EERSTE TOONEEL.

Londen. Een voorzaal in het koninklijk paleis.

De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely komen op.

CANTERBURY. Voorwaar, mylord, de wet is weer aanhangig,

Die in het elfde jaar des voor’gen konings

Waarschijnlijk tegen ons waar’ doorgegaan,

Zoo niet de woeste en onrustvolle tijd

De verdere overweging had verhinderd.

ELY. En hoe, mylord, voorkomen wij haar nu?

CANTERBURY. Dit moeten we overleggen. Gaat zij door,

Dan neemt ze ons ruim de helft van onze have.

Want al het grondbezit, door vrome leeken

Bij testament ooit aan de kerk vermaakt,

Wil men ons nemen,—wat, naar ’t wordt geschat,

Zou onderhouden, voor des konings luister,

Ruim vijftien graven, vijftienhonderd ridders,

Zes duizend en tweehonderd wakk’re knapen,

En dan, tot troost van zieken en verzwakten,

Voor schaam’le zieken, de’ arbeidstijd voorbij,

Een honderd armenhuizen, wel voorzien,—

En verder ’s konings koffers stijven zou

Met duizend ponden ’s jaars. Zoo luidt de wet.

ELY. Een diepe teug!

CANTERBURY. Die kelk en al zou slikken!

ELY. Doch hoe dit te verhind’ren?

CANTERBURY. De koning is genadevol en billijk.

ELY. En een waarachtig vriend der heil’ge kerk.

CANTERBURY. De wandel van zijn jeugd deed dit niet hopen.

Nauw blies zijns vaders borst den adem uit,

Of ook zijn woestheid scheen, in hem verstikt,

Te sterven; ja, in ’t eigen oogenblik

Verscheen Bezonnenheid, gelijk een engel,

En zweepte uit hem den zondige’ Adam weg,

En liet zijn lichaam als een paradijs,

Dat hemelgeesten opnam en omsloot.

Zoo plots’ling werd geen kweek’ling ooit gevormd;

Zoo, als een vloed, kwam nooit bekeering op,

Zoo driftig stroomend, feilen met zich sleepend;

Zoo ras heeft hydrakoppige eigenlust

Zijn troon nooit opgegeven, zoo in eens,

Als nu in dezen koning.

ELY. Ons ten zegen!

CANTERBURY. Hoor hem met godgeleerden in gesprek,

En, gansch bewondring, zult ge inwendig wenschen,

Dat hij, de vorst, prelaat geworden waar’;

En hoor hem over staatsbelangen hand’len,

Die waren, zweert gij, steeds zijn een’ge lust;

Hij spreek’ van oorlogvoering, gij verneemt

Een schrikb’ren veldslag, op muziek gezet;

Leg een geval van staatsmanskunst hem voor,

En hij ontwart den Gordiaanschen knoop,

Als waar’ ’t zijn knieband; waarlijk, als hij spreekt,

Is zelfs de lucht, de vrije woest’ling, stil,

En stom verbazen loert in ieders oor

Om zijner reed’nen honingzeem te buiten,

Zoodat de hand’ling, ’t practisch deel des levens,

Zich leermeest’resse toont der theorie.

Een wonder is ’t, hoe onze vorst dit oplas,

Daar al zijn lust een ijd’le wandel was,

Zijn makkers ruw, onwetend, zonder diepte,

Zijn tijd bezet door brassen, zwieren, tieren,

En hij geen zweem van studiegeest ooit toonde,

Of zucht tot eenzaamheid en tot ontwijken

Der menigte en haar openbaar gewoel.

ELY. De aardbezie ziet men onder netels groeien,

En nevens vruchten van geringer aard

Gezonde beziën best tot rijpheid komen;

Zoo was zijn wildheid voor den prins een sluier,

Zijn overpeinzing dekkend, die bij nacht,

Gewis, als zomergras, het snelst gedijde,

Onopgemerkt, doch krachtig in haar groei.

CANTERBURY. Zoo moet het; want der wond’ren tijd is over;

En dus, er moeten midd’len zijn, waardoor

Volkomenheid ontstaat.

ELY. Doch, waarde lord,

Wat is te doen tot temp’ring dezer wet,

Die de gemeenten eischen? Is de koning

Er voor of tegen?

CANTERBURY. Naar het schijnt, nog weiflend

Maar toch, naar onze zijde eer overhellend,

Dan dat hij onze weêrpartijders steunt;

Want ik heb hem een aanbod kunnen doen

Van de vergaad’ring onzer geestlijkheid,—

En ’k heb daarbij zijn hoogheid in den breede

De hangende geschillen toegelicht,

Frankrijk betreffend,—om een grooter som

Te geven, dan de geestlijkheid nog ooit

In eens aan vorsten vóór hem heeft bewilligd.

ELY. Hoe, dunkt u, stond den koning ’t aanbod aan?

CANTERBURY. ’t Vond bij zijn majesteit een heusche ontvangst;

Alleen ontbrak de tijd om aan te hooren,—

Gelijk hij blijkbaar gaarne had gedaan,—

Die vele, voor een elk onwraakb’re rechten,

Die hij op enk’le hertogdommen heeft,

Ja, in ’t geheel, op Frankrijks kroon en troon,

Als erfgenaam zijns oudgrootvaders Edward.

ELY. Wat was de stoornis bij uw onderhoud?

CANTERBURY. Frankrijks gezant vroeg op dat oogenblik

Juist om gehoor; en ’t uur is daar, vermoed ik,

Voor zijn ontvangst bestemd. Is ’t reeds vier uur?

ELY. Dat is ’t.

CANTERBURY. Laat ons dan gaan, en hooren wij zijn boodschap,

Die ik naar gissing licht u melden kon,

Aleer de Franschman er een woord van uit.

ELY. Ik volg u; zeer verlang ik haar te hooren.

(Beiden af.)

Koning Hendrik de Vijfde · 第 4 / 32 题