Drie maanden later, op een van die triestige lentemorgens die het
duistere licht en de morsige vochtigheid van den winter in Parijs
terugbrengen, stapte Aristide Saccard op het plein du Château-d'Eau
uit een rijtuig, en begaf zich met vier andere heeren naar de gaping
van afgebroken huizen, waar de toekomstige boulevard du Prince-Eugène
doorheen zou loopen. Het was een commissie van onderzoek, die door de
jury voor de schadeloosstellingen was uitgezonden om zekere perceelen
te schatten, wier eigenaars zich niet tot een minnelijke schikking
met de stad lieten vinden.
Saccard speelde weer zijn spelletje van de rue de la Pépinière. Om den
naam van zijn vrouw geheel te doen verdwijnen, bedacht hij een verkoop
van de terreinen en het café-concert. Larsonneau gaf alles over aan
een zoogenaamden schuldeischer. De verkoopakte wees het kolossale
bedrag van drie millioen aan. Dat bedrag was zoo buitensporig hoog,
dat de commissie van het stadhuis, toen de onteigeningsagent uit naam
van den denkbeeldigen eigenaar den koopprijs als schadevergoeding
eischte, niet meer dan twee millioen vijfhonderdduizend francs wilde
geven, niettegenstaande mijnheer Michelin in het geheim gewerkt had
en mijnheer Toutin-Laroche en baron Gouraud er voor gepleit hadden.
Saccard was op die weigering voorbereid; hij sloeg het aanbod af,
en liet de zaak voor de jury komen, waarvan hij juist deel uitmaakte
met mijnheer de Mareuil, door een toeval dat hij zeker wel in de hand
gewerkt had. Zoo kwam het, dat hij met vier van zijn kollega's een
onderzoek moest instellen op zijn eigen terreinen.
Mijnheer de Mareuil vergezelde hem. Van de drie andere juryleden was
de éen een dokter, die zijn sigaar rookte zonder zich eenigszins te
bekommeren om het puin waarover hij heen stapte, en de beide anderen
waren industriëelen, waarvan de een, nu fabrikant van chirurgische
instrumenten, vroeger als scharenslijper langs de straten had geloopen.
De weg, dien de heeren insloegen, was vreeselijk morsig. Het had
den heelen nacht geregend. De doorweekte grond werd een modderpoel,
tusschen de omvergehaalde huizen, op dien weg die in de weeke aarde
getrokken was, waar de wipkarren tot aan de naven inzakten. Aan
weerszijden waren stukken half geslechte muren blijven staan; hooge
gebouwen vertoonden hun bleeke ingewanden, leege trapmantels en
gapende kamers, die als gebroken laden van een leelijk, oud meubelstuk
boven elkander hingen. Niets was zoo treurig om aan te zien als de
behangsels van die kamers, gele of blauwe vierkante stukken, die in
flarden neerhingen, vijf en zes verdiepingen hoog, tot onder de daken,
armoedige kamertjes aanduidende, nauwe hokjes, binnen wier grenzen
misschien een geheel menschelijk bestaan was beperkt gebleven.
Langs de kale muren stegen de doodsche zwarte strepen van de
schoorsteenen omhoog, twee naast elkander, met hoekige ombuigingen. Een
vergeten weerhaan knarste boven een dak, terwijl half losgeraakte goten
als lompen neerhingen. En de weg ging midden door die puinhoopen,
als een bres door een kanon geschoten; hij was nog bijna niet te
herkennen, zooals hij daar nog half onder puin, aardhoopen en diepe
waterplassen bedolven, zich uitstrekte onder den grauwen hemel,
in het sombere grijs van de opstuivende kalk, en als met rouwranden
omgeven door de zwarte strepen der schoorsteenen.
Die heeren, met hun glimmende laarzen, hun overjassen en hooge
hoeden, maakten een zonderling figuur in dien vuilgelen modderpoel,
waar slechts vaalbleeke werklui, tot op den rug bespatte paarden
voorbijgingen, voor karren waarvan het hout onder een dikke korst
van stof verdween.
Zij liepen achter elkander, sprongen van steen tot steen, vermeden de
modderpoelen, zakten er ook soms tot aan de enkels in en schudden dan
met een vloek het slijk van hun laarzen. Saccard had hun voorgesteld
de rue de Charonne te nemen, wat hun die wandeling door den drassigen
grond bespaard zou hebben; maar zij hadden ongelukkig verscheidene
huizen op de lange lijn van den boulevard te bezichtigen; daarbij
kwam een beetje nieuwsgierigheid, zoodat zij maar besloten midden
door de in gang zijnde werken te gaan.
Zij vonden het trouwens erg belangwekkend. Soms hielden zij zich
een oogenblik in evenwicht op een brok kalk, diep in een wagenspoor,
hieven het hoofd op, riepen elkander toe om de aandacht te vestigen
op een gapenden vloer, een schoorsteenpijp hoog in de lucht, een
bint die op een naburig dak gevallen was. Dat stukje verwoeste stad,
zoo vlak bij de rue du Temple, vonden zij bijzonder grappig.
--'t Is inderdaad opmerkelijk, zei mijnheer de Mareuil. Kijk eens,
Saccard, die keuken daar, omhoog; er hangt nog een oude pan boven
het fornuis.... Ik zie haar duidelijk.
Maar de dokter stond met zijn sigaar in den mond, voor een afgebroken
huis, waarvan alleen de kamers gelijkvloers overbleven, gevuld met het
puin van de bovenverdiepingen. Een enkel stuk muur stond nog overeind
in dien puinhoop; om hem met één ruk omver te halen, had men er een
touw om gebonden, waaraan een dertigtal werklieden trokken.
--Ze krijgen hem niet om, mompelde de dokter. Ze trekken te veel
naar links.
De vier anderen waren op hun schreden teruggekeerd om den muur te
zien vallen. En alle vijf wachtten met een rilling van genot het
oogenblik af, dat hij zou vallen. De werklieden, het touw vierende
en dan plotseling eenparig rukkende, riepen: Ohé! hisse!
--Ze krijgen hem niet om, herhaalde de dokter.
En na een paar seconden van spanning:
--Hij beweegt, hij beweegt, riep een der industriëelen vroolijk.
En toen de muur eindelijk bezweek, met een donderend geraas neerplofte,
een wolk van kalkstof omhoog jagende, keken de heeren elkander
glimlachend aan. Ze waren verrukt. Hun jassen werden met een fijn
stof bedekt, dat hun armen en schouders wit maakte.
