De kus, dien Saccard zijn vrouw op den hals had gedrukt, bleef hem
nog lang in de gedachte. Het was al een heele poos geleden, dat
hij van zijn rechten als echtgenoot gebruik had gemaakt; de breuk
was gaandeweg ontstaan, geen van beiden was gesteld op een band,
die hen hinderde. Wanneer hij de slaapkamer van Renée binnentrad,
moest die echtelijke teederheid als inleiding voor het een of ander
voordeelig zaakje dienst doen.
De speculatie van Charonne ging goed; toch maakte hij zich nog
altijd ongerust over den afloop. Larsonneau, met zijn schitterend wit
linnengoed, lachte soms op een manier, die hem niet aanstond. Hij was
niets meer dan een tusschenpersoon, een naamleener, dien hij voor
zijn diensten betaalde met een tiende gedeelte van de te behalen
winsten. Maar ofschoon de onteigeningsagent geen stuiver in de zaak
gestoken had en Saccard, na het verstrekken van de benoodigde fondsen
voor het caféconcert, alle mogelijke voorzorgen genomen had, voelde
hij toch een duistere vrees, had hij een voorgevoel van de een of
andere verraderlijke streek. Hij begreep dat zijn medeplichtige
van plan was hem geld af te persen met dien valschen inventaris,
dien hij zoo zorgvuldig bewaarde, waaraan hij het dan ook alleen te
danken had, dat hij in deze zaak betrokken werd. De twee handlangers
drukten elkander dan ook hartelijk de hand.
Larsonneau noemde Saccard: waarde meester. In den grond van zijn
hart gevoelde hij een groote bewondering voor dien acrobaat, wiens
oefeningen op het gespannen koord der speculatie hij met den blik van
liefhebber volgde. Het denkbeeld om hem te bedotten streelde hem als
een buitengewoon, pikant genot. Hij overwoog reeds een plannetje,
maar hij wist nog niet welk gebruik hij van het wapen zou maken
dat hij in zijn bezit had, waarmee hij vreesde zichzelf te zullen
kwetsen. Hij voelde zich bovendien aan de genade van zijn oud-collega
overgeleverd. De terreinen en de gebouwen, die volgens slim opgemaakte
berekeningen reeds op bijna twee millioen geschat werden, en die nog
niet het vierde deel van die som waard waren, moesten ten slotte in
een kolossaal failliet verzwolgen worden, indien de goede fee der
onteigening ze niet met haar gouden staafje aanraakte.
Volgens de oorspronkelijke plannen die zij hadden kunnen raadplegen,
zou de nieuwe boulevard, aangelegd om het artilleriepark van Vincennes
met de Prince-Eugène-kazerne te verbinden en dit park in het hartje
van Parijs te brengen, een deel van de terreinen wegnemen; maar de
mogelijkheid bestond ook dat er slechts een klein hoekje van noodig
was, en dat de vernuftige speculatie van het café-concert door haar
onvoorzichtigheid zelve mislukken zou. In dat geval zou Larsonneau
in een neteligen toestand geraken.
Dat gevaar belette echter niet, dat het hem, ondanks de
ondergeschikte rol die hij noodzakelijkerwijs speelde, zeer verdroot
dat hij slechts tien percent zou krijgen van een zoo kolossalen
millioenen-diefstal. Bij die gedachte jeukten hem de vingers, om zich
ook een deel daarvan toe te eigenen.
Saccard had zelfs niet gewild, dat hij geld aan zijn vrouw zou leenen,
daar hij er zelf vermaak in vond den draad van dit melodrama, waarin
zijn voorliefde voor ingewikkelde zaken behagen schiep, in de hand
te houden.
--Neen, neen, vriendlief, zei hij met zijn provençaalsch accent,
dat hij nog overdreef als hij een grap wilde kruiden, laten we onze
rekeningen niet in de war brengen.... Jij bent de eenige man in Parijs
aan wien ik gezworen heb nooit iets schuldig te willen zijn.
Larsonneau gaf hem bedektelijk te verstaan, dat zijn vrouw vreeselijk
verkwistend was. Hij ried hem aan haar geen cent meer te geven, dan
zou zij hun onmiddellijk haar aandeel afstaan. Hij had liever met
Saccard alleen te doen. Hij polste hem soms en ging hij zelfs zoo ver,
met zijn matte, onverschillige doordraaiersmanieren te zeggen:
--Ik moet toch een beetje orde in mijn papieren brengen.... Je vrouw
maakt me bang, mijn waarde. Ik zou niet graag willen dat zekere
stukken bij me thuis verzegeld werden.
Saccard was er de man niet naar dergelijke toespelingen geduldig
te verdragen, vooral niet daar hij wist welk een voorbeeldige,
angstvallige orde er op het kantoor van het heerschap heerschte. Zijn
heele slimme, bedrijvige persoontje kwam in opstand tegen de vrees, die
de groote, opgeschikte woekeraar met zijn gele handschoenen hem wilde
aanjagen. Het ergste was, dat hij beefde van angst bij de gedachte aan
een mogelijk schandaal; hij zag zich al meedoogenloos door zijn broer
verstooten, in België van het een of andere geringe beroep leven. Eens
werd hij zoo boos, dat hij onbewimpeld voor de zaak uitkwam.
--Hoor eens, vriendje, zei hij, je bent een aardige jongen, maar je
zou verstandig doen als je me dat stuk, je weet wel, teruggaf. Je
zal zien dat we nog ongenoegen krijgen door dat vod.
De ander hield zich verbaasd, drukte zijn "waarden meester" de handen
en gaf hem de verzekering van zijn toewijding. Saccard had spijt
over zijn driftige opwelling. Het was juist omtrent dezen tijd, dat
hij ernstig over een toenadering met zijn vrouw dacht; hij kon haar
noodig hebben tegen zijn handlanger en hij bedacht bovendien dat het
oorkussen zich uitstekend leent tot het behandelen van zaken. De zoen
in den hals bracht hem op het idee van een geheel nieuwe taktiek.
Hij had trouwens geen haast, hij ging zuinig om met zijn middelen. Hij
liet den heelen winter voorbij gaan om zijn plan tot rijpheid
te brengen; zijn aandacht werd overigens in beslag genomen door
honderderlei zaken, de een al ingewikkelder dan de andere. Het was
voor hem een verschrikkelijke winter, vol schokken, een verbazende
veldtocht, waarin hij dagelijks een failliet moest overwinnen. In
plaats van zijn huishoudelijke uitgaven te bekrimpen, gaf hij het
eene feest na het andere. Maar terwijl hij er in slaagde aan alle
moeielijkheden het hoofd te bieden, moest hij Renée verwaarloozen;
hij bewaarde haar voor zijn laatsten zet; als de operatie van Charonne
rijp zou zijn. Hij stelde zich tevreden met de ontknooping voor te
bereiden, door haar geen geld meer te geven dan door tusschenkomst van
Larsonneau. Wanneer hij over een paar duizend francs kon beschikken
en zij haar nood klaagde, bracht hij ze haar met de opmerking,
dat de mannen van Larsonneau een schuldbekentenis van het dubbele
bedrag eischten.
Dit komediespel amuseerde hem kostelijk, dat voorwendsel van die
schuldbekentenissen bracht hem in verrukking door het romantische
tintje dat zij aan de zaak gaven. Zelfs in den tijd van zijn grootste
verdiensten had hij het jaargeld van zijn vrouw heel ongeregeld
uitbetaald; nu eens gaf hij haar vorstelijke geschenken of een handvol
bankbiljetten, dan liet hij haar weer weken lang op een kleinigheid
wachten.
Nu hij werkelijk in verlegenheid zat, sprak hij over de kosten van
de huishouding, en behandelde haar als een schuldeischer, wien men
zijn ondergang niet wil bekennen en dien men door allerlei verzinsels
tracht te paaien. Zij luisterde nauwelijks naar hem; zij teekende
alles wat hij haar voorlegde en klaagde alleen maar, dat zij niet
meer kon teekenen.
Hij had intusschen reeds voor tweehonderdduizend francs aan
schuldbekentenissen van haar, die hem ternauwernood honderdtienduizend
francs kostten. Nadat hij ze door Larsonneau, op wiens naam ze gesteld
waren, had laten endosseeren, gaf hij die schuldbekentenissen op een
voorzichtige manier af met de bedoeling ze later als een wapen te
gebruiken. Hij zou nooit in staat geweest zijn dien verschrikkelijken
winter door te komen, geld met woekerwinst aan zijn vrouw te leenen
en zijn huishouden op zoo'n weelderigen voet ingericht te houden,
als hij zijn terrein aan den boulevard Malesherbes niet aan de heeren
Mignon en Charrier verkocht had, tegen contante betaling, maar met
een verbazend hooge korting.
Die winter was voor Renée een lang genot. Haar eenige verdriet was haar
geldgebrek. Maxime kostte haar veel geld; hij behandelde haar altijd
als stiefmama, overal waar het op betalen aankwam. Maar dit verborgen
verdriet verhoogde nog haar genot. Zij peinsde op allerlei middelen, om
het "haar lieven jongen" aan niets te laten ontbreken, en als zij haar
man had weten over te halen haar een paar duizend francs te bezorgen,
bracht zij ze met haar minnaar in allerlei kostbare dwaasheden door,
als twee scholieren die hun eerste uitstapje maken.
Wanneer hun geld op was, bleven zij thuis en genoten van dat groote,
nieuwe gebouw, met zijn dwaze, onbeschaamde weelde. De vader was
er nooit. De gelieven bleven meer in het hoekje van den haard
dan vroeger. Renée had eindelijk de ijzige leegte van die vergulde
plafonds met een warm genot vervuld. Dat verdachte huis van wereldsch
vermaak was een kapel geworden, waarin zij op eigen hand een nieuwen
godsdienst beoefende.
Maxime was niet alleen de gewenschte afleiding, hij was de minnaar
die paste bij dat hôtel met zijn spiegelruiten zoo groot als die van
een magazijn, dat van den kelder tot den zolder met beeldhouwwerk
overladen was; hij bracht leven in dat pleisterwerk, van de twee
bolwangige Amors die op de binnenplaats een waterstraal uit hun schelp
lieten vallen, tot op de groote naakte vrouwengestalten, die de balcons
ondersteunden en midden op de frontons met halmen en appelen speelden;
door hem werd haar de bestemming duidelijk van de te rijke vestibule,
den te bekrompen tuin, de schitterend gemeubileerde kamers, waar men
te veel gemakstoelen en geen enkel voorwerp van kunst vond.
De jonge vrouw, die zich daar doodelijk verveeld had, vermaakte
zich daar eensklaps, deed alsof zij nu pas het gebruik er van leerde
kennen. En zij bracht haar liefde niet alleen in haar eigen vertrekken,
in het gele salon en in de serre, maar in het geheele hôtel. Zij
begon het zelfs prettig te vinden op de sofa van de rookkamer; zij
bleef daar soms zitten en zei, dat zij de tabakslucht in die kamer
heel aangenaam vond.
Zij hield nu twee receptiedagen in plaats van een. Donderdags kwamen
allerlei kennissen, maar de Maandagavond was alleen voor de intieme
vriendinnen bestemd. Mannen werden niet toegelaten. Maxime alleen
woonde die partijtjes in het klein salon bij. Op een avond kwam
Renée op de wonderlijke gedachte hem als vrouw te verkleeden en als
een van haar nichtjes voor te stellen. Adeline, Suzanne, barones de
Meinhold en de andere vriendinnen die aanwezig waren, stonden op en
groetten met een verwonderden blik dat gezichtje, dat zij meenden
te kennen. Toen zij het begrepen, lachten zij hartelijk en wilden
volstrekt niet dat de jonge man zich zou ontkleeden. Zij hielden
hem bij zich met zijn rokken aan, plaagden hem en leenden zich tot
allerlei dubbelzinnige aardigheden.
Toen hij de dames door de voordeur uitgelaten had, ging hij het park
om en kwam door de serre terug. De goede vriendinnen hadden niet den
minsten argwaan. De gelieven konden niet vertrouwelijker met elkander
zijn dan zij al waren, toen zij als kameraads met elkaar omgingen. En
als een bediende soms zag, dat zij elkander wat al te innig omhelsden,
verbaasde hem dat volstrekt niet, gewoon als hij was aan de aardigheden
van mevrouw en mijnheer's zoon.
