TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een staatsievertrek in het paleis.

Koning Hendrik, Gloster, Bedford, Exeter, Warwick, Westmoreland en

Gevolg komen op.

KONING HENDRIK. Waar is de eerwaarde lord van Canterbury?

EXETER. Niet hier, mijn vorst.

KONING HENDRIK. Ontbied hem, waardige oom.

WESTMORELAND. Kan de afgezant verschijnen, heer en koning?

KONING HENDRIK. Nog niet, neef, vóór ’t gehoor beslisten wij

Liefst enkele zaken van gewicht, die zeer

Onze aandacht eischen, ons en Frankrijk rakend.

(De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely komen op.)

CANTERBURY. Bescherme met zijn englen God uw troon,

Dat gij hem lange siert!

KONING HENDRIK. Wij danken u.

Wij bidden u, geleerde heer, ga voort,

En wil ons juist en nauwgezet ontvouwen,

Of ’t Salisch recht, dat Frankrijk gelden laat,

Onze aanspraak, al of niet, aan ons ontzegt.

En God verhoede, waarde en trouwe heer,

Dat gij de lezing vormt of wringt of buigt,

En vindingrijk uw wetend hart bezwaart,

Verwrongen titels openslaand, wier recht

Niet strookt, in echte kleuren, met de waarheid.

Want menigeen, God weet het, krachtig nu,

Vergiet welras zijn bloed, om dàt te staven,

Waar gij, hoogwaardige, ons toe drijven zult.

Daarom, zie toe, hoe gij onze eer verpandt,

En hoe ge ons slapend zwaard ten strijde wekt;

Wij manen u bij de eere Gods, zie toe!

Twee zulke rijken slechtten nooit een twist

Dan met veel bloed, en elke onnooz’le drop

Is dan een wee, een aanklacht tegen hem,

Wiens onrecht zwaarden, die zoo schrikk’lijk woeden

Op korte sterflijkheid, hun scherpte geeft.

En nu, aldus bezworen, spreek, mylord;

Wij willen hooren, en in ’t hart gelooven,

Dat, wat gij zegt, zoo rein in uw geweten

Gewasschen is, als zonde is door den doop.

CANTERBURY. Zoo hoort, genadig koning, en gij pairs,

Die aan des vorsten troon uzelf, uw leven

En diensten schuldig zijt.—Niets is er, niets,

Dat uwer hoogheid recht op Frankrijk wraakt,

Dan dit, wat Pharamond wordt toegeschreven:

In terram Salicam mulieres ne succedant,

„Geen vrouw mag heerschen over Salisch land”;

Welk Salisch land ten onrecht door de Franschen

Voor Frankrijk wordt verklaard, en Pharamond

Voor vestiger van ’t recht, dat vrouwen uitsluit.

En toch verklaren zelfs hun eigen schrijvers

Van ’t Salisch land, dat dit in Duitschland ligt,

Begrepen tusschen de’ Elbestroom en Sala,

Waar keizer Karel, na tenonderbrenging

Der Saksers, Fransche mannen heeft geplant;

Die hebben, Duitsche vrouwen weinig achtend

Ter zake van oneerb’re levenswijs,

Toen deze wet gemaakt, dat nooit een vrouw

Erfrecht bezitten zou op Salisch land,

Dat, als ik zeide, tusschen Elbe en Sala,

In Duitschland tegenwoordig Meissen heet.

Hieruit is duid’lijk, dat het Salisch recht

Niet uitgedacht is voor het Fransch gebied;

En ’t Salisch land bezaten ook geen Franschen

Dan eerst vierhonderd een-en-twintig jaar

Na Pharamonds verscheiden, wien verkeerd’lijk

Die wet wordt toegeschreven; deze stierf

In ’t jaar des heils vierhonderd zes-en-twintig;

En keizer Karel onderwierp de Saksers

En deed de Franschen wonen in het land

Aan gene zij der Sala, eerst in ’t jaar

Achthonderd vijf. Ook deed, naar hunne schrijvers,

Koning Pepijn, die Child’rik van den troon stiet,

Als eenig erfgenaam en nazaat van

Blithilde, die Clotharis’ dochter was,

Zijn aanspraak op den troon van Frankrijk gelden.

Hugo Capet ook, die de kroon aan Karel

Van Loth’ringen, het eenig manlijk oir,

Den rechten erfgenaam van keizer Karel,

Ontrukte, gaf zijn doen een glimp van recht,—

Hoewel dit waarlijk nietig was en valsch,—

Door zich den wettige’ erfgenaam te noemen

Van vrouwe Luitgard, die de dochter was

Van Karloman, den zoon van keizer Lood’wijk,

Van Lodewijk, des grooten Karels zoon.

