Trompetgeschal. Chorus treedt op.
CHORUS. Zoo vliegt op vleug’len der verbeelding steeds
Ons ijlend schouwspel met geen mind’re vaart
Dan der gedachte. Denkt, gij zaagt den koning,
Wel toegerust, aan Hamptons havenhoofd
Zijn rijk inschepen, en zijn wakk’re vloot
Den jongen dag met zijden wimpels groeten.
Spele uw verbeelding mede; ziet aldus
Scheepsjongens klaut’ren in ’t getaande want,
En hoort de schelle fluit, die orde stelt
Op ’t woest geraas; en ziet de linnen zeilen,
Die ongezien de wind besluipt en spant,
Door de opgeploegde zee de kielen stuwen,
Wier forsche boeg den hoogen golfslag trotst.
O, denkt, dat gij aan strand staat en een stad
Ziet dansen op de wisselzieke baren;
Want zoo doet zich die grootsche vloot u voor,
Die koers zet naar Harfleur. O volgt haar, volgt!
Haakt uwen geest aan de achterstevens vast,
En laat uw England, doodsch als middernacht,
Bewaakt door grijsaards, kind’ren, oude vrouwen,
Wier kracht en merg verdween of komen moet.
Wie toch, wien slechts een enkel zichtbaar haar
De kin versiert, trekt niet naar Frankrijk op,
Met zoo volmaakte en uitgelezen dapp’ren?
Wekt, wekt uw geest; aanschouwt zoo een beleg,
En ziet de stukken op de affuiten, gapend
Met onheilvolle monden naar Harfleur.
Frankrijks gezant, stelt dit u voor, keert weder
En meldt aan Hendrik, dat de koning hem
Zijn dochter aanbiedt, en, met haar als bruidschat,
Een paar armzaal’ge kleine hertogdommen.—
Het aanbod smaakt niet; nu beroert de lont
Des kanonniers het helsch geschut,
(Krijgsgedruisch en kanongebulder.)
dat alles
Ter neder velt.—Schenkt immer ons uw gunst,
En heele uw geest de leemten onzer kunst.
(Chorus af.)