Die onbeperkte vrijheid, die straffeloosheid maakte hen nog
stoutmoediger. Al grendelden zij 's nachts de deur, overdag zoenden
ze elkander in alle kamers van het hôtel. Zij verzonnen allerlei
spelletjes op regenachtige dagen. Maar het grootste genot vond Renée
er in, een groot vuur aan te leggen en zich vakerig in den gloed
te koesteren.
Zij spreidde dien winter een bijzondere weelde in haar linnengoed
ten toon. Zij droeg ontzettend dure hemden en peignoirs, waarvan de
kanten tusschenzetsels en het batist haar nauwelijks met een witte
wolk bedekten. En in den rooden gloed van het haardvuur zat zij daar,
als naakt, de kant en de huid rose gekleurd door de vlammen, die door
de dunne stof heen haar vleesch verwarmden.
Maxime, aan haar voeten neergehurkt, kuste haar op de knieën,
zonder zelfs het linnen te voelen, dat de warmte en de kleur van dat
heerlijk schoone lichaam had. Het daglicht viel als een schemering
in de kamer van grijze zijde, terwijl Céleste met haar kalmen tred
achter hen heen en weer ging. Zij was hun medeplichtige geworden als
iets dat vanzelf sprak. Op een morgen vond zij ze samen in bed, zonder
iets van haar ijskoude dienstboden-kalmte te verliezen. Ze ontzagen
zich niet meer voor haar, zij kwam op alle uren van den dag binnen,
zonder dat het geluid van hun kussen haar het hoofd deed omwenden. Ze
rekenden er op, dat zij hen bij het minste onraad zou waarschuwen. Ze
kochten haar stilzwijgen niet; het was een zuinig, oppassend meisje,
dat er geen minnaar op nahield, voor zoover men wist.
Intusschen leidde Renée geen kloosterleven. Zij ging veel in
gezelschappen en voerde Maxime in haar gevolg mee, als een blonde
page in het zwart; zij genoot nu zelfs meer dan vroeger. Het seizoen
was voor haar éen lange triomf. Nog nooit was haar verbeeldingskracht
zoo vindingrijk geweest in het uitdenken van toiletten en kapsels. Bij
deze gelegenheid waagde zij die fameuze struikkleurige satijnen japon
te dragen, waarop een heele hertenjacht was geborduurd, met de daarbij
behoorende attributen, kruithorens, jachthorens, messen met breede
lemmeten. Toen bracht zij ook de antieke kapsels in de mode, die
Maxime voor haar moest nateekenen in het pas geopende museum Campana.
Zij begon er jonger uit te zien, ze was nu in de volheid van haar
woelige schoonheid. De bloedschande bracht een gloed in haar, die haar
oogen deed glanzen en haar lach voller en warmer deed klinken. Haar
binocle getuigde van grooten overmoed, op den top van haar neus,
en zij keek de andere vrouwen, haar goede vriendinnen, die praalden
met afschuwelijke ondeugden, met het voorkomen van een snoever en
een glimlach aan, alsof ze zeggen wou: "Ik heb mijn misdaad."
Maxime vond die gezelschappen allervervelendst. Hij vond het "chic"
te beweren dat hij zich daar verveelde, want eigenlijk amuseerde hij
zich nergens. Op de Tuileriën, bij de ministers, overal verdween hij
in Renée's rokken. Maar zoodra het zekere uitstapjes gold, was hij
weer nummer één. Renée wenschte het kabinet op den boulevard nog eens
te zien, en de breede sofa deed haar glimlachen. Verder bracht hij
haar zoowat overal heen, bij de lichte meisjes, naar het Opera-bal,
de avant-scènes van kleine theaters, naar alle verdachte plaatsen
waar zij in het genot van hun incognito de onbeschaamde ondeugd van
nabij konden gadeslaan.
Wanneer zij heimelijk in het hôtel terugkeerden, vielen zij doodmoe
in elkanders armen in slaap, den roes van het ontuchtig Parijs
uitslapend, terwijl de brokstukken van dartele liedjes hun nog in de
ooren gonsden. Den volgenden dag bootste Maxime de acteurs na en Renée
trachtte aan de piano van het kleine salon de schorre stem en de losse
heupbewegingen van Blanche Muller, in haar rol van la Belle Hélène,
na te volgen. De muzieklessen, die zij in het klooster gekregen had,
dienden haar nog slechts om de coupletten der nieuwste kluchten te
verknoeien. Zij had een afschuw van ernstige liederen. Maxime deelde
haar minachting voor de duitsche muziek, en hij meende verplicht
te zijn de Tannhäuser uit te fluiten, uit overtuiging, en ook om de
dartele liedjes van zijn stiefmoeder te verdedigen.
Een van de grootste genoegens was het schaatsenrijden; dat was dien
winter bijzonder in de mode, omdat de keizer een der eersten was
geweest die den vijver in het Bois de Bologne geprobeerd had. Renée
bestelde bij Worms een compleet Poolsch costuum, van fluweel met bont;
Maxime moest slappe laarzen en een muts van vossenbont hebben.
Zij kwamen in het Bosch, bij een vinnige kou die hun neus en ooren
prikkelde, alsof de wind hun fijn zand in het gezicht geblazen
had. Dat gevoel van kou vonden zij prettig. Het Bosch was geheel
grijs, met smalle strookjes sneeuw, die langs de takken op fijne
guipure geleken. En onder den bleeken hemel, boven den doffen,
bevroren vijver vertoonden alleen de denneboomen van het eiland,
aan den rand van den horizon, hun theatrale draperieën, waarin de
sneeuw ook lange kantwerken vlocht.
Zij gleden pijlsnel voort in de ijzige lucht, als zwaluwen die in
haar snelle vlucht den grond schijnen aan te raken. Eene hand op
den rug en de andere op elkanders schouders, reden zij rechtop,
met een glimlach op de lippen, zij aan zij, de baan op en af, in
de wijde ruimte die door dubbele touwen afgebakend was. Boven in
de groote laan, stonden de toeschouwers hen aan te gapen. Nu en dan
kwamen zij zich warmen aan de gloeiende vuurpotten aan den kant. En
dan reden zij weer voort. Zij sloegen flink uit, met breede slagen,
terwijl hun oogen traanden van genot en van kou.
Toen de lente kwam, dacht Renée aan haar oude idylle. Zij verlangde
dat Maxime bij maneschijn een wandeling met haar in het park Monceau
zou doen. Zij gingen in de grot en vlijden zich neer op het gras,
voor de zuilengang. Maar toen zij haar verlangen te kennen gaf
een poosje rond te roeien op den vijver, bemerkten zij dat de boot
die men van uit het hôtel aan het einde eener laan vastgelegd zag,
geen riemen bevatte. Die haalde men zeker 's avonds weg. Dat was
een ontgoocheling. Bovendien voelden de gelieven zich niet op hun
gemak in die donkere gedeelten van het park. Zij zouden graag gezien
hebben dat er een venetiaansch feest gegeven werd, met roode ballons
en een muziektent. Zij zagen het liever overdag, op den middag, en
dan gingen zij dikwijls aan het raam staan, om de équipages te zien,
die de mooie bocht van de groote laan omreden. Zij hadden schik in
dat bekoorlijke hoekje van het moderne Parijs, in die liefelijke,
nette natuur, die grasperken als banen fluweel, met bloemkorven en
uitgelezen heesters bezet, en met prachtige witte rozen omzoomd.
De rijtuigen kruisten elkander daar even talrijk als op de boulevards,
de wandelaarsters lieten haar japonnen slepen, alsof zij nog op
de tapijten van haar salons liepen. En door het gebladerte heen,
critiseerden zij de toiletten, maakten zij elkander opmerkzaam op
de mooie paarden, werd hun oog aangenaam gestreeld door de zachte
kleuren van dien grooten tuin. Hier en daar schitterde een puntje van
het vergulde hek tusschen de boomen, eenden zwommen achter elkander in
den vijver voorbij, het nieuwe bruggetje in renaissance-stijl stak wit
af tegen het groen, terwijl moeders, op gele stoelen aan weerszijden
van de groote laan, al pratende de jongens en meisjes vergaten, die
elkaar lief aankeken, hun gezicht vertrekkende als vroegwijze kinderen.
De gelieven hielden van het nieuwe Parijs. Dikwijls reden zij de stad
door, of maakten een omweg om sommige boulevards over te rijden,
waarvoor zij een persoonlijke voorkeur voelden. Opgetogen staarden
zij naar die hooge huizen met hun groote gebeeldhouwde deuren, met
balcons er boven, waar uithangborden of de namen der firma's met
groote gouden letters schitterden.
Onder het rijden volgde hun blik met welgevallen de grijze randen van
de trottoirs, breed en eindeloos, met hun banken, hun bontkleurige
zuilen, hun spichtige boomen. Die heldere opening, die tot aan den
horizon doorliep, zich steeds vernauwende om ten slotte uit te loopen
in het blauwend verschiet, die onafgebroken dubbele reeks van groote
magazijnen, waar de bedienden glimlachend de klanten hielpen, die
bedrijvige, gonzende menschenmenigte, dat alles gaf hun langzamerhand
een gevoel van volkomen bevrediging.
Zij schepten zelfs behagen in de waterstralen der sproeispuiten,
die zich als een witte rook voor hun paarden uitspreidden, als een
fijne regen onder de wielen van het rijtuig neervielen, waar zij den
grond glanzig maakten en lichte stofwolkjes deden opstuiven.
Zij reden voort langs dien rechten, eindeloozen weg, zacht als een
tapijt, dien men alleen had aangelegd om hun de donkere steegjes te
besparen. Iedere boulevard werd een toegangsweg naar hun hôtel.
De zon scheen lachend op de nieuwe gevels, deed de vensters schitteren,
straalde op de schermen der winkels en koffiehuizen en verwarmde
het asphalt onder de haastige schreden der menigte. En als zij thuis
kwamen, met een vermoeid hoofd van al dat geroezemoes, vermeiden zij
zich in het park Monceau, dat als een smal tuinbed om een bloemstuk,
het nieuwe Parijs, paste, en nu zijn weelde ten toon spreidde in de
eerste zoele lentedagen.
Door de mode gedwongen Parijs te verlaten, gingen zij naar een zeebad,
tegen hun zin in en aan het zeestrand nog denkende aan de trottoirs
van de boulevards. Hun liefde zelfs begon daar te kwijnen. Het was
een kasbloem, die behoefte had aan het groote grijs en rose bed,
de vleeschkleurige kleedkamer, het gouden morgenlicht van het kleine
salon.
Sedert zij 's avonds alleen waren, tegenover de zee, hadden zij
elkander niets meer te zeggen. Zij probeerde haar liedjes van
het théâtre des Variétés te zingen bij een oude piano, die in een
hoekje van de kamer stond te zieltogen; maar de zeewinden hadden
het instrument zoo vochtig gemaakt, dat het niets dan naargeestige
geluiden voortbracht. La Belle Hélène klonk er spookachtig somber op.
Om zich te troosten, bracht de jonge vrouw de badgasten in verbazing
door haar opzichtige toiletten. Al die dames wachtten daar geeuwend
den winter af, wanhopige pogingen doende om een badkostuum te vinden
dat haar niet al te leelijk maakte.
Geen enkele maal kon Renée Maxime overhalen, een bad te nemen. Hij
was doodsbang voor het water, hij werd al bleek als de opkomende vloed
zijn laarzen nat maakte, en hij zou zich voor geen geld ter wereld aan
den rand van een steilen oever gewaagd hebben; hij ontweek de kuilen
en maakte lange omwegen om een eenigszins steile kust te vermijden.
Saccard kwam een enkelen keer naar de kinderen kijken. Hij zat diep
in de zorgen, zei hij.
