Er was gemaskerd bal bij de Saccards, den Donderdag van halfvasten. De
groote aantrekkelijkheid was het dichtstuk "Amours du beau Narcisse
et de la Nymphe Echo", in drie tafereelen, dat door de dames opgevoerd
zou worden.
De schrijver van dit stuk, mijnheer Hupel de la Noue, reisde al meer
dan een maand van zijn prefectuur naar het hôtel in het park Monceau,
ten einde de repetities te leiden en zijn raad te geven over de
kostuums. Hij had eerst gedacht zijn werk in verzen te schrijven,
maar later had hij besloten tot tableaux vivants; dat was edeler,
zei hij, dichter bij het antiek mooi.
De dames konden er niet meer van slapen. Er waren er bij, die tot
driemaal toe van kostuum veranderden. Er werden eindelooze besprekingen
gehouden, met den prefect als voorzitter. Men was het al dadelijk
oneens over de rol van Narcissus. Zou zij door een vrouw of door een
man voorgesteld worden? Eindelijk werd er op aandringen van Renée
beslist, dat die rol aan Maxime zou toevertrouwd worden, maar hij
zou de eenige man zijn, en mevrouw de Lauwerens zei bovendien dat zij
er nooit in toegestemd had, als "de kleine Maxime niet op een heusch
meisje geleek". Renée zou de nimf Echo zijn.
De kwestie van de kostuums bood meer zwarigheid aan. Maxime was een
flinke hulp voor den prefect, die doodmoe was, te midden van negen
vrouwen, wier dwaze verzinsels de zuivere lijnen van zijn ontwerp
ernstig in gevaar brachten. Als hij naar ze geluisterd had, zou zijn
Olympia zich geblanket hebben.
Mevrouw d'Espanet wilde met alle geweld een sleepjapon hebben om
haar tamelijk groote voeten te verbergen, terwijl mevrouw Haffner
zich met een dierenhuid wou tooien. Mijnheer Hupel de la Noue stond
op zijn stuk; hij werd zelfs boos; hij zei met overtuiging, dat hij
afgezien had van de verzen om zijn dichtstuk te schrijven "met kunstig
saamgevoegde stoffen en uitgezochte mooie standen".
--Het ensemble, dames, herhaalde hij bij elken nieuwen eisch, gij
vergeet het ensemble!.... Ik kan toch niet het heele werk opofferen
aan de strooken die u mij vraagt.
De beraadslagingen werden in het gele salon gehouden. Men bracht er
heele namiddagen zoek om den vorm van een rok vast te stellen. Worms
werd verscheidene malen ontboden. Eindelijk was alles geregeld, de
kostuums waren vastgesteld, de standen geleerd, en mijnheer Hupel
de la Noue verklaarde zich voldaan. De verkiezing van mijnheer de
Mareuil had hem minder moeite veroorzaakt.
Les Amours du beau Narcisse et de la nymphe Echo zouden om elf uur
beginnen. Om half elf was het groote salon al vol, en daar er bal na
was, zaten de dames in groot toilet op fauteuils in een halven cirkel
voor het geïmproviseerde tooneel, een verhevenheid die door twee breede
roodfluweelen gordijnen met gouden franje, langs roeden schuivende,
verborgen was. De heeren stonden achter de stoelen of liepen heen en
weer. De behangers hadden om tien uur de laatste spijkers ingeslagen.
De estrade verhief zich aan het einde van het salon en besloeg
een geheelen zijkant van deze lange galerij. Men kwam op het
tooneel door de rookkamer, die als foyer voor de artisten was
ingericht. Bovendien hadden de dames op de eerste verdieping de
beschikking over verscheidene kamers, waar een stoet van kameniers
de toiletten voor de verschillende tableaux in gereedheid brachten.
Het was half twaalf, en de gordijnen bleven gesloten. Een luid
gegons van stemmen klonk in het salon. De rijen fauteuils boden het
verwonderlijkste mengelmoes van markiezinnen, slotvrouwen, melkmeisjes,
Spaansche vrouwen, herderinnen en sultanes; terwijl de dichte massa
zwarte jassen een groote zwarte vlek vormde, naast die lichte stofjes
en bloote schouders, flonkerend van edelgesteenten. De dames alleen
waren verkleed. Het was al warm. De drie gaskronen brachten gloed in
den overvloed van goud in het salon.
Eindelijk zag men mijnheer Hupel de la Noue door een opening komen,
die links van het tooneel was aangebracht. Van acht uur af was hij
al bezig de dames te helpen. Zijn jas had op de linkermouw drie
witte strepen van vingers, een dameshandje dat daarop gelegd was,
na een greep in de poudre de riz doos. Maar de prefect had wel aan
iets anders te denken! Zijn oogen puilden uit, zijn gezicht was bleek
en opgezet. Hij scheen niemand te zien. En naar Saccard toegaande,
dien hij herkende te midden van een groepje deftige heeren, zei
hij halfluid:
--Sakkerloot, uw vrouw is haar bladeren-ceintuur kwijt.... Dat ziet
er mooi uit!
Hij vloekte, hij zou de lui hebben kunnen slaan. Vervolgens zonder
antwoord af te wachten, zonder naar iets te zien, keerde hij zich om,
dook weg onder de draperieën en verdween. De dames glimlachten om
die zonderlinge verschijning.
De groep te midden waarvan Saccard zich bevond, had zich achter de
laatste rij stoelen gevormd. Men had zelfs een stoel uit die rij
gehaald voor baron Gouraud, wiens beenen begonnen te zwellen. Daar
bevond zich mijnheer Toutin-Laroche, die door den keizer tot lid van
den Senaat benoemd was, mijnheer de Mareuil, wiens tweede verkiezing de
Kamer bekrachtigd had; mijnheer Michelin, den vorigen dag gedecoreerd,
en een beetje achteraf Mignon en Charrier, van wie de één met een
grooten diamant in zijn das prijkte, terwijl de ander er een, nog
grooter, aan zijn vinger had.
De heeren praatten. Saccard verliet ze een oogenblik om op
fluisterenden toon een woordje te wisselen met zijn zuster, die juist
binnengekomen was en tusschen Louise de Mareuil en mevrouw Michelin
plaats had genomen.
Mevrouw Sidonie was als toovenares verkleed; Louise droeg heel kranig
het kostuum van een page, dat haar nu heelemaal op een jongen deed
lijken, de kleine Michelin, als Oostersche danseres, glimlachte lief
onder haar met gouddraad gestikten sluier.
--Weet je iets? vroeg Saccard zachtjes aan zijn zuster.
--Neen, nog niets, antwoordde zij. Maar haar minnaar moet hier
zijn.... Ik zal ze van avond wel snappen, daar kan je op rekenen.
--Je waarschuwt me toch dadelijk, niet waar?
En Saccard wendde zich naar rechts en naar links, maakte Louise
en mevrouw Michelin een complimentje. Hij vergeleek de een bij een
houri van Mahomed, de andere bij een lieveling van Henri III. Zijn
provençaalsch accent scheen heel zijn schrale persoontje te doen
zingen van verrukking.
Toen hij weer bij de groep deftige heeren kwam, nam mijnheer de Mareuil
hem ter zijde en sprak hem over het huwelijk van hun kinderen. Er was
niets aan veranderd, den volgenden Zondag zou het contract geteekend
worden.
--Uitstekend, zei Saccard. Ik ben zelfs van plan het huwelijk van
avond aan onze vrienden bekend te maken, als gij er geen bezwaar
tegen hebt.... Ik wacht er mee op mijn broer den minister, die nu
beloofd heeft te komen.
De nieuwbakken afgevaardigde was verrukt. Intusschen verhief mijnheer
Toutin-Laroche zijn stem, alsof hij aan de diepste verontwaardiging
ten prooi was.
--Ja, heeren, zei hij tot mijnheer Michelin en de twee aannemers die
naderbij kwamen, ik was zoo goedhartig geweest mijn naam aan zoo'n
zaak te verbinden.
En toen Saccard en Mareuil zich weer bij hem voegden, ging hij voort:
--Ik vertelde aan de heeren dat ongelukkige geval met de Société
générale des ports du Maroc, je weet wel, Saccard?
Deze hield zich goed. De bewuste maatschappij was met een vreeselijk
schandaal ineengestort. Al te nieuwsgierige aandeelhouders hadden
willen weten hoe het stond met de vestiging van die beroemde
handelsstations aan de kust der Middellandsche zee, en een gerechtelijk
onderzoek had aangetoond dat de havens van Marokko slechts bestonden
op de kaarten van de ingenieurs, heel mooie kaarten, die in de
kantoren der Maatschappij aan den muur hingen. Sedert dat oogenblik
schreeuwde mijnheer Toutin-Laroche nog harder dan de aandeelhouders;
hij was verontwaardigd en eischte dat men hem zijn onbevlekten naam
zou teruggeven. En hij maakte zoo'n misbaar, dat het gouvernement,
om dien nuttigen man tot bedaren te brengen en hem in de publieke
opinie te rehabiliteeren, besloot hem senaatslid te maken. En zoo
vischte hij den lang begeerden zetel op, in een zaak die hem bijna
op de bank der beschuldigden had gebracht.
--Ge zijt wel vriendelijk u daarover te bekommeren, zei Saccard. Ge
kunt wijzen op uw groot werk, het Wijnbouwcrediet, dat zegevierend
uit alle moeielijkheden te voorschijn is getreden.
--Ja, mompelde de Mareuil, dat zegt alles.
Het Wijnbouwcrediet was inderdaad in groote moeielijkheden geraakt,
die zorgvuldig verborgen gehouden werden. Een minister die erg veel
op had met deze finantiëele instelling, die de stad Parijs in haar
macht had, had een speculatie op de rijzing uitgevonden, waarvan
mijnheer Toutin-Laroche zich uitstekend had weten te bedienen. Niets
was hem zoo welgevallig als loftuitingen op den voorspoed van het
Wijnbouwcrediet. Hij lokte ze meestal uit. Hij dankte mijnheer de
Mareuil met een blik, en zich naar baron Gouraud overbuigende, op
wiens fauteuil hij vertrouwelijk leunde, vroeg hij hem:
--Hoe gaat het? Hebt u het niet te warm?
De baron bromde iets onverstaanbaars.
--Hij vermindert met den dag, zei mijnheer Toutin-Laroche zachtjes,
zich tot de andere heeren wendend.
Mijnheer Michelin glimlachte, kneep van tijd tot tijd de oogleden
halfdicht, om zijn roode lintje te zien. Mignon en Charrier, die
stevig op hun groote voeten stonden, schenen zich veel meer thuis
te voelen in hun gekleede jas, sinds zij briljanten droegen. Het
was intusschen middernacht geworden, de gasten werden ongeduldig;
zij durfden wel niet mopperen, maar de waaiers gingen zenuwachtig op
en neer, en de gesprekken werden luider.
Eindelijk verscheen mijnheer Hupel de la Noue weer. Hij had al éen
schouder door de nauwe opening, toen hij mevrouw d'Espanet eindelijk de
verhevenheid op zag komen; de dames, die reeds op haar plaats waren
voor het eerste tableau, wachtten alleen nog op haar. De prefect
keerde zich om en met zijn rug naar de toeschouwers wisselde hij een
paar woorden met de markiezin, die achter de gordijnen stond. Terwijl
hij haar met de vingertoppen zijn groeten toezond, zei hij zachtjes:
--Mijn compliment, markiezin. Uw kostuum is prachtig.
--En dat er onder zit is nog veel mooier! antwoordde de jonge vrouw
leukweg, terwijl zij hem in zijn gezicht uitlachte, zoo komisch vond
zij hem, zooals hij daar in die draperieën gehuld stond.
Het gewaagde van die scherts verblufte den galanten mijnheer Hupel
de la Noue een oogenblik, maar hij herstelde zich en hoe meer hij
over de aardigheid nadacht, hoe meer hij er van genoot.
--Aardig, alleraardigst! fluisterde hij met een verrukt gezicht.
Hij liet het gordijn weer vallen en kwam zich bij het groepje deftige
mannen voegen; hij wilde van zijn werk genieten. Hij was nu niet meer
de ontstelde man, die het bladerenceintuur van de nimf Echo zocht. Hij
straalde van genot, en veegde zich puffend het voorhoofd af. Hij had
nog altijd het witte handje op de mouw van zijn jas, bovendien zat
er een roode vlek op den duim van zijn rechterhandschoen; hij had
dien vinger zeker in de poederdoos van een der dames gestoken. Hij
glimlachte, wuifde zich wat koelte toe, en stotterde:
--Ze is aanbiddelijk, verrukkelijk, verbazend.
--Wie? vroeg Saccard.
--De markiezin. Verbeeld u, zooeven zegt ze....
En hij vertelde den kwinkslag. Men vond hem heel geestig. De heeren
vertelden hem verder. Zelfs de waardige mijnheer Haffner, die juist
aankwam, schonk er zijn bijval aan. Intusschen begon een piano,
die ergens buiten het gezicht stond, een wals te spelen. Nu werd het
opeens doodstil. In de eindelooze opeenvolging van grillige loopjes
kwam telkens weer een zoetklinkend thema op het klavier omhoog en
ging verloren in de trillende tonen van den nachtegaal, dan vielen
de basstemmen weer in, langzamer. Het was een wals, die den wellust
opwekte.
De dames bogen het hoofd ietwat voorover en luisterden glimlachend
toe. Maar de vroolijkheid van mijnheer Hupel de la Noue was plotseling
verdwenen. Hij keek bezorgd naar de rood fluweelen gordijnen en zei bij
zich zelf dat hij mevrouw d'Espanet haar plaats had moeten aanwijzen,
even goed als aan de andere dames.
De gordijnen werden langzaam opengeschoven, de piano hervatte zachtjes
den zinnelijken wals. Een gemurmel verhief zich door de heele zaal. De
dames bogen zich voorover, de heeren rekten de halzen uit, terwijl de
bewondering zich hier en daar uitte in een te hardop gesproken woord,
een onwillekeurigen zucht, een onderdrukt gelach. Dat duurde vijf
volle minuten, onder de schitterende verlichting van de drie gaskronen.
