Frankrijk. Een zaal in het koninklijk paleis.
Trompetgeschal. Koning Karel, de Dauphijn, de Hertog van Bourgondië, de
Connetabel en Anderen komen op.
KONING KAREL. Zoo nadert England dus met heel zijn macht,
En ’t moet ons meer dan ernst zijn, koninklijk
Gereed te zijn om de’ aanval af te slaan.
De hertogen van Berry en Bretagne,
Van Orleans en Brabant moeten dus,
Ook gij, mijn prins dauphijn, met allen spoed
Op weg, om onze sterkten toe te rusten
Met wakk’re mannen en verweringsmidd’len;
Want England nadert met zoo snelle vaart
Als ’t water, dat zich naar een maalstroom spoedt,
’t Betaamt ons dus, vooruitziend zoo te zorgen,
Als vrees ons leeren moet door menig voorbeeld,
Dat dit geminacht en verderflijk England
Op onze velden eertijds achterliet.
DAUPHIJN. Grootmachtig vader, zeker is het nuttig,
Dat wij ons waap’nen tegen onzen vijand;
Geen vrede wiege een rijk ooit zoo in slaap,—
Al dreigt geen krijg, noch openbare twist,—
Dat krijgsvoorraad, verweringsmidd’len, manschap
Niet saamgebracht, versterkt, geoefend worden,
Alsof een oorlog te verwachten waar’.
’t Is daarom, zeg ik, nuttig, dat wij allen
Nu Frankrijks zwakke punten gaan bezien;
Maar laat dit zonder zweem van vrees geschieden,
Zoo zonder zorg, als hoorden wij, dat England
Zich met een pinkster-moorendans vermaakt.
Want, beste vorst, ’t is nu zoo dwaas gekoningd,
Zijn scepter voert zoo grillig thans een jongling
Als ijdel, nietig, wuft erkend, dat England
Geen vrees meer wekt.
CONNETABEL. O stil toch, prins dauphijn!
Te zeer bedriegt gij u in dezen koning.
Uw hoogheid ondervrage eens de afgezanten,
Hoe hij vol waardigheid hun boodschap hoorde,
Door eed’le mannen van zijn raad omringd,
Hoe kalm zijn wederlegging was, en toch,
Hoe indrukwekkend door zijn vast besluit;
Want dan erkent gij, dat zijn vroeg’re dwaasheid
De mom van den Romeinschen Brutus was,
Wijsheid bedekkend met een narrenmantel,
Gelijk tuiniers met mest die wortels dekken,
Die, teer en vroeg, vóór de andren schieten moeten.
DAUPHIJN. O, ’t is niet zoo, mijn heer groot-connetabel;
Doch hoe het werk’lijk zij, ’t is onverschillig;
Men achte, wordt verdediging beraamd,
Den vijand immer sterker dan hij schijnt;
Haar vollen eisch krijgt dan de weerbaarheid,
Die, op een zwakke en kaar’ge wijs ontworpen,
Gelijk een vrek, om luttel stofs te sparen
Heel ’t kleed bederft.
KONING KAREL. Denkt koning Hendrik machtig,
En rust u krachtig toe ten strijd met hem.
Zijn stam is eertijds van ons vleesch gevoed;
Hij is een welp van dat bloedgierig ras,
Dat in ons eigen veld en bosch ons opzocht;
Getuige die al te onvergeetb’re smaad,
Toen Cressy’s slag noodlottig werd geslagen,
En onze prinsen allen in de macht
Der hand met zwarten naam, van Edward, vielen,
Den zwarten prins van Wales, terwijl zijn vader,
Staande op een berg,—hijzelf alreeds een berg,—
Hoog in de lucht, gekroond met zonnegoud,
Zag, hoe zijn heldenzaad,—glimlachend zag hij ’t,—
De werken der natuur verdierf, de vormen,
In twintig jaar door God en Frankrijks vaders
Tot stand gebracht, verminkte. Een tak is deze
Van dien zeeghaften stam; en daarom, ducht
Zijn aangeboren kracht en zijn gesternte.
(Een Kamerheer komt op.)
KAMERHEER. Gezanten, Heer, van Hendrik, Englands koning,
Verzoeken bij uw majesteit gehoor.
KONING KAREL. Het zij terstond verleend. Geleid hen tot ons.
(De Kamerheer en eenige Lords af.)
Gij ziet, de jacht gaat fel haar gang, mijn vrienden.