Ook Lodewijk de tiende, die geheel

Het rijk des overweldigers Capet

Geërfd had, vond geen rust voor zijn geweten

Bij ’t dragen van de kroon, totdat hem bleek,

Dat Isabel, de schoone koningin,

Zijn grootmoeder, van vrouwe Hermingard

Afstamde, die de dochter was van Karel,

Loth’ringens hertog, pas door mij vermeld;

Door haren echt was keizer Karels lijn

Op nieuw verbonden aan de Fransche kroon.

Zoodat, zoo klaar als zomerzonneschijn,

’t Recht van Pepijn en de aanspraak van Capet

En Lodewijks bevrediging, dit alles,

Zich gronden op het erfrecht van de vrouw.

Dit doen de Fransche vorsten tot op heden,

Al roepen zij het Salisch recht nu in,

Om u, als vrouwe-nazaat, uit te sluiten,

En hullen zij zich liever in een net,

Dan dat zij open hun verwrongen recht,

U en uw voorgeslacht ontroofd, ontvouwen.

KONING HENDRIK. Kan ik naar recht en naar geweten, ’t vord’ren?

CANTERBURY. Kome op mijn hoofd de zonde, strenge heer!

Want in het boek van Numeri staat geschreven:

Sterft iemand zonder mann’lijk kroost, dan valle

Zijn dochter de erf’nis toe. Genadig vorst,

Handhaaf uw recht; ontrol uw bloedbanier;

Blik naar uw roemrijk voorgeslacht terug;

Ga naar uws oudgrootvaders praalgraf, heer;

Zijn recht is ’t uwe;—roep zijn heldengeest,

En dien uws oudooms aan, des zwarten prinsen,

Die, Frankrijks algeheele macht verslaand,

Op Franschen grond een treffend treurspel gaf,

Terwijl zijn groote vader op een heuvel

Glimlachend toezag, hoe zijn leeuwenwelp

Het hartebloed des Franschen adels slurpte.

O edele Engelschen, daar boodt gij ’t hoofd,

Met half uw macht, aan heel den trots van Frankrijk,

En liet uw andre helft het lachend aanzien,

Gansch werkeloos, bij ’t heete strijden koud!

ELY. Roep al die dapp’re dooden voor uw geest;

Hernieuw met uwen sterken arm hun roem.

Gij zit als erfgenaam op hunnen troon;

Het bloed en vuur, dat hen beroemd deed zijn,

Stroomt u in de aad’ren; en mijn hooge vorst

Is in de Meische morgen zijner jeugd,

Voor wapenroem en grootsche plannen rijp.

EXETER. Der aard monarchen, al uw scepterbroeders,

Verwachten, dat gij u verheffen zult,

Als de oude leeuwen van uw voorgeslacht.

WESTMORELAND. Zij weten, reed’nen hebt gij, macht en midd’len;—

Dit heeft uw hoogheid; en,—geen Engelsch koning

Had rijker eed’len, trouwer onderdanen;

Hun hart, ja! liet hun lichaam nog in England,

Maar huist in tenten reeds op Frankrijks grond.

CANTERBURY. O, laat hun lichaam volgen, waarde vorst;

Verschaf u recht met bloed en zwaard en vuur;

Wij van de kerk verbinden ons, uw hoogheid

Te schragen met een groote somme gouds,

Zooals de geestlijkheid aan geen van uwe

Voorvaders ooit in eens heeft toegekend.

KONING HENDRIK. Wij moeten ons niet enkel tegen Frankrijk

Ten aanval waap’nen, maar ons voorbereiden

De Schotten af te slaan, die, zien ze een kans,

Gewis een inval doen.

CANTERBURY. De mannen van die mark, genadig vorst,

Zijn een toereikend bolwerk, om ons land

Voor ’t rooven van dat grensvolk te beschutten.

KONING HENDRIK. Wij duchten daar niet enkel benden plund’raars,

Maar een vereenden aanval van den Schot,

Die steeds een zeer onrustig nabuur was.

Gij vindt beschreven, dat onze oudgrootvader

Nooit met zijn legermacht naar Frankrijk toog,

Dat niet op zijn ontbloot gebied de Schot

Zich plots’ling stortte, als door een scheur een stroom,

Met al de boordevolheid zijner kracht,

Zóó ’t ledig land met heeten aanval teist’rend,

Met zwaar beleg kasteel en stad omgordend,

Dat England, van zijn weerbaarheid beroofd,

Voor zulk een boozen nabuur beefde en trilde.

CANTERBURY. De schrik was grooter dan de schade, heer;

Ontleen het voorbeeld slechts aan England zelf.