Nu kwam het gesprek op de werklieden, terwijl zij behoedzaam tusschen
de plassen doorstapten. Er waren er niet veel, die deugden. Het waren
allemaal luiaards, verkwisters, en nog koppig bovendien, op niets
anders uit dan op den ondergang van de patroons. Mijnheer de Mareuil,
die met een huivering naar twee arme drommels keek, die schrijlings op
een dakpunt gezeten, een muur met houweelslagen sloopten, gaf als zijn
opinie te kennen, dat die lui toch heel wat moed toonden. De anderen
bleven op nieuw stilstaan en hieven de oogen op naar die sloopers,
die zich in evenwicht hielden en intusschen uit alle macht er op
los hamerden; zij stieten de steenen met den voet weg en zagen ze
kalmpjes beneden in stukken vallen; als hun houweel uitgegleden was,
zou de kracht van hun armbeweging reeds in staat geweest zijn hen
van hun plaats te doen aftuimelen.
--Bah, zei de dokter, zijn sigaar weer naar den mond brengende. Niets
dan gewoonte. 't Is vee.
Intusschen waren zij aan een der huizen genaderd, die zij zien
moesten. Ze deden hun werk in een kwartier af en hervatten hun
wandeling. Langzamerhand waren zij minder bang voor de modder geworden;
zij hadden nu de hoop opgegeven hun schoenen droog te houden en stapten
nu midden door de plassen. Toen zij de rue Ménilmontant voorbij waren,
werd een der industriëelen, de gewezen scharenslijper, onrustig. Hij
keek aandachtig naar de bouwvallen om hem heen, hij herkende de wijk
niet meer. Hij zei dat hij dertig jaar geleden, toen hij pas in Parijs
kwam, dien kant uit gewoond had en dat hij het plekje graag terug
zou vinden. Hij liet zijn oogen overal gaan, toen hij midden op den
weg bleef stilstaan voor een huis, dat door het houweel der sloopers
reeds in tweeën gehakt was. Hij beschouwde aandachtig de deur, de
vensters. Toen wees hij naar een hoekje van dat huis, hoog in de lucht:
--Daar is het, riep hij, ik herken het!
--Wat dan? vroeg de dokter.
--Wel, mijn kamer! Daar is ze.
Het was op de vijfde verdieping, een kamertje dat vroeger op de
binnenplaats moest uitgezien hebben. Een geopende muur vertoonde het,
naakt en kaal, reeds aan éen zijde doorgetrokken, met zijn behangsel
met groote gele takken waarvan een halfafgescheurd stuk in den wind
klapperde. Men zag er nog de holte van een kast die met blauw papier
beplakt was. En daarnaast het gat van een kachel, waarin nog een eind
pijp stak.
De oude werkman werd aangedaan.
--Ik heb er vijf jaren doorgebracht, sprak hij bewogen, 't ging niet
voorspoedig in dien tijd, maar ik was nog jong.... Ge ziet die kast,
daar heb ik driehonderd francs in opgespaard, stuiver bij stuiver. En
dat gat van de kachel, ik herinner me nog den dag waarop ik het
gemaakt heb. De kamer had geen schoorsteen, het was er bitter koud,
te meer daar we niet dikwijls met ons tweeën waren.
--Komaan, viel de dokter hem schertsend in de rede, wij vragen u geen
vertrouwelijke mededeelingen. Ge hebt natuurlijk evengoed dwaasheden
uitgehaald als ieder ander.
--Ja, dat 's waar, ging de brave man goedsmoeds voort. Ik herinner me
nog een strijkster van den overkant.... Ziet u, het bed was rechts,
dicht bij het raam.... Ach! mijn arme kamertje, wat hebben ze het
vernield.
Hij was werkelijk zeer bedroefd.
--Kom, kom, zei Saccard, dat kan geen kwaad dat men die oude
barakken omverhaalt. Men bouwt er mooie hardsteenen huizen voor in
de plaats.... Zoudt ge nog in zoo'n krot willen kruipen? Terwijl ge
heel goed op den nieuwen boulevard zoudt kunnen wonen.
--Dat is waar, antwoordde de fabrikant opnieuw, geheel getroost.
De commissie van onderzoek bezichtigde nog twee huizen. De dokter bleef
aan de deur staan, met de sigaar in den mond in de lucht kijkende.
Toen zij in de rue des Amandiers kwamen, werden de huizen zeldzamer;
zij liepen nu meestal langs open stukken grond, waarop hier en daar
een half ingestort huis. Saccard scheen vroolijk gestemd door die
wandeling tusschen puinhoopen. Hij herinnerde zich het diner, dat
hij lang geleden met zijn eerste vrouw op de buttes Montmartre had
gebruikt, en het stond hem nog levendig voor den geest hoe hij met
het scherp van zijn hand de sneê gemaakt had, die Parijs kerfde van
de place du Château d'Eau naar de Barrière du Trône. De vervulling
van die profetie bracht hem in verrukking. Hij volgde de insnijding
met de heimelijke vreugde van een ontwerper, alsof hijzelf de eerste
houweelslagen had gegeven, met zijn ijzeren vingers. En hij sprong
over de plassen, met de gedachte dat daar drie millioen onder het
puin op hem wachtten, aan het eind van dien stroom van vette modder.
Intusschen kregen de heeren den indruk, dat zij buiten op het
land waren. De weg liep midden door tuinen, waarvan de muren waren
neergehaald. Er waren groote boschjes seringen in den knop. Het groen
was jong en frisch. Elk tuintje was als een priëel omspannen door het
gebladerte van de heesters, met een vijvertje, een miniatuur waterval,
stukjes muur waarop oogbedriegers waren geschilderd, priëeltjes of het
blauwachtige verschiet van een landschap. De woningen die afzonderlijk
stonden en niet dadelijk in het oog vielen, geleken op Italiaansche
paviljoens, of op Grieksche tempeltjes, het mos knaagde aan den voet
der gepleisterde pilaren, terwijl het onkruid de kalk der frontons
losgemaakt had.
--Dat zijn de kleine huisjes, zei de dokter, met een hoofdknikje.
Maar daar hij zag dat de heeren hem niet begrepen, legde hij hun uit
dat de markiezen onder Lodewijk XV schuilplaatsen hadden voor hun
fijne partijtjes. Dat was zoo de mode. En hij hernam:
--Men noemde dat de kleine huisjes. Deze wijk was er vol van. Daar
zijn fraaie dingen gebeurd, daar kunt ge op aan!
