denk waarachtig in mijn geweten, hij is een

dappere man als Marcus Antonius, en hij is een man van geen estimatie

in de wereld, maar ik heb hem praven dienst zien doen.

GOWER. Hoe noemt gij hem?

FLUELLEN. Hij heet faandrig Pistool.

GOWER. Ik ken hem niet.

(Pistool komt op.)

FLUELLEN. Daar komt de man.

PISTOOL. Hoofdman, ik bid u, mij een gunst te doen;

De hertog Exeter is u genegen.

FLUELLEN. Ja, dank zij Chod, en ik heb ook enkele welwillendheid

verdiend van zijn hand.

PISTOOL. Bardolf, een krijgsman, vast en sterk van hart,

Met sluwen moed, heeft door het gruw’lijk noodlot,

En ’t wiss’lend dolle rad der wufte vrouw,

De blinde schikgodin Fortuin,

Wier stand is op een steen, die rustloos rolt,—

FLUELLEN. Met uw ferlof, faandrig Pistool. Fortuin wordt plind gemalen

met een pand voor haar oogen om u te betuiten, dat Fortuin blind is. En

sij wordt ook gemalen met een rad, om u te betuiten,—wat de moraal er

fan is,—dat zij is draaiende en onpestendig en feranderlijkheid en

ferscheidenheid, en haar foet, siet gij, is gefestigd op een polronden

steen, dat rolt en rolt en rolt. Wezenlijk, de dichters maakt een zeer

foortreffelijke peschrijving er fan, Fortuin is een foortreffelijke

moraal.

PISTOOL. Fortuin is Bardolfs vijandin, ziet norsch;

Hij stal zich een monstrans en moet nu hangen.

Een vloekb’re dood!

Voor honden gaap’ de galg, de mensch zij vrij,

En hennep mag zijn gorgel niet verstikken.

Maar Exeter deed de uitspraak van den dood

Voor voddigen monstrans.

Ga dus en spreek, de hertog hoort uw stem;

Zij Bardolfs levensdraad niet afgesneden

Met scherpen penningstrop en lagen smaad;

Spreek, hoofdman, voor zijn heil, en ik zal ’t u beloonen.

FLUELLEN. Faandrig Pistool, ik fersta gedeeltelijk uw meening.

PISTOOL. Welnu, ’t verheuge uw hart.

FLUELLEN. Zeker, faandrig, het is niet een ding om ferheugd te zijn,

want, siet gij, als hij mijn eigen proeder was, zou ik den hertog

ferzoeken, zijn choedvinden te doen en hem te brengen tot de

terechtstelling; want de krijgstucht moet gepruikt worden.

PISTOOL. Sterf dan en wees verdoemd, en figo voor uw vriendschap!

FLUELLEN. Het is choed.

PISTOOL. De vijg van Spanje!

(Pistool af.)

FLUELLEN. Zeer choed.

GOWER. Nu, dat is een uitgemaakte schelmachtige bedrieger; nu ken ik

hem wel, een koppelaar en een beurzensnijder.

FLUELLEN. Ik wil u verzekeren, hij uitte zoo prave woorden op de prug,

als gij maar zien kunt op een zomerdag. Maar het is zeer choed; wat hij

daar gesproken heeft tot mij, dat is choed, gij zult het zeker zien,

als de cheschikte tijd er foor komt.

GOWER. Nu, hij is een uilskuiken, een zot, een schelm, die af en toe in

den oorlog gaat, om bij zijn terugkomst naar Londen den soldaat uit te

hangen. En zulke knapen kennen de namen van de bevelhebbers op hun

duimpje, en zij leeren van buiten waar het heet toeging, bij dit en dat

bolwerk, bij die en die bres, bij dit en dat konvooi; wie zich dapper

gehouden heeft, wie doodgeschoten werd, wie zich slecht gedroeg, welke

voorwaarden de vijand stelde; en dat leeren zij nauwkeurig in

krijgsmanstermen, die zij met nieuwmodische vloeken opsmukken. En wat

een generaalsbaard en een havelooze legerplunje voor werking doen bij

schuimende flesschen en met bier doortrokken hersens, het is verbazend,

als men er aan denkt. Maar gij moet zulke schandvlekken van onzen tijd

leeren erkennen, of gij zoudt u wonderbaarlijk kunnen vergissen.

FLUELLEN. Ik wil u wat zeggen, oferste Gower; ik heb zeer choed

gemerkt; hij is niet de man, dien hij gaarne aan de wereld zou laten

zien dat hij is; als ik aan zijn rok een steek los vind, zal ik hem

seggen wat ik denk. (Er wordt getrommeld.) Hoor daar, de koning komt,

en ik moet spreken met hem over de prug.

(Trommen en vaandels. Koning Hendrik, Gloster en Soldaten komen op.)

Chod pehoete uw majesteit!

KONING HENDRIK. Hoe is ’t, Fluellen, komt gij van de brug?

FLUELLEN. Ja, om uwe majesteit te dienen. De hertog van Exeter heeft de

prug zeer dapperlijk gehouden; de Franschen is afgetrokken, siet gij,

en daar is dappere, recht prave gevechten. Waarachtig, de vijand waren

pijna pezeten van de prug, maar hij is gedwongen geweest terug te gaan

en de hertog van Exeter is meester van de prug. Ik kan het aan uwe

majesteit zeggen, de hertog is een prave man.