Gerustgesteld glimlachte mijnheer Hupel de la Noue gelukzalig. Hij
kon geen weerstand bieden aan de verzoeking om tot degenen, die hem
omringden, te zeggen wat hij al een maand lang zeide:
--Ik had er eerst over gedacht er verzen van te maken.... Maar zoo
is het edeler van opvatting, niet waar?
Terwijl de wals in een eindelooze wiegeling voortklonk, gaf hij
nadere verklaringen. Mignon en Charrier waren naderbij gekomen en
luisterden aandachtig.
--Gij kent het onderwerp, niet waar? De schoone Narcissus, zoon van
den stroomgod Cephisos en de nimf Liriope, versmaadt de liefde van de
nimf Echo.... Echo behoorde tot het gevolg van Juno, die zij door haar
gesprekken bezig hield, terwijl Jupiter de aarde rondwandelde.... Echo,
dochter van de lucht en van de aarde, zooals gij weet....
En hij geraakte in verrukking voor de poëzie van de fabel. Toen ging
hij op vertrouwelijken toon voort:
--Ik meende mijn verbeelding vrij spel te mogen laten.... De nimf
Echo leidt den schoonen Narcissus naar Venus, in een zeegrot, opdat de
godin hem in liefde doet ontgloeien. Maar de godin blijft onmachtig. De
jonge man toont door zijn houding dat hij niet getroffen is.
De verklaring was niet overbodig, want weinig toeschouwers in het
salon begrepen de juiste beteekenis der groepen. Toen de prefect
zijn personen halfluid had opgenoemd, werd de bewondering nog
grooter. Mignon en Charrier zetten groote oogen op. Zij hadden er
niets van begrepen.
Op de estrade, tusschen de roodfluweelen gordijnen, was een grot
aangebracht. Het decor bestond uit zijde met groote plooien gevouwen,
beschilderd met schelpdieren, visschen en zeeplanten. De golvende
vloer, die als een heuveltje oprees, was met dezelfde zijde bedekt,
waarop de décorateur een fijn zand had geschilderd, bezaaid met parelen
en zilveren lovertjes. Het was een verblijf voor een godin. Op den top
van het heuveltje stond mevrouw de Lauwerens, als Venus; eenigszins
gezet, haar rose tricot met de waardigheid van een hertogin van den
Olymp dragende, had zij haar rol als vorstin der liefde opgevat met
groote, gestrenge en verslindende oogen. Achter haar zag men het
schalksche gelaat, de vleugels en den pijlkoker van Cupido, die door
het glimlachende mevrouwtje Daste werd voorgesteld.
Vervolgens hielden aan de eene zijde van het heuveltje, de drie
Gratiën, de dames de Guende, Teissière en de Meinhold, geheel in
neteldoek, elkander lachend omstrengeld, als in de beroemde groep
van Pradier; terwijl aan de andere zijde de markiezin d'Espanet en
mevrouw Haffner, in denzelfden stroom van kant gehuld, met de armen om
elkanders middel, en de haren dooreengestrengeld een gewaagd hoekje in
het tableau vormden, een herinnering aan Lesbos, die mijnheer Hupel
de la Noue een beetje zachter, alleen voor de heeren, verklaarde,
zeggende dat hij daarmede de macht van Venus had willen aantoonen.
Onder aan den heuvel, stelde gravin Vanska den Wellust voor; zij
strekte zich uit, in een laatste krampachtige trekking, de oogen
kwijnend en halfgeopend, als afgemat; zij had haar zwarte haren
losgemaakt, en door de met gele vlammen gestreepte tunica zag men
stukjes van haar donkere huid.
De kleuren der kostuums, van den sneeuwwitten sluier van Venus tot
het donkerrood der tunica van den Wellust, vormden een zachten
overgang, de overheerschende kleur was rose en vleeschkleur. En
onder den electrischen stralenbundel, die heel vernuftig door een
der tuinvensters op het tooneel gericht werd, vloeiden het gaas,
de kant, al die lichte, doorzichtige stoffen zoo goed ineen met de
schouders en de tricots, dat al dat rose en wit leven kreeg en men
zich afvroeg of de dames hun liefde voor de plastische waarheid niet
zoover gedreven hadden om zich geheel te ontkleeden.
Dat was slechts de apotheose; het drama werd op den voorgrond
vertoond. Links strekte Renée, de nimf Echo, haar armen naar de groote
godin uit, het hoofd half naar Narcissus gewend met een smeekenden
blik, als om hem uit te noodigen Venus aan te zien, wat op zich zelf
al voldoende is om in een hartstochtelijke liefde te ontbranden; maar
Narcissus, die ter rechterzijde stond, maakte een weigerend gebaar,
hij bedekte de oogen met de hand en bleef even koel.
De kostuums van deze twee personen hadden mijnheer Hupel de la Noue
heel wat hoofdbreken gekost. Narcissus, als de halfgod der bosschen,
droeg een ideaal jagerskostuum: groenachtig tricot, kort nauwsluitend
mouwvest en een eiketakje in het haar. De kleeding van de nimf Echo was
alleen reeds een heele allegorie; zij had iets van de groote boomen
en van de hooge bergen, van de weergalmende plaatsen waar de stemmen
der aarde en der lucht elkaar beantwoorden; zij stelde de rots voor
door het witte satijn van den rok, het kreupelhout door de bladeren
van het ceintuur, den wolkenloozen hemel door het blauwe gaas van
het keurslijf.
En de groepen stonden onbewegelijk stil, de zinnelijke toon van den
Olymp klonk in de oogverblinding van den breeden straalbundel, terwijl
de piano haar klagenden liefdezang, door diepe zuchten afgebroken,
voortzette.
Men vond algemeen dat Maxime prachtig gevormd was. Bij zijn weigerend
gebaar, kwam zijn linkerheup fraai uit en trok zeer de aandacht. Maar
men was eenstemmig in zijn lof over de gelaatsuitdrukking van
Renée. Volgens mijnheer Hupel de la Noue, was zij "de smart over
de onbevredigde begeerte". Zij had een scherpen glimlach, die zich
nederig trachtte voor te doen, zij beloerde haar prooi, in haar stomme
smeekbede lag iets van een uitgehongerde wolvin, die haar tanden maar
half verbergt.
Het eerste tableau slaagde goed, behalve dat die dwaze Adeline zich
bewoog en ternauwernood een onweerstaanbare lachbui bedwong. De
gordijnen werden weer dichtgeschoven en de piano zweeg.
Toen applaudisseerde men bescheiden en de gesprekken werden hervat.
Een ademtocht van liefde, van bedwongen begeerte, was neergedaald
van al dat naakt op de estrade, en streek door de zaal, waar de dames
nog kwijnender achterover leunden in haar stoelen, terwijl de heeren
elkander glimlachend hun opmerkingen toefluisterden.
Het was een gefluister als in een slaapkamer, een halve stilte van
een beschaafd gezelschap, een verlangen naar zingenot ternauwernood
aangeduid door een trilling der lippen; en in de zwijgende blikken, die
elkander te midden van die verrukking ontmoetten, werd met een brutale
vrijmoedigheid liefde geboden en met een oogwenk die liefde aanvaard.
Er kwam geen einde aan de loftuitingen op de volmaaktheden der
dames. Haar kostuums werden bijna even belangrijk geacht als haar
schouders. Toen Mignon en Charrier mijnheer Hupel de la Noue wilden
ondervragen, zagen zij hem tot hun verbazing niet meer naast zich;
hij was al weer achter de estrade weggedoken.
--Zooals ik u zooeven vertelde, lieve, zei mevrouw Sidonie, haar
gesprek vervolgende, dat door het eerste tableau was afgebroken,
had ik een brief uit Londen gekregen, over die zaak van de drie
milliarden, weet u.... De persoon dien ik met het onderzoek belast heb,
schrijft me dat hij het ontvangbewijs van den bankier meent gevonden
te hebben. Engeland zou betaald hebben.... Ik ben er den heelen dag
door van streek geweest.
Ze was werkelijk geler dan gewoonlijk, in haar met sterren bezaaide
toovenareskostuum. En daar mevrouw Michelin niet naar haar luisterde,
ging zij op zachter toon voort, mompelende dat Engeland onmogelijk
betaald kon hebben, en dat ze bepaald zelf naar Londen moest gaan.
--Het kostuum van Narcissus was mooi, vond u niet? vroeg Louise aan
mevrouw Michelin.
Deze glimlachte. Zij keek naar baron Gouraud, die heelemaal
opgevroolijkt scheen in zijn fauteuil. Mevrouw Sidonie, de richting
van haar blik volgende, boog zich naar haar over en fluisterde haar
in het oor, om niet door het meisje gehoord te worden:
--Heb je het nog van hem gedaan gekregen?
--Ja, antwoordde de jonge vrouw, kwijnend, haar rol van Oostersche
danseres uitmuntend spelend. Ik heb het huis van Louveciennes
gekozen, en de eigendomsbewijzen heb ik van zijn zaakgelastigde
gekregen.... Maar we zijn kwaad met elkaar, ik zie hem niet meer.
Louise had een bijzonder fijn gehoor voor de dingen, die zij niet
hooren mocht. Zij keek naar baron Gouraud met de vrijpostigheid die
bij haar kostuum als page paste, en zei kalmpjes tot mevrouw Michelin:
--Vindt u den baron niet afschuwelijk leelijk?
En met een schaterlach ging zij voort:
--Zeg, hij had de rol van Narcissus moeten hebben. Hij zou kostelijk
zijn in een appelgroen tricot!
Het oude senaatslid was inderdaad wat opgefleurd door het zien van
Venus en dat wellustige plekje van den Olymp. Hij keek met opgetogen
blikken rond en draaide zich half om ten einde Saccard een complimentje
te maken.
In de rumoerige drukte van de zaal bleef het groepje ernstige mannen
over zaken en over de politiek spreken. Mijnheer Haffner vertelde,
dat hij benoemd was tot president van een jury, die belast was met de
regeling der schadevergoedingen. Toen kwam het gesprek als van zelf
op de werken van Parijs, op den boulevard du Prince-Eugène, waarover
men ernstig onder het publiek begon te spreken. Saccard greep deze
gelegenheid aan, sprak van iemand dien hij kende, een eigenaar, dien
men nu zeker wel zou onteigenen. En hij keek de heeren strak aan. De
baron knikte zachtjes met het hoofd; mijnheer Toutin-Laroche ging
verder, hij verklaarde dat er niets onaangenamers was dan onteigend
te worden; mijnheer Michelin beaamde dit en keek schuins naar zijn
decoratie.
De schadevergoedingen kunnen nooit te hoog zijn, besloot mijnheer de
Mareuil heel wijs, om Saccard te believen.
Zij hadden elkaar begrepen. Maar Mignon en Charrier droegen hun eigen
zaken voor. Zij waren van plan binnen kort uit de zaken te treden
en zich in Langres te vestigen, zeiden zij, maar dan toch in Parijs
een pied-à-terre te houden. De heeren moesten onwillekeurig lachen,
toen zij vertelden, dat zij hun prachtig hôtel op den boulevard
Malesherbes zoo mooi gevonden hadden, toen het af was, dat zij den
lust niet hadden kunnen weerstaan om het te verkoopen. Zij hadden zich
zeker getroost met hun briljanten. Saccard lachte ietwat gedwongen;
zijn vroegere compagnons hadden enorme winsten behaald in een zaak,
waarbij hij de rol van slachtoffer gespeeld had. En daar de pauze
wat lang duurde, werd het gesprek der ernstige mannen afgebroken door
loftuitingen op den hals van Venus en de kleeding van de nimf Echo.
Na een groot halfuur kwam mijnheer Hupel de la Noue weer te
voorschijn. Hij was geheel verdiept in zijn succès, en de wanorde
van zijn kleeding was er niet beter op geworden. Toen hij naar zijn
plaats ging, ontmoette hij mijnheer de Mussy. Hij drukte hem in het
voorbijgaan de hand, toen keerde hij zich weer om, om hem te vragen:
--Heb je dat aardige gezegde van de markiezin al gehoord?
En hij vertelde het hem, zonder zijn antwoord af te wachten. Hij
drong er hoe langer hoe dieper in door, hij gaf er commentaren bij,
hij vond het ten slotte heerlijk naïef. En dat er onder zit is nog
veel mooier! Die kreet kwam uit het hart voort.
Maar mijnheer de Mussy dacht er anders over. Hij vond de uitdrukking
onbetamelijk. Hij was attaché geworden bij het Engelsche gezantschap,
en de minister had hem gezegd dat een onberispelijke houding een
eerste vereischte was. Hij weigerde den cotillon te leiden, hij werd
ernstiger en sprak niet meer over zijn liefde voor Renée, die hij
deftig groette wanneer hij haar ontmoette.
Mijnheer Hupel de la Noue voegde zich weer bij het groepje dat zich
achter den fauteuil van den baron gevormd had, toen de piano een
triomfmarsch aanhief. Krachtig aangeslagen akkoorden leidden een breede
melodie in, waarin nu en dan de klank van metaal weerklonk. Na iedere
phrase werd de rythmus in hooger tonen hervat. Het klonk krachtig
en vroolijk.
--U zult zien, mompelde mijnheer Hupel de la Noue; ik heb de
dichterlijke vrijheid misschien wat te ver gedreven; maar ik geloof
dat ik het er nog al goed afgebracht heb.... De nimf Echo, ziende
dat Venus geen macht heeft over den schoonen Narcissus, brengt hem
bij Plutus, den god van den rijkdom en de edele metalen.... Na de
verlokking van het vleesch, de verzoeking van het goud.
--Dat is klassiek, antwoordde de heer Toutin-Laroche droogweg, met een
vriendelijk lachje. U is op de hoogte van uw tijd, mijnheer de prefect.
De gordijnen gingen open, de piano speelde harder. Het was
oogverblindend. Het electrische licht viel op een schitterende pracht,
waarin de toeschouwers eerst niets dan een vuurgloed zagen, waarin
goudstaven en kostbare steenen schenen te smelten. Een tweede grot
werd zichtbaar; ditmaal was het echter niet het frissche verblijf van
Venus, bespoeld door een vloed die op een met paarlen bezaaid fijn zand
wegvloeide. Deze grot was waarschijnlijk te vinden in het binnenste der
aarde, in een diepe, heete aardlaag, een spleet van de hel der oudheid,
een scheur in een mijn van smeltende metalen, door Plutus bewoond.