De commissie van onderzoek was heel oplettend geworden. De twee
industriëelen keken glimlachend, met glinsterende oogen, vol
belangstelling naar die tuinen en tuinhuisjes, waarop zij vóór de
uitlegging van hun collega geen blik geslagen hadden.
Een grot trok vooral hun aandacht. Maar toen de dokter, een huisje
ziende dat al gedeeltelijk gesloopt was, zei dat hij het huisje van
graaf de Savigny herkende, dat vermaard was door de zwelgpartijen van
dien edelman, verliet de heele commissie den boulevard om de ruïne te
bezichtigen. Zij klommen op de afbraak, kwamen door de vensters in de
kamers gelijkvloers; en daar de werklieden aan het schaften waren,
konden zij alles op hun gemak opnemen. Zij bleven er een groot half
uur, de rozetten van de plafonds bekijkende, het schilderwerk boven
de deuren, het gekunstelde lijstwerk van die pleisterkalk, die door
den tijd geel was geworden. De dokter bouwde het huis weer op.
--Ziet ge, zei hij, die zaal moet de feestzaal geweest zijn. Daar, in
dien inham van den muur, heeft zeker een kolossale divan gestaan. Kijk,
ik ben er zelfs zeker van dat er een spiegel boven hing; daar heb je
de duimen nog... O, die schelmen wisten van het leven te genieten!
Ze zouden die oude steenen, die hun nieuwsgierigheid prikkelden,
niet zoo spoedig verlaten hebben, als Aristide Saccard, ongeduldig
wordende, hun niet lachend toegevoegd had:
--Of u al zoekt, heeren, de dames zijn er toch niet meer. Laten we
maar aan onze zaken gaan.
Maar voor dat hij heenging, klom de dokter op een schoorsteen om
heel voorzichtig met een houweelslag een geschilderd Amorkopje los
te maken, dat hij vervolgens in den zak van zijn overjas stak. Ze
kwamen eindelijk aan het doel van hun tocht. De oude terreinen
van mevrouw Aubertot waren zeer uitgestrekt; het café-concert en
de tuin besloegen er slechts de helft van, de rest was bezaaid met
onaanzienlijke huizen. De nieuwe boulevard nam dat groote parallelogram
overdwars, waardoor Saccard ten minste op dat punt gerustgesteld was;
hij had langen tijd gedacht dat het café-concert alleen zou afgesneden
worden. Larsonneau had hij dan ook aanbevolen hooge eischen te stellen,
daar de strooken grond die de stad langs den weg van de onteigende
perceelen over zou houden, minstens vijfmaal zooveel waard zouden
worden.
Hij dreigde de stad reeds, gebruik te zullen maken van een nieuwe
verordening, die de eigenaars machtigde slechts dien grond af te staan,
die strikt noodig was voor werken ten algemeenen nutte.
De heeren werden ontvangen door den onteigeningsagent. Hij leidde
hen rond in den tuin, liet hen het café-concert bezichtigen, toonde
hun een heel groot dossier. Maar de twee industriëelen waren weer
naar beneden gegaan, vergezeld van den dokter, hem nog altijd vragen
doende over dat huisje van graaf de Savigny, dat zij niet uit hun
gedachten konden zetten. Zij luisterden met open mond, alle drie
tegen een wip geleund; hij vertelde hun van mevrouw de Pompadour en
de liefdeshistories van Lodewijk XV, terwijl mijnheer de Mareuil en
Saccard het onderzoek alleen voortzetten.
--Ziezoo, dat is klaar, zei de laatste, in den tuin
terugkomende. Indien u het goed vindt, heeren, zal ik mij met de
samenstelling van het rapport belasten.
De instrumentenfabrikant luisterde niet eens. Hij was geheel verdiept
in het regentschap.
--Wat een vreemde tijden waren dat toch, mompelde hij.
Daarop namen zij een rijtuig in de rue de Charonne, en keerden tot aan
de knieën beslijkt naar huis terug, zeer voldaan over hun uitstapje. In
het rijtuig liep het gesprek over de politiek, zij zeiden dat de keizer
grootsche dingen tot stand bracht. Zoo iets als zij daar pas gezien
hadden, was nog nooit aanschouwd. Die lange, kaarsrechte straat zou
een prachtig gezicht opleveren, als zij volgebouwd was.
Saccard stelde het rapport op en de jury stond drie millioen toe. De
speculant zat deerlijk in den nood, hij had geen maand langer kunnen
wachten. Dat geld redde hem van den ondergang, ja, in zekeren zin uit
de handen van het gerecht. Hij betaalde vijfhonderd duizend francs af
op het millioen dat hij aan zijn behanger en zijn aannemer schuldig
was voor het hôtel in het park Monceau.
Hij stopte nog andere gaatjes, waagde zich in nieuwe maatschappijen,
verdoofde Parijs door het geraas van die werkelijke goudstukken,
die hij met stapels op de planken van zijn ijzeren brandkast wierp.
De gouden stroom had eindelijk bronnen. Maar met dat al was het
nog geen solied fortuin, geen onafgebroken, door dijken beschermde
stroom. Saccard zoo pas uit een crisis gered, vond zich armzalig met
het overschotje van zijn drie millioen; hij zei heel naïef dat hij
nog te arm was, dat hij nog niet kon ophouden. En weldra kraakte de
grond opnieuw onder zijn voeten.
Larsonneau had zich zoo uitstekend van zijn opdracht in de
zaak-Charonne gekweten, dat Saccard, na een korte aarzeling,
de eerlijkheid zoo ver dreef dat hij hem de tien procent en zijn
afgedwongen dertig duizend francs gaf. De onteigeningsagent opende toen
een bankiershuis. Als zijn medeplichtige hem gemelijk verweet rijker
te zijn dan hij, antwoordde de fat met zijn gele handschoenen lachend:
--Ja, ziet u, waarde meester, u hebt er slag van goudstukken te laten
regenen, maar niet om ze op te rapen.
Mevrouw Sidonie maakte gebruik van het buitenkansje van haar broer
om tienduizend francs van hem te leenen, waarmee zij twee maanden
in Londen ging doorbrengen. Zij kwam geheel berooid terug. Men heeft
nooit te weten kunnen komen, waar de tienduizend francs gebleven zijn.
--Daar gaat wat geld aan weg, antwoordde zij als men haar
ondervroeg. Ik heb alle bibliotheken doorgesnuffeld. Ik had drie
secretarissen voor mijn nasporingen noodig.
