Op dezelfde plaats.
Legerscharen. Nym, Bardolf, Pistool en de Jongen komen op.
BARDOLF. Vooruit, vooruit, vooruit! naar de bres, naar de bres!
NYM. Ik bid u, korporaal, bedaard; de kloppartij is al te heet; en wat
mij betreft, ik heb geen koppel levens; de humor er van is te heet, dat
is de litanie er van.
PISTOOL. De litanie is juist; het wemelt hier van humors;
Klop hier, klop daar; Gods knechten vallen, sneven:
Hier wint de held
Op ’t bloedig veld
Al strijdend eeuw’gen roem.
JONGEN. Ik wenschte, dat ik in een bierhuis zat, in Londen! Ik zou al
mijn roem voor een kan bier geven en voor veiligheid.
PISTOOL. En ik:
Zoo alles maar voor ’t wenschen was,
Of ik dan ook vol ijver was!
Ik ijlde fluks er heen.
JONGEN. Zoo vluchtig
En luchtig,
Als ’t vogeltje zingt in ’t bosch.
(Fluellen komt op.)
FLUELLEN. Foort, naar de pres, gij honden! foort, schafuiten!
PISTOOL. Spaar, groote veldheer, ’t zwak geslacht des stofs!
Betoom uw woede, toom uw mannenwoede;
Betoom uw woede, o veldheer!
Fier haantje, toom uw woede; erbarmen, duifje!
NYM. Dat zijn fraaie humors!—een mensch zijn eer wint niets dan booze
humors.
(Nym, Pistool en Bardolf af; Fluellen achter hen aan.)
JONGEN. Zoo jong als ik ben, heb ik toch die drie vechtersbazen in de
gaten. Ik ben jongen bij hen alle drie; maar zij alle drie, als zij bij
mij wilden dienen, waren toch mijn man niet; want waarachtig, drie
zulke fratsenmakers maken samen nog niet één man uit. Bardolf, die
heeft een witte lever en een rood gezicht; en daarom, met zijn vlammen
ziet hij er vurig genoeg uit, maar hij vecht niet. Pistool, die heeft
een moorddadige tong en een vreedzaam zwaard; en daarom breekt hij
woorden den nek, maar houdt zijn wapens heel. Nym, die heeft wel eens
gehoord, dat menschen van weinig woorden de besten zijn, en daarom
verdraait hij het, ooit te bidden, opdat men hem niet voor een lafaard
zou houden, maar naast zijn weinige en slechte woorden staan even
weinige goede daden, want hij sloeg nooit iemand den kop in dan
zichzelf, en dat was tegen den deurpost, toen hij dronken was. Zij
stelen alles, wat voor de hand komt, en dat noemen zij zaken doen.
Bardolf stal de kast van een luit en droeg die twaalf mijlen ver en
verkocht ze voor vierdehalven stuiver. Nym en Bardolf zijn gezworen
broeders in het kapen en in Calais stalen zij een aschschop; uit dat
proefstuk zag ik, dat geen van tweeën een schop waard is. Zij zouden
willen, dat ik even goed vertrouwd was met een andermans zakken, als
zijn handschoenen of zakdoeken het zijn, wat zeer tegen mijn
mannenwaarde strijdt, als ik uit een anders zak wat neem om het in den
mijnen te steken, want dat zou toch niets anders wezen dan onrecht op
te steken. Ik moet van hen weg en een beteren dienst zoeken; mijn
zwakke maag kan hun schelmerij niet verdragen en daarom moet ik dien
opgeven.
(De Jongen af.)
(Fluellen komt terug, gevolgd door Gower.)
GOWER. Overste Fluellen, gij moet dadelijk bij de mijnen komen; de
hertog van Gloster wil u spreken.
FLUELLEN. Pij te mijnen? seg gij ten hertog, het is niet so choed te
komen bij te mijnen, want, siet gij, te mijnen is niet in akkoord met
de leering fan ten oorlog; de concaviteiten er van is niet chenoegsaam,
want, ziet gij, de vijand,—dat kunt gij den hertog wel seggen, siet
gij,—is self wel vier ellen onder de contermijnen gegraafd. Pij Jezus,
ik denk, hij sal ons allen springen in de lucht, als er geen betere
directies is.
GOWER. De hertog van Gloster, die het bestuur heeft van het beleg, laat
zich geheel leiden door een Ier, een recht dapper man, op mijn woord.
FLUELLEN. Dat is de overste Macmorris, niet waar?
GOWER. Ik geloof van ja.
FLUELLEN. Pij Jezus, hij is een ezel, als in de wereld, dat wil ik
pefestigen op zijn baard; hij heeft niet meer directies in de ware
kunsten van den oorlog, siet gij, van de Romeinsche kunsten, als een
pasgeboren schoothond.
