TWEEDE TOONEEL.

Op dezelfde plaats.

Legerscharen. Nym, Bardolf, Pistool en de Jongen komen op.

BARDOLF. Vooruit, vooruit, vooruit! naar de bres, naar de bres!

NYM. Ik bid u, korporaal, bedaard; de kloppartij is al te heet; en wat

mij betreft, ik heb geen koppel levens; de humor er van is te heet, dat

is de litanie er van.

PISTOOL. De litanie is juist; het wemelt hier van humors;

Klop hier, klop daar; Gods knechten vallen, sneven:

Hier wint de held

Op ’t bloedig veld

Al strijdend eeuw’gen roem.

JONGEN. Ik wenschte, dat ik in een bierhuis zat, in Londen! Ik zou al

mijn roem voor een kan bier geven en voor veiligheid.

PISTOOL. En ik:

Zoo alles maar voor ’t wenschen was,

Of ik dan ook vol ijver was!

Ik ijlde fluks er heen.

JONGEN. Zoo vluchtig

En luchtig,

Als ’t vogeltje zingt in ’t bosch.

(Fluellen komt op.)

FLUELLEN. Foort, naar de pres, gij honden! foort, schafuiten!

PISTOOL. Spaar, groote veldheer, ’t zwak geslacht des stofs!

Betoom uw woede, toom uw mannenwoede;

Betoom uw woede, o veldheer!

Fier haantje, toom uw woede; erbarmen, duifje!

NYM. Dat zijn fraaie humors!—een mensch zijn eer wint niets dan booze

humors.

(Nym, Pistool en Bardolf af; Fluellen achter hen aan.)

JONGEN. Zoo jong als ik ben, heb ik toch die drie vechtersbazen in de

gaten. Ik ben jongen bij hen alle drie; maar zij alle drie, als zij bij

mij wilden dienen, waren toch mijn man niet; want waarachtig, drie

zulke fratsenmakers maken samen nog niet één man uit. Bardolf, die

heeft een witte lever en een rood gezicht; en daarom, met zijn vlammen

ziet hij er vurig genoeg uit, maar hij vecht niet. Pistool, die heeft

een moorddadige tong en een vreedzaam zwaard; en daarom breekt hij

woorden den nek, maar houdt zijn wapens heel. Nym, die heeft wel eens

gehoord, dat menschen van weinig woorden de besten zijn, en daarom

verdraait hij het, ooit te bidden, opdat men hem niet voor een lafaard

zou houden, maar naast zijn weinige en slechte woorden staan even

weinige goede daden, want hij sloeg nooit iemand den kop in dan

zichzelf, en dat was tegen den deurpost, toen hij dronken was. Zij

stelen alles, wat voor de hand komt, en dat noemen zij zaken doen.

Bardolf stal de kast van een luit en droeg die twaalf mijlen ver en

verkocht ze voor vierdehalven stuiver. Nym en Bardolf zijn gezworen

broeders in het kapen en in Calais stalen zij een aschschop; uit dat

proefstuk zag ik, dat geen van tweeën een schop waard is. Zij zouden

willen, dat ik even goed vertrouwd was met een andermans zakken, als

zijn handschoenen of zakdoeken het zijn, wat zeer tegen mijn

mannenwaarde strijdt, als ik uit een anders zak wat neem om het in den

mijnen te steken, want dat zou toch niets anders wezen dan onrecht op

te steken. Ik moet van hen weg en een beteren dienst zoeken; mijn

zwakke maag kan hun schelmerij niet verdragen en daarom moet ik dien

opgeven.

(De Jongen af.)

(Fluellen komt terug, gevolgd door Gower.)

GOWER. Overste Fluellen, gij moet dadelijk bij de mijnen komen; de

hertog van Gloster wil u spreken.

FLUELLEN. Pij te mijnen? seg gij ten hertog, het is niet so choed te

komen bij te mijnen, want, siet gij, te mijnen is niet in akkoord met

de leering fan ten oorlog; de concaviteiten er van is niet chenoegsaam,

want, ziet gij, de vijand,—dat kunt gij den hertog wel seggen, siet

gij,—is self wel vier ellen onder de contermijnen gegraafd. Pij Jezus,

ik denk, hij sal ons allen springen in de lucht, als er geen betere

directies is.

GOWER. De hertog van Gloster, die het bestuur heeft van het beleg, laat

zich geheel leiden door een Ier, een recht dapper man, op mijn woord.

FLUELLEN. Dat is de overste Macmorris, niet waar?

GOWER. Ik geloof van ja.

FLUELLEN. Pij Jezus, hij is een ezel, als in de wereld, dat wil ik

pefestigen op zijn baard; hij heeft niet meer directies in de ware

kunsten van den oorlog, siet gij, van de Romeinsche kunsten, als een

pasgeboren schoothond.