Toen heel haar ridderschap in Frankrijk was,

En ze om haar adel als een weduw treurde,

Heeft England zich niet slechts zeer goed geweerd,

Maar ving en kooide, als een verdwaald stuk vee,

Der Schotten koning op, en zond hem weg

Naar Frankrijk, om er koning Edwards roem

Te hoogen door gevangen koningen,

En de kronieken rijk aan lof te maken,

Gelijk de bodem ’t is en ’t slijk der zee

Door tal van wrakken en onnoemb’re schatten.

WESTMORELAND. Maar toch, er is een spreuk, zeer oud en waar:

„Wilt gij Frankrijk overwinnen,

Zorg met Schotland te beginnen;”

Want vliegt ooit Englands arend uit op roof,

Dan sluipt de wezel Schotland in haar nest

En zuigt er al haar vorstlijke eiers uit,

En speelt voor muis, die, is de kat afwezig,

Meer aanknaagt en vernielt dan ze eten kan.

EXETER. Dan zou de kat te huis steeds moeten blijven;

Maar dit besluit gaat mank en is niets waard;

Om goed’ren te beveil’gen zijn er sloten,

En voor de kleine dieren fijne vallen.

Terwijl de hand gewapend buiten vecht,

Verdedigt zich het schrand’re hoofd te huis;

Want, zij ’t bestuur ook hoog en laag, en lager,

Gezet in vele stemmen, alles sluit

Aaneen, en stemt, gelijk muziek, te zamen

Tot volle en zuiv’re harmonie.

CANTERBURY. Daarom

Verdeelt de hemel ook den staat des menschen

In velerlei verrichtingen en drijft

Elk onderdeel tot stâge werkzaamheid;

Deze echter heeft tot richtsnoer en tot doelwit

Gehoorzaamheid. Zoo werken ook de bijen,

Diertjes, die door natuur aan groote staten

Voor ord’lijk doen als voorbeeld zijn gesteld:

Een koning hebben ze en beambten; deels

Handhaven deze, als schouten, thuis de tucht;

Deels doen ze, als handlaars, zaken buitenshuis;

Deels gaan ze als krijgers, en een angel voerend,

Ten roof uit op des zomers fulpen knoppen,

En dragen hunnen buit in blijden optocht

Naar huis en in de heerscherstent huns vorsten,

Die, naar zijn roeping allen gadeslaat:

De mets’laars, zingend gouden daken bouwend,

De stille burgers, die den honing kneden,

Het poover arbeidsvolk, dat, zwaar beladen,

Door de enge poort de woning binnendringt,

Den strakken rechter, die met norsch gegons

Den tragen slaper hommel overlevert

Aan bleeke beulen. Hieruit put ik dit:

Dat vele dingen, die op samenstemming

Berekend zijn, verschillend werken kunnen;—

Gelijk veel pijlen, van verschillend standpunt

Den boog ontsneld, éénzelfde doelwit treffen,

Naar ééne stad veel wegen samenloopen,

Naar ééne zilte zee veel frissche stroomen,

Naar ’t midden van een uurplaat vele lijnen,

Zoo kunnen duizend handlingen, met zorg

Naar één doel samenstrevend, alle slagen,

Dat niets mislukt. Daarom, naar Frankrijk, heer!

Deel uw gelukkig England thans in vieren;

Neem gij een vierde deel naar Frankrijk mee;

En doe heel ’t land daar op zijn grondvest schudden.

Als wij, met driemaal zooveel macht te huis,

Den hond van onze deur niet weren kunnen,

Nu, dan verscheur’ hij ons, en heel ons volk

Verliez’ zijn roem van moed en schranderheid!

KONING HENDRIK. Voert de afgezanten des dauphijns nu tot ons.

(Eenigen van het Gevolg af.)

Wij zijn besloten; en met hulp van God

En u, het edel merg van onze kracht,

Zal Frankrijk, òns naar recht en wet, nu buigen,

Of barsten en verbrijzeld worden. Ja,

Ten troon gezeten willen we over Frankrijk

En zijn schier koninklijke hertogdommen

In luisterrijken glans en hoogheid heerschen,

Of in een need’rige urne dit gebeente

Doen rusten, zonder praalgesteente of opschrift;

Englands geschied’nis zal met donderstem

Van onze daden spreken, of ons graf

Zij als een Turksche stomme tongeloos,

Geen naam, zelfs niet in was gegrift, vermeldend.

(De Fransche Gezanten komen op.)

Wij zijn bereid de boodschap aan te hooren

Van den dauphijn, onze’ eed’len neef; van hem toch,

Zoo hoorden we, is uw groet, niet van den koning.

