Aldaar. Voor de poort van Harfleur.
De Commandant der stad met eenige Burgers op de wallen. De Engelsche
legermacht beneden. Koning Hendrik komt op met zijn Gevolg.
KONING HENDRIK. Waartoe besluit de commandant der stad?
Voor ’t laatst is u een mondgesprek gegund;
Geeft dus u over, bouwend op genade,
Of tart, als mannen, tuk op hun verderf,
Ons tot het uiterst, want, zoo waar ik ben,—
Wat ik mijn hoogsten eernaam acht,—soldaat,
Wanneer mijn schutgevaarte weer begint,
Verlaat ik ’t half verwoest Harfleur niet eer,
Dan als het in zijn asch begraven ligt.
’k Zal alle poorten der genade sluiten;
De ontmenschte krijger, met een hart als steen,
Hoog’ vrij, ’t geweten ruim gelijk de hel,
Zijn hand des bloeds dan roeren, maaie als gras
Uw frissche maagden weg, uw bloeiend kroost
Wat deert het mij dan, of de snoode krijg,
In vlammen, als der duiv’len vorst, gehuld,
’t Gelaat met bloed bestreken, al de gruw’len,
Die steeds op storm en plund’ring volgen, pleegt?
Wat deert het mij,—gijzelf toch draagt de schuld,—
Of uwe reine maagden in de hand
Van heete, razende verkrachting vallen?
Wat teugel kan den wulpschen moedwil stuiten,
Als die zijn felle vaart bergafwaarts neemt?
Niet minder vruchtloos spilden wij ons machtwoord
Bij krijgers, woest en dol van plunderzucht,
Dan zoo we aan strand den Leviathan daagden
Voor onzen stoel. Dies, mannen van Harfleur,
Hebt deernis met uw stad en met uw volk,
Terwijl mijn krijgers luist’ren naar mijn wil,
En der genade koele, warme wind
De zwarte en onheilzwang’re wolken wegdrijft
Van woesten moord en roof en schurkerij.
Zoo niet, dan ziet gij in een oogwenk blinde,
Bloedgier’ge krijgers met onreine hand
De lokken van uw dochters, hoe ze ook gillen,
Bezoed’len; bij den zilv’ren baard uws vaders
Gevat, hun achtb’re hoofden wreed verplet,
Uw naakte wichtjes op een piek gespietst,
Terwijl de moeders met haar wanhoopskreten
De wolken splijten, als Judea’s vrouwen
Bij ’t bloedbad van Herodes’ slacht’renrot.
Spreekt, wilt ge u overgeven, dit vermijden?
Of, om uw weerstand, al die gruwlen lijden?
COMMANDANT. ’t Is heden voor ons uit met elke hoop.
Wij smeekten den dauphijn om hulp; zijn antwoord
Luidt, dat zijn macht alsnog om ons te ontzetten
Niet toereikt; dies, o groote koning, geven
Wij onze stad aan uw genâ thans over,
Trek binnen, neem bezit van ons en ’t onze;
Wij zijn niet meer in staat tot tegenweer.
KONING HENDRIK. Ontsluit de poorten!—Kom, oom Exeter,
Trekt gij Harfleur nu binnen, toef aldaar,
En maak het sterk, dat het de Franschen keer’;
Wees allen goedertieren. En, mijn oom,
De winter naakt en ’t aantal zieken neemt
In ’t leger toe; dus, wij gaan naar Calais.
Deze eene nacht zijn we in Harfleur uw gast;
Op morgen geven wij tot de’ opmarsch last.
(Trompetgeschal. De Koning en de zijnen trekken de stad binnen.)