De zijden stof, die de rots voorstelde, vertoonde breede aderen van
metaal, beddingen die als het ware de aderen van de oude wereld waren,
de onmetelijke rijkdommen en het eeuwige leven van den aardbodem met
zich voerende. Op den grond, hier had mijnheer Hupel de la Noue zich
aan een anachronisme gewaagd, lag het bezaaid met twintigfrancsstukken,
die hier en daar heele stapels vormden.
Boven dien stapel goud, zat mevrouw de Guende als een vrouwelijke
Plutus, een Plutus die hals en boezem vertoonde in de groote
metaalbladen van zijn kostuum. Om den god groepeerden zich, in staande
of halfliggende houding, tot een tros vereenigd, of afzonderlijk
bloeiende, de tooverachtige bloemen van deze grot, waar de kalifen
der Duizend en een Nacht hun schatkist geledigd hadden.
Het waren mevrouw Haffner als het Goud, met een stijf, schitterend
bisschopskleed, mevrouw d'Espanet als het Zilver, glinsterend als het
maanlicht; mevrouw de Lauwerens als Saffier, in een warmblauw kostuum,
en naast haar de kleine mevrouw Daste, een glimlachende Turkoois,
zacht blauwend; daarop kwamen de Smaragd, mevrouw de Meinhold, en
de Topaas, mevrouw Teissière; ietwat lager, leende mevrouw Vanska
haar donkeren gloed aan het Koraal, uitgestrekt, de armen opgeheven
en beladen met roode hangers, als een wonderschoone poliep, die
vrouwenvleesch vertoonde in de rose gapingen van een parelmoerschelp.
De dames hadden ieder halskettingen, armbanden, geheele parures,
van de edelgesteenten die zij voorstelden. De aandacht viel vooral
op de origineele versierselen van de dames d'Espanet en Haffner,
uitsluitend van nieuwe goud- en zilverstukjes.
Op den voorgrond bleef het drama eender, de nimf Echo bracht den
schoonen Narcissus in verzoeking, doch deze maakte weer een weigerend
gebaar. En de oogen der toeschouwers rustten met verrukking op die
gapende opening in de gloeiende ingewanden der aarde, dien stapel
goud waarop zich de rijkdom der wereld wentelde.
Dit tweede tableau had nog meer bijval dan het eerste. Het bleek een
bijzonder vernuftig denkbeeld te zijn. Dat gewaagde anachronisme van
de twintigfrancsstukken, die stroom uit een moderne geldkist in een
hoekje van de grieksche mythologie uitgegoten, streelde de verbeelding
van de dames en de geldmannen die daar aanwezig waren. "Wat een
goudstukken! wat een geld!" klonk het met glimlachjes en rillingen van
genot door de gansche zaal; en het leed geen twijfel of al die dames
en al die heeren koesterden den vurigen wensch om al dat heerlijks
voor zich alleen, in een kelder, te hebben.
--Engeland heeft betaald, dat zijn uw milliarden, fluisterde Louise
mevrouw Sidonie ondeugend in het oor.
En mevrouw Michelin, die in begeerige verrukking den mond half
open hield, schoof haar Oosterschen sluier ter zijde en keek met
schitterende oogen naar het goud, terwijl de ernstige heeren een
onmacht nabij waren. Mijnheer Toutin-Laroche fluisterde met een
opgetogen blik iets tot den baron, die gele vlekken in zijn gezicht
vertoonde. Maar Mignon en Charrier, minder bescheiden, zeiden met
een lompe naïefheid:
--Sakkerloot! Daar ligt genoeg om Parijs af te breken en weer op
te bouwen.
Saccard begreep de diepzinnigheid van dit gezegde; hij begon te
gelooven dat Mignon en Charrier de lui voor den gek hielden, met hun
voorgewende onnoozelheid.
Toen de gordijnen weer dicht gingen en de piano de triomfmarsch
besloot met een groot geweld van op elkander geworpen noten, als
de laatste scheppenvol goudstukken, barstten de toejuichingen los,
levendiger en aanhoudender dan de eerste maal.
Intusschen was de minister, vergezeld van zijn secretaris, mijnheer
de Saffré, aan de deur van het salon verschenen.
Saccard, die al ongeduldig op de komst van zijn broer gewacht had,
wilde hem gauw te gemoet gaan. Maar hij wenkte hem toe te blijven
waar hij was. En hij kwam zachtjes naar het groepje ernstige mannen
toe. Toen de gordijnen dicht waren en men hem bemerkte, liep er een
gefluister door de zaal, alle hoofden keerden zich om; de minister
woog op tegen het succès van les Amours du beau Narcisse et de la
nymphe Echo.
--U is een dichter, mijnheer de prefect, zei hij glimlachend tot
mijnheer Hupel de la Noue. U hebt vroeger een dichtbundel uitgegeven,
les Volubilis, geloof ik?.... Ik zie dat de beslommeringen der
administratie uw verbeelding niet uitgeput hebben.
De prefect gevoelde het stekelige van dit compliment. De plotselinge
aanwezigheid van zijn chef bracht hem nog meer van zijn stuk,
doordat toen hij een vluchtigen blik op zijn toilet wierp, om te
zien of er niets aan ontbrak, hij op de mouw van zijn jas het witte
handje ontdekte, dat hij niet durfde afvegen. Hij boog en stotterde
een paar woorden.
--Waarlijk, ging de minister voort, tot mijnheer Toutin-Laroche,
baron Gouraud en al de andere heeren die daar stonden, al dat goud
was een wondermooi schouwspel. We zouden groote dingen doen, als
mijnheer Hupel de la Noue geld voor ons sloeg.
Dit was, in de taal van een minister, hetzelfde als wat Mignon en
Charrier gezegd hadden. Toen maakten mijnheer Toutin-Laroche en de
anderen hem het hof, zij weidden uit over het laatste gezegde van den
minister: het keizerrijk had al wonderen gewrocht; aan goud ontbrak
het niet, dank het beleid der regeering, nog nooit had Frankrijk
zoo'n mooie positie tegenover Europa ingenomen, en de heeren werden
eindelijk zoo kruiperig, dat de minister zelf het gesprek op iets
anders bracht. Hij hoorde hen aan, met opgericht hoofd, de mondhoeken
ietwat opgetrokken, wat zijn dik, bleek, zorgvuldig geschoren gelaat
een trek van twijfel en glimlachende minachting gaf.
Saccard deed intusschen zijn best om het gesprek daarheen te leiden,
dat hij met de aankondiging van Maxime's huwelijk voor den dag kon
komen. Hij deed alsof hij bijzonder vertrouwelijk met zijn broer was,
en deze liet het zich aanleunen; hij wilde zijn broer dien dienst
wel bewijzen. Hij was werkelijk de meerdere, met zijn helderen blik,
zijn zichtbare minachting voor kleinzielige schelmerijen, zijn breede
schouders, die met éen beweging al die menschen omver hadden kunnen
werpen.
Toen het huwelijk eindelijk ter sprake kwam, betoonde hij zich heel
innemend, hij gaf te kennen dat hij zijn huwelijksgeschenk al gereed
had. Hij doelde op Maxime's benoeming tot auditeur bij den Raad van
State. Hij herhaalde zijn broer zelfs tot tweemaal toe, met een air
van goedigheid:
--Zeg vooral aan je zoon, dat ik zijn getuige wil zijn.
Mijnheer de Mareuil kreeg een kleur van blijdschap. Men feliciteerde
Saccard. Mijnheer Toutin-Laroche bood zich aan als tweeden
getuige. Daarop kwam het gesprek plotseling op de echtscheiding. Een
lid van de oppositie had den "treurigen moed" gehad, zei mijnheer
Haffner, die schande der maatschappij te verdedigen. En allen
protesteerden. Hun zedigheid vond treffende argumenten. Mijnheer
Michelin glimlachte bescheiden tegen den minister, terwijl Mignon
en Charrier met verwondering opmerkten dat de kraag van zijn jas
versleten was.
Al dien tijd bleef mijnheer Hupel de la Noue verlegen tegen den
fauteuil van baron Gouraud geleund, die zich vergenoegd had met den
minister een stilzwijgenden handdruk te wisselen. De dichter durfde
zich niet van zijn plaats bewegen. Een onbeschrijfelijk gevoel,
de vrees om belachelijk te schijnen, de angst om bij zijn chef uit
de gunst te geraken, hielden hem terug, ofschoon hij van begeerte
brandde om de dames haar plaats op de estrade aan te wijzen, voor
het laatste tableau. Hij zocht naar een goed gekozen woord om weer
in de gunst te komen. Hij was hoe langer hoe meer met zijn figuur
verlegen, toen hij mijnheer de Saffré bemerkte; hij nam hem bij den
arm en klampte zich aan hem vast. De jonge man trad juist binnen,
hij was dus nog een versch slachtoffer.
--Kent u den kwinkslag van de markiezin al? vroeg de prefect hem.
Maar hij was zoo in de war, dat hij de zaak niet eens meer pikant
kon voorstellen. Hij raakte in den knoei.
--Ik zei haar: "U hebt een bekoorlijk kostuum" en zij antwoordde:....
--Dat er onder zit is nog veel mooier, voltooide mijnheer de Saffré
bedaard. Dat is al oud, mijn waarde, heel oud.
Mijnheer Hupel de la Noue keek hem verslagen aan. Het gezegde was oud,
en hij was nog al van plan om het naïeve van dien kreet des harten
goed in het licht te stellen.
--Oud, oud als de wereld, herhaalde de secretaris. Mevrouw d'Espanet
heeft het al tweemaal op de Tuilerieën gezegd.
Dat was de genadeslag. De prefect bekommerde zich niet meer om den
minister, niet om de geheele zaal. Hij begaf zich naar de estrade,
toen de piano een treurig voorspel aanhief, met weemoedige trillers;
daarop klonken de klagende tonen breeder en voller, en de gordijnen
werden opengeschoven.
Mijnheer Hupel de la Noue, die reeds half verdwenen was, kwam het
salon weer binnen, toen hij de ringen hoorde schuiven. Hij was bleek,
scheen wanhopig, hij moest zich geweld aandoen om de dames geen standje
te maken. Zij hadden haar plaats heel alleen ingenomen! Zeker die
kleine d'Espanet, die het komplotje gesmeed had om gauw van kostuum
te verwisselen en het buiten hem te stellen. Het leek nergens naar,
het deugde heelemaal niet!
Hij kwam weer terug, binnensmonds prevelend. Hij keek over de estrade,
haalde zijn schouders op en mopperde:
--De nimf Echo komt te dicht bij den kant.... En dat been van den
mooien Narcissus, daar zit niets edels in....
Mignon en Charrier, naderbij gekomen om de "verklaring" te hooren,
waagden het hem te vragen "wat de jonge man en dat meisje daar op den
grond deden." Maar hij gaf geen antwoord, hij weigerde zijn dichtstuk
uit te leggen, en toen de aannemers aandrongen, klonk het nijdig:
--Wel, het kan me niets meer schelen, als de dames buiten mij om haar
plaatsen innemen!
De piano liet weeke, snikkende tonen hooren. Op het tooneel zag
men een open plek in een bosch, die door het electrische licht in
een zonnig licht gebaad werd. Het was een ideaal plekje, met blauwe
boomen, groote gele en roode bloemen, die bijna even hoog opschoten
als de eikeboomen. Daar, op een heuveltje van graszoden zaten Venus en
Plutus naast elkaar, omstuwd door nimfen, die uit de naaste struiken
waren toegesneld om hen tot escorte te dienen. Daar waren de dochters
der boomen, de dochters der bronnen, die der bergen, alle lachende,
naakte godinnen van het woud. En de god en de godin zegevierden,
zij straften de koelheid van den hoogmoedige die hen geminacht had,
terwijl de groep der nimfen nieuwsgierig toezag, met een heilige vrees,
naar de wraak van den Olymp, op den voorgrond. Daar vond het drama
zijn ontknooping. De schoone Narcissus lag aan den rand van een beek,
die van den achtergrond kwam, en bekeek zich in den waterspiegel; men
had zelfs de waarheid zoo ver gedreven, dat men werkelijk spiegelglas
op den bodem der beek had neergelegd.
Het was echter niet meer de jonge man, die in vrijheid door de bosschen
zwierf; de dood verraste hem te midden van de opgetogen bewondering
voor zijn eigen beeld; de dood maakte hem machteloos en Venus met
haar uitgestrekten vinger, als de godin der apotheose, bracht over
hem de noodlottige betoovering. Hij werd een bloem. Zijn ledematen
werden groen, rekten zich uit en zijn nauwsluitend kostuum van groen
satijn, de buigzame stengel, de lichtgebogen beenen verzonken in de
aarde, vatten wortel, terwijl de romp, met breede witsatijnen banen
versierd, tot een verwonderlijk fraaie bloemkroon ontlook. Het blonde
haar van Maxime verhoogde de illusie, bracht met zijn lange krullen,
gele stampers te midden der witte bloembladeren.
En de groote ontluikende bloem, met nog menschelijke vormen, boog het
hoofd naar de bron, met omfloersden blik, het gelaat glimlachend in
een wellustige verrukking, alsof de schoone Narcissus eindelijk in den
dood de begeerten bevredigd had, die hij voor zichzelf gekoesterd had.
Een paar schreden verder, stierf eveneens de nimf Echo; zij stierf aan
onbevredigden hartstocht: zij voelde haar brandende leden langzamerhand
bevriezen en hard worden als de grond waarop zij lag. Zij werd geen
gewone rots, met mos begroeid, maar wit marmer, door haar schouders
en haar armen, door haar sneeuwwit kleed, waarvan de bladerengordel
en de blauwe sjerp waren afgegleden. Ineengezonken in het satijn van
haar rok, die zich in breede plooien vouwde, als een blok marmer,
lag zij achterover; het eenige dat nog leefde in dat marmeren beeld,
waren haar vrouwenoogen, glinsterende oogen, gericht op de waterbloem,
die zich smachtend over den waterspiegel heenboog. En het scheen reeds
of alle liefdeklanken uit het bosch, de lang aangehouden stemmen
van het kreupelhout, de geheimzinnige trillingen der bladeren, de
diepe zuchten der groote eiken, kwamen aangolven tegen het marmeren
vleesch van de nimf Echo, wier hart, nog steeds bloedend in het blok,
een langen weerklank gaf, de minste klachten van de Aarde en de Lucht
in de verte herhalend.