En toen men haar vroeg of zij eindelijk zekere gegevens betreffende
haar drie milliard had, glimlachte zij eerst met een geheimzinnig
gezicht, en fluisterde toen:
--Je gelooft er toch allemaal niets van.... Ik heb niets gevonden,
maar dat hindert niet. Je zult het toch nog beleven.
Toch was het geen verloren tijd geweest, dien zij in Engeland had
doorgebracht. Haar broer de minister had haar tegelijk met een kiesche
opdracht belast. Toen zij terugkwam, kreeg ze groote bestellingen
van het ministerie.
't Was of ze herleefde. Zij belastte zich met alle denkbare leverantiën
aan de regeering. Zij leverde levensmiddelen en wapenen voor de
troepen, meubelen voor de regeeringsgebouwen, brandhout voor de
ministeries en de museums. Het geld dat zij verdiende kon haar niet
doen besluiten afstand te doen van haar eeuwige zwarte japonnen, en
ze hield haar meewarige, gele gezicht. Saccard begreep toen, dat zij
het wel degelijk geweest was, die hij vroeger heimelijk uit zijn broer
Eugène's huis had zien sluipen. Ze had zeker al jaren lang in geheime
betrekking met hem gestaan, voor zaken, die niemand ter wereld kende.
Te midden van al die belangen, al die vurige begeerten die nooit
verzadigd werden, kwijnde Renée weg. Tante Elisabeth was gestorven;
haar zuster was getrouwd en had het hôtel Béraud verlaten, waar
haar vader alleen stond, in de stemmige plechtigheid van de groote
kamers. Zij bracht in éen seizoen de erfenis van haar tante door. Zij
speelde nu. Ze had een salon gevonden waar de dames tot drie uur
's nachts bleven zitten en soms honderdduizend francs in één nacht
verspeelden. Zij had haar troost in den drank willen zoeken, maar
zij kon niet, zij had er een onoverwinnelijken afkeer van. Sinds zij
weer alleen was, overgeleverd aan dien vloed van wereldsche vermaken,
gaf zij er zich geheel aan over, niet meer wetend waarmee zij haar
tijd zou dooden.
Zij probeerde van alles, niets wekte haar belangstelling op, in die
oneindige verveling, die zoo zwaar op haar drukte. Zij werd oud,
blauwe kringen vertoonden zich om haar oogen, haar neus werd smaller,
haar pruilende lip vertrok zich plotseling, zonder reden, tot een
lach. Zij was een uitgeleefde vrouw.
Toen Maxime met Louise getrouwd was en de jongelui naar Italië
vertrokken waren, maalde zij niet meer om haar minnaar, zij scheen
hem zelfs geheel te vergeten. En toen Maxime zes maanden later alleen
terugkwam, daar hij de "bochel" op het kerkhof van een stadje in
Lombardije begraven had, toonde zij zelfs haat jegens hem. Zij dacht
aan Phèdre, zij herinnerde zich zeker die misdadige liefde, waarover
zij Ristori had hooren snikken.
Om toen den jongen man niet meer bij zich aan huis te zien, om voor
altijd een afgrond van schande tusschen den vader en den zoon te
graven, dwong zij haar man van de bloedschande kennis te nemen; zij
vertelde hem dat Maxime op dien dag, toen hij haar met hem verrast had,
haar al lang achtervolgde, dat hij haar trachtte te onteeren.
Saccard vond het verschrikkelijk vervelend dat zij hem met alle
geweld de oogen wilde openen. Hij moest kwaad worden op zijn zoon,
allen omgang met hem staken.
De jonge weduwnaar, rijk door den bruidschat zijner vrouw, ging als
vrijgezel in een klein hôtel op de avenue de l'Impératrice wonen. Hij
had voor zijn benoeming tot auditeur bedankt en leefde nu geheel voor
de wedrennen.
Renée genoot hiermee een van haar laatste voldoeningen. Zij wreekte
zich, zij slingerde dien twee mannen de schande, die zij over haar
gebracht hadden, in het gelaat; zij zei bij zichzelf, dat zij ze nu
niet meer, als kameraads, gearmd zou zien loopen, haar ten spot.
Nadat al haar liefde versmaad was, kwam er een oogenblik waarop Renée
niemand meer had om lief te hebben dan haar kamermeisje. Langzamerhand
had zij een moederlijke genegenheid voor haar opgevat. Misschien dat
dit meisje, al wat er om haar heen was overgebleven van haar liefde
voor Maxime, haar herinnerde aan die uren van genot die voor altijd
verloren waren.
Misschien ook was zij enkel getroffen door de trouw van die dienstbode,
dat brave meisje dat bij alle wederwaardigheden even kalm en zorgzaam
bleef. Zij was haar dankbaar, bij haar zelfverwijt, dat zij getuige
was geweest van haar schande, zonder haar vol walging te verlaten;
zij stelde zich een heel leven van onthouding, van zelfverloochening
voor, om tot het begrip te kunnen komen van de kalmte van dat meisje,
haar eerbiedige toewijding, tegenover haar schandelijke liefde. En
Renée voelde zich te gelukkiger door die toewijding, omdat zij wist dat
het meisje eerlijk en zuinig was, geen minnaars en geen ondeugden had.
In haar buien van neerslachtigheid was zij gewoon te zeggen:
--Gij, mijn kind, zult mij de oogen sluiten.
Céleste antwoordde niet, maar lachte geheimzinnig. Op een morgen,
kwam zij heel kalm vertellen dat zij heenging, dat zij naar haar dorp
terugkeerde. Renée begon eensklaps te beven alsof haar een groot
ongeluk overkwam. Zij verzette zich tegen haar besluit, deed haar
honderd vragen. Waarom liet zij haar in den steek, terwijl zij het
toch zoo goed samen konden vinden? Zij bood haar zelfs het dubbele
van haar loon.
Maar het kamermeisje knikte op al haar vriendelijke woorden van neen,
kalm en halsstarrig.
--Ziet u, mevrouw, antwoordde zij eindelijk, al zoudt u me al de
schatten van de wereld aanbieden, dan zou ik geen week langer bij u
blijven. U kent me nog niet!.... Het is nu al acht jaar dat ik bij u
ben, niet waar? Nu, van den eersten dag af heb ik bij mezelf gezegd:
"Zoodra ik vijfduizend francs bij elkaar heb, ga ik naar huis terug;
ik koop het huis van Lagache, en ik leid een gelukkig leventje...." Dat
heb ik me zoo voorgenomen, begrijpt u? En ik heb de vijfduizend francs
sedert gisteren, toen u me mijn loon uitbetaalde, bij elkaar.
