Londen. Eastcheap.
Nym en Bardolf komen op.
BARDOLF. Welkom, korporaal Nym!
NYM. Goeden morgen, luitenant Bardolf!
BARDOLF. Hoe is het, zijt gij en vaandrig Pistool thans goede vrienden?
NYM. Voor mijn part geef ik er niet om; ik zeg weinig, maar als de tijd
komt, zal er gelachen worden;—maar dat mag zijn zooals het wil. Vechten
durf ik niet, maar ik zal mijn oogen toedoen en mijn ijzer
vooruitsteken. Dit is niet veel bijzonders, maar wat doet het er toe?
Er is kaas aan te roosten en koude houdt het even goed uit als eens
andermans degen; en daarmee uit.
BARDOLF. Ik zal een ontbijt geven om u vrienden te maken en dan willen
wij alle drie als gezworen broeders naar Frankrijk; ja, zoo zal het
wezen, goede korporaal Nym.
NYM. Op mijn woord, ik wil leven, zoolang ik kan, dat staat vast; en
als ik niet langer leven kan, zal ik zien, wat ik doe; daar blijf ik
bij, en dat is het rendez-vous er van.
BARDOLF. Het is zeker, korporaal, dat hij met Neel Haastig getrouwd is!
en waarachtig, zij heeft u slecht behandeld, want gij waart met haar
verloofd.
NYM. Ik weet niet; alles moet gaan zooals het wil; het kan gebeuren,
dat menschen slapen en dat zij te gelijk hun keel bij zich hebben; en
het zeggen is, dat messen scherpe kanten hebben. Het moet gaan, zooals
het wil; al is geduld een afgejakkerde knol, voortploeteren doet het
toch. Er moet een eind zijn aan alles. Nu, ik weet niet.
(Pistool en vrouw Haastig komen op.)
BARDOLF. Daar komt vaandrig Pistool, met zijn vrouw.—Beste korporaal,
houd u nu bedaard.—Hoe gaat het, waard Pistool?
PISTOOL. Gemeene keffer, ik een waard?
Bij deze vuist, die naam is mij een afschuw;
En ook mijn Neel geeft geen logies.
VROUW HAASTIG. Neen, zoo waar ik leef, sinds lang niet meer; want een
mensch kan geen twaalf of veertien meisjes thuis en in den kost hebben,
die eerlijk met de naald haar brood verdienen, of er wordt dadelijk
gedacht, dat men een knip houdt. (Nym trekt zijn degen.) O
menschenkinderen, die trekt van leer!—Daar komt voorbedachte moord en
echtbreuk van.
BARDOLF. Beste luitenant,—beste korporaal, geen twist hier!
NYM. Stik!
PISTOOL. Stik gij, IJslandsche hond! spitsoor van IJsland!
VROUW HAASTIG. Beste korporaal Nym, toon gij uw dapperheid en steek uw
degen op.
NYM. Wil je gaan schuiven? Ik wilde je wel solus hebben.
(Hij steekt zijn degen op.)
PISTOOL. Solus, gij uitgelezen hond? O adder!
Dat Solus op uw wondervol gezicht;
Dat Solus op uw kiezen, in uw keel,
En in uw snoode long, ja, in uw pens, pardi,
En, erger nog, in uw onguren mond!
Ik wring dat solus u in de ingewanden;
Want afgaan kan Pistool, reeds dreigt zijn haan,
En flikkervuur zal volgen.
NYM. Ik ben Asmodeus niet; je kunt mij niet bezweren. Ik heb een humor
om je redelijk wel te kloppen. Als je vuilaardig wordt, Pistool, zal ik
je uitpoetsen met mijn degen, dat het een aard heeft; als je met mij
ter zijde wilt gaan, zal ik je behoorlijk wat in de pens prikken, dat
het een lust is; en dat is de humor er van.
PISTOOL. O pocher snood, vervloekte schandvlek-kerel!
U gaapt het graf en ’t suffend doodsuur naakt;
Daarom veradem!
(Pistool en Nym trekken.)