Eerst tegen October, toen zij alle drie weer in Parijs bijeen waren,
dacht hij ernstig over een toenadering na. De zaak van Charonne werd
nu rijp. Zijn onbeschaamd plan stond hem klaar voor den geest. Hij
wilde Renée met hetzelfde spelletje vangen, dat hij met een lichtekooi
gespeeld zou hebben. Haar behoeften werden steeds grooter, en uit een
gevoel van trots, deed zij eerst in den uitersten nood een beroep
op haar man. Deze nam zich voor om van haar eerste verzoek gebruik
te maken om galant te zijn en in haar vreugde over de betaling van
een groote schuld betrekkingen, sedert lang verbroken, opnieuw aan
te knoopen.
Vreeselijke moeielijkheden wachtten Renée en Maxime te
Parijs. Verscheidene schuldbekentenissen aan Larsonneau waren
vervallen; maar daar Saccard ze natuurlijk onder de berusting van den
deurwaarder liet, bekommerde de jonge vrouw zich daar weinig om. Zij
stond heel wat meer angst uit om haar schuld bij Worms, die nu tot
bijna tweehonderdduizend francs gestegen was. De kleermaker vorderde
een gedeeltelijke afbetaling, met de bedreiging dat hij niets meer
op krediet zou leveren. Zij werd huiverig bij de gedachte aan het
schandaal van een proces, en vooral aan een conflict met den beroemden
kleermaker. Dan had zij ook zakgeld noodig. Zij zouden zich doodelijk
vervelen, zij en Maxime, als zij niet dagelijks een paar tientjes te
verteren hadden.
Die arme jongen zat op zwart zaad, sinds hij tevergeefs de laadjes
van zijn vader doorsnuffelde. Zijn trouw en voorbeeldig gedrag
gedurende de laatste zeven of acht maanden, stond in nauw verband
met de ledigheid van zijn beurs. Hij had niet altijd twintig francs
om de een of andere straatloopster te soupeeren te vragen. Hij ging
dan ook maar kalmpjes naar huis.
Bij hun uitstapjes gaf de jonge vrouw hem haar beurs, als hij moest
betalen in de restauraties, op de bals of in de kleine theaters. Zij
behandelde hem nog altijd moederlijk, en bij den pasteibakker, waar
zij bijna iederen middag oesterpasteitjes gingen eten, nam zij met
haar gehandschoende vingers het geld zelf uit haar beurs. Dikwijls
vond hij 's morgens met blijde verrassing een paar goudstukken in
zijn vestzakje, die zij er in gestopt had, als een moeder die den
zak van een schooljongen vult.
En dat heerlijke leventje van allerhande pretjes zou een einde moeten
nemen! Maar zij werden nog door een ernstiger vrees beangst. Sylvia's
juwelier, aan wien Maxime tienduizend francs schuldig was, begon boos
te worden en sprak er al van hem te laten gijzelen, naar Clichy te
laten brengen. Op de wissels, die hij in handen had, waren zooveel
protestkosten gekomen, dat de schuld met drie of vierduizend francs
vermeerderd was.
Saccard verklaarde beslist dat hij hem niet helpen kon. Als zijn zoon
in Clichy zat, zou dat de aandacht op hem vestigen, en als hij hem
loskocht, zou die vaderlijke mildheid druk besproken worden.
Renée was wanhopig, ze zag haar lieven jongen in de gevangenis, maar
dan in een vunzig hok, op vochtig stroo liggend. Op een avond deed
zij hem in allen ernst het voorstel haar kamer niet meer te verlaten,
er buiten iemands weten te blijven wonen, om tegen de handlangers
van den deurwaarder beveiligd te zijn. Dan bezwoer zij weer dat zij
het geld zou vinden. Zij sprak geen enkele maal over de oorzaak van
de schuld, over die Sylvia, die haar liefde aan de spiegels van de
restauratiekamers toevertrouwde.
Zij had zoowat vijftigduizend francs noodig: vijftien duizend voor
Maxime, dertig duizend voor Worms en vijf duizend francs zakgeld. Daar
konden zij twee volle weken gelukkig mee zijn. Zij toog dus aan
het werk.
Haar eerste gedachte was, de vijftigduizend francs aan haar man te
vragen. Dat besluit nam zij slechts met tegenzin. De laatste malen
dat hij haar kamer binnengetreden was om haar geld te brengen, had
hij haar opnieuw in den hals gekust, terwijl hij haar handen in de
zijne genomen en lieve woordjes gezegd had. Vrouwen hebben een fijn
gevoel om de oogmerken der mannen in zulke zaken te raden. Zij hield
zich dan ook voorbereid op een eisch van zijn kant, een stilzwijgende
voorwaarde, die glimlachend bedongen en toegestaan wordt. Toen zij hem
dan ook de vijftig duizend francs vroeg, opperde hij veel bezwaren;
hij zei dat Larsonneau die som nooit zou leenen, dat hij zelf nog te
slecht bij kas was. Daarop van toon veranderende, alsof hij door een
plotselinge aandoening werd bevangen:
--Ik kan je niets weigeren, fluisterde hij. Ik zal de heele stad
afloopen, mijn uiterste best doen. Ik wil je tevreden zien, lieve.
En zijn mond bij haar oor buigende, kuste hij haar haren, en zei met
trillende stem:
--Ik zal ze je morgen avond brengen, op je kamer.... zonder
schuldbekentenis. Maar zij haastte zich te zeggen dat er geen haast
bij was, dat zij hem dien last niet wilde bezorgen. Saccard, die zijn
heele hart in dat gevaarlijke "zonder schuldbekentenis" gelegd had,
dat hem tot zijn spijt uit den mond gevallen was, deed net alsof hij
niet bemerkte dat hij een onaangename weigering had gekregen. Hij
stond op en zei:
--Nu dan, zooals je wilt.... Ik zal het geld voor je zien te krijgen
als het oogenblik gunstig is. Larsonneau heeft er niets mee te maken,
begrijp je. Ik wil het je cadeau doen.
Hij glimlachte goedig. Zij bleef in een wanhopige stemming alleen. Zij
gevoelde dat zij het beetje zielsrust dat zij overhad zou verliezen,
als zij zich aan haar man overgaf. Haar laatste trots stelde zij
er in met den vader getrouwd, maar alleen de vrouw van den zoon te
zijn. Wanneer Maxime haar wat koel toescheen, trachtte zij dikwijls
hem dien toestand met duidelijke toespelingen aan het verstand te
brengen; maar de jonge man, dien zij verwacht had na die mededeeling
voor haar te zien neerknielen, bleef volmaakt onverschillig; hij dacht
zeker dat zij hem wilde geruststellen over de mogelijkheid van een
ontmoeting tusschen hem en zijn vader, in de kamer van grijze zijde.
Zoodra Saccard heengegaan was, kleedde zij zich haastig aan en liet
inspannen. Onderwijl zij in haar coupé naar l'île Saint-Louis reed,
bedacht zij op welke wijze zij haar vader om de vijftigduizend francs
zou vragen. Zij ging op dit plotseling opgekomen denkbeeld door,
zonder het voor en tegen te overwegen; in haar binnenste voelde zij
zich den moed ontzinken, schrikte zij terug voor een dergelijken stap.
Toen zij er aankwam, voelde zij zich beklemd door de ijzige koude
van de binnenplaats met haar doodsche, kloosterachtige vochtigheid;
de lust bekroop haar weer terug te keeren, terwijl zij de breede
steenen trap opging, waarop haar kleine laarsjes met hooge hakken
hard weerklonken. In haar haast was zij zoo dwaas geweest een zijden
kostuum te kiezen met lange strooken van witte kant, versierd met
satijnen strikken; de ceintuur was geplooid als een sjerp. Dat toilet,
waarbij zij een toque met groote witte voile had opgezet, vormde
zoo'n zonderling contrast met de doodsche eentonigheid van de trap,
dat zij zelf begreep welk een vreemde figuur zij maakte. Zij beefde
toen zij de groote, stijve kamers doorging, waar de halfverbleekte
personen op de behangsels verbaasd schenen over dien vloed van rokken,
die daar hun halfduistere eenzaamheid door ruischten.
Zij vond haar vader in een salon dat op de binnenplaats uitzag, waar
hij gewoonlijk verblijf hield. Hij zat te lezen in een groot boek,
dat op een lezenaar ter hoogte van de armen van zijn leuningstoel
lag. Voor een der vensters zat tante Elisabeth op lange houten pennen
te breien; de stilte van de kamer werd alleen verstoord door het
getiktak dier pennen.
Renée ging verlegen zitten, zij kon zich niet verroeren of ze
verstoorde den ernst, die in de hooge kamer heerschte, door het
ritselen van haar zijden kostuum. Haar witte kanten vormden een
schelle tegenstelling met het zwarte fond van de stoffeering en de
oude meubelen.
Mijnheer Béraud du Châtel liet de handen op den rand van den lessenaar
rusten en keek haar aan. Tante Elisabeth sprak over het aanstaande
huwelijk van Christine, die met den zoon van een schatrijken procureur
ging trouwen; het meisje was met een oude dienstbode uit om naar
een leverancier te gaan; en de goede tante praatte heel alleen,
op haar kalmen toon, zonder haar breiwerk in den steek te laten,
over huishoudelijke zaken, terwijl zij Renée boven haar bril uit
glimlachend aanzag.
Maar de jonge vrouw geraakte hoe langer hoe meer in verwarring. De
stilte van het hôtel drukte haar neer, en zij had er veel voor over
gehad als haar kanten zwart geweest waren. De blik van haar vader
bracht haar zoo van streek, dat zij het bespottelijk vond dat Worms
zulke groote strikken had uitgedacht.
--Wat zie je er mooi uit, kindlief! zei eensklaps tante Elisabeth,
die nog niet eens op de strooken van haar nicht gelet had.
Zij liet haar breinaalden rusten, schoof haar bril recht, om beter
te kunnen zien. Mijnheer Béraud du Châtel glimlachte effen.
--'t Is een beetje wit, zei hij. 't Moet lastig loopen zijn met zoo'n
kostuum op straat.
--Maar vader, men gaat niet te voet uit! riep Renée uit, die aanstonds
spijt had over die openhartigheid.
De grijsaard wilde antwoorden, maar hij stond op, richtte zich in zijn
volle lengte op en begon langzaam heen en weer te loopen, zonder zijn
dochter verder aan te zien.
Deze bleef bleek van aandoening. Telkens als zij zichzelve moed
insprak en een aanloopje zocht om over het geld te beginnen, voelde
zij een steek in haar hart.
--We zien u niet meer, vader, zei zij zachtjes.
--O, antwoordde de tante, zonder haar broer den tijd te laten om den
mond te openen, je vader gaat haast niet uit, een enkelen keer eens
naar den Plantentuin. En dan moet ik hem er nog toe aansporen! Hij
beweert dat hij verdwaald raakt in Parijs, dat de stad niet meer voor
hem geschikt is.... Beknor hem maar eens goed!
--Mijn man zou het zoo prettig vinden als u van tijd tot tijd eens
op onze Donderdagen kwam, ging de jonge vrouw voort.
Mijnheer Béraud du Châtel zette zwijgend zijn wandeling voort. Toen
zei hij op kalmen toon:
--Je moet je man bedanken. 't Schijnt een ijverig mensch te zijn en
ik hoop voor jou dat hij eerlijke zaken drijft. Maar wij hebben niet
dezelfde ideeën, en ik voel me niet op mijn gemak in je mooie huis
in het park Monceau.
Tante Elisabeth scheen niet voldaan met dit antwoord.
--Wat zijn de mannen toch akelig met hun politiek, zei zij
opgeruimd. Wil je de waarheid weten? Je vader is woedend op jelui
omdat je naar de Tuilerieën gaat.
Maar de grijsaard haalde de schouders op, als om te kennen te geven
dat zijn ontevredenheid uit ernstiger oorzaken voortkwam. Hij hervatte
zijn wandeling met een nadenkend gezicht. Renée zweeg een oogenblik
stil, terwijl de vraag om de vijftigduizend francs haar op de lippen
brandde. Toen overviel haar weer dat lafhartige gevoel, zij omhelsde
haar vader en ging heen.