Het werd Renée koud om het hart. Zij zag Céleste achter haar en
Maxime omgaan, terwijl zij elkander kusten, en zij zag haar met haar
onverschilligheid, denkend aan haar vijfduizend francs. Toch trachtte
zij haar nog terug te houden, terugschrikkend voor de verlatenheid
waarin zij zou moeten leven, in weerwil van dat alles dat koppige
wezen bij zich te houden, aan welks toewijding zij geloofd had en
dat slechts een egoïst bleek te zijn. De ander glimlachte, schudde
maar steeds het hoofd en mompelde:
--Neen, neen, 't is niet mogelijk. Al was het mijn moeder, dan zou ik
nog weigeren.... Ik zal twee koeien koopen. Misschien ga ik een zaakje
in manufacturen beginnen.... Het is heel aardig bij ons. U moet me eens
komen opzoeken. 't Is dicht bij Caen. Ik zal het adres achterlaten.
Toen drong Renée niet verder aan. Zij weende heete tranen toen zij
alleen was.
Den volgenden dag wilde zij,--een gril van een zieke,--Céleste in
haar eigen coupé naar de gare de l'Ouest brengen. Zij gaf haar een
van haar reisdekens en nog een geschenk in geld, zorgde voor haar
als een moeder, wier dochter een lange reis gaat ondernemen. In het
rijtuig keek zij haar met vochtige oogen aan. Céleste babbelde druk,
gaf haar blijdschap te kennen dat zij wegging. Toen, moed vattende,
stortte zij haar hart uit, gaf zij haar meesteres raad.
--Ik zou het leven anders opgevat hebben, mevrouw. Ik heb zoo dikwijls
bij mijzelf gezegd, als ik u met mijnheer Maxime samen vond: "Hoe
is het mogelijk, dat men zoo gek is op de mannen!" Dat loopt altijd
verkeerd af. Ik heb nooit van ze willen weten!
En lachend leunde zij achterover in een hoekje van het rijtuig.
--Mijn geld was naar de maan geweest! ging zij voort, en nu zou ik
mijn oogen blind kunnen schreien. Zoodra ik een man zag, nam ik dan
ook een bezemsteel.... Ik heb u dat nooit durven zeggen. Trouwens,
het ging me ook niet aan. U was vrij in uw doen en laten, en ik had
enkel maar te zorgen dat ik eerlijk mijn geld verdiende.
Aan het station wilde Renée voor haar betalen en nam een kaartje
eerste klasse. Daar zij nog tijd over hadden, bleef zij een oogenblik
bij haar, drukte haar de handen, en zei:
--En neem je maar goed in acht, zorg dat je geen kou vat, beste
Céleste!
Deze liet zich vertroetelen. Zij bleef opgewekt glimlachen, terwijl
haar meesteres haar tranen niet kon inhouden. Renée sprak nog eens
over het verleden. En plotseling riep Céleste uit:
--Dat had ik haast vergeten: ik heb u die historie van Baptiste,
mijnheers kamerdienaar, niet verteld.... Ze hebben het u zeker niet
willen zeggen....
De jonge vrouw bekende dat zij er werkelijk niets van wist.
--Nu dan, u herinnert u nog wel zijn waardige houding, zijn
minachtende blikken, u had het er dikwijls zelf wel over. Dat was
alles komediespel.... Hij mocht de vrouwen niet, hij kwam nooit
in de dienstbodenkamer als wij er waren; ja,--ik kan het nu wel
zeggen,--hij beweerde dat het walgelijk in het salon was, met al
die laag uitgesneden japonnen. Ik geloof het graag, dat hij niet van
vrouwen hield.
En zij boog zich naar Renée's oor; zij deed haar blozen, terwijl zij
zelf haar eerbare kalmte behield.
--Toen de nieuwe staljongen, ging zij voort, alles aan mijnheer had
verteld, jaagde mijnheer Baptiste liever weg dan dat hij hem aan de
justitie overleverde. Het schijnt dat die gemeene dingen jarenlang in
de stallen gebeurden. En die groote lummel deed nog al of hij zooveel
van paarden hield. Van de palfreniers hield hij.
Het gelui van de bel bracht haar tot zwijgen. Zij nam haastig de acht
of tien pakjes op, die zij bij zich had willen houden. Ze liet zich
omhelzen. Daarop ging zij heen, zonder zich om te keeren.
Renée bleef in het station totdat het fluitje van de locomotief zich
deed hooren. En toen de trein uit het gezicht was, was zij wanhopig,
wist ze niet meer wat ze beginnen moest; de dagen schenen haar
nu eindeloos, leeg als die groote wachtkamer, waar zij alleen was
achtergebleven. Zij steeg weer in haar rijtuig, zij beval den koetsier
naar het hôtel terug te keeren. Maar onderweg bedacht zij zich,
zij was bang voor haar kamer, voor de verveling die haar wachtte;
ze had niet eens den moed om van toilet te gaan verwisselen, voor
haar dagelijksch rijtoertje. Zij voelde behoefte aan zonneschijn,
aan levendigheid. Zij beval den koetsier naar het Bosch te rijden.
Het was vier uur. Het Bosch ontwaakte uit de drukkende
middaghitte. Langs de avenue de l'Impératrice vlogen stofwolken op;
in de verte zag men de uitgestrekte groene vlakten, begrensd door de
heuvels van Saint-Cloud en Suresnes, waarboven de grauwe Mont-Valérien
troonde. De zon stond hoog boven den horizon en vulde de gapingen
tusschen het gebladerte met een gouden stof, zette de hooge takken in
gloed, veranderde die zee van bladeren in een zee van licht. Maar,
achter de fortificaties, in de laan die naar het meer leidt, was de
grond pas besproeid; de rijtuigen rolden over de bruine aarde als
over een wollen tapijt, terwijl de frissche geur van de bevochtigde
aarde omhoog steeg.
