Londen. Voor het huis van Vrouw Haastig in Eastcheap.
Pistool, Vrouw Haastig, Nym, Bardolf en de Jongen komen op.
WAARDIN. Ik bid u, mijn zoetelieve man, laat ik u tot Staines
wegbrengen.
PISTOOL. Neen, want mijn mann’lijk harte kreunt.—
Bardolf, spring op; Nym, wek uw pochend hart;
Knaap, zet uw moed te berg, want Falstaff, hij is dood,
En kreunen is nu plicht.
BARDOLF. Ik wenschte, dat ik bij hem was, waar ook, in den hemel of in
de hel.
WAARDIN. Neen, zeker, hij is niet in de hel; hij is in Arthurs schoot,
als ooit eenig mensch in Arthurs schoot gekomen is. Hij had een schoon
uiteinde en ging heen, alsof het een kind in het doophemdje geweest
was; hij heeft het afgelegd precies juist tusschen twaalven en eenen,
juist toen het water begon te vallen; want toen ik zag, dat hij met de
lakens begon te frommelen en met bloemen speelde en zijn vingertoppen
toelachte, toen wist ik ook, dat het afliep, want zijn neus was zoo
scherp als een pen en een tafellaken met groene plekken. „Hoe gaat het,
Sir John?” zeide ik, „kom, man, wees goedsmoeds”. Toen riep hij: „God,
God, God!” drie of vier malen. Nu, ik, om hem te troosten, zeide, dat
hij niet aan God moest denken; ik hoopte, dat hij nog niet noodig had,
zich met zulke gedachten te plagen. Toen vroeg hij mij, nog wat meer
dek op zijn voeten te leggen; en ik stak mijn hand in het bed en
bevoelde ze en zij waren koud als steen. En toen bevoelde ik zijn
knieën, en verder op en verder op, en alles was zoo koud als een steen.
NYM. Ze zeggen, dat hij de sek verwenschte.
WAARDIN. Ja, dat deed hij.
BARDOLF. En de vrouwen.
WAARDIN. Neen, dat deed hij niet.
JONGEN. Ja, dat deed hij wel, en hij zeide, ze waren gevleesde duivels.
WAARDIN. Ja, hij hield niet van gevleesdheid, die kleur kon hij niet
uitstaan.
JONGEN. Hij zeide eens, om de vrouwen zou de duivel hem nog halen.
WAARDIN. Nu zoo eenigszins, ’t is waar, had hij het over vrouwen, maar
toen was hij assent en sprak van de hoer van Babylon.
JONGEN. Weet gij het nog, hij zag eens een vlieg op Bardolfs neus
zitten, en toen zeide hij, dat was een zwarte ziel, die in het helsche
vuur brandde.
BARDOLF. Nu, het hout is op, dat dit vuur onderhield; dit is al de
rijkdom, dien ik in zijn dienst heb overgelegd.
NYM. Zullen wij gaan schuiven? De koning zal wel van Southampton weg
zijn.
PISTOOL. Ja, laat ons gaan.—Mijn lief, reik mij uw lippen.
Let op mijn boedel en mijn roerend goed;
Verstand hoû stuur, en „bare munt” zij ’t wachtwoord;
Vertrouw geen mensch;
Een eed is stroo; geloof en trouw zijn wafels,
En slechts „Hou vast” de ware hond, mijn duifje;
Daarom, caveto moge uw raadsman zijn.
Ga, droog uw parels.—Wapen-jukgenooten,
Naar Frankrijk, komt! bloedzuiger-spelen, jongens!
Gaan zuigen, zuigen, bloed, ja bloed gaan zuigen!
JONGEN. Maar dat is recht ongezonde kost, zeggen ze.
PISTOOL. Haar zachten mond nu aangeraakt, dan weg!
BARDOLF. Vaarwel, waardin.
(Hij kust haar.)
NYM. Ik kan niet kussen, dat is de humor er van; maar leef wel.
PISTOOL. Huishoud’lijkheid zie rond; nog eens, goed opgepast!
VROUW HAASTIG. Het ga u goed, vaarwel!
(Allen af.)