(Macmorris en Jamy komen op den achtergrond op.)
GOWER. Daar komt hij; en de Schotsche overste, overste Jamy, is bij
hem.
FLUELLEN. Oferste Jamy is een verpazend tapper edelman, dat is zeker;
en fan groote onderfinding en wetenschap in de oude oorlogen, naar mijn
pijzondere kennis van zijn directies; pij Jezus, hij zal zijn onderwerp
staande houden, soo choed als eenig krijgsman in de wereld, in de
wetenschappen van de foorgaande oorlogen van de Romeinen.
JAMY. Ik zeg u goeden dag, overste Fluellen.
FLUELLEN. Wees gechroet, oferste Jamy.
GOWER. Hoe staat het, overste Macmorris, hebt gij de mijnen verlaten?
hebben de schansgravers het opgegeven?
MACMORRIS. Bij Christus, ’t is verkeerd gedaan; het werk is opgegeven,
de trompetters blazen terugroeping. Bij mijn hand zweer ik en bij mijns
vaders ziel, dat is verkeerd gedaan, het werk is opgegeven; ik had de
stad in de lucht laten springen, zoo waar mij Christus helpe, ja, in
een uur. O, ’t is verkeerd gedaan, ’t is verkeerd gedaan; bij mijn
hand, ’t is verkeerd gedaan.
FLUELLEN. Oferste Macmorris, ik pit u nu, wilt gij mij toestaan, siet
gij, een paar disputaties met u te hebben, als gedeeltelijk betreffend
of belangend de wetenschappen van den oorlog, de Romeinsche oorlogen,
bij wijze van argumentatie, siet gij, en friendschappelijke
communicatie, gedeeltelijk tot bewijzen mijn meening, en gedeeltelijk,
siet gij, tot pefestiging van mijn inzichten betreffende de directie
van de krijgswetenschap, dat is de zaak.
JAMY. Dat zal zeer goed zijn, dat is zeer goed, mijn goede oversten
beiden, en ik zal het, met verlof, u vergelden, als de gelegenheid eens
komt; dat zal ik, waarachtig.
MACMORRIS. Het is geen tijd om te gaan redeneeren, zoo waar Christus
mij helpe. De strijd is heet, en het weer, en de oorlog, en de koning
en de hertogen; het is geen tijd voor redeneeren. De stad wordt berend
en de trompet roept ons naar de bres, en wij praten, en, bij Christus,
wij doen niets; ’t is schande voor ons allen; zoo waar God mij helpe,
’t is schande, stil te blijven; ’t is schande, bij mijn hand; en daar
zijn kelen af te snijden en daar is werk te doen, en daar wordt niets
gedaan, zoo waar Christus mij helpe, ja.
JAMY. Bij het sakrament, eer deze mijn oogen zich te slapen leggen, wil
ik goede diensten doen, of ik wil er voor in den grond liggen, ja, of
mijn leven laten; en ik wil het zoo manhaftig betalen, als ik kan; dat
zal ik zeker doen; ja, dat is kort en goed de zaak. Maar toch, ik had
gaarne een dispuut tusschen u tweeën gehoord.
FLUELLEN. Oferste Macmorris, ik cheloof, siet gij, met uwe ferpetering,
er is niet velen van uw natie—
MACMORRIS. Van mijn natie? Wat is mijn natie? Is het een hondsvot en
een bastaard en een schelm en een schurk? Wat is mijn natie? Wie zegt
iets van mijn natie?
FLUELLEN. Ziet gij? als gij de zaak anders neemt dan is gemeend,
oferste Macmorris, zoo zal ik misschien denken, dat gij mij niet
pehandelt met de beleefdheid, als gij in pillijkheid pehoort mij te
behandelen, siet gij, want ik ben een man even choed als gijzelf,
zoowel in de wetenschappen van den oorlog, als in de afkomst van mijn
geboorte en in andere pijsonderhedens.
MACMORRIS. Ik weet niet, dat gij een even goed man zijt als ik; zoo
waar Christus mij helpe, ik zal u het hoofd afslaan.
GOWER. Gij heeren alle twee, gij verstaat elkaar verkeerd.
JAMY. Ai, dat is een boos gebrek.
(Er wordt een sein tot een mondgesprek geblazen.)
GOWER. De stad laat daar het sein tot onderhandeling blazen.
FLUELLEN. Oferste Macmorris, als er eens een peterder gelegenheid te
krijgen is, siet gij, dan sal ik de frijheid nemen u te fertellen, dat
ik de wetenschappen van den oorlog versta; en daarmee genoeg.
(Allen af.)