Aan weerszijden van de laan verhieven de boompjes van het hakhout
hun jonge stammetjes tusschen het struikgewas, zich verliezende in
een groenachtig waas, hier en daar door zonnige plekjes verlicht;
en naarmate men dichter bij het meer kwam, werden de stoelen op de
trottoirs talrijker; geheele families zaten daar kalm en zwijgend
naar de eindelooze opeenvolging van rijtuigen te kijken. Verderop,
bij den kruisweg voor het meer, was het oogverblindend, de schuine
stralen der zon maakten van de ronde watervlakte een grooten spiegel
van gepolijst zilver, die het stralende beeld van het gesternte des
daags weerkaatste. De oogen knipten, men onderscheidde links, dicht bij
den oever, nog slechts de donkere vlek van de pleizierboot. De parasols
in de rijtuigen bogen zich met een zachte, gelijkmatige beweging, naar
die flikkering en rezen eerst omhoog in de laan, langs de watervlakte,
die van den hoogen oever gezien, een metaalzwarte kleur aannam, met
goudbruine strepen geaderd. Rechts, schaarden de boschjes naaldboomen
hun zuilengangen op een rij, teere, rechtopgaande stammen, wier zacht
violet rood gekleurd werd door den gloed der zon; links strekten de
grasperken zich uit, in een bad van licht, als smaragden velden,
tot aan het op kantwerk gelijkende hek der poort de la Muette. En
dichter bij den waterval, terwijl aan de eene zijde de schemering van
het hakhout weer begon, verhieven de eilanden, aan de overzij van den
vijver, zich in de blauwe lucht, met hun zonnige oevers, de krachtige
schaduwen van hun dennen, aan wier voet het Zwitsersch huisje een
stuk kinderspeelgoed geleek, in een hoekje van een maagdelijk woud
verdwaald. Het geheele bosch trilde en lachte onder de zon.
Renée schaamde zich over haar coupé, haar donkerbruin zijden kostuum,
op dien heerlijken dag. Achter in het rijtuig gedoken, keek zij
door de open portierramen naar die strooming van licht op het water
en op het groen. Bij de bochten der lanen bemerkte zij de reeks
wielen, die draaiden als gouden sterren, in een lange streep van
verblindenden glans. De verniste paneelen, de flikkeringen van het
koper en het staal, de heldere kleuren der toiletten, gingen heen in
den regelmatigen draf der paarden, vormden tegen den achtergrond van
het Bosch een breede, bewegende streep, een uit den hemel gevallen
straal, zich verlengende en de krommingen van den rijweg volgende. En
in dien straal zag de jonge vrouw, terwijl zij met de oogen knipte,
den blonden chignon van een vrouw, den zwarten rug van een lakei,
de witte manen van een paard. De gewaterde rondingen der parasols
spiegelden als metalen manen.
Toen, in dat volle daglicht, die zonnige vlakten, dacht zij aan
de fijne asch van de schemering, die zij eens op een avond op
de verwelkende bladeren had zien neerdalen. Maxime vergezelde
haar. Het was in den tijd toen de begeerte naar den knaap in haar
ontwaakte. En zij zag weer de grasvlakten, door de avondlucht bedauwd,
het schemerende hakhout, de eenzame lanen.
De rijtuigen reden met een droevig geratel langs de ledige stoelen,
terwijl heden het rollen der wielen, het draven der paarden, klonken
als een vreugdegeschal. Daarop kwamen al haar rijtoertjes door het
Bosch haar voor den geest. Zij had er in geleefd. Maxime was daar,
naast haar, op het kussen van haar rijtuig, groot geworden. Het
was hun tuin. De regen verraste hen daar, de zon bracht ze daar
terug, de duisternis verjoeg ze niet altijd. Zij reden daar rond bij
iedere weersgesteldheid, zij smaakten er de lusten en de lasten van
hun leven. In de ledigheid van haar leven, in de neerslachtigheid
over Céleste's vertrek, schonken die herinneringen haar een bitter
genot. Haar hart zei: nooit, nooit meer! En het werd haar koud om
het hart, toen zij zich dat winterlandschap voor den geest riep,
dien dofbevroren vijver, waarop zij schaatsen gereden hadden; de
hemel was roetkleurig, de sneeuw haakte witte kant op de boomen,
de scherpe wind joeg hun een fijn zand in de oogen en den mond.
Intusschen had zij links, op het ruiterpad, den hertog de Rozan,
de heeren de Mussy en de Saffré herkend. Larsonneau had de moeder
van den hertog den dood aangedaan, toen hij haar op den vervaldag,
de accepten van haar zoon tot een bedrag van honderd vijftig duizend
francs presenteerde, en de hertog verteerde zijn tweede halve millioen
met Blanche Muller, nadat hij de eerste vijfhonderd duizend francs
in de handen van Laure d'Aurigny had gelaten. Mijnheer de Mussy, van
het Engelsche gezantschap naar het Italiaansche overgegaan, was weer
galant geworden; hij leidde den cotillon met nieuwe bevalligheid. Wat
mijnheer de Saffré aangaat, hij bleef de beminnelijkste scepticus
en najager van wereldsche vermaken. Renée zag hem juist toen hij
zijn paard naar het portier van gravin Vanska wendde, op wie hij,
naar men zei, dol verliefd was sedert den dag waarop hij haar bij de
Saccards als Koraal gezien had.
Al de dames waren daar bijeen: de hertogin de Sternich, in haar eeuwige
huit-ressorts; mevrouw de Lauwerens, met barones de Meinhold en de
kleine mevrouw Daste, in een landauer; mevrouw Teissière en mevrouw de
Guende, in een victoria. Midden tusschen die dames, pronkten Sylvia
en Laure d'Aurigny, op de kussens van een prachtige kales. Mevrouw
Michelin zelfs ging voorbij, ietwat weggedoken in een coupé; de
mooie brunette was een bezoek gaan brengen aan mijnheer Hupel de la
Noue's hoofdplaats; en bij haar terugkomst had men haar in het Bosch
gezien in die coupé, waarbij zij weldra een open rijtuig hoopte te
bezitten. Renée bemerkte ook de markiezin d'Espanet en mevrouw Haffner,
de onafscheidelijken, naast elkander onder haar parasols verborgen,
teeder lachend elkander in de oogen blikkend.
Toen reden de heeren voorbij: mijnheer de Chibray in een mail;
mijnheer Simpson in een dogcart; de heeren Mignon en Charrier, meer
tuk op winst dan ooit, ondanks hun wensch om spoedig uit de zaken te
treden, in een coupé die zij aan het eind eener laan lieten staan,
om een eindweegs te voet te gaan; mijnheer de Mareuil, nog in den
rouw over zijn dochter, rondziende of hij niet gegroet zou worden om
zijn eerste interruptie, den dag te voren, in het Wetgevend lichaam,
zijn politiek gewicht rond latende rijden in het rijtuig van mijnheer
Toutin-Laroche die nogmaals het Wijnbouwcrediet gered had, nadat hij
het op den rand van zijn ondergang had gebracht, en die door zijn
lidmaatschap van den Senaat nog magerder en aanzienlijker werd.