Tante Elisabeth wilde haar tot aan de trap vergezellen. Terwijl zij
de kamers doorgingen, praatte zij met haar oude vrouwenstemmetje voort:
--Je bent gelukkig, lief kind. Het doet me genoegen je zoo mooi en
welvarend te zien, want als je huwelijk eens verkeerd was uitgevallen,
dan zou ik mezelve de schuld gegeven hebben, weet je.... Je man houdt
toch van je, je hebt toch immers alles wat je noodig hebt, niet waar?
--Welzeker, antwoordde Renée, die trachtte te glimlachen, ofschoon
haar hart brak.
Haar tante hield haar nog even terug, terwijl zij de hand al op de
leuning had.
--Zie je, ik ben maar voor één ding bang, en dat is dat je geluk je
te zorgeloos maakt. Wees voorzichtig, en verkoop vooral niets.... Als
je eens een kind mocht krijgen, dan zou je er een klein fortuin voor
gereed hebben liggen.
Toen Renée in haar coupé zat, slaakte zij een zucht van verlichting. De
koude zweetdruppels stonden haar op het voorhoofd; zij veegde ze af,
en dacht aan de ijzige vochtigheid van het hôtel Béraud. Maar toen
de coupé langs de zonnige kade St. Paul reed, dacht zij weer aan de
vijftigduizend francs, en al haar verdriet kwam weer terug. Wat was zij
lafhartig geweest, zij die voor stoutmoedig doorging. En toch gold het
hier Maxime, zijn vrijheid, hun beider vreugde! En te midden van de
bittere verwijtingen die zij zich zelf deed, kwam er plotseling een
gedachte in haar op, die haar wanhoop ten top voerde: zij had over
de vijftigduizend francs moeten spreken met haar tante Elisabeth,
op de trap. Waar had zij haar gedachten toch gehad? De goede vrouw
zou haar misschien de som geleend hebben, of haar ten minste geholpen
hebben. Zij boog zich al voorover om haar koetsier te bevelen naar de
rue Saint-Louis en l'Ile terug te keeren, toen de gestalte van haar
vader haar weer voor den geest kwam, zooals hij daar langzaam in het
plechtige halfduister van het groote salon op een neer liep. Zij zou
nooit den moed vinden om die kamer weer binnen te gaan. Wat moest
zij zeggen om dat tweede bezoek te verklaren? En eigenlijk gezegd
had zij nog niet eens moed genoeg om met tante Elisabeth over die
zaak te spreken. Zij beval haar koetsier dan ook haar naar de rue du
Faubourg-Poisonnière te rijden.
Mevrouw Sidonie uitte een kreet van blijde verrassing, toen zij haar
door de winkeldeur zag binnenkomen. Zij was daar toevallig nog, maar
zij stond op het punt naar den kantonrechter te gaan, waar zij een
cliënte dagvaardde. Maar zij zou niet verschijnen, een anderen dag
gaan; ze was veel te blij dat haar schoonzuster zoo lief was haar
eindelijk eens te bezoeken.
Renée glimlachte, een beetje verlegen. Mevrouw Sidonie wilde volstrekt
niet dat zij beneden zou blijven; zij moest mee naar boven, langs de
kleine trap, nadat de koperen kruk van de winkeldeur was afgenomen. Wel
twintigmaal op een dag werd die kruk, die slechts met een spijker
vast zat, van de deur genomen.
--Ziezoo, lieveling, zei zij, terwijl ze Renée een luierstoel
toeschoof, nu kunnen we een gezellig praatje houden.... Verbeeld je,
dat treft ook toevallig dat je komt. Ik zou juist van avond naar jou
toe gekomen zijn.
Renée, die de kamer kende, kreeg er het onaangename gevoel, dat een
wandelaar ondervindt die in een geliefde streek een groep boomen
geveld ziet.
--Zoo, zei zij eindelijk, je hebt het bed een andere plaats gegeven,
niet waar?
--Ja, antwoordde de koopvrouw in kanten bedaard, een van mijn klanten
vindt dat het beter tegenover den schoorsteen staat. Ze heeft me ook
aangeraden roode gordijnen te nemen.
--Dat dacht ik ook al, de gordijnen hadden een andere kleur.... Erg
algemeen, dat rood. Zij nam haar binocle en bekeek de kamer, die de
weelde van een hôtel garni vertoonde. Op den schoorsteen zag zij lange
haarspelden, die zeker niet van den dunnen chignon van mevrouw Sidonie
afkomstig waren. Op de plaats, waar het bed vroeger stond, was het
behang afgeschaafd, verkleurd en vuil geworden door de matrassen. De
makelaarster had wel getracht die plek te verbergen achter de ruggen
van twee leuningstoelen, maar die ruggen waren wat laag, en Renée's
oog bleef rusten op die afgesleten streep.
--Had je me iets te vertellen? vroeg zij eindelijk.
--Ja, dat is een heele geschiedenis, zei Mevrouw Sidonie, de handen
vouwende, met het gezicht van een smulster die gaat opnoemen wat zij
gegeten heeft. Verbeeld je dat mijnheer Saffré op de mooie mevrouw
Saccard verliefd is.... Ja, op jou, lieveling.
Zij maakte zelfs geen beweging van koketterie.
--Och kom, zei zij, en je zei dat hij zoo ingenomen was met mevrouw
Michelin.
--O, dat is heelemaal uit.... Ik kan je er het bewijs van leveren,
als je daarop staat.... je weet dus niet dat de kleine Michelin in den
smaak van baron Gouraud is gevallen? 't Is onbegrijpelijk. Ieder die
den baron kent, staat er verbaasd over.... En weet je dat ze bezig
is het Legioen van eer voor haar man te krijgen?.... Nu, dat is een
flinke. Zij durft,.... zij heeft niemand noodig om haar zaakjes op
te knappen.
Zij zei dat met een spijtige bewondering.
--Maar om op mijnheer Saffré terug te komen. Hij moet je ontmoet
hebben op een tooneelspelers-bal, heelemaal onkenbaar in een domino,
en hij beschuldigt zich zelfs dat hij je een beetje al te vrij te
soupeeren heeft gevraagd.... is dat waar?
De jonge vrouw keek verrast op.
--Volkomen waar, beaamde ze; maar wie heeft hem verteld....?
--Hij beweert dat hij je later herkende, toen je niet meer in het salon
was, en dat hij je aan den arm van Maxime heeft zien weggaan.... Sinds
dien tijd is hij smoorlijk op je verliefd. Hij is bij me geweest om
me te smeeken, of hij je zijn excuses mocht maken.
--Welnu, zeg hem dat ik het hem vergeef, viel Renée haar achteloos
in de rede.
En toen, al haar angst weer voelende opkomen:
--Ach, mijn goede Sidonie, ik ben zoo in verlegenheid. Ik moet
morgenochtend noodzakelijk vijftigduizend francs hebben. Ik was
gekomen om daarover met je spreken. Je kent immers geldschieters,
heb je me gezegd?
De makelaarster, die gekrenkt was door de plotseling afbreking van
haar geschiedenis, liet haar een poosje op het antwoord wachten.
--Ja, zeker, maar ik raad je eerst bij je vrienden rond te
kijken.... Ik zou wel weten wat ik deed, als ik in jouw plaats
was.... Ik zou me doodeenvoudig tot mijnheer de Saffré wenden.
Renée glimlachte pijnlijk.
--Maar, hernam zij, dat zou niet passend zijn, je zegt immers dat
hij zoo verliefd is.
De oude vrouw keek haar strak aan; daarop nam haar gezicht allengs
een glimlachenden trek van teedere meewarigheid aan.
--Arme lieveling, fluisterde zij, je hebt gehuild; ontken het maar
niet, ik zie het aan je oogen. Wees toch flink, neem het leven zooals
het is.... Kom, laat mij dat bewuste zaakje maar in orde brengen.
Renée stond op; ze kneep haar vingers ineen, zoodat haar handschoenen
kraakten. Zij bleef staan, aan een wreeden, inwendigen strijd, ten
prooi. Zij opende den mond, om het aan te nemen wellicht, toen een
zacht gebel in de aangrenzende kamer gehoord werd. Mevrouw Sidonie
verliet haastig de kamer, en door de half geopende deur werd een
dubbele rij piano's zichtbaar. De jonge vrouw hoorde vervolgens den
stap van een man en het gedempte geluid van een op fluisterenden
toon gevoerd gesprek. Werktuigelijk beschouwde zij de geelachtige
streep, die de matrassen tegen den muur gemaakt hadden. Die streep
hinderde haar.
Alles vergetende, Maxime, de vijftigduizend francs, mijnheer de
Saffré, kwam zij peinzend voor het bed terug: dat bed stond veel
beter op zijn vroegere plaats; er waren toch vrouwen, die heelemaal
geen smaak hadden; als men te bed lag, moest men het licht in de oogen
hebben. En heel vaag doemde weer in haar herinnering het beeld van den
onbekende van de kade Saint-Paul op, haar roman in twee rendez-vous,
dat toevallige liefdesgenot, dat zij daar, op die andere plaats,
gesmaakt had. Er was niets meer van over dan die afgesleten plek op
het behangsel. De kamer gaf haar een onbehagelijk gevoel, zij werd
ongeduldig door dat gegons van stemmen, dat niet ophield, in de
kamer daarnaast.
Toen mevrouw Sidonie terugkwam, de deur behoedzaam openende en weer
sluitende, wenkte zij herhaaldelijk met haar vingertoppen, om Renée
te beduiden, dat zij zachtjes moest spreken. Toen fluisterde zij haar
aan het oor:
--Dat is een heel avontuur, mijnheer de Saffré is daar.
--Je hebt hem toch niet gezegd dat ik hier ben, vroeg de jonge vrouw
ongerust.
De makelaarster scheen verbaasd en antwoordde naïef:
--Welzeker. Hij wacht tot dat hij binnen kan komen. Natuurlijk heb
ik hem niet over de vijftigduizend francs gesproken.
Renée had zich doodsbleek opgericht, 't was haar of zij een zweepslag
ontving. Een onuitsprekelijk gevoel van trots kwam eensklaps in
haar boven. Die krakende mannenlaars, die in haar oor hoe langer hoe
onbeschaamder klonk, maakte haar wanhopig.
--Ik ga heen, zei zij kortaf. Doe de deur open.
Mevrouw Sidonie trachtte te glimlachen.
--Stel je nu zoo kinderachtig niet aan. Ik kan niet met dien man
blijven zitten, nu ik hem eenmaal heb gezegd dat jij hier bent. Je
brengt me heusch in ongelegenheid.
Maar de jonge vrouw was de trap reeds af. Zij herhaalde voor de
gesloten winkeldeur:
--Doe open, doe open.
De kantenverkoopster had de gewoonte de koperen kruk in haar zak te
steken. Ze wou nog onderhandelen. Maar eindelijk zelf boos wordende,
en in haar grijze oogen de ongevoelige scherpheid van haar waren aard
toonende, riep zij uit:
--Maar wat moet ik dien man dan zeggen?
--Dat ik niet te koop ben, antwoordde Renée, die met den eenen voet
al op het trottoir stond. En zij meende mevrouw Sidonie, die met een
bons de deur sloot, te hooren mompelen: Loop heen, domme gans! Dat
zal ik je betaald zetten.
--Bij God! dacht ze terwijl ze weer insteeg, dan heb ik nog liever
mijn man.
Zij keerde regelrecht naar haar hôtel terug. Dien avond zei zij
tot Maxime, dat hij niet moest komen; zij was lijdend en had rust
noodig. En den volgenden morgen, toen zij hem de vijftien duizend
francs voor Sylvia's juwelier ter hand stelde, werd zij verlegen
onder zijn verrassing en zijn vragen. Haar man, beweerde zij, had een
voordeelig zaakje gedaan. Maar van dien dag aan, werd zij grilliger,
zij verzette dikwijls de uren van samenkomst met den jongen man en
menigmaal wachtte zij hem in de serre op om hem weg te zenden. Hij
bekommerde zich weinig om die wispelturigheid; het lag in zijn
aard zich gewillig te schikken naar de luimen der vrouwen. Wat hem
meer verveelde, dat waren de zedepreeken waarop haar verliefde buien
dikwijls uitliepen. Zij werd heel treurig; soms stonden haar oogen vol
tranen. Zij liet hem midden in zijn refrein van "le beau jeune homme"
van la Belle-Hélène ophouden, speelde de geestelijke liederen van de
kostschool en vroeg haar minnaar of hij niet geloofde dat het kwaad
vroeg of laat gestraft wordt.