--Wat hebben ze dien armen Maxime toegetakeld, fluisterde Louise. En
mevrouw Saccard, die lijkt wel dood.
--Zij is begraven onder de poudre de riz, zei mevrouw Michelin.
Andere weinig welwillende opmerkingen werden gemaakt. Het derde tableau
had niet het onbetwiste succès van de beide eerste. Toch had juist
die tragische ontknooping mijnheer Hupel de la Noue in geestdrift
gebracht voor zijn eigen talent. Hij bewonderde zich daarin, als zijn
Narcissus in zijn spiegelglas. Hij had er een aantal dichterlijke en
wijsgeerige strekkingen in neergelegd.
Toen de gordijnen voor de laatste maal waren dichtgeschoven en de
toeschouwers als welopgevoede lui geapplaudisseerd hadden, had hij een
vreeselijke spijt dat hij aan zijn boosheid toegegeven en de laatste
bladzijde van zijn dichtstuk niet uitgelegd had. Hij wou toen aan
de omstanders de verklaring geven van de bekoorlijke, grootsche of
eenvoudigweg guitige dingen, die de schoone Narcissus en de nimf Echo
voorstelden, en hij poogde zelfs te zeggen wat Venus en Plutus daar
in dat open plekje deden; maar de heeren en dames, wier praktische
geest de grot van het vleesch en die van het goud begrepen had, hadden
weinig lust om zich te verdiepen in de mythologische complicaties van
den prefect. Mignon en Charrier, die bepaald alles wilden begrijpen,
waren de eenigen die hem er naar vroegen. Hij maakte zich van hen
meester, hij hield ze, in een vensternis, bijna twee uur aan de praat
met zijn Metamorphosen van Ovidius.
Intusschen nam de minister afscheid. Hij maakte zijn verontschuldiging
dat hij onmogelijk kon wachten op de mooie mevrouw Saccard, om haar
zijn compliment te maken over de volmaakte gratie van de nimf Echo. Hij
had drie of vier maal de zaal rondgewandeld aan den arm van zijn broer,
de dames groetende en enkele handdrukken wisselend. Nog nooit had hij
zich zoo voor Saccard gecompromitteerd. Deze straalde van genoegen,
toen zijn broer bij het heengaan hardop zei:
--Ik verwacht je morgenochtend. Kom bij me ontbijten.
Het bal zou een aanvang nemen. De bedienden hadden de fauteuils
der dames langs de muren geplaatst. Het groote salon spreidde nu,
van het gele salonnetje tot aan het tooneel, zijn naakte tapijt uit,
welks groote purperen bloemen zich openden, onder het licht van de
kristallen kronen. De warmte nam toe, de roode behangsels bruinden met
hun weerschijn het goud van de meubels en het plafond. Men wachtte
met de opening van het bal totdat de dames, Echo, Venus, Plutus en
de anderen, van kostuum verwisseld hadden.
Mevrouw d'Espanet en mevrouw Haffner verschenen het eerst. Zij hadden
haar kostuum van het tweede tableau weer aangedaan; de een was het
Goud, de andere het Zilver. Men vormde een kring om ze en feliciteerde
ze; en zij vertelden haar emoties.
--Ik was bijna in lachen uitgebarsten, zei de markiezin, toen ik van
verre den grooten neus van mijnheer Toutin-Laroche zag, die me aankeek!
--Ik geloof dat ik een stijven nek heb, merkte de blonde Suzanna. Als
het een minuut langer geduurd had, zou ik mijn hoofd weer gewoon
gehouden hebben, zoo'n pijn deed mijn nek.
Mijnheer Hupel de la Noue, die nog steeds in de vensternis stond,
wierp ongeruste blikken op het groepje dat zich om de twee vrouwen
geschaard had; hij was bang dat men hem zou uitlachen. De andere
nimfen kwamen achtereenvolgens binnen; allen hadden haar kostuum met de
edelgesteenten; gravin Vanska had een uitbundig succès als Koraal, toen
men de vernuftige bijzonderheden van haar kostuum van nabij kon zien.
Daarop kwam Maxime binnen, onberispelijk in zijn zwarte jas met een
glimlach op het gezicht; dadelijk werd hij door een heelen stoet
dames omringd, waarvan hij het middelpunt uitmaakte; men plaagde
hem met zijn rol van bloem, zijn voorliefde voor spiegels; hij,
zonder eenige verlegenheid, ging voort met glimlachen, antwoordde
op de plagerijen, bekende dat hij zich zelf aanbiddelijk vond en
dat hij genoeg ondervinding van de vrouwen had, om zichzelf boven
haar te verkiezen. Men lachte nog harder, het troepje groeide aan,
besloeg het geheele midden van het salon, terwijl de jonge man,
als verzonken tusschen die menigte van schouders, dien chaos van
schitterende kostuums, zijn geur van monsterachtige liefde, zijn
verdorven zachtheid van blanke bloem behield.
Maar toen Renée eindelijk beneden kwam, ontstond er eenige stilte. Zij
had een nieuw kostuum aangedaan, van zoo'n origineele bevalligheid
en zoo'n vrijmoedigheid, dat de heeren en dames, die toch gewoon
waren aan de buitensporige luimen van de jonge vrouw, een beweging
van verrassing niet konden onderdrukken.
Zij was gekleed als een inboorlinge van Otaheite. Dat kostuum schijnt
zoo primitief mogelijk te zijn; een zachtgekleurd tricot omsloot haar
van de voeten tot de borst, haar schouders en armen bloot latende; en
over dat tricot een eenvoudige neteldoeksche blouse, kort en met twee
strooken voorzien om de heupen een beetje te verbergen. In het haar,
een krans veldbloemen; om de enkels en de polsen, gouden ringen. Anders
niets. Zij was naakt.
Het tricot had de lenigheid van vleesch, onder de dunne blouse;
de zuivere lijn van die naaktheid liet zich volgen, van de knieën
tot de oksels een weinig uitgewischt door de strooken, maar bij de
minste beweging weer verschijnende, en zich scherper afteekenende
tusschen de openingen der kanten. Het was een aanbiddelijke wilde,
een woest zinnelijk meisje, ternauwernood verborgen in een witte wolk,
een dichten nevel, waarin haar geheele lichaam zich liet raden.
Renée naderde met vluggen tred, en roodgekleurde wangen. Céleste
had het eerste tricot laten bersten; gelukkig had de jonge vrouw,
dat geval voorziende, haar voorzorgen genomen.
Dat gescheurde tricot had haar opgehouden. Zij scheen zich weinig om
haar triomf te bekommeren. Haar handen brandden, haar oogen schitterden
van koorts. Toch glimlachte zij nog en beantwoordde zij met een enkel
woord de heeren, die haar staande hielden en haar een complimentje
maakten over haar edele houdingen in de tableaux vivants.
Verbaasd en verrukt over de doorschijnendheid van haar neteldoeksche
blouse, bleven de heeren haar nastaren. Toen zij aan de groep vrouwen
gekomen was, die Maxime omringden, wekte haar verschijning uitroepen
van verrassing; de markiezin bekeek haar van het hoofd tot de voeten
en fluisterde met een teederen blik:
--Ze is heerlijk gevormd.
Mevrouw Michelin, wier Oostersch kostuum vreeselijk stijf werd
naast dezen eenvoudigen sluier, beet zich op de lippen, terwijl
mevrouw Sidonie, in haar zwarte japon van toovenares, haar in het
oor fluisterde:
--Onbetamelijker kan het al niet, vind je wel, lieve?
--Neen maar, zei de mooie brunette, wat zou mijnheer Michelin boos
worden, als ik me zoo ontkleedde!
--En hij zou gelijk hebben ook, besloot de makelaarster.
Het groepje ernstige mannen scheen die meening niet toegedaan. Zij
genoten van verre. Mijnheer Michelin, dien zijn vrouw er zoo te onpas
bij noemde, geraakte in extase, om den heer Toutin-Laroche en baron
Gouraud te believen, die Renée's kostuum verrukkelijk vonden.
Saccard ontving heel wat complimentjes over de prachtige vormen van
zijn vrouw. Hij boog en toonde zich zeer getroffen. De soirée had hem
redenen tot groote tevredenheid gegeven, en zonder een bezorgdheid
die nu en dan in zijn oogen te lezen was, als hij een snellen blik
op zijn zuster richtte, zou hij volmaakt gelukkig geschenen zijn.
--Zeg, ze had ons nog nooit zooveel laten zien, zei Louise gekscherend
aan Maxime's oor, met een oogknipje naar Renée.
Onmiddellijk daarop verbeterde zij haar gezegde, met een
onbeschrijfelijken glimlach:
--Aan mij, ten minste.
De jonge man keek haar aan, ongerust, maar zij lachte grappig, als
een schooljongen die schik heeft in een ietwat ongepaste grap.
Het bal werd geopend. Men had op het tooneel van de tableaux vivants
een klein orkest geplaatst, waarin de koperen instrumenten de overhand
hadden, en de trompetten en horens galmden er lustig op los in het
ideale woud met zijn blauwe boomen. Men begon met een quadrille: Ah! il
a des bottes, il a des bottes, Bastien!, die toen op geen enkel bal
mocht ontbreken. De dames dansten. Polka's, walsen, mazurka's wisselden
de quadrilles af. De draaiende paren dansten de lange galerij op en
af, springende bij de stooten van het koper, zich wiegelend op de maat
der violen. De kostuums der vrouwen, uit alle landen en alle tijden,
krioelden dooreen als een mengelmoes van levende stoffen. Na al die
kleuren in een schijnbaar ordelooze mengeling te hebben meegevoerd,
bracht de rythmus bij zekere streken van den strijkstok dezelfde
satijnen tunica, hetzelfde blauwfluweelen keurslijf naast dezelfde
zwarte jas terug. Dan weer een streek op de viool, een horengeschal,
en de paren werden weer voortgedreven, trokken achtereenvolgens de
zaal rond, met de schommelende beweging van een bootje dat stroomaf
drijft, onder een windvlaag die het van den wal heeft losgerukt.
Steeds door, zonder einde, uren lang. Somtijds, tusschen twee dansen,
naderde een dame een venster, om wat frissche lucht in te ademen,
een paartje rustte uit op een causeuse van het kleine gele salon,
of daalde in de serre af, langzaam de paden rondwandelend. Onder de
lianenpriëelen, in de zoele duisternis, waarheen de forto's van de
horens nog hun weg vonden, in de quadrilles Ohé! les p'tits agneaux,
en J'ai un pied qui r'mue, waar men niets zag dan den rand van een
vrouwenrok, hoorde men kwijnende lachjes.
Toen men de deur van de eetzaal opende, die in een buffet herschapen
was, met aanrechttafels langs de muren en een lange tafel met koude
vleeschspijzen beladen, in het midden, ontstond er een ontzettend
gedrang. Een lange knappe man, die zoo beschroomd was geweest om
zijn hoed in de hand te houden, werd zoo krachtig tegen den muur
geduwd, dat de ongelukkige hoed met een doffen knal barstte. Dat gaf
gelach. Men wierp zich op de pasteitjes en het getruffeerde gevogelte,
terwijl men elkander lompweg met de ellebogen in de zijden stiet.
Het leek wel een plundering; de handen ontmoetten elkaar tusschen
de vleeschspijzen, en de bedienden wisten niet wien zij het eerst
zouden bedienen, te midden van dien troep welopgevoede menschen, wier
uitgestrekte armen slechts de vrees uitdrukten, dat zij te laat zouden
komen en de schotels leeg zouden vinden. Een oude heer werd boos,
omdat er geen bordeaux was en de champagne hem belette in te slapen.
--Kalm, heeren, kalm, zei Baptiste met zijn deftige stem. Er is
voor iedereen.
Maar men luisterde niet naar hem. De eetzaal was vol, en buiten
de deur rekten de zwartgerokte heeren ongerust den hals uit. Voor
de aanrechttafels hielden groepjes stand, snel etende, elkander
verdringende. Velen verslonden zonder te drinken, daar zij geen glas
konden bemachtigen. Anderen daarentegen dronken, en maakten vergeefsche
jacht op een stuk brood.
--Hoor eens, zei mijnheer Hupel de la Noue, door Mignon en Charrier,
die genoeg van de mythologie hadden, naar het buffet meegetroond, we
krijgen niets, als we mekaar niet een handje helpen.... Op de Tuileriën
is het nog erger, ik heb daar eenige ondervinding opgedaan.... Belast
gij u met den wijn, ik zal voor het vleesch zorgen.
De prefect loerde op een bout. Hij strekte juist bijtijds den arm
uit, door een gaping tusschen de schouders, en nam hem bedaard weg,
nadat hij zijn zakken met broodjes had volgestopt. De aannemers
kwamen op hun beurt, Mignon met een flesch en Charrier met twee
flesschen champagne. Zij hadden echter slechts twee glazen kunnen
vinden; zij zeiden dat het niet hinderde, dat zij uit éen glas zouden
drinken. En de heeren soupeerden aan een hoekje van een bloementafel,
aan het einde der zaal. Zij trokken niet eens hun handschoenen uit,
terwijl zij de sneedjes vleesch tusschen hun broodjes legden en de
flesschen onder hun arm hielden. Met vollen mond stonden zij te praten,
de kin van hun vest afhoudend, opdat de sap op het kleed zou vallen.
Charrier, die zijn wijn eerder op had dan zijn brood, vroeg aan een
bediende of hij geen glas champagne kon krijgen.
--U moet wachten, mijnheer, antwoordde de bediende toornig, door de
drukte overstuur, vergetende dat hij niet in de keuken was. Er zijn
al driehonderd flesschen leeg gedronken.
Intusschen hoorde men bij vlagen de tonen van de muziek. Men danste
een polka, de Baisers, zeer gewild op de publieke bals, waarbij ieder
danser den rythmus moest aangeven door zijn dame te kussen.