DAUPHIJN. Wend om en doe haar staan; want laffe honden
Zijn met hun muil het stoutst, wanneer hun wild
Ver voor hen uitloopt. Beste heer en vorst,
Geef dien gezanten kort bescheid, en toon hun,
Van welk een koninkrijk gij ’t hoofd zijt, heer;
Want zelfmin is een minder snoode zonde
Dan zelfverzuim.
(De Edellieden komen terug, met Exeter en Gevolg.)
KONING KAREL. Van onzen broeder England?
EXETER. Zoo is ’t en dus begroet hij uwe hoogheid:
Hij eischt van u, in naam van God Almachtig,
Dat ge u ontdoet van uw geborgde hoogheid,
Die aflegt, daar zij naar des hemels wil,
’t Natuurrecht en der volken wet behoort
Aan hem en aan zijn erven; dus met name
De kroon, met iedre glansrijke eer, verbonden
Naar oud gebruik en de inzetting der tijden
Aan Frankrijks kroon. Opdat gij weten moogt,
Dat dit geen slinksche, wraakb’re vord’ring is,
Ontdekt in ’t molm van lang vervlogen dagen,
Gerakeld uit vergetelheids oud stof,
Zendt hij u deze’ opmerkenswaarden stamboom,
(Hij overhandigt een geslachtsboom.)
Welks takken ieder vol bewijskracht zijn.
Hij vraagt, dat gij die tafel door wilt zien;
En als gij vindt, dat hij in rechte lijn
Van den beroemdsten der beroemde vaad’ren,
Edward den derden, stamt, dan vraagt hij u
Uw kroon en scepter af, als valschlijk hem,
Die naar geboorte en recht deze eischt, onthouden.
KONING KAREL. Wat volgt bij weig’ring?
EXETER. De dwang des zwaards. Want zelfs als gij de kroon
In uwe harten bergt, hij graaft haar uit;
Met dit doel komt hij, als een Jupiter
In fellen storm, in aardschudding en onweer,
Opdat hij, helpt hem geen vermaan, u dwing’;
Bij Jezus’ ingewanden zegt hij u:
Doe afstand, heb genâ met de arme zielen,
Naar wie de hong’rige oorlog reeds de kaken
Wijd openspert; hij wentelt op uw hoofd
Der weeuwen tranenvloed, der weezen kreten,
Der dooden bloed, der bange maagden zuchten
Om gaden, vaders, dierb’re bruidegoms,
Welke allen dezen krijg verslinden zal.
Dit is zijn eisch, zijn dreiging, heel mijn boodschap.
Tenzij hier de dauphijn aanwezig zij,
Dien ik uitdrukkelijk te begroeten heb.
KONING KAREL. Wat ons aangaat, wij zullen overwegen;
Op morgen brengt gij onzen broeder England
Ons antwoord weer.
DAUPHIJN. Wat den dauphijn betreft,
Hij staat hier voor u; spreek, wat zendt hem England?
EXETER. Uittarting en verachting, hoon en spot,
En alles, wat den grooten zender niet
Onteeren kan; dit is ’t, wat hij u waard acht.
Zoo spreekt mijn vorst: wanneer uws vaders hoogheid
Niet, door geheel in elken eisch te treden,
Den bitt’ren spot verzoet, dien gij hem zondt,
Zal hij zoo scherp ter rekenschap u roepen,
Dat Frankrijks holen en gewelfde grotten
Uw driestheid zullen laken en uw loon
U kwijten in den weergalm zijns geschuts.
DAUPHIJN. Zeg hem, dat, geeft mijn vader gunstig antwoord,
Dit strijdt met mijnen raad; want niets verlang ik
Dan strijd met England; tot dit doel vereerde ik,
Als passend voor zijn jeugd en ijdel doen,
Hem die Parijzer ballen ten geschenke.
EXETER. Daarvoor zal uw Parijzer Louvre sidd’ren,
Al stelde uw hof aan gansch Euroop de wet;
Geloof me, een grooten afstand zult gij vinden,
Gelijk verbaasd zijn eigen volk het vond,
Van wat zijn groene dagen deden wachten
Tot wat de vorst nu is. Hij weegt zijn tijd
Thans tot het laatste grein; dit speurt gij dra,
Blijft hij in Frankrijk, in uw nederlagen.
KONING KAREL. Op morgen zult gij ons besluit vernemen.
EXETER. Laat ras ons gaan, opdat niet onze koning
Hier zelf naar ons vertoeven vragen koom’;
Hij heeft reeds voet aan wal gezet in Frankrijk.
KONING KAREL. Dra laten we u met billijk antwoord gaan.
Een nacht is snel vervlogen en recht kort,
Om zaken af te doen van dit gewicht.
(Allen af.)