BARDOLF. Hoort mij aan! hoort aan wat ik zeg! wie den eersten stoot
doet, ik spiets hem aan, tot dit gevest toe, zoo waar ik soldaat ben.
(Hij trekt.)
PISTOOL. Een eed van wond’re kracht, en woede moet gaan liggen.
Geef mij de vuist; uw voorpoot, geef mij dien;
Uw moed is wondergroot.
NYM. Ik wil je de keel afsnijden, te avond of morgen, in alle eere; dat
is de humor er van.
PISTOOL. Coupe le gorge!
Dat is het woord; ik daag op nieuw u uit.
Jachthond van Creta, hoopt gij op mijn gade?
Neen, ga naar ’t hospitaal,
En haal daar uit het pekelvat der schande,
’t Melaatsch perceel van Cressida’s geslacht,
Scheurlaken, alias Door, en trouw met haar!
Ik heb en ik behoud de quondam Haastig,
Als de een’ge zij; en—pauca! ’t is genoeg.
Verdwijn!
(De Jongen komt op.)
JONGEN. Beste waard Pistool, gij moet bij mijn meester komen, en uw
waardin ook.—Hij is recht ziek en wil naar bed.—Goede Bardolf, steek uw
gezicht tusschen zijn lakens en doe dienst als beddepan; waarachtig,
hij is erg ziek.
BARDOLF. Weg, gij schelm!
VROUW HAASTIG. Waarachtig, hij wordt dezer dagen een gebraad voor de
kraaien; de koning heeft zijn hart gedood.—Beste man, kom dadelijk naar
huis.
(Vrouw Haastig en de Jongen af.)
BARDOLF. Komt, wil ik u tweeën vrienden maken? Wij moeten allen samen
naar Frankrijk. Wat, voor den duivel, zouden wij messen dragen om
elkander de keel af te snijden?
PISTOOL. Laat vloeden zwellen! duivels, brult om buit!
NYM. Wil je mij de acht schellingen betalen, die ik met wedden je heb
afgewonnen?
PISTOOL. Een lafaard, die betaalt.
NYM. Die wil ik nu hebben, dat is de humor er van.
PISTOOL. Manhaftigheid beslisse! trek en stoot!
(Hij trekt.)
BARDOLF. Bij dit zwaard, die den eersten stoot doet, ik dood hem; bij
dit zwaard, ik doe het.
PISTOOL. ’t Zwaard is een eed, en eeden moeten doorgaan.
BARDOLF. Korporaal Nym, als je vrienden wilt zijn, weest dan vrienden;
als je niet wilt, nu, weest dan vijanden ook met mij. Ik bid u, steekt
op.
NYM. Zal ik mijn acht schellingen hebben, die ik met wedden van je won?
PISTOOL. Een nobel zult gij hebben en terstond;
En ’k zal u eveneens een zoopje geven,
En vriendschap pare zich aan broederschap;
Ik leef door Nym en Nym zal door mij leven.
Is dit niet goed bedacht? want zoet’laar wil ik
Bij ’t leger zijn en win dan geld als water.
Geef mij de hand.
NYM. Zal ik mijn nobel hebben?
PISTOOL. Die krijg je juist gepast.
NYM. Komaan dan, dat is de humor er van.
(Vrouw Haastig komt weder op.)
VROUW HAASTIG. Zoo waar je van vrouwen komt, komt dadelijk binnen bij
Sir John. Ach, die arme ziel! hij wordt zoo geschud door een heete
alledaagsche derdedaagsche koorts, dat het allerjammerlijkst is om aan
te zien. Lieve menschen, komt toch bij hem.
NYM. De koning heeft den ridder een booze grap gespeeld; dat is het
fijne van de zaak.
PISTOOL. Nym, gij hebt wel gelijk;
Stuk is zijn hart en gecorroboreerd.
NYM. De koning is een goed koning; maar men moet het nemen, zooals het
valt; hij doet allerlei humors en sprongen.
PISTOOL. Beklaagt den ridder; wij, o lamm’ren! willen leven.
(Allen af.)