Mevrouw d'Espanet verscheen aan de deur der eetzaal, hoog blozend,
het kapsel een weinig verward; zij liet met een bevallige matheid
haar lang zilveren kleed slepen. Men ging ternauwernood op zij;
met de ellebogen moest zij zich een weg banen. Zij liep de tafel
rond, aarzelend, met een pruilenden trek om den mond. Toen kwam zij
regelrecht op mijnheer Hupel de la Noue aan, die juist gedaan had en
zijn mond met zijn zakdoek afveegde.
--Mijnheer, zoudt u zoo vriendelijk willen zijn, zei ze met haar
beminnelijksten glimlach, naar een stoel voor mij om te zien? Ik ben
al te vergeefs de heele tafel om geweest....
De prefect koesterde een wrok tegen de markiezin, maar in zijn
voorkomendheid voor de dames aarzelde hij niet; hij zocht en vond
een stoel, liet mevrouw d'Espanet daarop plaats nemen en bleef achter
haar staan om haar te bedienen. Zij wilde niet anders dan garnalen met
wat boter en een half glaasje champagne. Zij at met kieskeurigheid,
te midden van de gulzigheid der mannen.
De tafel en de stoelen waren uitsluitend voor de dames bestemd. Maar
men maakte altijd een uitzondering ten gunste van baron Gouraud. Daar
zat hij vierkant op zijn stoel, voor een stuk pastei, waarvan hij de
korst langzaam tusschen zijn kaken fijn maalde.
De markiezin wist den prefect weer voor zich in te nemen door de
opmerking, dat zij nooit de aandoening zou vergeten, die zij in
het artistieke les Amours des beau Narcisse et de la nymphe Echo
gevoeld had. Zij legde hem ook uit waarom men niet op hem gewacht
had, op een manier die hem volkomen troostte: toen de dames vernamen
dat de minister er was, hadden zij het gepast gevonden om de pauze
te bekorten. Zij verzocht hem daarop naar mevrouw Haffner te gaan,
die met mijnheer Simpson danste, een lomp mensch, zei zij, op wien
zij het niet begrepen had. En toen Suzanne er was, keek zij mijnheer
Hupel de la Noue niet meer aan.
Saccard, gevolgd door de heeren Toutin-Laroche, de Mareuil en Haffner,
had bezit genomen van een aanrechttafel. Daar de middelste tafel vol
was en mijnheer de Saffré voorbijging met mevrouw Michelin aan den
arm, hield hij ze staande en wilde hij, dat de mooie brunette met
hen zou meeëten. Zij knabbelde lachend een paar pasteitjes op, haar
heldere oogen naar de vijf mannen om haar heen opslaande. Zij bogen
zich naar haar over, raakten haar met goud geborduurden sluier aan,
drongen haar tusschen de aanrechttafels, waartegen zij ten slotte
ging aanleunen, gebakjes aannemend uit ieders handen, heel lief en
heel vleiend, met de verliefde gedweeheid van een slavin tusschen
haar meesters. Mijnheer Michelin stond heel alleen, aan het andere
eind der kamer, een schaaltje ganzenleverpastei te verorberen, dat
hij had weten te bemachtigen.
Intusschen trad mevrouw Sidonie, die al bij de eerste streken op de
viool in de balzaal rondloerde, de eetzaal binnen en riep Saccard
met een oogwenk.
--Ze danst niet, zei zij zachtjes. Ze schijnt ongerust. Ik geloof
dat zij wat in haar schild voert.... Maar ik heb den jonker nog niet
kunnen ontdekken.... Ik ga even wat gebruiken en dan ga ik dadelijk
weer op mijn post.
En zij nuttigde staande, als een man, een eendeboutje, dat zij zich
liet brengen door mijnheer Michelin, die zijn schaaltje leeg had. Zij
schonk zich een champagneglas vol malaga in, en na zich de lippen met
de vingers te hebben afgeveegd, keerde zij naar de balzaal terug. Het
leek wel of de sleep van haar toovenaressenkleed reeds al het stof
van de kleeden opgegaard had.
In de zaal was de animo niet groot meer, het orkest hijgde naar adem,
toen een geroep: "de cotillon! de cotillon!" de dansers en het koper
weer deed opleven. Er kwamen paren uit alle boschjes van de serre;
de groote zaal werd even vol als bij de eerste quadrille, en in de
opgewekte menigte werden levendige gesprekken gevoerd. Het was de
laatste opflikkering van het bal. De mannen die niet dansten, keken van
uit hun plaats aan de vensters naar het babbelend groepje, dat steeds
aangroeide in het midden der zaal, terwijl de eters aan het buffet,
zonder een beet te verliezen, het hoofd vooruit staken om te zien.
--Mijnheer de Mussy wil niet, zei een dame. Hij verzekert, dat hij
den cotillon niet meer leiden wil.... Kom, mijnheer de Mussy, nog
maar één keertje. Doe het om onzentwil.
Maar de jonge attaché bleef in zijn stijve houding volharden. Het
was werkelijk onmogelijk, hij had het zich stellig voorgenomen. Dat
gaf een teleurstelling. Maxime weigerde ook, hij zei dat hij doodmoe
was. Mijnheer Hupel de la Noue durfde zich niet aanbieden: hij daalde
slechts tot de dichtkunst af. Daar een dame van mijnheer Simpson
gesproken had, legde men haar het zwijgen op: mijnheer Simpson was
de zonderlingste leider van een cotillon dien men bedenken kon; hij
had allerlei fantastische en ondeugende invallen; in een salon waar
men de onvoorzichtigheid begaan had hem te kiezen, vertelde men dat
hij de dames genoodzaakt had over stoelen te springen, en dat een van
zijn liefste figuren was, iedereen op handen en voeten de kamer rond
te laten loopen.
--Is mijnheer de Saffré al weg? vroeg een kinderstem.
Hij stond juist op het punt te vertrekken; hij nam afscheid van mevrouw
Saccard, met wie hij op den besten voet stond, sinds zij niets van
hem wilde weten. Die beminnelijke scepticus had een bewondering voor
de grillen van anderen. Men bracht hem in zegepraal uit de vestibule
terug. Hij verweerde zich, zei glimlachend dat men hem compromitteerde,
dat hij een ernstig man was. Eindelijk, voor al die witte handjes,
die zich smeekend naar hem uitstrekten:
--Nu dan, zei hij, neemt uw plaatsen in.... Maar ik zeg u vooruit,
dat ik een slaafsche navolger van de oude school ben. Ik heb voor
geen oortje verbeeldingskracht.
De paren namen rondom in de zaal op alle stoelen plaats die men
bijeen kon brengen; jongelui gingen zelfs de ijzeren stoelen uit de
serre halen.
Het was een monstercotillon. Mijnheer de Saffré, die het peinzende
uiterlijk van een dienstdoend priester had, koos tot dame barones
Vanska, met wier Koraal-kostuum hij ingenomen scheen. Toen iedereen op
zijn plaats was, wierp hij een onderzoekenden blik op dien kring van
rokken, ieder door een zwarte japon geflankeerd. Hij gaf het orkest
een wenk en de trompetten schalden.
Renée had geweigerd aan den cotillon deel te nemen. Zij was opgewonden
vroolijk, al van den aanvang van het bal af; zij danste bijna niet,
stond dan bij dit groepje, dan weer bij dat, en kon nergens rust
vinden. Haar vriendinnen merkten haar zonderling gedrag op. In den
loop van den avond had zij zelfs van haar voornemen gesproken om een
luchtreisje te maken met een beroemden luchtreiziger, over wien geheel
Parijs sprak.
Toen de cotillon begon, vond zij het vervelend dat zij niet meer
ongehinderd rond kon wandelen; zij bleef aan de deur der vestibule
staan, wisselde een handdruk met verschillende heeren en praatte
met de intieme vrienden van haar man. Baron Gouraud, die in zijn
bonte pelsjas door een bediende werd weggeleid, vond nog een laatste
complimentje over haar Otaheitekostuum.
Intusschen drukte mijnheer Toutin-Laroche zijn vriend Saccard de hand.
--Maxime rekent op u, zei laatstgenoemde.
--Zeker, zeker, antwoordde de nieuwbakken senator.
En zich tot Renée wendende:
--Mevrouw, ik heb u nog niet gefeliciteerd.... Die beste jongen is
dus geborgen.
En daar zij verbaasd glimlachte, merkte Saccard op:
--Mijn vrouw weet het nog niet.... Wij hebben van avond het huwelijk
van mejuffrouw de Mareuil en Maxime vastgesteld.
Zij bleef glimlachen, maakte een nijging voor mijnheer Toutin-Laroche,
die bij het afscheid nemen zeide:
--Ge teekent het contract Zondag, niet waar? Ik ga naar Nevers voor
een mijnzaak, maar ik ben voor dien tijd terug.
Zij bleef een oogenblik alleen, midden in de vestibule. Zij glimlachte
niet meer, en hoe meer zij nadacht over hetgeen zij zooeven gehoord
had, des te huiveriger werd zij. Zij keek naar de rood fluweelen
behangsels, de zeldzame planten, de majolicapotten, met een starenden
blik. Vervolgens zei zij hardop:
--Ik moet hem spreken.
En zij keerde in het salon terug. Maar zij moest aan den ingang blijven
staan. Een figuur van den cotillon versperde den doortocht. Het orkest
speelde zachtjes een wals. De dames hielden elkander bij de hand
en vormden een kring, een van die rondedansen van kleine meisjes,
die Giroflé girofla zingen; zij draaiden zoo snel mogelijk rond,
elkander bij den arm trekkend, lachend en glijdend.
In het midden had een cavalier--dat was de ondeugende heer Simpson--een
lange rose sjerp in de hand; hij hief ze omhoog als een visscher,
die een kruisnet uitwerpt; maar hij haastte zich niet, hij vond het
bepaald aardig de dames te laten ronddraaien, ze moe te maken. Zij
hijgden en smeekten om genade. Toen wierp hij de sjerp zóo behendig,
dat zij zich om de schouders van mevrouw d'Espanet en mevrouw Haffner
slingerde, die naast elkander draaiden.
Dat was een aardigheid van den Amerikaan. Hij wilde toen met de twee
dames tegelijk dansen, en hij had ze al beide om de taille gevat,
de eene links en de andere rechts, toen mijnheer de Saffré met zijn
gestrenge stem als koning van den cotillon zei:
--Men danst niet met twee dames.
Maar mijnheer Simpson wilde de beide tailles niet loslaten. Adeline
en Suzanne wierpen zich lachend in zijn armen achterover. Men sprak
zijn oordeel uit, de dames werden boos, het werd een heel tumult,
en de heeren aan de vensternissen vroegen zich af hoe mijnheer de
Saffré zich uit dat netelige geval zou redden. Hij scheen inderdaad
een oogenblik in verlegenheid; hij zocht een geestigheid om de lachers
op zijn hand te krijgen. Plotseling kreeg hij een inval; glimlachend
nam hij mevrouw d'Espanet en mevrouw Haffner ieder bij een hand,
fluisterde ze een vraag in het oor, ontving beider antwoord en zich
vervolgens tot mijnheer Simpson wendende:
--Plukt u de verbena of plukt u de maagdepalm?
Mijnheer Simpson, wat dwaas, zei, dat hij de verbena plukte. Toen
gaf mijnheer de Saffré hem de markiezin, met de woorden:
--Hier is de verbena.
Men applaudisseerde bescheiden. Het werd heel aardig gevonden. Mijnheer
de Saffré was een leider van een cotillon "die overal raad op wist,"
verklaarden de dames. Intusschen had het orkest den wals hervat en
mijnheer Simpson leidde zijn dame, na met haar de zaal rond te hebben
gewalst, naar haar plaats terug.
Renée kon doorgaan. Zij had zich tot bloedens toe op de lippen gebeten,
voor al die "dwaasheden". Ze vond die mannen en vrouwen onnoozel, om
sjerpen te slingeren en bloemennamen aan te nemen. Haar ooren suisden,
een driftig ongeduld gaf haar plotseling den lust om zich met het hoofd
vooruit een weg te banen. Zij doorliep haastig het salon, de paren
die zich naar hun zitplaatsen begaven, tegen het lijf loopend. Zij
ging regelrecht naar de serre. Zij had noch Louise noch Maxime onder
de dansers gezien; zij zei tot zichzelf dat ze daar moesten zijn,
in het een of andere hoekje onder het gebladerte, gedreven door
dat instinct van guitigheid en grappigheid, dat hun de verborgen
hoekjes deed opzoeken, zoodra zij zich ergens samen bevonden. Maar
zij doorzocht tevergeefs de halfduistere serre. Alleen zag zij diep
in een der priëelen een lang jongmensch, dat eerbiedig de handen van
de kleine mevrouw Daste kuste en fluisterde:
--Mevrouw de Lauwerens had het me wel gezegd: u is een engel!
Die verklaring in haar eigen huis, in haar serre, stuitte haar. Mevrouw
de Lauwerens had haar handel wel ergens anders kunnen drijven! Het
zou Renée verlichting gegeven hebben, als zij al die luidruchtige
menschen uit haar kamers had kunnen jagen. Voor het bassin staande,
keek zij naar het water, zich afvragende waar Louise en Maxime zich
konden verbergen.
Het orkest speelde nog steeds den wals, welks langzame wiegeling haar
het hart deed draaien. 't Was onuitstaanbaar, men kon niet eens in
zijn eigen huis nadenken. Zij was geheel de kluts kwijt. Zij vergat
dat de jongelui nog niet getrouwd waren, en zij zei bij zichzelf dat
het heel eenvoudig was, dat zij naar bed waren gegaan. Toen dacht
zij aan de eetzaal, zij ging haastig de trap van de serre op. Maar
aan de deur van het groote salon, werd ze weer tegengehouden door
een figuur van den cotillon.
--Het zijn de "zwarte stippen," dames, zei mijnheer de Saffré
galant. Dat is een uitvinding van mezelf en u hebt er de primeur van.
Men lachte hartelijk. De mannen verklaarden de toespeling aan de
jonge vrouwen. De keizer had een rede gehouden, waarin hij aan den
politieken gezichtseinder de aanwezigheid van zekere "zwarte stippen"
geconstateerd had. Die zwarte stippen hadden opgang gemaakt, men
wist eigenlijk niet waarom. Het Parijsch vernuft had zich van die
uitdrukking meester gemaakt; al een week lang werden die zwarte
stippen overal bij te pas gebracht.
