Chorus treedt op.
CHORUS. O, stond een Muze mij ten dienst, van vuur,
Die tot der vinding lichtsten hemel steeg!
Een rijk als schouwtooneel, voor ’t spelen vorsten,
Voor ’t zien van ’t prachtig schouwspel koningen!
Dan trad, gelijk hij was, held Hendrik op
In Marsgestalte; voor zijn voeten kropen,
Als honden aangekoppeld, vuur en zwaard
En honger rond om werk. Doch o! vergeeft,
Geëerden, dat een ongewiekte geest
Op zulk een planken vloer zoo groot een stof
U voor te stellen waagt! Dit hanenstrijdperk,
Omvat het Frankrijks vlakten? bergt deze O
Met houten wand de helmen slechts, waar eens
Bij Agincourt de lucht voor heeft gesidderd?
Vergeeft, ja! kan een kromme cijfertrek
Niet in een klein bestek millioenen gelden?
Dat wij dan, nullen bij een groot bedrag,
Verbeeldings macht bij u hier laten werken!
Denkt in den gordel dezer muren thans
Twee groote monarchieën ingesloten,
Elk de andre dreigend met verheven voorhoofd,
Gescheiden door een woeste, smalle zee.
Vult aan, door uwen geest, wat ons ontbreekt,
Verdeelt in duizend stukken elken man;
Dat uw verbeelding hier een leger scheppe;
Als wij van paarden spreken, denkt, gij ziet hen,
In ’t weeke land hun trotsche hoeven prentend;
Uw geest leen’ koningstooi aan onze vorsten,
Verplaats’ hen hier en daar, spring’ tijden over,
Vatte in een uurglas samen, wat door jaren
Gewrocht werd. Laat, opdat uw geest dit doe,
Als Chorus mij bij dit geschiedstuk toe,
Die als Proloog hier smeek: hoort onze kunst
Toegevend aan en oordeelt dan in gunst.
(Chorus af.)