--Ze wordt bepaald oud, dacht hij. Op zijn hoogst kan ze nog een jaar
of twee aardig zijn.
Om de waarheid te zeggen, leed zij vreeselijk. Nu zou ze Maxime liever
met mijnheer de Saffré bedrogen hebben. Bij mevrouw Sidonie was haar
gevoel in opstand gekomen, had zij toegegeven aan een instinctmatige
fierheid, aan een afschuw van dien onkieschen koop. Maar de volgende
dagen, toen zij de kwellingen van haar overspel verduurde, gingen
al die betere gevoelens in haar ten onder, en ze voelde zich zoo
verachtelijk, dat ze zich aan den eersten den besten man, die de
deur van de kamer met de piano's had opengeduwd, zou overgegeven
hebben. Indien tot dusverre de gedachte aan haar man met een
zweem van wellustigen afschuw in dien bloedschendigen omgang bij
haar was opgekomen, nu kwam de man zelf, met een lompheid die haar
heerlijkste gewaarwordingen in onduldbare smarten veranderde. Zij,
die zoo spitsvondig een fijner glimp aan haar misdaad wilde geven,
die zoo gaarne droomde van een goddelijk paradijs, waar de goden hun
liefde met elkander deelen, zij daalde af tot de gemeene ontucht,
tot een liefde door twee mannen gedeeld.
Te vergeefs beproefde zij een genot te vinden in haar eerloosheid. Haar
lippen waren nog warm van Saccard's kussen, als zij ze Maxime
weer bood. Haar nieuwsgierigheid wilde tot op het diepst van dien
verboden wellust doordringen, zij ging zelfs die twee liefkoozingen
dooreenmengen, zij trachtte den zoon in de omhelzingen van den vader
terug te vinden. En nog meer gekwetst en ontsteld kwam zij terug van
die reis naar het onbekende van het kwaad, van die helsche duisternis
waarin zij haar dubbelen minnaar dooreenmengde, met een angst die
haar genot verstikte.
Zij hield dat lijden voor zich, verdubbelde het door haar koortsachtige
verbeelding. Zij was liever gestorven, dan dat zij Maxime de waarheid
bekend had. Eensdeels uit vrees, dat de jonge man haar vol walging
zou verlaten; maar vooral uit een zoo stellige overtuiging van het
monsterachtige van haar zonde en van haar eeuwige verdoemenis, dat
zij liever geheel naakt het park van Monceau had doorgeloopen dan
haar schande fluisterend te belijden.
Met dat al bleef zij het dwaashoofd, dat Parijs door zijn
buitensporigheden in verbazing bracht. Zij werd zenuwachtig vroolijk,
zij had grillige invallen, waarover de kranten schreven, haar bij
haar voorletters aanduidende. In dien tijd was het ook, dat zij in
allen ernst op de pistool wilde duelleeren met hertogin de Sternich,
die moedwillig, zei zij, een glas punch over haar japon had gestort;
haar schoonbroer, de minister, moest zich boos maken om haar van
haar voornemen af te doen zien. Een andermaal, wedde zij met mevrouw
de Lauwerens dat zij de baan van Longchamps binnen tien minuten zou
rondloopen, en zij werd alleen weerhouden door een moeielijkheid met
het kostuum. Zelfs Maxime begon zich ongerust te maken over dat hoofd,
waarin steeds grooter dwaasheden opkwamen, en waarin hij 's nachts,
op het hoofdkussen, al het rumoer van een op vermaken beluste stad
meende te hooren.
Op een avond gingen zij samen naar het Théâtre-Italien. Zij
hadden niet eens de aanplakbiljetten gelezen. Ze wilden een groote
Italiaansche tragédienne, Ristori, gaan zien, die toen een grooten
toeloop had; de mode dwong hen dus notitie van haar te nemen. Men
gaf Phèdre. Hij herinnerde zich de geschiedenis uit zijn klassieke
studiën, zij kende Italiaansch genoeg om het stuk te volgen. Het
drama bracht een bijzondere ontroering bij hen teweeg, in die
vreemde taal, waarvan de welluidende klanken hun soms een eenvoudige
orkestbegeleiding toeschenen, die het gebarenspel der tooneelspelers
moest aanvullen. Hippolyte was een lang, bleek jongmensch, die zeer
middelmatig speelde; hij zei zijn rol op een huilerigen toon.
--Wat een sukkel! mompelde Maxime.
Maar Ristori, met haar breede schouders die schokten van het snikken,
met haar tragisch gelaat en haar gevulde armen, bracht Renée in groote
ontroering. Phèdre was uit het bloed van Pasiphaë en zij vroeg zich
af uit welk bloed zij kon gesproten zijn, zij, de bloedschendster
van den nieuweren tijd. Van het heele stuk zag zij niets anders dan
die groote vrouw, die de misdaad van de oudheid op de planken bracht.
In het eerste bedrijf, als Phèdre aan Oenone haar misdadige liefde
belijdt; in het tweede, als zij zich vol hartstocht aan Hippolyte
verklaart; en later, in het vierde, als de terugkeer van Thésée haar
terneer drukt en zij zich in den hoogsten graad van sombere razernij
vervloekt, vulde zij de zaal met zoo'n kreet van woesten hartstocht,
met zoo'n begeerte naar bovenmenschelijken wellust, dat de jonge
vrouw iedere rilling van haar begeerten en van haar wroeging langs
haar lichaam voelde gaan.
--Wacht, fluisterde Maxime haar in het oor, nu komt het verhaal van
Théramène. Die oude man is goed gegrimeerd!
En hij sprak op hollen toon:
A peine nous sortions des portes de Trézène,
Il était sur son char....
Maar toen de oude sprak, keek en luisterde Renée niet langer. De
lichtkroon verblindde haar, een verstikkende warmte kwam tot haar van
al die bleeke, naar het tooneel gekeerde gezichten. De monoloog ging
voort, zonder einde. Zij was in de serre, onder het heete gebladerte,
en zij droomde dat haar man binnentrad, haar verraste in de armen
van zijn zoon. Zij leed vreeselijk, zij verloor het bewustzijn, toen
het doodsgereutel van Phèdre, berouwvol stervende in de krampachtige
stuiptrekkingen van het vergif, haar de oogen weer deed openen.
Het scherm viel. Zou zij eenmaal den moed hebben zich te
vergiftigen? Hoe nietig en schandelijk was haar drama, vergeleken bij
dien epos der oudheid! En terwijl Maxime haar de sortie onder de kin
knoopte, hoorde zij nog die ruwe stem van Ristori achter zich brommen,
waarop het zacht gemurmel van Oenone antwoordde.
In de coupé voerde de jonge man alleen het woord; hij vond
het treurspel over het algemeen onuitstaanbaar vervelend, hij
hoorde liever een kluchtspel. Maar Phèdre, daar had hij belang in
gesteld, omdat.... En hij drukte Renée de hand, om zijn gedachte te
voltooien. Toen kwam er plotseling een grappig denkbeeld in hem op,
en hij kon de verzoeking niet weerstaan een aardigheid te zeggen:
--Ik had toch gelijk, zei hij, dat ik niet te dicht bij de zee wou
komen, in Trouville.
Renée, in een smartelijk gepeins verzonken, gaf geen antwoord. Hij
moest zijn gezegde herhalen.
--Waarom? vroeg ze verwonderd, niet begrijpende wat hij bedoelde.
--Wel, het monster....
En hij grinnikte. Die aardigheid deed haar van afgrijzen
verstijven. Alles begon in haar hoofd dooreen te warrelen. Ristori was
nu niets meer dan een groote beweegbare pop, die haar peplum omhoog
sloeg en haar tong tegen het publiek uitstak, evenals Blanche Muller,
in het derde bedrijf van la Belle Hélène. Théramène danste den cancan
en Hippolyte at confiturentaartjes en stak zijn vingers in zijn neus.
Wanneer een heviger wroeging Renée deed huiveren, begon haar trots zich
weer te verzetten. Waarin bestond toch eigenlijk haar misdaad en waarom
zou zij gebloosd hebben? Bewoog zij zich niet dagelijks te midden van
nog grooter schandelijkheden? Kwam zij niet bij de ministers, aan het
hof, kortom overal, in nauwe aanraking met ongelukkigen zooals zij,
die millioenen op hun bloote lichaam hadden, en die men knielend
aanbad? En zij dacht aan de schandelijke vriendschap van Adeline
d'Espanet en Suzanne Haffner, waarover soms geglimlacht werd op de
receptiedagen van de keizerin. Zij dacht aan den handel van mevrouw de
Lauwerens, die door de echtgenooten geprezen werd om haar goed gedrag,
haar orde en haar stiptheid in het betalen van haar leveranciers.
Zij noemde bij zichzelve mevrouw Daste, mevrouw Teissière, barones
de Meinhold, die schepsels die haar weelde door haar minnaars lieten
betalen, en die in de groote wereld genoteerd stonden als de koers
der fondsen aan de Beurs.
Mevrouw de Guende was zoo dom en zoo welgevormd, dat zij drie
hoofdofficieren tegelijk tot minnaars had, zoodat zij ze door hun
uniform niet van elkander onderscheiden kon, wat die duivelsche Louise
deed zeggen, dat zij ze dwong om eerst in hun hemd te gaan staan,
anders wist ze niet tot wien van de drie ze sprak. Gravin Vanska kon
terugdenken aan haar zingen op straat, aan de trottoirs waarop men
beweerde haar gezien te hebben, in een katoenen stofje, loerend als
een wolvin.
Al die vrouwen hadden haar schande, haar zegevierend ten toon gespreide
wondeplek. Maar boven allen troonde hertogin de Sternich, leelijk,
oud en afgeleefd, die er op roemen kon een nacht in het keizerlijk
bed te hebben doorgebracht; dat was de officiëele ondeugd, het gaf
haar als het ware een majesteit van de ontucht en een oppergezag over
den troep doorluchtige lichtekooien.
Toen gewende de bloedschendster zich aan haar misdaad, als aan een
staatsiekleed, waarvan de stijfheid haar eerst gehinderd had. Zij
volgde den tijdgeest, zij kleedde en ontkleedde zich naar het voorbeeld
der anderen. Zij begon eindelijk te gelooven dat zij te midden van
een wereld leefde, die boven de gewone begrippen van zedelijkheid
verheven was, waarin de zinnen zich meer verfijnden en ontwikkelden,
waar men zich in zijn naaktheid mocht vertoonen ten genoegen van den
geheelen Olympus.
Het kwaad werd een weelde, een in de haren gestoken bloem, een op
het voorhoofd gehechte diamant. En voor haar geestesoog verrees weer,
als een rechtvaardiging en een verlossing, het beeld van den keizer,
aan den arm van den generaal, die daar voortschreed tusschen de beide
rijen nijgende schouders.
Er was éen man, die haar ongerustheid gaande hield, dat was Baptiste,
de kamerdienaar van haar man. Sedert Saccard zich galant toonde, scheen
die bleeke, statige knecht om haar heen te loopen, met de plechtigheid
van een zwijgend verwijt. Hij keek haar niet aan, zijn koele blikken
gleden over haar heen, met de kuische schaamte van een kerkedienaar,
die zijn blik niet wil bezoedelen met het haar van een zondares. Zij
verbeeldde zich dat hij alles wist, zij zou zijn stilzwijgen gekocht
hebben, als zij gedurfd had.
Toen voelde zij zich niet op haar gemak, zij kreeg een gevoel van
eerbied, als zij Baptiste ontmoette; zij zei bij zichzelf dat alle
braafheid uit haar omgeving geweken was en zich verborgen had onder
de zwarte jas van den lakei.
Eens vroeg zij aan Céleste:
--Maakt Baptiste wel eens grapjes in de dienstbodenkamers? Weet je
ook een avontuurtje van hem, houdt hij er geen meisje op na?
--O, neen, antwoordde het kamermeisje.
--Hij heeft je toch zeker wel eens het hof gemaakt?
