Trompetgeschal. Chorus treedt op.
CHORUS. Nu is de jeugd van England vuur en vlam,
En zijden dart’len ligt in ’t kleederschrijn;
De wapensmeden bloeien, de gedachte
Aan eer alleen beheerscht der mannen borst.
Zij hebben voor een paard hun weiden veil,
En volgen aller christenvorsten spiegel
Met vleugelvoet, als Engelsche Merkuurs.
Want nu zit Heilverwachting in de lucht,
En voert een zwaard, van greep tot spits beladen
Met diademen, kronen, hertogshoeden,
Aan Hendrik en zijn volgers toegezegd.
De Franschen, onderricht door goede kondschap
Van deze schrikb’re krijgstoerusting, sidd’ren
Van angst, en bleeke staatsmanskunst beproeft
Aan Englands plan een and’ren loop te geven.
O England, beeld van innerlijke grootheid,
Klein lichaam, dat een machtig hart omsluit,
Wat zoudt gij niet, als de eer u roept, volbrengen,
Ware elk van uwe kind’ren goed en echt!
Doch zie uw onheil! In u is een nest
Van holle harten; Frankrijk kent en vult ze
Met kronen des verraads; drie veile mannen,
Met name Richard, graaf van Cambridge, dan
Henry lord Scroop van Masham, en als derde
Sir Thomas Grey, Northumberlander ridder,
Zij hebben voor Fransch goud,—vergulde schuld!—
Snood saamgespannen met het angstig Frankrijk;
En door hun hand moet hij, der vorsten roem,
Vermoord zijn,—houdt verraad en hel hun woord,—
Eer hij naar Frankrijk afzeilt in Southampton.
’t Geld is betaald, de snoodaards zijn het eens,
De koning reeds uit Londen weg, en, vrienden,
Wij voeren thans u naar Southampton heen;
Daar is nu ’t schouwtooneel, daar zet ge u neer,
Daar schepen wij u veilig in naar Frankrijk
En weer terug, de smalle zee bezwerend
Tot kalme rust;—want, dient ons het geluk,
Geen enkle maag, die ziek wordt bij ons stuk.
Doch eerst als gij den koning komen ziet,
Verreist gij naar Southampton; eerder niet.
(Chorus af.)