Southampton. Een raadzaal.
Exeter, Bedford en Westmoreland komen op.
BEDFORD. ’t Is roek’loos, dat zijn hoogheid dien verraders
Vertrouwen schenkt.
EXETER. Zoo daad’lijk zijn ze in hecht’nis.
WESTMORELAND. Wat doen zij zich eenvoudig, arg’loos voor,
Alsof de oprechtheid in hun boezem woonde,
Gekroond door liefde en ongekreukte trouw.
BEDFORD. De koning heeft bericht van al hun plannen,
Door onderschepping, nooit door hen gedroomd.
EXETER. Neen, deze man, die vaak zijn leger deelde,
Door hem gevoed, gepropt met vorstengunst,
Dat die zijn heer en vorst voor ’t goud eens vreemden
Aan dood en vuig verraad verkoopen kon!
(Trompetgeschal. Koning Hendrik, Scroop, Cambridge, Grey, Edellieden en
Gevolg komen op.)
KONING HENDRIK. De wind is goed, wij willen nu aan boord.—
Mylord van Cambridge,—en beste lord van Masham,—
En gij, mijn waarde ridder, zegt uw meening:—
Gelooft gij, dat de strijdmacht, die ons volgt,
Door Frankrijks scharen zich den weg zal banen,
De tuchtiging volbrengend en de taak,
Waartoe wij deze krijgers samenbrachten?
SCROOP. Geen twijfel, heer, als elk zijn best wil doen.
KONING HENDRIK. Dit lijdt geen twijfel, want het bleek ons duid’lijk:
Wij voeren niet een enkel hart van hier,
Dat niet eenstemmig met het onze klopt;
Geen enkel laten we achter, of het wenscht,
Dat voorspoed ons verzelle en zegepraal.
CAMBRIDGE. Geen koning wekte ooit meer ontzag en eerbied
Dan uwe majesteit; er is, geloof ik,
Geen onderdaan, die onrust kent of kommer,
Nu hem de schaduw dekt van uw bestuur.
GREY. ’t Is waar; uws vaders vijanden, zij doopten
Hun gal in honing, en zij dienen u
Met harten, gansch gevormd uit trouw en ijver.
KONING HENDRIK. Zoo hebben wij veel grond tot dankbaarheid,
En zullen eer ’t gebruik der hand vergeten,
Dan wij vergeten, ijver en verdienste
Naar hun gewicht en waarde te beloonen.
SCROOP. Zoo zal de trouw met stalen spieren zwoegen
En zal zich de arbeid laven met de hoop
Van aan uw hoogheid stâgen dienst te doen.
KONING HENDRIK. Niets minder wachten wij.—Oom Exeter,
Ontsla den man, die gist’ren werd gevat,
Omdat hij ons gehoond had; wij doen gelden,
Dat overmaat van wijn zijn prikkel was;
Daar hij tot inkeer kwam, zij ’t hem vergeven.
SCROOP. Dit is genadig, ja, maar veel te zorgloos;
Bestraf hem, heer; wordt hij gespaard, zijn voorbeeld
Brengt licht’lijk meer van zulke daden voort.
KONING HENDRIK. O, laat ons toch genadig zijn.
CAMBRIDGE. Dit kunt gij zijn, mijn vorst, en toch hem straffen.
GREY. ’t Waar’ veel genâ, zoo gij hem ’t leven schenkt,
Doch eerst een scherpe tuchtiging laat proeven.
KONING HENDRIK. Ach, uwe groote liefde en zorg voor mij
Zijn sterke beden tegen de’ armen schelm.
Indien men ’t oog bij dronkenschaps-vergrijpen
Niet sluiten mag, hoe moet men ’t openspalken,
Zoo hoogverraad, gekauwd, geslikt, verteerd,
Zich voor ons opdoet!—Toch, we ontslaan dien man,
Schoon Cambridge, Scroop en Grey, uit teed’re zorg
Voor ons en onze veiligheid, verlangen,
Dat hij gestraft zij.—Nu de Fransche zaken;—
wacht van ons een volmacht?