En om dien stoet te sluiten, als allerhoogste majesteit, lag baron
Gouraud log in de zon, op de dubbele kussens waarmee zijn rijtuig
opgevuld was. Renée kreeg een gevoel van walging, toen zij Baptiste
met zijn bleek gezicht en zijn plechtig voorkomen naast den koetsier
zag zitten. De groote lakei was bij den baron in dienst getreden.
Het hakhout gleed nog steeds langs den weg, het water van den
vijver vertoonde alle kleuren van den regenboog onder de schuiner
vallende stralen, de rijtuigen vormden nog hun streep van dansende
schijnsels. En de jonge vrouw, zelf meegesleept door dat genot, kreeg
een vaag inzicht in die begeerten die daar in het volle zonlicht
voortrolden. Zij voelde geen verontwaardiging tegen die najagers van
geld en goed. Maar zij haatte ze, om hun vreugde, om dien triomf,
die hen aan haar vertoonde in het gouden stof van den hemel.
Zij glimlachten vol eigenwaan; de vrouwen stelden zich ten toon,
blank en vet; de mannen keken vroolijk en opgewekt, als gelukkige
minnaars. En zij vond in haar ledig hart slechts afgematheid, stille
afgunst. Was zij dan beter dan de anderen, dat zij zoo gebogen
ging onder de vermaken? Of waren de anderen gelukkig te prijzen,
dat zij sterker lendenen hadden dan zij? Zij wist het niet, zij
wenschte nieuwe begeerten om een nieuw leven te beginnen, toen zij,
het hoofd omwendende, naast haar op het trottoir langs het hakhout, een
schouwspel zag, dat haar gekweld gemoed den laatsten slag toebracht.
Saccard en Maxime liepen drentelend, arm in arm. De vader had den
zoon waarschijnlijk een bezoek gebracht, en beiden waren al pratend
de avenue de l'Impératrice afgeloopen, tot aan den vijver.
--Begrijp je, herhaalde Saccard, je bent een domoor.... Iemand die
zooveel geld heeft als jij, laat het niet renteloos liggen. Er valt
honderd percent te verdienen in de zaak die ik bedoel. Je geld is
veilig belegd. Je weet toch wel dat ik jou niet wil beetnemen!
Maar de jonge man scheen ontstemd over dat aandringen. Hij keek naar
de rijtuigen en glimlachte fatterig.
--Kijk daar eens, dat vrouwtje in het paars, zei hij eensklaps. Dat
is een waschvrouw, die door dien vlegel van een Mussy in de mode
is gebracht.
Ze keken naar de vrouw in het paars. Daarop haalde Saccard een sigaar
uit zijn zak, en zei tot Maxime, die rookte:
--Geef me wat vuur.
Ze bleven een oogenblik stilstaan, de gezichten vlak bij elkaar. Toen
de sigaar aan was:
--Zie je, ging de vader voort, den arm van zijn zoon dicht in
den zijnen drukkend, je zou een ezel zijn, als je niet naar me
luisterde. 't Is toch afgesproken, hè? Breng je me morgen de
honderdduizend francs?
--U weet wel dat ik niet meer bij u aan huis kom, antwoordde Maxime,
met saamgeknepen lippen.
--Kom, gekheid! Daar moet eens een eind aan komen!
En terwijl zij zwijgend voortliepen en Renée, een onmacht nabij, haar
hoofd in de kussens van de coupé begroef om niet gezien te worden,
ontstond er eensklaps een rumoer, dat zich steeds duidelijker langs
den stoet der rijtuigen vernemen liet. Op de trottoirs bleven de
voetgangers stilstaan, zij keerden zich om en keken met open mond
naar iets dat in aantocht was.
Een sneller geratel van wielen werd gehoord, de équipages weken
eerbiedig ter zijde, er verschenen twee pikeurs in het groen, met ronde
mutsjes, waarop gouden eikels dansten. Zij draafden, voorovergebogen,
op hun groote bruine paarden. Achter hen een ledige ruimte. En daarop
verscheen de keizer. Hij zat in een landauer, alleen op een bank. Hij
was in het zwart, de jas tot aan de kin toegeknoopt; hij droeg een
hoogen zijden hoed, licht ingebogen en glimmend. Tegenover hem, op het
andere bankje, zaten twee heeren, onberispelijk gekleed, zooals dat op
de Tuileriën gaarne gezien werd; zij zaten heel ernstig, met de handen
op de knieën, met het zwijgende uiterlijk van twee bruiloftsgasten,
die door een nieuwsgierige menigte rijden.
Renée vond den keizer verouderd. De mond opende zich slapper onder
den grooten, met was opgestreken snorbaard. De oogleden vielen zoo
zwaar neer, dat zij de doffe oogen, wier geelgrijs nog troebeler was,
half bedekten. De neus alleen teekende zijn been scherp af in het
nietszeggende gelaat.
Terwijl de dames in de rijtuigen bescheiden glimlachten, wezen de
voetgangers elkander den vorst aan.
Een dikke man beweerde, dat de heer, die links met zijn rug naar den
koetsier zat, de keizer was. Eenige handen grepen naar den hoed om
te groeten. Maar Saccard, die zijn hoed al afgenomen had nog voordat
de pikeurs voorbij waren, wachtte totdat het keizerlijk rijtuig vlak
tegenover hem was, en toen riep hij met zijn forsche provençaalsche
stem:
--Leve de keizer!
De keizer keerde zich verrast om, herkende ongetwijfeld den
enthousiast, beantwoordde glimlachend zijn groet. En alles verdween
in de zon, de équipages sloten zich weer aaneen, Renée zag nog slechts
boven de manen der paarden, tusschen de ruggen der lakeien, de groene
mutsjes van de pikeurs, waarboven de gouden eikels op en neer dansten.
Zij bleef een oogenblik met wijdgeopende oogen voor zich uit staren,
vol van die verschijning, die haar aan een ander uur van haar
leven herinnerde. Het kwam haar voor, alsof de keizer door zich in
de file van rijtuigen te mengen, er den laatsten straal die er nog
aan ontbrak, aan gegeven had, of hij een beteekenis had gegeven aan
dien zegenpralenden stoet. Nu was het een glorie. Al die wielen,
al die gedecoreerde mannen, al die vrouwen die zich daar smachtend
ten toon stelden, gingen heen in de schittering en het geratel van
den keizerlijken landauer.