Mijnheer de Saffré plaatste de heeren aan het eene einde van
het salon, met den rug naar de dames, die aan het andere einde
stonden. Toen kommandeerde hij de heeren de panden van hun jassen
over het hoofd te slaan. Dit bevel werd opgevolgd te midden van een
uitgelaten vroolijkheid. Gebocheld, de schouders samengedrongen, de
jas niet verder dan tot de heupen reikend, waren de heeren inderdaad
afschuwelijk.
--Lacht niet, dames, riep mijnheer de Saffré met komischen ernst;
of ik laat u uw kanten op het hoofd leggen.
De vroolijkheid verdubbelde. En hij maakte een krachtig gebruik van
zijn gezag tegenover enkele heeren, die hun nek niet wilden verbergen.
--Gij zijt de "zwarte stippen," zei hij; verbergt uw hoofd, laat niets
dan uw rug zien, de dames moeten enkel zwart zien.... En nu moet gij
loopen en u dooreen mengen, zoodat men u niet uit elkander kennen kan.
De vroolijkheid steeg ten top. De "zwarte stippen" liepen heen en
weer, op hun spichtige beenen, wiegelend als raven zonder kop. Men zag
het hemd van een der heeren, met een stukje van de bretel. De dames
stikten bijna van het lachen; mijnheer de Saffré beval haar toen de
"zwarte stippen" te gaan zoeken. Zij schoten voort als een vlucht jonge
patrijzen, met een groot geruisch van japonnen. En aan het einde van
haar loop greep ieder den cavalier die onder haar bereik kwam. Het was
een onbeschrijfelijke verwarring. En de geïmproviseerde paren walsten
achtereenvolgens de zaal rond, met de volle muziek van het orkest.
Renée stond tegen den muur geleund. Bleek, met opeengeklemde lippen,
keek zij toe. Een oude heer kwam haar galant vragen waarom zij niet
danste. Ze moest glimlachen, een vriendelijk antwoord geven. Zij glipte
door de paren en trad de eetzaal binnen. Het vertrek was ledig. Te
midden van de geplunderde tafels, de flesschen en borden, die overal
verspreid stonden, zaten Maxime en Louise kalm te soupeeren aan een
hoekje van de tafel, naast elkaar, op een servet dat zij uitgespreid
hadden. Zij schenen op hun gemak, zij lachten, in die wanorde, die
vuile glazen, die vette borden, die nog warme overblijfselen van
de gulzigheid der wit gehandschoende gasten. Zij hadden alleen de
kruimels om zich heen weggeveegd. Baptiste wandelde deftig de tafel
om, zonder de kamer, waar een troep wolven scheen huisgehouden te
hebben, met een blik te verwaardigen; hij wachtte op de bedienden om
een beetje orde op de aanrechttafels te laten aanbrengen.
Maxime had nog een tamelijk souper bij elkander gekregen. Louise was
dol op noga-pistaches, waarvan een vol bord boven op een buffet was
blijven staan. Zij hadden drie aangesproken champagne-flesschen voor
zich staan.
--Papa is misschien al weg, zei het meisje.
--Des te beter! antwoordde Maxime, dan breng ik u thuis. En daar
zij lachte:
--Je weet, dat men het er bepaald op gezet heeft dat ik met je
trouw. 't Is geen grapje meer, 't is ernst.... Wat zullen we doen
als we getrouwd zijn?
--Wel, natuurlijk wat alle anderen doen!
Die aardigheid was haar ontvallen; zij hernam dan ook gauw, als om
ze in te trekken:
--We zullen naar Italië gaan. Dat zal goed zijn voor mijn borst. Ik
ben erg ziek.... Ach, mijn arme Maxime, wat krijg je een grappig
vrouwtje! Ik ben zoo mager als een sprinkhaan.
Zij glimlachte, met een zweem van droefheid, in haar pagekostuum. Een
droge kuch bracht een rooden gloed op haar wangen.
--Dat komt van de noga, zei zij. Thuis mag ik het niet eten.... Geef
me het bord even aan, ik zal de rest in mijn zak steken.
En zij maakte juist het bord leeg, toen Renée binnentrad. Zij trad
regelrecht op Maxime toe, terwijl zij zich geweld aandeed om niet te
vloeken, die gebochelde niet te slaan, die daar met haar minnaar aan
tafel zat.
--Ik moet je spreken, bracht zij stamelend uit.
Hij aarzelde, door vrees bevangen, terugdeinzende voor een onderhoud
met haar alleen.
--Jou alleen, dadelijk, herhaalde Renée.
--Ga maar, Maxime, zei Louise met haar onverklaarbaren blik. Zie
meteen mijn vader te vinden. Ik raak hem op iedere soirée kwijt.
Hij stond op, hij probeerde de jonge vrouw in het midden der eetzaal
tegen te houden, haar te vragen of er zoo'n haast bij was. Maar zij
siste tusschen haar opeengesloten tanden:
--Volg me, of ik zeg alles ten aanhoore van iedereen!
Hij werd doodsbleek en volgde haar gedwee als een hond, die met de
zweep gedreigd wordt. Zij meende te zien dat Baptiste haar aankeek;
maar op dat oogenblik bekommerde zij zich weinig om de heldere blikken
van dien dienaar!
Bij de deur hield de cotillon haar ten derden male terug.
--Wacht even, mompelde zij. Die ezels weten van geen ophouden.
En zij vatte zijn hand, dat hij niet zou trachten te ontsnappen.
Mijnheer de Saffré plaatste den hertog de Rozan met den rug tegen
den muur, in een hoek van het salon, naast de deur der eetzaal. Hij
stelde een dame voor hem, vervolgens een heer dos à dos met de dame,
daarop een andere dame voor den heer, en zoo het eene paar na het
andere, als een lange slang. Daar echter dames, druk in gesprek,
achterbleven, riep hij:
--Komt, dames, op uw plaatsen voor de "colonnes".
Zij kwamen, de "colonnes" werden gevormd. De ongepastheid die er in
stak, zich zoo tusschen twee mannen gedrongen te voelen, tegen den
rug van den een geleund en de borst van den ander vóór zich, maakte
de dames bijzonder vroolijk.
De punten der boezems raakten de opslagen der jassen, de beenen der
cavaliers verdwenen in de japonnen der danseressen, en wanneer de
plotselinge vroolijkheid een hoofd deed buigen, was de snor die er
voor stond genoodzaakt op zij te gaan, om het niet tot een kus te
laten komen.
Op een gegeven oogenblik gaf een grappenmaker een licht duwtje; de rij
drong dichter op elkaar, de jassen gingen nog dieper in de rokken;
men hoorde gilletjes en gelach, een lachen zonder eind. Men hoorde
barones Meinhold zeggen: "Maar mijnheer, u laat me stikken, druk
niet zoo hard!" wat zoo grappig klonk, zoo'n uitbundige vroolijkheid
verwekte, dat de "colonnes", schokkend wankelden, tegen elkander
stieten, op elkander leunden om niet te vallen.
Mijnheer de Saffré stond met opgeheven handen, gereed om te
klappen. Toen klapte hij. Op dit teeken keerde ieder zich plotseling
om. De paren, die tegenover elkander stonden, vatten elkander om het
middel en de rij loste zich op in een reeks dansende paren. Alleen
de arme hertog de Rozan kwam bij het omkeeren met den neus tegen den
muur te staan. Hij werd braaf uitgelachen.
--Kom, zei Renée tot Maxime.
Het orkest speelde nog steeds den wals. Die weeke muziek,
wier eentonige rythmus ten laatste vervelend werd, verdubbelde
de verbittering der jonge vrouw. Zij bereikte het kleine salon,
Maxime bij de hand houdende, en hem de trap opduwende, die naar de
kleedkamer leidde.
--Naar boven, beval zij hem.
Zij volgde hem. Op dit oogenblik kwam mevrouw Sidonie, die den heelen
avond om haar schoonzuster heen gedribbeld had, niet weinig verbaasd
over die onophoudelijke tochten door de verschillende kamers, juist
de stoep van de serre op. Zij zag nog even de beenen van een man,
die de donkere trap opging.
Een flauwe glimlach verscheen op haar wasachtig gelaat, en haar
toovenaresjapon opnemende om vlugger te kunnen loopen, ging zij haar
broer opzoeken, bracht daarbij een figuur van den cotillon in de war
en vroeg alle bedienden die zij tegenkwam, waar mijnheer Saccard
kon zijn. Zij vond hem eindelijk met mijnheer de Mareuil, in een
kamer naast de eetzaal, die voor deze gelegenheid tot rookkamer
was ingericht. De beide vaders bespraken de huwelijksgift en het
contract. Maar toen zijn zuster hem iets in het oor gefluisterd had,
stond Saccard op, verontschuldigde zich en verdween.
Boven was de kleedkamer in de grootste wanorde. Op de stoelen lag het
kostuum van de nimf Echo, de gescheurde tricot, eindjes verkreukte
kant, linnengoed op een hoop neergeworpen, alles wat een vrouw, die
haast heeft, achter zich laat. De ivoren en zilveren instrumentjes
lagen zoowat overal, borstels en vijlen waren op het kleed gevallen;
de nog natte handdoeken, de stukken zeep op het marmeren blad, de
flacons die ontkurkt waren blijven staan, dat alles bracht in die
vleeschkleurige kamer een sterken, doordringenden geur.
Om het blanketsel van armen en schouders te verwijderen, had de
jonge vrouw zich na de tableaux-vivants in de rose marmeren badkuip
gebaad. Op het afgekoelde water dreven plekken, die alle kleuren van
den regenboog vertoonden.
Maxime trapte op een corset, viel bijna, trachtte te lachen. Maar
hij huiverde voor de harde trekken van Renée. Zij kwam op hem af,
gaf hem een duw en zei nauw hoorbaar:
--Dus ga je met die bochel trouwen?
--Ik denk er niet aan, stotterde hij. Wie heeft je dat verteld?
--Lieg maar niet, dat is niet noodig....
Hij kwam in opstand. Zij maakte hem angstig, hij wou er een eind
aan maken.
--Nu ja dan, ik ga met haar trouwen. Wat zou dat?.... Ben ik mijn
eigen meester niet?
Zij kwam naar hem toe, met ietwat gebogen hoofd, en hem met een
kwaadaardigen lach bij de polsen grijpend:
--Meester? jij de meester?!.... Je weet wel anders. Ik ben de
meester. Ik zou je armen kunnen breken, als ik kwaad wou; je hebt
niet meer kracht dan een meisje.
En daar hij tegenspartelde, wrong zij zijn armen met de zenuwachtige
heftigheid van haar toorn. Hij slaakte een lichten kreet. Toen liet
zij hem los, en hernam:
--Laten we maar niet gaan vechten, zie je; ik zou de sterkste zijn.
Hij zag nog bleek, met de schaamte over die pijn die hij aan zijn
polsen voelde. Hij volgde haar met den blik, terwijl zij heen en weer
liep. Zij zette de stoelen op hun plaats, dacht intusschen na over
een plan dat al in haar hoofd was opgekomen, toen haar man haar het
huwelijk had bekend gemaakt.
--Ik zal je hier opsluiten, zei zij eindelijk, met het aanbreken van
den dag gaan we naar Havre.
Hij werd nog bleeker van angst en verbazing.
--Maar dat is razernij! riep hij uit. We kunnen niet samen weggaan. Je
weet niet meer wat je zegt....
--Wel mogelijk. In ieder geval ben jij met je vader daar de schuld
van.... Ik heb behoefte aan je en ik neem je.
Een roode gloed schitterde in haar oogen. Zich vlak voor Maxime
plaatsende, zoodat haar adem zijn gezicht verhitte, ging zij voort:
--Wat zou ik dan moeten beginnen, als je met die bochel trouwde? Je
zou me uitlachen, ik zou misschien genoodzaakt zijn dien slungel van
een Mussy weer te nemen, die nog niet in staat was me de voeten warm
te maken.
Wanneer men gedaan heeft wat wij gedaan hebben, blijft men bij
elkander. Bovendien, 't is eenvoudig genoeg, ik verveel me als jij er
niet bent, en daar ik heenga, neem ik je mee.... Je kan aan Céleste
opgeven, wat ze van je kamers moet halen.
De ongelukkige strekte smeekend de handen uit:
--Kom, Renéelief, bega nu geen dwaasheden. Kom tot je zelve.... Denk
eens aan het schandaal.
--Ik geef wat om dat schandaal! Als je weigert, ga ik naar het salon
en ik roep hardop dat ik bij je geslapen heb en dat je nu lafhartig
genoeg bent om met de bochel te trouwen.
Hij liet het hoofd zinken, hoorde haar aan, gaf reeds toe, dien wil
aanvaardende die zich zoo ruw aan hem opdrong.
--We zullen naar Havre gaan, hernam zij zachter, zich verlustigende
in haar droombeeld, en dan steken we naar Engeland over. Niemand zal
ons daar vervelen. Als we nog niet ver genoeg zijn, gaan we naar
Amerika. Ik heb het toch altijd koud, voor mij zal het goed zijn
daar. Ik heb dikwijls de creoolschen benijd.... Maar hoe meer zij
haar plan uitwerkte, des te benauwder werd Maxime. Parijs verlaten,
zoo ver weggaan met een vrouw die bepaald gek was, een geschiedenis
achter zich laten, waarvan de schandelijke zijde hem voor altijd
verbannen zou! 't Was alsof een afgrijselijke nachtmerrie hem den
adem benam. Hij zocht wanhopig naar een middel om uit die kleedkamer
te komen, dat rose verblijf van een krankzinnige. Eindelijk had hij
iets gevonden.
--Ik heb immers geen geld, zei hij zachtmoedig, om haar niet kwaad
te maken. Als je me opsluit, ben ik niet in de gelegenheid om het me
te verschaffen.
--Ik heb het wel, antwoordde zij zegevierend. Ik heb honderdduizend
francs. Alles komt op die manier in orde....
Zij nam uit haar spiegelkast de akte van afstand die haar man
achtergelaten had, in de flauwe hoop dat zij zich bedenken zou. Zij
bracht het papier naar de toilettafel, dwong Maxime haar pen en inkt
te geven uit de slaapkamer, en de stukken zeep ter zijde schuivende,
teekende zij.