(Macmorris en Jamy komen op den achtergrond op.)

GOWER. Daar komt hij; en de Schotsche overste, overste Jamy, is bij

hem.

FLUELLEN. Oferste Jamy is een verpazend tapper edelman, dat is zeker;

en fan groote onderfinding en wetenschap in de oude oorlogen, naar mijn

pijzondere kennis van zijn directies; pij Jezus, hij zal zijn onderwerp

staande houden, soo choed als eenig krijgsman in de wereld, in de

wetenschappen van de foorgaande oorlogen van de Romeinen.

JAMY. Ik zeg u goeden dag, overste Fluellen.

FLUELLEN. Wees gechroet, oferste Jamy.

GOWER. Hoe staat het, overste Macmorris, hebt gij de mijnen verlaten?

hebben de schansgravers het opgegeven?

MACMORRIS. Bij Christus, ’t is verkeerd gedaan; het werk is opgegeven,

de trompetters blazen terugroeping. Bij mijn hand zweer ik en bij mijns

vaders ziel, dat is verkeerd gedaan, het werk is opgegeven; ik had de

stad in de lucht laten springen, zoo waar mij Christus helpe, ja, in

een uur. O, ’t is verkeerd gedaan, ’t is verkeerd gedaan; bij mijn

hand, ’t is verkeerd gedaan.

FLUELLEN. Oferste Macmorris, ik pit u nu, wilt gij mij toestaan, siet

gij, een paar disputaties met u te hebben, als gedeeltelijk betreffend

of belangend de wetenschappen van den oorlog, de Romeinsche oorlogen,

bij wijze van argumentatie, siet gij, en friendschappelijke

communicatie, gedeeltelijk tot bewijzen mijn meening, en gedeeltelijk,

siet gij, tot pefestiging van mijn inzichten betreffende de directie

van de krijgswetenschap, dat is de zaak.

JAMY. Dat zal zeer goed zijn, dat is zeer goed, mijn goede oversten

beiden, en ik zal het, met verlof, u vergelden, als de gelegenheid eens

komt; dat zal ik, waarachtig.

MACMORRIS. Het is geen tijd om te gaan redeneeren, zoo waar Christus

mij helpe. De strijd is heet, en het weer, en de oorlog, en de koning

en de hertogen; het is geen tijd voor redeneeren. De stad wordt berend

en de trompet roept ons naar de bres, en wij praten, en, bij Christus,

wij doen niets; ’t is schande voor ons allen; zoo waar God mij helpe,

’t is schande, stil te blijven; ’t is schande, bij mijn hand; en daar

zijn kelen af te snijden en daar is werk te doen, en daar wordt niets

gedaan, zoo waar Christus mij helpe, ja.

JAMY. Bij het sakrament, eer deze mijn oogen zich te slapen leggen, wil

ik goede diensten doen, of ik wil er voor in den grond liggen, ja, of

mijn leven laten; en ik wil het zoo manhaftig betalen, als ik kan; dat

zal ik zeker doen; ja, dat is kort en goed de zaak. Maar toch, ik had

gaarne een dispuut tusschen u tweeën gehoord.

FLUELLEN. Oferste Macmorris, ik cheloof, siet gij, met uwe ferpetering,

er is niet velen van uw natie—

MACMORRIS. Van mijn natie? Wat is mijn natie? Is het een hondsvot en

een bastaard en een schelm en een schurk? Wat is mijn natie? Wie zegt

iets van mijn natie?

FLUELLEN. Ziet gij? als gij de zaak anders neemt dan is gemeend,

oferste Macmorris, zoo zal ik misschien denken, dat gij mij niet

pehandelt met de beleefdheid, als gij in pillijkheid pehoort mij te

behandelen, siet gij, want ik ben een man even choed als gijzelf,

zoowel in de wetenschappen van den oorlog, als in de afkomst van mijn

geboorte en in andere pijsonderhedens.

MACMORRIS. Ik weet niet, dat gij een even goed man zijt als ik; zoo

waar Christus mij helpe, ik zal u het hoofd afslaan.

GOWER. Gij heeren alle twee, gij verstaat elkaar verkeerd.

JAMY. Ai, dat is een boos gebrek.

(Er wordt een sein tot een mondgesprek geblazen.)

GOWER. De stad laat daar het sein tot onderhandeling blazen.

FLUELLEN. Oferste Macmorris, als er eens een peterder gelegenheid te

krijgen is, siet gij, dan sal ik de frijheid nemen u te fertellen, dat

ik de wetenschappen van den oorlog versta; en daarmee genoeg.

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vijfde · 第 13 / 32 题