--Welneen, hij kijkt de vrouwen nooit aan. We zien hem
ternauwernood.... Hij is altijd bij mijnheer of in de stallen.... Hij
zegt dat hij veel van paarden houdt.
Renée ergerde zich over die braafheid, zij bleef aanhouden, het
zou haar liever geweest zijn als zij haar bedienden had kunnen
verachten. Ofschoon zij Céleste wel genegen was, zou zij met genoegen
vernomen hebben, dat zij er minnaars op nahield.
--Maar jij, Céleste, vind jij Baptiste geen knappen jongen?
--Ik, mevrouw! riep het kamermeisje uit, met een verbaasd gezicht
alsof zij iets bovennatuurlijks had gehoord, ik denk over heel wat
anders. Ik wil niets van een man weten. Ik heb mijn eigen plan,
dat zult u later wel zien. Ik ben zoo dom niet, hoor!
Meer kon Renée niet uit haar krijgen.
Haar zorgen vermeerderden intusschen. Haar rumoerig leven, haar
dolzinnige vermaken, ontmoetten talrijke hinderpalen, die zij moest
overkomen, en waaraan zij zich soms kwetste. Zoo stelde Louise de
Mareuil zich op zekeren dag tusschen haar en Maxime. Zij was niet
jaloersch op "de bochel", zooals zij haar minachtend noemde; zij wist
dat de dokters haar opgegeven hadden en zij kon niet gelooven dat
Maxime ooit zoo'n leelijkerd zou trouwen, al bracht zij een millioen
mee. In haar zedelijken val, had zij een burgerlijke naïefheid behouden
ten opzichte van de menschen die zij liefhad; terwijl zij zichzelve
verachtte, geloofde zij graag dat zij boven haar verheven en zeer
achtenswaardig waren. Maar terwijl zij de mogelijkheid van een huwelijk
verwierp, dat haar een schandelijke ontuchtigheid en een diefstal zou
toegeschenen hebben, leed zij toch onder den vertrouwelijken omgang
van de jongelieden. Wanneer zij tot Maxime over Louise sprak, lachte
hij genoegelijk, hij vertelde haar de grappen van het meisje en zei:
--Ze noemt me haar mannetje, weet je, die ondeugd.
En hij sprak er zoo luchthartig, zoo onbevangen over, dat zij hem
niet aan het verstand durfde brengen, dat die ondeugd zeventien jaar
oud was, en dat hun handenspelletjes, hun zucht om in de salons
de donkerste hoekjes op te zoeken om de gasten te bespotten, haar
verdrietig maakten, haar mooiste avonden bedierven.
Een gebeurtenis gaf den toestand een zonderling karakter. Renée
had dikwijls behoefte aan een opzienbarende uiting van haar
stoutmoedigheid. Zij trok Maxime met zich achter een gordijn of achter
een deur en zoende hem op gevaar af van gezien te worden.
Op een Donderdagavond, toen het gele salon vol gasten was, kwam zij
op het idee Maxime van Louise weg te roepen; zij ging hem tegemoet,
van uit de serre waar zij stond, en zoende hem plotseling op den
mond, tusschen twee heesters in, denkende dat zij niet gezien kon
worden. Maar Louise was Maxime gevolgd. Toen de gelieven opkeken,
zagen zij haar een paar passen verder staan, met een zonderling
lachje naar hen kijken, zonder eenige verlegenheid of verbazing,
met het kalme vriendschappelijke uiterlijk van een deelgenoot in de
ondeugd, wijs genoeg om zoo'n kus te begrijpen en te smaken.
Dien dag was Maxime werkelijk ontsteld, Renée daarentegen toonde zich
onverschillig, zelfs vroolijk. Nu was het uit. De bochel zou haar nu
niet meer haar minnaar ontnemen. Zij dacht:
"Ik had het opzettelijk moeten doen. Zij weet nu dat haar "mannetje"
mij toebehoort." Maxime werd gerustgesteld toen hij Louise even
lachend en grappig terugvond als eerst. Hij vond haar "een flinke,
goede meid." En dat was alles.
Renée had wel reden om zich ongerust te maken. Saccard dacht den
laatsten tijd ernstig over het huwelijk van zijn zoon met mejuffrouw
de Mareuil. Daar zat een millioen aan vast, dat hij niet wilde laten
glippen, vast van plan als hij was dat geld later in handen te zien
te krijgen. Tegen het begin van den winter was Louise drie weken
bedlegerig geweest; hij was zoo bang dat zij zou sterven voordat het
huwelijk tot stand was gekomen, dat hij besloot de kinderen dadelijk
te laten trouwen. Hij vond ze wel wat jong; maar de dokters vreesden
de maand Maart voor de borstlijderes.
Mijnheer de Mareuil bevond zich ook in een netelige positie. Bij
de laatste verkiezing was hij er eindelijk in geslaagd zich tot
afgevaardigde te doen benoemen. Maar het Wetgevend lichaam had zijn
verkiezing, die een schandaal was voor de herziene regeering, nietig
verklaard. Die verkiezing was een heel boertig heldendicht, waarvan
de dagbladen een maand lang leefden.
Mijnheer Hupel de la Noue, de prefect van het departement, had
zoo krachtig geijverd, dat de andere candidaten niet eens met hun
verkiezingsprogramma voor den dag konden komen of hun strooibiljetten
konden verspreiden. Op zijn raad, overdekte mijnheer de Mareuil
het kiesdistrict met tafels, waaraan de boeren een week lang aten
en dronken. Hij beloofde bovendien een spoorweg, den bouw van een
brug en drie kerken, en zond op den vooravond der verkiezing aan de
invloedrijkste kiezers twee groote portretten van den keizer en de
keizerin, achter glas en in een vergulde lijst. Dat geschenk had een
uitbundig succès, hij werd met een verpletterende meerderheid gekozen.
Maar toen de Kamer, door het schaterend gelach van heel Frankrijk, zich
genoodzaakt zag mijnheer de Mareuil naar zijn kiezers terug te zenden,
werd de minister vreeselijk boos op den prefect en den ongelukkigen
candidaat, die het wel wat al te "kras" hadden aangelegd. Hij
zinspeelde er zelfs op, dat hij de officiëele candidatuur op een
anderen naam zou stellen.
Mijnheer de Mareuil kreeg den schrik op het lijf, hij had
driehonderdduizend francs in het departement uitgegeven, hij bezat er
groote eigendommen, waar hij zich verveelde, en die hij met verlies
zou moeten verkoopen. Hij kwam dan ook zijn collega smeeken zijn broer
tevreden te stellen, door hem uit zijn naam een verkiezing te beloven,
waarop niets aan te merken viel.
Bij die gelegenheid bracht Saccard het huwelijk van de kinderen weer
ter sprake, dat nu definitief werd vastgesteld.
Toen Maxime er over gepolst werd, was hij met de zaak verlegen. Louise
vond hij aardig, en de bruidschat lokte hem nog meer. Hij zei
ja, en vond al de datums goed die Saccard opnoemde, om zich
de onaangenaamheden van een discussie te besparen. Maar in zijn
binnenste moest hij zich bekennen, dat de zaken ongelukkig genoeg
niet zoo gemakkelijk zouden geschikt worden. Renée zou het nooit
willen hebben; zij zou huilen, tegen hem uitvaren, zij was in staat
een groot schandaal te verwekken om Parijs in verbazing te brengen. 't
Was heel onaangenaam. Nu joeg zij hem vrees aan. Zij bewaakte hem met
onheilspellende blikken, zij oefende zoo'n despotische macht over hem
uit, dat hij meende haar nagels in zijn schouder te voelen dringen,
als zij haar blank handje daarop lei. Haar woelige drukte ontaardde
in barschen drift, en er klonk een valsche toon, als van een gebroken
snaar, in haar lachen. Hij begon zich werkelijk bevreesd te maken,
dat zij op een goeden nacht in zijn armen gek zou worden. Bij haar
verrieden de wroeging, de vrees voor ontdekking, de wreede genietingen
van het overspel, zich niet zooals bij de andere vrouwen, door
tranen en neerslachtigheid, maar door een grooter buitensporigheid,
door een onwederstaanbaarder behoefte aan luidruchtigheid. En in haar
aangroeiende ontsteltenis, begon men een gereutel te hooren, het van
streek geraken van het raderwerk van deze wonderschoone machine.
Maxime wachtte lijdelijk op een gelegenheid, die hem van deze
hinderlijke maîtresse zou bevrijden. Hij zei weer, dat zij een
dwaasheid begaan hadden. Mocht hun vriendschappelijke verhouding
eerst aan hun liefdesbetrekking een genot te meer hebben gevoegd,
nu verhinderde deze hem met haar te breken, zooals hij zeker met
een andere vrouw gedaan zou hebben. Hij zou weggebleven zijn; dat
was zijn manier om een einde aan zijn liaisons te maken, om allen
last, alle onaangenaamheid te vermijden. Maar hij deinsde terug voor
een schandaal, en hij gaf zich zelfs nog gaarne over aan Renée's
liefkoozingen; zij was zoo moederlijk zorgzaam, ze betaalde voor hem,
zij redde hem uit de verlegenheid, als de een of andere schuldeischer
ongeduldig werd. Dan kwam de gedachte aan Louise, met haar bruidschat
van een millioen, weer in hem op; zoodat hij zelfs onder de kussen
van de jonge vrouw, bij zichzelf zei, dat alles heel goed en mooi was,
maar dat hij er niet verder mee kwam, dat er toch een einde aan diende
te komen.
Op zekeren avond was Maxime zoo gauw geplunderd bij een dame, waar men
dikwijls tot het aanbreken van den dag speelde, dat hij een van die
wanhopige buien kreeg van een speler, wiens zakken ledig zijn. Hij
had alles ter wereld willen geven om nog een paar goudstukken op de
tafel te kunnen werpen. Hij greep zijn hoed en met den werktuigelijken
tred van een man, die door een idée fixe wordt voortgedreven, begaf
hij zich naar het park Monceau, opende het kleine hek en bevond zich
in de serre.
Het was al na twaalven. Renée had hem dien avond verboden te
komen. Wanneer zij hem nu weigerde te ontvangen, gaf zij zelfs geen
reden meer op en hij dacht er alleen aan hoe hij zich dien vrijen
dag ten nutte zou maken.
Hij dacht eerst aan het verbod van de jonge vrouw, toen hij voor de
glazen deur van de serre stond, die gesloten was. Gewoonlijk draaide
Renée, als zij hem verwachtte, de spanjolet van die deur neer.
--Bah, dacht hij, het venster van de kleedkamer verlicht ziende,
ik zal fluiten, dan komt zij naar beneden. Ik zal haar niet lang
ophouden; als ze een paar tientjes heeft, ga ik al dadelijk weg.
En hij floot zachtjes. Hij gaf dikwijls zoo'n signaal om zijn komst
aan te kondigen. Maar dezen keer floot hij verscheidene keeren te
vergeefs. Hij floot wat harder, hij had het nu eenmaal in zijn hoofd
gezet om wat te leen te krijgen. Eindelijk zag hij, dat de glazen
deur heel behoedzaam geopend werd, ofschoon hij niet het minste geluid
van voetstappen gehoord had.
In het schemerlicht van de serre verscheen Renée, met losse vlechten,
half gekleed, alsof zij zich juist te bed wou begeven. Zij had bloote
voeten. Zij duwde hem naar een der priëelen, de trappen afgaande en
over het zand der gangpaden loopende, zonder dat zij, naar het scheen,
de koude of de ruwe hardheid van den grond voelde.
--Hoe dom om zoo hard te fluiten, fluisterde zij met ingehouden
toorn. Ik had je gezegd dat je niet moest komen. Wat wil je van
me hebben?
--Laten we naar boven gaan, zei Maxime verbaasd over die ontvangst. Ik
zal het je boven vertellen. Je zult kou vatten.
Maar toen hij een stap vooruit deed, hield zij hem tegen, en toen
merkte hij op dat zij vreeselijk bleek zag. Een stomme vertwijfeling
boog haar ter neder. Haar onderkleeren, de kanten van haar linnengoed,
hingen slap langs haar sidderend lichaam.
Hij keek haar met stijgende verbazing aan.