EERSTE GEZANT. Wil uwe hoogheid ons goedgunstig toestaan

Vrij uit, wat ons gelast werd, hier te ontvouwen;

Of zullen wij, wat de dauphijn ons opdroeg,

Verschoonend, als van verre, scheem’rig, toonen?

KONING HENDRIK. Geen dwingland zijn wij, maar een christenkoning,

Wiens heilig ambt zijn gramschap zoo beheerscht,

Als onze kerkers onze schurken kluist’ren;

Daarom meldt vrij, in onverwrongen waarheid,

Wat de dauphijn bedoelt.

EERSTE GEZANT. In ’t kort dan, dit:

Uw hoogheid eischte zeek’re hertogdommen

Onlangs van Frankrijk, naar het recht, dat u

Edward de derde, uw groote voorzaat, naliet.

Op dien eisch antwoordt onze heer, de prins,

Dat gij te zeer nog smaakt naar uwe jeugd,

En brengt u onder ’t oog, dat niets in Frankrijk

Met lustige gaillarden zich laat winnen,

Geen hertogdom daar in te zwelgen is.

Dies zendt hij u, als voor uw aard geschikter,

Dit vat vol schatten en begeert daarvoor,

Dat die verlangde hertogdommen niets

Van u meer hooren. Zoo spreekt de dauphijn.

KONING HENDRIK. Wat zijn ’t voor schatten, oom?

EXETER (op den inhoud van het inmiddels geopend vat wijzend).

Kaatsballen, heer.

KONING HENDRIK. ’t Verheugt ons, dat de prins zoo met ons schertst.

Hebt dank voor zijn geschenk en uwe moeite!

Als we ons palet met deze ballen paren,

Dan spelen we, als God wil, een spel in Frankrijk,

Dat in de baan de kroon zijns vaders rolt.

Een tegenspeler heeft hij uitgedaagd,

Die al uw Fransche banen zal doen rillen

Door slag op slag. En wij verstaan hem goed,

Hoe hij ons onze wilde dagen voorhoudt,

Niet radend van wat nut ze ons zijn geweest.

Nooit hebben we Englands armen troon geschat;

En daarom, dien ontwijkend, gaven we ons

Aan grove woestheid over, juist zooals men

Vaak menschen buitenshuis het vroolijkst ziet.

Doch meldt aan den dauphijn, dat ik mijn rang

Handhaven zal, een echte koning zijn,

En alle zeilen mijner grootheid hijschen,

Als ik mij op mijn troon van Frankrijk plaats.

Daartoe legde ik mijn waardigheid ter zij

En ploeterde als een werkman in de week,

Maar ginds verrijs ik in zoo heldren luister,

Dat ik heel Frankrijks oogen zal verbijst’ren,

Ja, uw dauphijn bij ’t zien met blindheid slaan.

En zegt dien jool’gen prins, dat deze spot

Van elken bal een steenen kogel maakt,

En dat die schrikb’re wraak, die met hen vliegt,

Zijn ziel bezwaren zal, want deze spot

Spot duizend weeuwen hare gaden weg,

Spot moeders zonen weg, spot burchten neer;

En menig thans nog ongeboren zoon

Vloekt eenmaal des dauphijns vermeet’len hoon.

Doch dit berust nog in de hand van God,

Op wien ik mij beroep; zegt den dauphijn

In Zijn naam, dat ik kom, om mij te wreken

Zoo goed ik kan, en mijn gerechten arm

Denk op te heffen voor een heil’ge zaak.

Gaat thans in vrede heen, en zegt den prins,

Dat elk zijn scherts een laffe scherts zal achten,

Als duizenden meer weenen, dan er lachten.—

Bezorgt hun vrijgeleide.—Vaart gij wel!

(De Gezanten af.)

EXETER. Dat was een fraaie boodschap.

KONING HENDRIK. Wij hebben hoop, den zender te doen blozen.

Daarom, mylords, verzuimt geen gunstig uur,

Dat tot bevord’ring van den tocht kan strekken;

Want geen gedachte is thans in ons dan Frankrijk;

Slechts die aan God gaat aan ons werk nog voor.

Dat daarom onze midd’len voor den oorlog

Ras saamgebracht zijn, alles welbedacht,

Wat met bezonnen spoed aan onze vleugels

Meer veed’ren schenken kan. Want, helpt ons God,

Dan boet de prins, voor ’s vaders hof, zijn spot.

Dies spore een elk zijn geest tot denken aan,

Hoe wij dit edel werk het best bestaan!

(Allen af.)

Koning Hendrik de Vijfde · 第 5 / 32 题