KONING HENDRIK. Wat hebt gij aan manschappen verloren, Fluellen?

FLUELLEN. De verderving van den vijand is zeer groot geweest, naar alle

rede groot; waarachtig, ik voor mijn persoon cheloof, de hertog heeft

niet verloren een enkel man, dan een die denkelijk wordt terechtgesteld

om het pestelen van een kerk, een zekeren Bardolf als uw majesteit den

man kent; zijn gezicht is een en al puisten en knobbels en wratten en

fuurflammen, en zijn lippen plazen zijn neus aan, en die is als een

kool fuur, pij tijden plauw en pij tijden rood; maar nu is zijn neus

terechtgesteld en zijn fuur is uit.

KONING HENDRIK. Wij zouden al zulke misdadigers zoo uitgeroeid willen

zien, en wij geven uitdrukkelijk bevel, dat er op onze marschen door

het land aan de dorpen niets worde afgeperst, dat er niets genomen

worde dan tegen betaling, dat geen Franschman gehoond of door smaadtaal

gekrenkt worde; want als zachtmoedigheid en wreedheid om een koninkrijk

spelen, is de zachtaardigste speler de eerste om te winnen.

(Een trompetsignaal. Montjoye komt op.)

MONTJOYE. Gij weet aan mijn gewaad reeds, wie ik ben.

KONING HENDRIK. Dit weet ik, ja; wat moet ik van u weten?

MONTJOYE. Mijns meesters wil.

KONING HENDRIK. Ontvouw dien vrij.

MONTJOYE. Zoo spreekt mijn koning:—„Zeg aan Hendrik van Engeland:

ofschoon wij dood schenen, wij sliepen slechts; gunstige gelegenheid is

een beter krijgsman dan overijling. Zeg hem, dat wij hem te Harfleur

hadden kunnen tuchtigen, maar dat wij het niet goed vonden, een gezwel

te drukken, voor het geheel rijp was. Nu is voor ons het oogenblik daar

om te spreken, en onze stem is die van het gezag. Engeland moet zijn

dwaasheid bejammeren, zijn zwakheid zien en onze lankmoedigheid

bewonderen. Zeg hem daarom, aan zijn losgeld te denken, dat

geëvenredigd moet zijn aan de verliezen, die wij geleden, de

onderdanen, die wij verloren, de vernedering, die wij geduld hebben,

zoodat, als die last hem met vol gewicht werd opgelegd, zijn kleinheid

bezwijken zou. Wat onze verliezen betreft, zijn schatkamer is er te arm

voor; wat het vergieten van ons bloed betreft, de legers van zijn

koninkrijk te zwak in manschap; en wat onze vernedering betreft, zijn

eigen persoon, knielend aan onze voeten, slechts een geringe en

waardelooze voldoening. Voeg hierbij onze uitdaging; en zeg hem ten

slotte, dat hij de verrader van zijn volgelingen is geworden, want dat

hun veroordeeling uitgesproken is.”—Aldus spreekt mijn koning en

meester; aldus luidt mijn opdracht.

KONING HENDRIK. Hoe is uw naam? uw ambt is mij bekend.

MONTJOYE. Montjoye.

KONING HENDRIK. Gij kwijt u loff’lijk van uw last. Keer weder,

En zeg uw vorst, dat ik hem thans niet zoek,

Maar liever ongehinderd door wil trekken

Tot naar Calais, want,—dit belijd ik hier,

Al moge ’t niet zeer wijs zijn, aan een vijand,

Die sluw zijn voordeel zoekt, dit te bekennen,—

Mijn volk is afgemat door ziekte, en ook

Gedund in tal, de handvol, die mij rest,

Niet beter schier, dan even zooveel Franschen;—

Schoon ’t in hun volle kracht,—voorwaar, heraut!—

Mij scheen, dat ieder Engelsch beenenpaar

Drie Franschen dragen kon. Maar God vergeev’ mij,

Dat ik zoo poch!—het is uw Fransche lucht,

Die dit gebrek mij aanwaait: ik betreur het.

Ga dus en meld uw meester, dat ik hier ben,

Dit zwak en waard’loos lijf mijn losgeld is,

Mijn leger slechts een zwakke, kranke bende;

Toch,—meld hem ’t,—komen willen wij, met God,

Al sperde heel Frankrijk met een buur als hij

Den weg ons af. Hier, neem dit voor uw moeite.—

Ga, zeg uw heer, dat hij het wel bedenke:

Laat hij ons door, ’t is wèl; weêrstaat hij ons,

Dan kleurt uw purp’ren bloed den bruinen grond

Door onze hand.—En nu, Montjoye, vaarwel!

Nog eens zij hier ons antwoord saamgevat:

„Wij zoeken niet, zooals wij zijn, een veldslag,

Maar mijden dien ook niet, zooals wij zijn.”

Zeg dit uw meester.

MONTJOYE. Ik zal dit melden.—’k Zeg uw hoogheid dank.

GLOSTER. Zij zullen, hoop ik, thans ons niet bestoken.

KONING HENDRIK. In Gods hand zijn wij, niet in hunne hand.

Thans allen naar de brug, want de avond valt;

Wij leeg’ren ons aan gene zij des strooms,

En eischen morgen hun den aftocht af.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vijfde · 第 17 / 32 题