--Wat scheelt je toch? Ben je ziek?
En instinctmatig hief hij het hoofd op en keek door de ruiten van
de serre naar het venster van haar toiletkamer, waar hij licht had
zien branden.
--Maar je hebt een man bij je, zei hij eensklaps.
--Neen, neen, 't is niet waar, stotterde zij, smeekend, ontsteld.
--Kom, kom, ik zie zijn schaduw.
Toen bleven zij een oogenblik tegenover elkander staan, niet wetende
wat zij elkander zeggen zouden. Renée klappertandde van angst, zij
had een gevoel alsof men emmers ijskoud water over haar bloote voeten
leeggoot. Maxime was nijdiger dan hij mogelijk geacht had; maar hij
bleef zichzelf genoeg meester om na te denken, om bij zichzelf te
zeggen, dat het een mooie gelegenheid was om met haar te breken.
--Je wilt me toch niet wijsmaken dat Céleste een jas draagt, ging hij
voort. Als de ruiten van de serre niet zoo dik waren, zou ik den man
misschien herkennen.
Zij duwde hem nog dieper onder het dichte gebladerte; en met gevouwen
handen smeekte zij steeds angstiger:
--Ik bid je, Maxime....
Maar de plaagzucht van den jongen man was ontwaakt, een woeste
plaagzucht, die zich zocht te wreken. Hij was te zwak om zijn boosheid
door toorn lucht te geven. Van spijt kneep hij de lippen dicht opeen;
en in plaats van haar te slaan, zooals hij eerst had willen doen,
hernam hij op scherpen, kwetsenden toon:
--Had het me maar gezegd, dan had ik je niet lastig komen
vallen.... Dat komt dagelijks voor, dat men niet meer van elkander
houdt. Ik begon er zelf ook al genoeg van te krijgen. Kom, word maar
niet ongeduldig. Ik zal je naar boven laten gaan, maar niet voordat
je me den naam van dien man genoemd hebt....
--Nooit! fluisterde de jonge vrouw, met een door tranen verstikte stem.
--'t Is niet om hem uit te dagen, alleen om te weten.... Zijn naam,
zeg ik je, en ik ga heen.
Hij had haar bij de polsen gevat en keek haar aan, met zijn
kwaadaardigen lach. En zij verweerde zich, vol ontzetting; zij wilde
den mond niet meer openen, opdat de naam waarnaar hij vroeg, haar
niet zou ontsnappen.
--We zullen leven maken, daar schiet je niet mee op. Waarom ben je
bang? Zijn we geen goede vrienden? Ik wil weten wie mij vervangt,
dat is mijn recht.... Wacht, ik zal je te hulp komen. 't Is zeker
mijnheer de Mussy, die je door zijn verdriet heeft weten te treffen.
Zij antwoordde niet. Zij boog het hoofd onder zoo'n verhoor.
--Mijnheer de Mussy is 't niet?.... Dan de hertog de Rozan? Ook al
niet?.... Misschien de graaf de Chibray? Evenmin?
Hij hield op en dacht na.
--Ik zie niemand.... 't Is mijn vader toch niet, na al wat je me
gezegd hebt....
Renée trilde, alsof zij zich brandde, en dof klonk het terug:
--Neen, je weet wel dat hij niet meer komt. Ik zou het niet willen,
't zou laag zijn.
--Wie dan?
En hij drukte haar polsen nog krachtiger. De arme vrouw bood nog
eenigen tijd weerstand.
--O, Maxime, als je wist!.... Ik kan je toch niet zeggen....
Daarop, overwonnen, vernietigd, en met schrik naar het verlichte
venster ziende;
--'t Is mijnheer de Saffré, fluisterde zij heel zachtjes.
Maxime, die pleizier had in zijn wreed spel, verbleekte voor die
bekentenis, die hij met zooveel aandrang had uitgelokt. Hij werd
verbitterd door de onverwachte smart, die de naam van dien man hem
veroorzaakte. Hij duwde heftig Renée's polsen terug, kwam een stap
nader en siste tusschen zijn opeengeklemde tanden.
--Weet je wat je bent, een....!
Hij noemde het woord. En hij keerde zich om, toen zij snikkend op
hem toeliep, hem in haar armen nam, teedere woordjes fluisterde,
vergiffenis vroeg, hem bezwoer dat zij zielsveel van hem hield,
en dat zij hem den volgenden dag alles zou uitleggen.
Maar hij maakte zich los, sloot driftig de serredeur met de woorden:
--Neen, 't is uit, ik heb er meer dan genoeg van.
Zij bleef als verplet staan. Zij zag hem den tuin doorgaan. Het
scheen haar alsof de boomen van de serre om haar heen draaiden. Toen
sleepte zij langzaam haar bloote voeten over het zand der gangpaden
voort, ze ging de trappen weer op, de huid gemarmerd door de koude,
nog tragischer in de wanorde van haar kanten.
Boven, antwoordde zij op de vragen van haar man, die op haar wachtte,
dat haar op eens de plek te binnen was geschoten waar een notitieboekje
kon gevallen zijn, dat zij den heelen dag gemist had. En toen zij te
bed lag, kwam de gedachte plotseling bij haar op, en vervulde haar
met een groote wanhoop, dat zij aan Maxime had moeten zeggen dat zijn
vader, met haar thuis gekomen, haar op haar kamer gevolgd was om haar
over een geldkwestie te spreken.
Den volgenden dag besloot Saccard de ontknooping van de zaak Charonne
te bespoedigen. Zijn vrouw behoorde hem geheel toe; hij voelde, hoe
lijdzaam zij zich aan zijn handen overgaf. Aan den anderen kant zou de
richting van den boulevard du Prince-Eugène weldra vastgesteld worden;
Renée moest geplunderd worden voordat de aanstaande onteigening bekend
gemaakt werd.
Saccard toonde in die heele zaak de toewijding van een kunstenaar;
hij zag zijn plan met devotie rijpen, hij spande zijne netten met het
fijn overleg van een jager, die er een eer in stelt het wild netjes
te vangen. Het was bij hem eenvoudig de voldoening van een behendig
speler, van een man die een bijzonder genot in een gestolen winst
vindt; hij wou de terreinen voor een appel en een ei hebben, terwijl
hij zijn vrouw, in de vreugde over zijn zegepraal, honderdduizend
francs aan juweelen gaf. De eenvoudigste operaties werden ingewikkeld,
zoodra hij er de hand in had; hij wond zich op, en zou zijn vader
geslagen hebben om een geschil over een rijksdaalder. En daarna deelde
hij het goud met kwistige hand uit.
Maar voordat hij Renée tot den afstand van haar eigendomsrecht
bewoog, was hij zoo voorzichtig Larsonneau te gaan polsen over diens
waarschijnlijke plannen om hem geld af te persen. Zijn instinct
redde hem bij deze gelegenheid. De onteigeningsagent had van zijn
kant gedacht, dat de vrucht rijp genoeg was om ze te plukken. Toen
Saccard het kantoor in de rue de Rivoli binnentrad, vond hij zijn
compagnon erg ontdaan en teekenen van de grootste wanhoop gevende.
--Ach, beste vriend, zei Larsonneau, zijn handen grijpende, wij zijn
verloren. Ik wou juist bij u aanloopen om samen te overleggen, hoe
wij uit die ongelegenheid kunnen geraken....
Terwijl hij zijn handen wrong en een snik voor den dag bracht, merkte
Saccard op, dat hij bezig was brieven te onderteekenen, en dat de
handteekeningen bijzonder vast waren. Hij keek hem kalm aan en zei:
--Bah, wat is er dan gebeurd?
Maar de ander antwoordde niet dadelijk; hij was in zijn armstoel
neergevallen, voor zijn bureau, en zat daar, met de ellebogen op
het vloeiboek en het voorhoofd in de handen, heftig het hoofd te
schudden. Eindelijk zei hij met gesmoorde stem:
--Ze hebben het register gestolen, je weet wel....
En hij vertelde dat een van zijn klerken, een schurk die goed was
voor de galeien, hem een aantal papieren ontfutseld had, waaronder ook
het bewuste register. Het ergste was, dat de dief begrepen had, welk
voordeel hij van dat stuk kon trekken, en dat hij er honderdduizend
francs voor wou hebben.
Saccard overlegde bij zichzelf. Het fabeltje leek hem wat al te
lomp uitgedacht. Klaarblijkelijk gaf Larsonneau er weinig om, of
hij geloofd werd. Hij zocht eenvoudig een voorwendsel om hem te doen
begrijpen dat hij honderdduizend francs in de zaak-Charonne verlangde,
en op die voorwaarde zou hij zelfs de gevaarlijke papieren, die hij
in handen had, teruggeven.
De koop kwam Saccard toch wel wat kostbaar voor. Hij zou zijn
oud-collega met plezier zijn aandeel gegund hebben, maar die valstrik,
die ijdelheid om hem te willen foppen, maakten hem boos. Toch was
hij een beetje ongerust; hij kende den sinjeur en hij achtte hem
best in staat de papieren bij zijn broer den minister te brengen,
die ongetwijfeld betalen zou om alle opspraak te vermijden.
--Verduiveld! mompelde hij, ook plaats nemende, dat is een leelijke
geschiedenis.... En is die schurk ook te spreken?
--Ik zal hem laten halen, zei Larsonneau. Hij woont vlak bij, rue
Jean Lantier.
Er waren nog geen tien minuten verloopen, of een klein, loensch
jongmensch, met vaalblond haar en een gezicht vol sproeten, trad zacht
de kamer binnen. Hij had een vreeselijk kale, zwarte jas aan, die hem
veel te groot was. Hij bleef op eerbiedigen afstand staan, Saccard met
een schuinschen blik aanziende. Larsonneau, die hem Baptistin noemde,
nam hem een verhoor af, waarop hij met ja en neen antwoordde, zonder
in het minst van streek te geraken; met de grootste onverschilligheid
luisterde hij naar de namen "dief, oplichter, schavuit", waarmee zijn
patroon iedere vraag vergezeld liet gaan.
Saccard bewonderde de koelbloedigheid van dien ongelukkige. Op een
gegeven oogenblik sprong de onteigeningsagent van zijn zetel op om
hem een slag te geven; en hij vergenoegde zich met een stap achteruit
te treden, terwijl zijn loensch oog nog onderdaniger keek.
--'t Is goed, laat hem met rust, zei de financier. Dus, mijnheer,
u vraagt honderdduizend francs in ruil voor de papieren?
--Ja, honderdduizend francs, antwoordde de jonge man.
En hij ging heen. Larsonneau scheen niet tot bedaren te kunnen komen.
--Wat een schobbejak, hè! stamelde hij. Heb je zijn valsche blikken
gezien?.... Die snaken zien er zoo verlegen uit en zij zouden iemand
voor twintig francs vermoorden.
Maar Saccard viel hem in de rede met de opmerking:
--Kom, kom, zoo verschrikkelijk is hij niet. Ik geloof dat we wel
tot een schikking kunnen komen.... Ik kwam voor een veel leelijker
geval.... Je hadt gelijk, dat je mijn vrouw niet vertrouwde, mijn
waarde. Verbeeld je, dat ze haar eigendomsrecht aan mijnheer Haffner
verkoopen wil. Ze heeft geld noodig, zegt ze. Ze is er zeker toe
aangespoord door haar vriendin Suzanne.
De ander hield plotseling op met zijn wanhopige manieren; hij luisterde
toe, een beetje bleek, en schikte zijn das recht, die in zijn drift
verschoven was.
--Die afstand, ging Saccard voort, slaat onzen verwachtingen den bodem
in. Als mijnheer Haffner uw medecompagnon wordt, komen niet alleen
onze voordeelen in gevaar, maar ik ben erg bang dat wij ons in een heel
onaangename positie zullen bevinden tegenover dien angstvalligen man,
die de rekeningen zal willen napluizen.
De onteigeningsagent begon driftig heen en weer te loopen, met zijn
krakende verlakte laarzen.
--Zie nu eens, mompelde hij, in welk een toestand men geraakt als men
den menschen een dienst bewijst!.... Maar, mijn waarde, in uw plaats
zou ik mijn vrouw beletten zoo'n dwaasheid uit te halen. Ik zou haar
liever slaan.