CAMBRIDGE. Ik, mijn vorst;
Ik moest die heden van uw hoogheid vragen.
SCROOP. Ik ook, mijn hooge vorst.
GREY. En ik, mijn koninklijke heer.
KONING HENDRIK. Juist; Richard, graaf van Cambridge, hier is de uwe;
En hier, lord Scroop van Masham, en, heer ridder,
Grey van Northumberland, hier hebt gij de uwe;—
Leest die en ziet, dat ik uw waarde ken.—
Mylord van Westmoreland, oom Exeter,
Van nacht gaan wij aan boord.—Hoe is het, heeren?
Wat leest gij in die stukken, dat gij zoo
Van kleur verschiet?—O ziet, hoe zij verbleeken;
Hun wangen zijn papier.—Wat leest gij daar,
Dat zoo uw bloed als lafaard weg deed vlieden
En zich verschuilen?
CAMBRIDGE. Ik beken mij schuldig,
En onderwerp mij, heer, aan uw genade.
GREY, SCROOP. Die roepen we allen in.
KONING HENDRIK. Wat vroeger in ons van genade leefde,
Werd door uw eigen raad verstikt, gedood.
Rept niet, uit schaamte alleen reeds, van genade;
Uw eigen gronden werpen zich op u,
Als honden op hun meesters, u verscheurend.
Ziet, prinsen en gij eed’le pairs, die monsters
Van Engelschen! Mylord van Cambridge hier,—
Gij weet, hoe onze liefde steeds bereid was,
Om ieder voorrecht, passend aan zijn rang,
Hem rijk’lijk toe te staan; en die man spande
Lichtzinnig voor een handvol lichte kronen
Met Frankrijks arglist saam, en deed den eed,
Ons hier te zullen dooden;—en die ridder,
Voor hooge gunst niet minder dank ons schuldig
Dan Cambridge, was zijn eedgenoot.—Maar, o!
Wat zeg ik thans tot u, lord Scroop? gij wreed,
Ondankbaar, dierlijk woest, onmenschlijk wezen!
Gij, die den sleutel hadt van al mijn plannen,
Die zaagt tot op den bodem mijner ziel,
Mij schier tot gouden munt hadt kunnen slaan,—
Hadt gij uw voordeel zoo bij mij gezocht,—
Is ’t moog’lijk, kon uit u de huur eens vreemden
Een vonkje onheils lokken, als dit mij
Een vinger krenken kon? het is zoo vreemd,
Dat, schoon de waarheid scherp en duid’lijk afsteek’
Als wit en zwart, mijn oog ze nauw’lijks zien wil.
Verraad en sluipmoord gingen steeds te zaam
Als twee jukduivels, eed- en bondgenooten,
En zoo natuurlijk scheen hun boos bedrijf,
Dat zij verwond’ring nooit een kreet ontlokten;
Doch gij verkeert dit alles, en door u
Volgt nu verbazing op verraad en moord.
En welke sluwe duivel het ook ware,
Die u zoo onnatuurlijk heeft verzocht,
De hel schenkt hem den prijs van ’t meesterschap.
Want andre duivels, lokkend tot verraad,
Behangen, lappen hun doemwaardig werk
Met moesjes, kleuren, vormen, die zij borgen
Van ’t glinstrend kleed, waar vroomheid zich in hult;
Doch hij, die u bewerkte en u deed opstaan,
Gaf u geen drijfveer om verraad te plegen,
Dan dat hij u tot aartsverrader sloeg.
Als deze demon, die zoo u verleidde,
Heel de’ aardbol rondging met zijn leeuwenstap
En in den ruimen Tartarus terugkwam,
Hij kon aan de legioenen daar verklaren:
„’k Win nimmermeer met zoo geringe moeite
Een ziel, als nu van dezen Engelschman”.