Dit gevoel werd zoo scherp en zoo pijnlijk, dat de jonge vrouw een
onweerstaanbaren aandrang gevoelde om te ontsnappen aan dien triomf,
aan dien kreet van Saccard, die haar nog in het oor klonk, aan dit
gezicht van vader en zoon, arm in arm en pratend drentelende. Zij
dacht na, met de handen op de borst, als brandde daar een inwendig
vuur, en met een plotselinge hoop op verlichting, op heilzame koelte,
boog zij zich over naar den koetsier:
--Naar het hôtel Béraud!
De binnenplaats had haar kloosterachtige koelheid. Renée liep de
gewelfde gangen door, gelukkig door de vochtige lucht die haar op
de schouders viel. Zij naderde den groenbemosten bak, aan de randen
glad afgesleten, zij keek naar den half uitgewischten leeuwenkop,
met den half geopenden muil, die een waterstraal door een ijzeren
buis spoot. Hoe vaak hadden zij en Christine dien kop tusschen hun
kinderarmen omvat, om zich vooroverbuigende den ijskouden waterstraal
te bereiken, dien zij zoo graag over hun handjes voelden stroomen.
Toen ging zij de groote, stille trap op; zij bemerkte haar vader achter
in de reeks groote vertrekken; hij richtte zijn hooge gestalte op,
hij verdween langzaam in de schaduw van de oude woning, van die
ongenaakbare afzondering waarin hij zich sedert den dood zijner
zuster teruggetrokken had; en zij dacht aan de mannen in het Bosch,
aan dien anderen grijsaard, aan baron Gouraud, die zijn stoel in de
zon liet voortrollen, op kussens gezeten. Zij klom nog hooger, zij
ging door de gangen, de dienstboden trap op, zij deed de reis naar de
kinderkamer. Toen zij heel boven aankwam, vond zij den sleutel op zijn
gewone plaats aan den spijker, een grooten verroesten sleutel, waarom
de spinnen hun web gemaakt hadden. Het slot knarste droevig. Wat was
de kinderkamer ongezellig. Het ging haar aan het hart, dat zij zoo
leeg, zoo somber, zoo stil was. Zij sloot de deur van de volière die
open was blijven staan, met de onbestemde gedachte dat de vreugden
van haar jeugd zeker door die deur ontvloden waren.
Voor de bloemenbakken, die nog gevuld waren met een harde, gebarsten
aarde, als droog slijk, bleef zij stilstaan, brak zij met haar
vingers een rhododendronstammetje door: dat geraamte van een plant,
uitgemergeld en wit van de stof, was alles wat er overbleef van haar
levende bloemen. En de mat, de mat zelfs, verkleurd, afgeknaagd door de
ratten, strekte zich uit met de droefgeestigheid van een doodskleed,
dat al sinds jaren op de beloofde doode wacht. In een hoek, te midden
van die stomme wanhoop, die verlatenheid waarover de stilte weende,
vond zij een van haar oude poppen terug; al de zemelen waren er door
een opening uitgeloopen, en de porseleinen kop bleef glimlachen met
zijn geschilderde lipjes, boven dat slappe lichaam, dat uitgeput
scheen door poppendwaasheden.
Renée voelde zich beklemd in die bedorven lucht van haar eerste
jeugd. Zij opende het venster, zij genoot van het ruime uitzicht. Daar
was niets vuil geworden. Zij vond de eeuwige vreugde, de eeuwige
jeugd der frissche lucht weer.
Achter haar ging de zon onder; zij zag de laatste stralen dier
ondergaande zon, die met oneindige teederheid dat welbekende
stadsgedeelte geel kleurde. Het was als het ware het laatste lied
van den dag, een vroolijk refrein, dat langzaam boven alles wegstierf.
Beneden glansde het paalwerk in een vaalrooden gloed, terwijl op de
brug van Constantine het zwarte kantwerk van haar ijzeren kabels afstak
tegen het wit van de bogen. Verder, rechts, vormde het lommer van de
Halle aux vins en van den Plantentuin een groote plas van bemost,
stilstaand water, welks groene oppervlakte met den neveligen hemel
samensmolt.
Links, stonden nog op de kaden Henri IV en de Râpée dezelfde
huizenrijen die de meisjes daar twintig jaren geleden gezien hadden,
met dezelfde bruine vlekken van schuren, dezelfde roodachtige
fabrieksschoorsteenen. En boven de boomen, verscheen haar plotseling,
als een oude vriend, het leien dak van de Salpétrière, blauwgetint
door de scheidende zon.
Maar wat haar tot kalmte bracht, haar borst een weldadige koelte
schonk, dat waren de lange grijze rivieroevers, dat was vooral de
Seine, de reusachtige, die zij van uit het ver verschiet recht op
haar zag aankomen, als in die gelukkige tijden, toen zij bang was
dat zij haar zou zien zwellen om tot haar venster op te stijgen.
Zij herinnerde zich haar beider teederheid voor de rivier, haar liefde
voor dien grooten stroom, haar huivering voor dat ruischende water,
dat zich uitbreidde tot een meer aan haar voeten, dat zich achter
haar, om haar heen, in twee armen splitste, die zij niet meer zagen,
waarvan zij de groote, reine liefkoozing nog voelden.
Zij waren toen al koket, en zij zeiden op heldere, zonnige dagen,
dat de Seine haar mooi groen zijden kleed, met witvlammende moesjes
had aangedaan, en de stroomingen, waar het water krulde, versierden
het kleed met satijnen ruches, terwijl in de verte, over den gordel
der bruggen, lichtplekken zonkleurige stoffen uitspreidden.
En Renée hief de oogen op en keek naar het onmetelijke hemelgewelf,
waarvan het zachtblauw zich allengs verloor in de avondschemering. Zij
dacht aan de medeplichtige stad, aan de schitterend verlichte avonden
op de boulevards, aan de warme namiddagen in het Bosch, aan de grauwe
dagen van de groote nieuwe hôtels.
Toen zij daarop het hoofd boog, en den vreedzamen horizon van
haar kindsheid terugzag, dat burgerlijke, nijvere hoekje der stad,
waar zij zich een vredig leven gedroomd had, steeg er een laatste
bitterheid naar haar lippen. Met saamgevouwen handen, snikte zij in
den vallenden nacht.
Den volgenden winter, toen Renée aan een acute hersenontsteking
stierf, betaalde haar vader haar schulden. De rekening van Worms
bedroeg tweehonderd zevenenvijftig duizend francs.