--Ziedaar, zei zij, de dwaasheid is begaan. Als ik bestolen ben, is
het met mijn eigen wil.... We zullen bij Larsonneau aangaan, voordat
we naar het station gaan.... Nu, jongenlief, ga ik je opsluiten,
dan pakken we ons weg door den tuin, als ik eerst al die menschen
het huis uitgezet heb. We behoeven niet eens koffers mee te nemen.
Zij werd weer vroolijk. Die inval bracht haar in verrukking. Het was
het toppunt van buitensporigheid, een einde dat haar in die heete
koortscrisis, bijzonder origineel toescheen. Zij kwam Maxime omarmen
en fluisterde:
--Ik heb je zooeven pijn gedaan, arme lieveling! Maar je weigerde
ook....
Je zult eens zien hoe heerlijk het zal zijn. Denk je dat je bochel
net zooveel van je zou houden als ik? Het is geen vrouw; die kleine
baviaan....
Zij lachte, trok hem naar zich toe, kuste hem op de lippen, toen een
gedruis hen het hoofd deed omwenden. Saccard stond op den drempel
van de deur.
Er ontstond een pijnlijke stilte. Langzaam maakte Renée haar armen
van Maxime's hals los; zij boog het hoofd niet, maar bleef haar man
aanstaren als een doode, met haar groote oogen; terwijl de jonge man,
als verpletterd, wankelde, met gebogen hoofd, nu hij den steun van
haar omhelzing niet meer voelde.
Saccard, als door den bliksem getroffen, bij dien ontzettenden slag
die eindelijk den man en den vader in hem wakker riep, bleef daar
staan, doodsbleek, hen verterende door den gloed, die uit zijn oogen
straalde. In de vochtige, geurige lucht der kamer, vlamden drie kaarsen
hoog op, met een rechte vlam, onbewegelijk als een heete traan. Het
eenige geluid dat de verschrikkelijke stilte verbrak, was de muziek,
die bij vlagen de nauwe trap opsteeg; de wals, met zijn slangachtig
gekronkel, rolde zich ineen, sliep in op het sneeuwwit tapijt, te
midden van het gescheurde tricot en de rokken, die op den grond lagen.
Toen trad de echtgenoot nader. De behoefte aan een daad van geweld
deed de aderen van zijn gelaat opzwellen, hij balde zijn vuisten om
de schuldigen neer te vellen. De drift barstte in dat bewegelijke
mannetje uit met den knal van een geweerschot. Hij vertoonde een half
gesmoorden grijnslach, en steeds nader komende:
--Je maakte haar je huwelijk bekend, niet waar?
Maxime trad een stap achteruit, zocht een steun tegen den muur:
--Luister, stamelde hij, zij....
Hij was op het punt haar lafhartig te beschuldigen, de schuld van
de misdaad op haar te werpen, te zeggen dat zij hem wilde schaken,
zich te verdedigen met de onderworpenheid en den angst van een kind,
dat op een ondeugendheid betrapt wordt. Maar hij had er de kracht
niet toe, de woorden bleven hem in de keel steken. Renée bleef als
een standbeeld staan, in uitdagende houding. Toen wierp Saccard, als
om een wapen te zoeken, een blik om zich heen. En op een hoek van de
toilettafel, midden tusschen de kammen en nagelschuiers, bemerkte hij
de akte, waarvan het zegelpapier geel afstak tegen het marmer. Hij
keek naar de akte, keek naar de schuldigen. Zich voorover buigende,
zag hij dat de akte geteekend was. Zijn oogen gingen van den geopenden
inktkoker naar de nog vochtige pen, die naast den kandelaar lag. Hij
bleef in gedachten voor die handteekening staan.
De stilte werd nog drukkender, de vlammen der kaarsen werden langer,
de wals wiegde zich nog weeker, langs de behangsels. Saccard haalde
bijna onmerkbaar de schouders op. Hij keek zijn vrouw en zijn zoon
doordringend aan, als om op hun gelaat de verklaring te lezen die hij
niet vond. Toen vouwde hij langzaam de akte dicht, en stak ze in zijn
jaszak. Zijn gelaat was doodsbleek geworden.
--Je hebt er goed aan gedaan het te teekenen, lieve, zei hij
zachtzinnig tot zijn vrouw.... Dat is honderdduizend francs die je
verdiend hebt. Van avond zal ik je het geld brengen.
Hij glimlachte bijna, alleen zijn handen beefden een beetje. Hij deed
een paar stappen, en ging voort:
--'t Is hier om te stikken. Wat een idee om een van jelui grappen in
dit dampbad te komen uithalen!....
En zich tot Maxime wendende, die het hoofd weer opgericht had,
verbaasd over de kalme stem van zijn vader:
--Kom, ga je mee! hernam hij. Ik had je naar boven zien gaan, ik zocht
je dat je afscheid kon nemen van mijnheer de Mareuil en zijn dochter.
De twee mannen gingen naar beneden, samen pratende. Renée bleef alleen
staan, in het midden van de toiletkamer, starende naar de gapende
opening van de kleine trap, waarin zij de schouders van vader en zoon
had zien verdwijnen. Zij kon haar oogen niet van die opening afwenden.
Hoe? Zij waren bedaard, vriendschappelijk heengegaan! Die twee
mannen hadden elkander niet verpletterd! Zij luisterde scherp toe,
of niet een afschuwelijke worsteling de beide lichamen van de trap
deed rollen. Niets. In die zwoele duisternis, niets dan het geluid
van dansen, éen lang gewiegel. Zij meende in de verte, het lachen van
de markiezin, de heldere stem van mijnheer de Saffré te hooren. Het
drama was dus geëindigd? Haar misdaad, de kussen in het groote grijs
met rose bed, de woeste nachten in de serre, die geheele vervloekte
liefde, die als brandend vuur maanden lang door haar aderen had
gewoeld, eindigde dus zóo plat, zóo onedel! Haar man wist alles en
sloeg haar zelfs niet. En de stilte om haar heen, die stilte waarin
de oneindige wals doorklonk, jaagde haar grooter schrik aan dan een
moord. Zij was bang voor die vreedzaamheid, bang voor dat zachtkleurig,
bescheiden kabinet, vervuld met een geur van liefde.
Zij zag zichzelf in de hooge spiegelkast. Zij naderde, verbaasd zich
te zien, haar man vergetende, Maxime vergetend, haar geest gericht
op ééne gedachte, op die vreemde vrouw die zij voor zich had. De
krankzinnigheid kwam op. Haar lichtblonde haar, aan de slapen en
den nek opgestreken, scheen haar een naaktheid, een oneerbaarheid
toe. De rimpel in haar voorhoofd groefde zich zoo diep, dat hij een
donkere streep boven haar oogen trok, de smalle, blauwachtige striem
van een zweepslag. Wie had haar zoo geteekend? Haar echtgenoot had
toch niet de hand tegen haar opgeheven! En verwonderd keek zij naar
haar bleeke lippen, naar haar bijziende oogen waaruit alle glans
geweken was. Wat was zij oud! Zij boog het hoofd, en toen zij zich
in haar tricot, in haar dunne gazen blouse zag, beschouwde zij zich,
met neergeslagen oogen, en een plotselingen blos van schaamte.
Wie had haar ontkleed? Wat deed zij in die onvoegzame kleeding van een
losbandige, die zich tot den buik ontbloot? Zij wist het niet meer. Zij
keek naar de ronding van haar dijen door het tricot nauw omsloten,
haar heupen wier buigzame lijnen zij onder het gaas kon volgen,
haar laag ontblooten boezem; en zij schaamde zich voor zichzelve,
en een verachting voor haar eigen lichaam vervulde haar met een
mokkenden toorn tegen hen die haar zoo achterlieten, met niets dan
gouden ringen aan haar enkels en haar polsen, om haar huid te bedekken.
Toen, met het idée fixe van een geest die aan zichzelven wanhoopt,
zich afvragende wat zij daar deed, geheel naakt, voor den spiegel,
zag zij zich, met een plotselingen terugblik op haar jeugd, als
zevenjarig meisje in de doodsche deftigheid van het hôtel Béraud. Zij
herinnerde zich een dag, waarop tante Elisabeth ze had aangekleed,
haar en Christine in grijze wollen jurkjes met roode ruitjes. Het was
Kerstfeest. Wat waren zij blij met haar twee eendere jurkjes. Tante
verwende ze, zij gaf ze zelfs ieder een armbandje en een bloedkoralen
halssnoer. De mouwen waren lang, het lijfje kwam tot aan de kin,
de sieraden prijkten op de stof, en dat vonden ze heel mooi.
Renée herinnerde zich nog, dat haar vader er bij was, dat een weemoedig
lachje over zijn vermoeide trekken gleed. Dien dag hadden zij en
haar zuster in de kinderkamer als groote menschen rondgedrenteld,
zonder te spelen, om zich niet vuil te maken. Later, bij de dames
der Visitatie, hadden haar schoolmakkertjes haar uitgelachen om haar
hansworstenkostuum, dat haar over haar handen hing en boven haar
ooren uitstak. Ze had onder schooltijd zitten huilen. In het speeluur
had zij, om niet langer geplaagd te worden, de mouwen omgeslagen en
het halsboordje naar binnen gekeerd. En het bloedkoralen snoer en de
armband schenen haar mooier toe om den blooten hals en den pols. Was
zij van dien dag aan begonnen zich te ontkleeden?
Haar gansche leven kwam haar voor den geest. Zij doorleefde weer haar
lange afdwaling, dat rumoerig leven van verkwisting en zingenot,
dat zich langzamerhand van haar had meester gemaakt, dat in haar
opgestegen was tot aan de knieën, tot den buik, toen tot de lippen,
en dat zij nu als een stortvloed over haar hoofd voelde gaan, zoodat
het daarbinnen klopte en bonsde.
Het was als een bedorven sap; het had haar leden afgemat, uitwassen
van schandelijke hartstochten in haar hart en ziekelijke dierlijke
neigingen in haar hoofd doen opkomen. Dat sap had haar voetzool
opgenomen uit het kleed van haar rijtuig, uit nog andere kleeden,
uit al die zijde en al dat fluweel, waarop zij sedert haar huwelijk
liep. De voetstappen van anderen hadden die gifkiemen daar zeker
achtergelaten, die kiemen die zich nu in haar bloed ontwikkeld hadden,
die haar aderen nu door haar lichaam verspreidden.
Zij herinnerde zich haar kindsheid nog goed. Toen zij klein was, was
zij alleen maar nieuwsgierig. Naderhand zelfs, na die verkrachting
die haar tot het kwaad had gedreven, wilde zij zooveel schande
niet. Stellig zou ze beter zijn geworden, als ze bij tante Elisabeth
was blijven breien. En zij hoorde het regelmatige tiktak van tante's
breinaalden, terwijl zij in den spiegel staarde om in die vreedzame
toekomst te lezen die haar ontgaan was. Maar zij zag slechts haar
rose dijen, haar rose heupen, die vreemde vrouw van rose zijde die
voor haar stond, en wier huid van fijne, dicht ineengeweven stof,
gemaakt scheen voor de liefde van hansworsten en poppen. Zoover was
het met haar gekomen, dat zij niets meer was dan een groote pop,
uit wier gescheurde borst slechts een straaltje zemelen ontsnapt.
Toen, tegenover die gruwelen van haar leven, verhief zich een stem
in haar binnenste; het bloed van haar vader, dat burgerlijke bloed,
dat haar niet met rust liet in de uren van crisis, kwam tegen haar in
opstand. Zij, die altijd met vrees en beving aan de hel had gedacht,
zij had moeten blijven in de sombere gestrengheid van het hôtel
Béraud. Wie had haar toch naakt gemaakt?
En in de blauwachtige schemering van den spiegel waande zij de
gelaatstrekken van Saccard en Maxime te zien opdoemen. Saccard,
donker van uiterlijk, grijnslachend, met een kleur als van ijzer,
een lach als een nijptang, op zijn spichtige beenen. Die man was een
wil. Sedert tien jaren zag zij hem in de smidse, in den gloed van
het gloeiend metaal, met verzengde huid, hijgend, steeds kloppend,
hamers hanteerend, twintigmaal te zwaar voor zijn armen, op gevaar
af zichzelf te verpletteren.
Nu begreep zij hem; hij scheen haar grooter toe door die
bovenmenschelijke inspanning, door die bovenmatige schelmerij, dat idée
fixe om zich onmiddellijk een onmetelijk fortuin te verschaffen. Zij
herinnerde zich, hoe hij over de hindernissen heensprong, in de modder
rolde, zich niet eens den tijd gunde om zich af te wisschen, ten einde
er vóor den bepaalden tijd te wezen; hoe hij zich zelfs niet onderweg
ophield om te genieten, maar zijn goudstukken al loopende opkauwde.
Daarop verscheen het blonde, knappe hoofd van Maxime achter den lompen
schouder van zijn vader; hij vertoonde zijn helderen meisjeslach,
zijn ledige, veile deernenoogen die hij nooit neersloeg, zijn
scheiding midden op het voorhoofd, waardoor de witte hoofdhuid
te voorschijn kwam. Hij bespotte Saccard, hij vond hem burgerlijk,
zooveel moeite te doen om geld te winnen, dat hij verteerde, met zijn
beminnelijke luiheid. Hij liet zich onderhouden. Zijn lange, slappe
handen getuigden van zijn ondeugden. Zijn onthaard lichaam nam de
afgematte houding van een verzadigde vrouw aan. In heel dat slappe,
weeke wezen, waarin de ondeugd stroomde met de zachtheid van een lauw
water, schitterde geen sprankje nieuwsgierigheid naar het kwaad. Hij
was het lijdzame werktuig.
En Renée, die twee verschijningen in de schemering van den spiegel
ziende opdoemen, deinsde een stap terug, zij zag dat Saccard haar als
inzet bij zijn spel, als bedrijfskapitaal bij zijn zaken had gebruikt
en dat Maxime er bij was geweest om de goudstukken op te rapen, die
uit den zak van den speculant gegleden waren. Zij was zooveel als
een wisselbrief in de portefeuille van haar man; hij drong haar tot
die kostuums van éen nacht, die minnaars van éen seizoen; hij wrong
haar in de vlammen van zijn smeedoven, gebruikte haar als een edel
metaal, om het ijzer met zijn handen te vergulden. Gaandeweg had de
vader haar dwaas en ellendig genoeg gemaakt voor de kussen van den
zoon. Indien Maxime het verarmde bloed van Saccard was, voelde zij
zich het voortbrengsel, de wormstekige vrucht van die twee mannen,
de eerloosheid die zij tusschen elkander gegraven hadden en waarin
zij zich beurtelings wentelden.