O, hoe hebt gij met argwaan ’t zoetst vertrouwen
Vergiftigd! Schijnt er iemand hou en trouw?
Gij deedt het ook. Schijnt hij geleerd en ernstig?
Gij deedt het ook. Stamt hij van eed’len bloede?
Gij deedt het ook. Schijnt hij oprecht godvruchtig?
Gij deedt het ook. Is hij aan tafel sober,
Van groven hartstocht vrij in vreugde of toorn,
Bestendig, nooit door bruisend bloed verwilderd,
Gehuld in ’t kleed van ware zedigheid,
Niet met het oog iets toetsend zonder ’t oor,
En beide slechts na rijp beraad vertrouwend,—
Zoo, tot zoo fijne bloem gebuild, scheent gij;
En daarom laat uw val een soort van smet na,
Die ook den kloeken, meest begaafden man
Met een’gen argwaan vlekt, ’k Wil om u weenen,
Want dit verraad van u is, naar ’t mij schijnt,
Een tweede menschenval.—Hun schuld is duid’lijk;
Neemt hen in hechtnis, stelt hen voor ’t gerecht,
En spreke God hen van hun zonden vrij!
EXETER. Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name
Richard, graaf van Cambridge.
Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name
Henry lord Scroop van Masham.
Ik neem u gevangen wegens hoogverraad, bij name
Thomas Grey, ridder van Northumberland.
SCROOP. Gerecht heeft onzen aanslag God ontdekt,
En ik betreur meer dan mijn dood mijn schuld,
Die ik uw hoogheid smeeke te vergeven,
Hoewel mijn lichaam er het loon voor kwijt’.
CAMBRIDGE. Mij heeft het goud van Frankrijk niet verlokt,
Ofschoon ik ’t wel als middel gelden liet,
Om des te sneller tot mijn doel te komen.
Maar God zij dank, dat hij ’t verijdeld heeft;
Dit zal mij, stervend zelfs, tot vreugde zijn,
En ’k smeek èn God èn u mij te vergeven.
GREY. Geen onderdaan, hoe trouw, was bij de ontdekking
Van smaad en zwart verraad ooit zoo verheugd,
Als ik te dezer ure, nu ikzelf
Mijn eigen vloekbaar opzet zie verhoed;
Verschoon mijn schuld,—mijn leven niet, mijn vorst!
KONING HENDRIK. Vergeve u Gods genade! Hoort uw vonnis:
Gij hebt bij eede u tegen ons verbonden
Met onze’ erkenden vijand, naamt van hem
Het gouden handgeld aan voor onzen dood;
Uw koning wildet ge aan den moord verkoopen,
Zijn prinsen en zijn pairs aan slavernij,
Zijn volk aan onderdrukking en verguizing,
En aan verwoesting heel zijn koninkrijk.
Wij, voor onszelven, zoeken geene wraak;
Doch ’t heil des rijks, welks ondergang gij zocht,
Is onzer zorg vertrouwd, zoodat wij u
Den rechter overgeven. Gaat dus heen,
Rampzalige arme zondaars, in den dood;
En geve u God, in zijn genade, kracht
Diens bitterheid te dulden, en berouw
Van al uw booze daden. Leidt hen weg.
(Cambridge, Scroop en Grey met een Wacht af.)
Nu, lords, naar Frankrijk! De onderneming moog’
Gelijken roem voor u en ons verwerven.
Geen twijfel, onze krijg zal heilrijk zijn,
Nu God ons zoo genadig dit verraad
Ontsluierd heeft, dat loerde op onzen weg
Om de’ aanvang reeds te stuiten; thans geen twijfel,
Of iedre hindernis is weggeruimd.
Dus op, mijn landgenooten! geven wij
In ’s Heeren hand ons leger; zij de tocht
Terstond aanvaard. En zoo, vol moed ter zee!
De strijdvaan hoog, dat zij den weg ons toon’;
Geen Engelsch koning, dan met Frankrijks kroon!
(Allen af.)