Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.
De Koning van Frankrijk, de Dauphijn, de Hertog van Bourbon, de
Connetabel van Frankrijk en Anderen komen op.
KONING KAREL. Dit is gewis, de Somme is hij reeds over.
CONNETABEL. En grijpt men hem niet aan, mijn vorst, zoo laat ons
Niet meer in Frankrijk blijven, ’t gansch ontruimen,
Wijnbergen, alles, aan barbaren schenken.
DAUPHIJN. O Dieu vivant! Wat! zullen een paar rijsjes,
De uitbotting van de wulpschheid onzer vaad’ren,
Uitspruitsels, op een wilden stam geënt,
Zal dit zoo plotsling in de wolken schieten,
Zoo laag op die hen entten nederzien?
BOURBON. Normandiërs, niets, niets dan Normannerbastaards!
Mort de ma vie! gaan zij onaangevochten
Hun weg,—ik maak mijn hertogdom te gelde,
En koop me in Albion, dien neergeplompten
Uithoek der aard, een smeer’ge boerenplaats.
CONNETABEL. Dieu des batailles! Wat schonk hun dat vuur?
Is hun klimaat niet mistig, somber, ruw,
Schijnt ook de zon, geërgerd, er niet bleek,
Hun vruchten doodend met zijn fronsblik? Kan
Hun brouwsel, water op wat gerst getrokken,
Een drank voor afgereden knollen, zoo
’t Koud bloed van hen tot dapp’re hitte koken?
En moet ons warmer bloed, door wijn bezield,
Bevroren schijnen? O, voor Frankrijks eer,
Laat ons niet hangen, als aan onze daken
IJskegels doen, terwijl een kouder volk
De droppels zijner dapp’re jeugd hier zweet
Op onze rijke velden, die men arm
Mag noemen in hun aangeboren meesters.
DAUPHIJN. Bij eer en trouw, reeds spotten onze schoonen
Ronduit met ons, ja, zeggen meer: ons vuur
Zou uit zijn, en dra geven ze aan den lust
Van Englands jeugd haar lichaam prijs, om Frankrijk
Op nieuw, met bastaard-krijgers, te bevolken.
BOURBON. Dansmeesters willen ze ons in England zien.
Luchtsprongen, vlugge passen onderwijzend;
In onze hielen, heet het, zit onze eer;
In ’t loopen hebben we ons gelijken niet.
KONING KAREL. Waar is Montjoye, des rijks heraut? hij groete
Uitdagend, namens ons, ras Englands vorst.—
Op, prinsen! ijlt in ’t veld! de geest der eer
Zij scherper wapen nog dan ’t felste zwaard!
Charles de la Bret, Frankrijks groot connetabel,
Gij, hertogen van Orleans, Bar, Berry,
Bourgogne, Brabant, Alençon, Bourbon,
Jacques Chatillon, Rambures, Vaudemont,
Beaumont, Grandpré, Roussi en Fauconberg,
Foix, Lestrale, Boucicault en Charolois,
Hertogen, prinsen, graven, baanderheeren,
Delgt, gij met groote leenen, grooten smaad;
Stuit Englands Hendrik, die door Frankrijk stormt
Met vanen, voor Harfleur in bloed gedoopt;
Stort op zijn leger, als gesmolten sneeuw
In dalen, op wier lagen knechtenzetel
Der Alpen kruin haar vochten spuwt en uitgiet;
Gaat, overvalt hem,—macht hebt gij genoeg,—
En voert hem, in een wagen opgesloten,
Gevangen naar Rouaan.
CONNETABEL. Zoo past het grooten.
Slechts dit bedroeft mij, dat zijn macht zoo klein,
Zijn volk verhongerd, krank is van den marsch;
Want zeker, ziet hij slechts ons heer, dan zal
Zijn hart verzinken in een poel van vrees,
En hij, in steê van strijd, een losgeld bieden.
KONING KAREL. Spoor dies Montjoye tot spoed, heer connetabel;
Hij vrage aan Englands koning, namens ons,
Welk losgeld hij vrijwillig wil voldoen.—
Gij, prins Dauphijn, blijft bij ons in Rouaan.
DAUPHIJN. Ik bid uw majesteit, dit niet.
KONING KAREL. Berust er in, gij blijft alhier bij ons.—
Op, connetabel, en gij prinsen allen!
En meldt welras, dat England is gevallen!
(Allen af.)