Nu wist zij het. Die lieden hadden haar naakt gemaakt. Saccard had het
keurslijf losgehaakt en Maxime had den rok laten afglijden. En met hun
beiden hadden zij het hemd afgerukt. Nu had ze niets meer om het lijf,
dan een paar gouden banden, als een slavin. Ze keken haar zooeven aan,
ze zeiden niet: "Je bent naakt".
De zoon beefde als een lafaard, rilde bij de gedachte zijn misdaad
tot het einde toe te volvoeren, weigerde haar te volgen in haar
hartstocht. De vader, in plaats van haar te dooden, had haar bestolen;
die man strafte de lui door hun zakken te plunderen; een handteekening
viel als een zonnestraal op zijn woeste drift en uit wraak nam hij de
handteekening mee. Toen had zij hun schouders in de duisternis zien
verdwijnen. Geen bloed op het tapijt, geen kreet, geen klacht. Het
waren laaghartigen. Zij hadden haar uitgekleed.
En ze zei bij zichzelf dat zij één enkele maal de toekomst voorzien
had, dien dag waarop, voor de fluisterende schaduwen van het park
Monceau, de gedachte dat haar man haar, met schande overdekt, eens
krankzinnig zou maken, als een schrikbeeld tusschen haar onstuimige
begeerten was opgerezen. Ach! wat deed dat arme hoofd haar zeer! Hoe
diep gevoelde zij, in dit oogenblik, de valschheid van dien waan, die
haar deed gelooven dat zij in gelukzalige gewesten van goddelijke,
straffelooze genietingen leefde! Zij had geleefd in het land der
schande, en zij was gekastijd door de uitputting van haar geheele
lichaam, door den dood van haar reeds zieltogenden geest. Zij schreide,
dat zij niet geluisterd had naar die luide stemmen der boomen.
Haar naaktheid verbitterde haar. Zij wendde het hoofd om, keek om
zich heen. In de kleedkamer heerschte nog steeds die muskuslucht, die
warme stilte, waarin de walsdeuntjes doordrongen als de wegstervende
kringen op een watervlak. Dat gedempte gelach van verwijderd genot
kwam tot haar als een ondragelijke spotternij. Zij stopte zich de
ooren toe om niets meer te hooren. Toen viel haar oog op de weelde
van de kamer. Zij keek omhoog naar de rose tent, naar de zilveren
kroon die een bolwangigen Amor liet zien, met den pijl op den boog;
zij beschouwde de meubels, het marmer van de toilettafel, vol potjes
en gereedschappen, die zij niet herkende; zij ging naar de badkuip,
nog vol water; zij stiet met den voet tegen de stoffen, die op het wit
satijn der fauteuils waren neergeworpen, het kostuum der nimf Echo,
de rokken, de handschoenen die waren blijven liggen. En al die dingen
spraken haar van schande: het kleed van de nimf Echo sprak haar van
dat spel, dat zij had willen spelen, om het eigenaardige genot zich
openlijk aan Maxime te kunnen aanbieden; de badkuip wasemde den
geur van haar lichaam uit; het water waarin zij zich gebaad had,
verspreidde door de kamer haar koorts van zieke vrouw; de tafel met
hare zeepen en oliën, de meubels, met hun zachte rondingen als bedden,
spraken haar lompweg over haar vleesch, over haar liefde, over al die
onreinheden die zij wilde vergeten. Zij kwam weer terug naar het midden
van de kamer, purperrood, niet meer wetende waar zij dien alkoofgeur
zou ontvluchten, die weelde die zich met de schaamteloosheid van
een lichtekooi ten toon stelde, al dat rose liet zien. De kamer was
naakt, evenals zijzelf; de rose badkuip, de rose huid der behangsels,
het rose marmer van de twee tafels kregen leven, rekten zich uit,
rolden zich ineen, omringden haar met zoo'n bandeloosheid van levende
wellustigheden, dat zij de oogen sloot, het hoofd deemoedig boog
onder het kantwerk van het plafond en de muren, dat haar verpletterde.
Maar, door haar gesloten oogleden heen, zag zij weer de vleeschkleur
van de kleedkamer, en zij zag bovendien het zachte grijs van de
slaapkamer, het zachte geel van het kleine salon, het harde groen
van de serre, al die medeplichtige weelde. Daar hadden haar voeten de
slechte sappen in zich opgenomen. Op een matras, in een zolderkamertje,
zou zij met Maxime niet geslapen hebben. Dat zou al te onwaardig
geweest zijn. De zijde had haar misdaad koket gemaakt. En de verzoeking
kwam in haar op die kanten af te rukken, op die zijde te spuwen,
haar groot bed stuk te trappen, haar weelde in een goot te sleepen,
waar ze even versleten en bezoedeld uit zou komen als zij zelf.
Toen zij de oogen weer opende, trad zij op den spiegel toe, bekeek
zich nog eens nauwlettend. Ze was uitgeleefd. Zij zag zich reeds
dood. Haar geheele gelaat zei haar, dat de stoornis in haar brein
nu volkomen was. Maxime, die laatste verdorvenheid van haar zinnen,
had zijn werk voltooid, haar lichaam uitgeput, haar geest van streek
gebracht. Zij zou geen vreugde meer smaken, voor haar geen hoop op
een beter ontwaken. Bij die gedachte ontstak zij weer in een woesten
toorn. En in een laatste crisis van begeerte, kwam het denkbeeld in
haar op haar prooi weer te omvatten, te zieltogen in de armen van
Maxime, hem met zich mee te voeren. Louise kon niet met hem trouwen;
Louise wist wel dat hij niet van haar was; zij had immers gezien hoe
zij elkander de lippen boden. Toen wierp zij een bonten kraag over
haar schouders, om niet geheel ontkleed de balzaal door te gaan. Zij
ging naar beneden.
In het kleine salon stond zij eensklaps voor mevrouw Sidonie. Deze
had zich, om van het drama te genieten, weer op de stoep van de serre
geposteerd. Maar zij begreep er niets meer van, toen Saccard weer
met Maxime te voorschijn kwam, en ruw op haar fluisterende vragen
antwoordde, dat zij droomde, dat er volstrekt niets was. Toen vermoedde
zij de waarheid. Haar geel gezicht werd bleek, dàt vond zij al heel
sterk. En zachtjes kwam zij haar oor tegen de trapdeur leggen, in de
hoop dat zij Renée boven zou hooren schreien. Toen de jonge vrouw de
deur opende, sloeg deze haast tegen haar schoonzuster aan.
--Je bespiedt me! zei Renée toornig.
Maar mevrouw Sidonie antwoordde met een fiere minachting:
--Denk je dat ik me met jouw vuiligheden bemoei?
En haar toovenarescostuum weer opnemende, ging zij statig heen,
met de opmerking:
--'t Is mijn schuld niet, kleine, als je in de klem geraakt.... Maar
ik ben niet haatdragend, hoor! En weet wel, dat je in mij een tweede
moeder zou gevonden hebben en nog kan vinden. Je kan bij me komen,
zoodra je maar wil.
Renée hoorde haar niet eens aan. Zij trad het groote salon binnen,
ging midden door een ingewikkeld cotillon-figuur, zonder te letten
op de verbazing die haar bonten kraag teweeg bracht. In het midden
der zaal waren groepjes dames en heeren, die met vaandeltjes wuifden,
terwijl de aangename stem van mijnheer de Saffré zei:
--Komaan, dames "la Guerre du Mexique".... De dames die het
struikgewas voorstellen, moeten haar rokken wijd uitspreiden en op
den grond blijven zitten.... Nu draaien de heeren om het struikgewas
heen.... Wanneer ik vervolgens in de handen klap, danst iedere heer
met zijn heester.
Hij klapte in de handen. De trompetten schalden, de wals liet
weer zijn paren door de zaal zweven. De figuur had weinig succès
gehad. Twee dames waren in haar rokken verward op den grond blijven
zitten. Mevrouw Daste verklaarde dat zij de "Guerre du Mexique"
daarom alleen vermakelijk vond, omdat zij bij het neerhurken haar
japon kon laten opbollen, evenals toen zij op de kostschool was.
In de vestibule vond Renée Louise en haar vader, die door Saccard en
Maxime uitgeleide werden gedaan. Baron Gouraud was vertrokken. Mevrouw
Sidonie ging heen met Mignon en Charrier, terwijl mijnheer Hupel de la
Noue mevrouw Michelin begeleidde, bescheidenlijk gevolgd door haar man.
De prefect had het overige van den avond besteed met het hof te
maken aan de mooie brunette. Hij had haar juist weten over te halen
een van de zomermaanden in zijn standplaats te komen doorbrengen,
waar men oudheden zag, "die de moeite waard waren."
Louise, die stilletjes de noga opknabbelde die zij in haar zak had,
kreeg een hoestbui toen zij juist afscheid namen.
--Stop je maar goed in, zei de vader.
En Maxime haastte zich den band van haar capuchon dichter toe te
halen. Zij hief de kin op en liet zich warm instoppen. Maar toen
mevrouw Saccard verscheen, kwam mijnheer de Mareuil terug, om afscheid
van haar te nemen.
Zij bleven allen nog een oogenblikje praten. Zij gaf een verklaring
van haar bleekheid en haar huiveringen, zij had zich koud gevoeld
en was naar boven gegaan om dien kraag om te slaan. En zij loerde op
het oogenblik dat zij zachtjes met Louise kon spreken, die haar met
haar kalme nieuwsgierigheid aankeek. Terwijl de mannen elkander de
hand drukten, fluisterde zij:
--Je trouwt toch niet met hem, hè? 't Is niet mogelijk. Je weet wel....
Maar het meisje liet haar niet uitspreken, en zich uitrekkende,
fluisterde zij haar in het oor:
--Wees maar niet bang, ik neem hem mee.... 't Hindert niets, hoor,
we gaan immers toch naar Italië.
En zij glimlachte, met haar flauwen glimlach van verdorven
sphinx. Renée kon geen antwoord vinden. Zij begreep er niets van,
ze dacht dat de bochel haar voor den gek hield. Toen de Mareuils
eindelijk heengingen, onder een herhaald: "Tot Zondag!", keek zij
haar man aan, en zij keek Maxime aan, met haar oogen vol ontzetting,
en ze zoo kalm en bedaard ziende, sloeg zij de handen voor het gelaat
en vluchtte heen, achter in de serre.
De gangpaden waren verlaten. Het was stil onder het dichte gebladerte;
op de loome watervlakte van de kom ontloken langzaam twee knoppen
van de nymphea. Renée had willen huilen; maar die vochtige warmte,
die sterke geur dien zij herkende, kneep haar de keel dicht, verstikte
haar wanhoop. Zij keek omlaag naar den rand van de kom, naar dat plekje
geel zand, waar zij den vorigen winter de berenhuid uitspreidde. En
toen zij het hoofd ophief, zag zij nog een figuur van den cotillon,
achter in de zaal, door de twee opengelaten deuren.
Het was een oorverdoovend geraas, een verwarde mengeling waarin zij
eerst niets anders onderscheidde dan fladderende japonnen en zwarte
beenen, die trappelden en draaiden. De stem van mijnheer de Saffré
riep: "Changement de dames! Changement de dames!" En de paren gingen
in een fijne gele stofwolk voorbij; iedere heer, na drie of vier malen
rondgewalst te hebben, wierp zijn dame in de armen van zijn buurman,
die hem de zijne toewierp. Barones de Meinhold, in haar Smaragdkostuum,
viel uit de handen van graaf de Chibray in die van mijnheer Simpson;
hij ving haar op goed geluk op, bij een schouder, terwijl de toppen van
zijn handschoen onder haar keurslijf gleden. Gravin Vanska, vuurrood,
haar koralen hangers doende klinken, sprong uit de armen van mijnheer
de Saffré in die van den hertog de Rozan, dien zij omklemd hield en
noodzaakte vijf maten met haar rond te springen, om vervolgens aan
de heup van mijnheer Simpson te hangen, die de Smaragd aan den leider
van den cotillon had toegeworpen. En mevrouw Teissière, mevrouw Daste,
mevrouw de Lauwerens, glinsterden als levende edelgesteenten, met het
bleeke blond van den Topaas, het zachte blauw van den Turkoois, het
diepe blauw van den Saffier; zij gaven zich een oogenblik over, bogen
zich onder den gestrekten pols van een danser, dansten dan weer voort,
kwamen in een nieuwe omhelzing terecht, werden achtereenvolgens door
al de mannen in het salon in de armen gedrukt. Intusschen had mevrouw
d'Espanet, voor het orkest staande, mevrouw Haffner in het voorbijgaan
opgevangen, walste met haar, en wilde haar niet loslaten. Het Goud
en het Zilver dansten verliefd samen.
Renée begreep toen dat gefladder van rokken, dat geschuifel van
voeten. Zij bevond zich op een lager standpunt, zij zag die razernij
van de voeten, die mengeling van verlakte laarzen en witte enkels. Soms
scheen het haar toe of een windvlaag al die rokken weg zou voeren. Die
naakte schouders, die bloote armen, de fladderende losse haren,
opgevangen, toegeworpen en weer opgevangen, aan het eind van die
galerij, waar de wals van het orkest als razend werd, waar het roode
behangsel bezwijmde in de laatste koortsige opgewondenheid van het
bal, schenen haar toe als het woelig beeld van haar eigen leven,
haar naaktheden, haar uitspattingen.
En zij voelde zoo'n vlijmende smart, bij de gedachte dat Maxime,
om de bochel in zijn armen te nemen, haar daar geworpen had, op die
plek waar zij elkander bemind hadden, dat zij lust gevoelde om een tak
van de tanghinia die haar langs de wang streek, af te rukken en tot
op het hout toe op te kauwen. Maar zij was lafhartig, zij bleef voor
den struik, rillend onder haar bonten kraag, dien haar armen dicht
over haar schouders trokken, met een gebaar van angstige schaamte.