--Ach, vriendlief!.... zei de financier met een fijn lachje. Ik heb
al even weinig macht over mijn vrouw als gij over dien schavuit van
een Baptistin schijnt te hebben.
Larsonneau bleef midden in zijn wandeling voor Saccard staan, die maar
steeds glimlachte, en hem veelbeteekenend aankeek. Daarop begon hij
weer op en neer te loopen, maar nu met langzamen, afgemeten tred. Hij
ging voor een spiegel staan, schikte zijn das recht, hervatte zijn
wandeling, met zijn gewone elegantie. En plotseling riep hij:
--Baptistin!
De schele jonge man trad binnen, maar door een andere deur. Hij was
nu zonder hoed, en hij draaide een pen tusschen zijn vingers.
--Ga het register halen, gebood Larsonneau hem.
En toen Baptistin weg was, sprak hij over het geld dat hij hebben
moest.
--Doet het om mijnentwil, zei hij ten slotte ronduit.
Toen stemde Saccard er in toe dertigduizend francs te geven op
de aanstaande winsten van de zaak Charonne. Hij vond dat hij nog
goedkoop uit de gehandschoende handen van den woekeraar kwam. Deze
liet de promesse op zijn naam stellen; hij speelde zijn komediespel
tot het einde toe door en zei dat hij rekening zou houden met de
dertig duizend francs voor den jongen man.
Met een lach van verlichting verbrandde Saccard het register blad
voor blad in het haardvuur. Toen dat afgeloopen was, nam hij met een
krachtigen handdruk afscheid van Larsonneau.
--Ge gaat van avond naar Laure, nietwaar?.... Wacht me daar. Ik zal
alles met mijn vrouw in orde brengen, dan kunnen we onze laatste
regeling treffen.
Laure d'Aurigny, die dikwijls verhuisde, woonde toen heel ruim op
den boulevard Haussmann, tegenover de Chapelle expiatoire. Evenals de
dames van de groote wereld hield zij iedere week haar ontvangdag. Op
die manier kwamen de mannen, die haar anders éen voor éen bezochten,
allen tegelijk bij haar.
Aristide Saccard was Dinsdagsavonds in zijn schik, hij was de erkende
minnaar; hij draaide met een lachje het hoofd om, als de gastvrouw
hem achter zijn rug verried en een afspraakje voor dien avond met
een van de gasten maakte. Wanneer hij tot het laatst gebleven was,
stak hij nog een sigaar op, praatte over zaken, maakte een grapje over
den heer die in de straat stond te blauwbekken, totdat hij wegging;
en daarop met een tikje op Laure's wang en een "lieve kind," ging
hij kalmpjes de eene deur uit, terwijl de heer een andere in ging.
Het geheim verbond dat Saccard's crediet versterkt en Laure d'Aurigny
twee ameublementen in éen maand verschaft had, amuseerde hen nog
kostelijk. Maar Laure wenschte een einde aan de komedie te maken. Die
ontknooping, vooruit vastgesteld, zou bestaan in een openlijke breuk,
ten gerieve van den een of anderen domoor, die het recht om door
geheel Parijs als de officiëele minnaar erkend te worden, duur zou
moeten betalen. De domoor was al gevonden. De hertog de Rozan, die
het moede werd de vrouwen uit zijn stand te vergeefs te vervelen,
kreeg op eens lust den naam van losbol te verwerven, om zoo doende
zijn onbeduidende figuur wat meer te doen uitkomen.
Hij kwam geregeld op de Dinsdagen van Laure, die hij bepaald veroverd
had door zijn onnoozelheid. Ongelukkig hing hij, ofschoon reeds
vijfendertig jaar, nog van zijn moeder af, zoodat hij hoogstens over
een tiental goudstukken tegelijk kon beschikken. Als Laure zich des
avonds verwaardigde de tien louis van hem af te nemen, met een klagende
stem over de honderdduizend francs sprekende die zij noodig zou hebben,
zuchtte hij en beloofde haar die som, zoodra hij zijn eigen meester
zou zijn.
Toen kwam zij op het denkbeeld hem in kennis te brengen met Larsonneau,
een van haar huisvrienden. De twee mannen gingen samen bij Tortoni
dejeuneeren; aan het dessert vertelde Larsonneau zijn liefdesavonturen
met een bekoorlijke Spaansche en wist er terloops bij uit te doen
komen, dat hij geldschieters kende; maar hij raadde Rozan dringend
aan uit hun handen te blijven. Ondanks die waarschuwing, wist Rozan
zijn goeden vriend de belofte af te persen, dat hij zich met zijn
zaakje zou bezig houden. Deze hield er zich zoo goed mee bezig, dat
hij den eigen avond, waarop Saccard hem bij Laure bescheiden had,
het geld zou meebrengen.
Toen Larsonneau kwam, bevonden zich in het groote wit met goud salon
van Laure slechts vijf of zes vrouwen, die zijn handen grepen en hem
met onstuimige teederheid om den hals vielen.
Ze noemden hem die "groote Lar!", een liefkoozende afkorting die
Laure verzonnen had. En hij, met een lief stemmetje:
--Ho, ho, poesjes, je zult mijn hoed plat duwen.
Ze werden kalmer en gingen dicht om hem heen zitten, terwijl hij
ze vertelde, hoe Sylvia zich den vorigen avond, toen hij met haar
gesoupeerd had, een indigestie gegeten had. Toen haalde hij een
bonbondoos uit zijn zak te voorschijn en bood de dames pralines
aan. Maar Laure kwam juist uit haar slaapkamer en voordat een paar
binnentredende heeren haar konden groeten, trok zij Larsonneau met
zich mee naar een boudoir, dat door een dubbele portière van het
salon gescheiden was.
--Heb je het geld? vroeg zij hem, toen zij alleen waren.
Zij was heel vertrouwelijk met hem, bij zulke gelegenheden. Larsonneau
antwoordde niet, maar knikte vroolijk van ja, terwijl hij op den
binnenzak van zijn jas sloeg.
--O, die groote Lar! fluisterde de jonge vrouw opgetogen.
Zij nam hem om het middel en gaf hem een zoen.
--Wacht even, zei zij, ik wil die lapjes dadelijk hebben.... Rozan
is in mijn kamer; ik ga hem halen.
Maar hij hield haar tegen, en op zijn beurt een kus op haar schouders
drukkende:
--Je weet toch welk commissieloon ik bedongen heb?
--Natuurlijk, domoor, dat is immers afgesproken.
Zij kwam terug met Rozan. Larsonneau was onberispelijker gekleed dan
de hertog, zijn handschoenen pasten beter en zijn das was met meer
kunst gestrikt. Zij reikten elkander achteloos de vingertoppen en
spraken over de wedrennen van twee dagen geleden, waarbij het paard
van een hunner vrienden verloren had. Laure stampvoette van ongeduld.
--Kom, daarover een anderen keer, lieveling, zei zij tot Rozan. De
groote Lar heeft het geld, weet je.
Larsonneau hield zich alsof het hem opeens te binnen schoot.
--O ja, dat is waar, zei hij, ik heb het geld.... Maar je hadt
beter gedaan naar me te luisteren, mijn waarde! Verbeeld je, dat die
afzetters me vijftig percent gevraagd hebben!.... Ik heb het natuurlijk
toch aangenomen, je hadt me gezegd dat het er niet op aan kwam....
Laure d'Aurigny had in den loop van den dag gezegeld papier laten
halen. Maar toen er sprake was van pen en inkt, keek zij de twee mannen
ontsteld aan; zulke dingen waren bij haar niet te vinden. Zij wou
naar de keuken gaan, toen Larsonneau uit den zelfden zak, waaruit de
bonbondoos te voorschijn was gekomen, twee prachtige voorwerpen voor
den dag haalde, een zilveren penhouder, dien hij kon uitschroeven,
en een inktkoker, staal met ebbenhout, keurig fijn afgewerkt. En toen
Rozan plaats nam, zei hij:
--Zet de schuldbekentenissen maar op mijn naam. Je begrijpt dat ik
je niet wou compromiteeren. We zullen het samen wel vinden.... Zes
wissels elk van vijf en twintigduizend francs, niet waar?
Laure telde op een hoek van de tafel de "lapjes". Rozan kreeg ze niet
eens te zien.
Toen hij geteekend had en het hoofd ophief, waren zij in Laure's zak
verdwenen. Maar zij kwam naar hem toe en zoende hem op beide wangen,
wat hij heerlijk scheen te vinden. Larsonneau stond heel wijsgierig
naar ze te kijken, terwijl hij de zes schuldbekentenissen opvouwde,
en inktkoker en penhouder in zijn zak stak.
De jonge vrouw hing nog aan Rozan's hals, toen Aristide Saccard een
tip van de portière oplichtte.
--Geneer je niet, zei hij lachend.
De hertog kreeg een kleur. Maar Laure kwam den financier de hand
schudden, terwijl zij een oogknipje met hem wisselde. Zij was in
de wolken.
--'t Is gebeurd, mijn waarde, zei zij, ik had je gewaarschuwd. Je
bent er toch niet boos om?
Saccard haalde met een goedig gezicht de schouders op. Hij schoof
de gordijnen terzijde en plaats makende voor Laure en den hertog,
riep hij met de krijschende stem van een deurwaarder:
--Mijnheer de hertog, mevrouw de hertogin!
Die aardigheid had een uitbundig succès. Den volgenden dag stond zij
in de bladen, die Laure d'Aurigny zonder plichtplegingen bij haar
naam noemden en de twee heeren heel doorzichtig met hun voorletters
aanduidden. De breuk tusschen Aristide Saccard en de dikke Laure
baarde nog meer opzien dan hun gewaande liefdesbetrekking.
Intusschen had Saccard het gordijn weer laten vallen, te midden van
de vroolijkheid, die zijn grap in het salon had teweeg gebracht.
--Wat een moed, hè! zei hij, zich tot Larsonneau wendend. Ze is zoo
slim!.... Jij deugniet, hebt er zeker een aardig voordeeltje bij. Wat
krijg je er voor?
Maar deze verdedigde zich glimlachend, terwijl hij zijn manchetten,
die opgeschoven waren, naar beneden trok. Hij ging dicht bij de deur
naast Saccard zitten.
--'t Is maar gekheid, ik wil je de biecht niet afnemen, wat
drommel! Maar laten we nu eens ernstig praten. Ik heb van avond een
langdurig gesprek met mijn vrouw gehad.... Alles is in orde.
--Zij stemt dus toe om haar aandeel af te staan? vroeg Larsonneau.
--Ja; maar dat heeft moeite gekost.... Vrouwen zijn zoo koppig! Je
weet, de mijne had haar oude tante beloofd niets te verkoopen. Dat
waren bezwaren zonder eind.... Gelukkig had ik mijn praatje klaar,
waardoor alles beslist is.
Hij stond op om een sigaar aan de kaars aan te steken, die Laure op de
tafel had laten staan, en zich daarop weer neervlijend op de causeuse,
vervolgde hij:
--Ik heb mijn vrouw gezegd, dat je heelemaal geruïneerd bent.... Je
hebt op de beurs gespeeld, je geld met meisjes doorgebracht, in
allerlei slechte speculaties gescharreld; kortom je bent op het punt
om failliet te gaan.... Ik heb haar zelfs te verstaan gegeven, dat
ik aan je eerlijkheid twijfelde.... Toen heb ik haar uitgelegd, dat
de zaak-Charonne in jouw ondergang meegesleept werd, en dat het maar
het verstandigst zou zijn het voorstel aan te nemen, dat je me gedaan
hadt om haar vrij te maken, door namelijk haar aandeel te koopen,
al was het maar voor een appel en een ei.
--Dat is niet veel bijzonders, mompelde de onteigeningsagent. En denk
je soms dat je vrouw zulke leugens gelooven zal?
Saccard glimlachte, hij was in een mededeelzame bui.
--Je bent erg onnoozel, vriendlief, hernam hij. 't Doet er weinig toe,
wat je vertelt, maar het hoe, de toon en de gebaren, daar komt het
op aan. Roep Rozan eens en ik wed met je, dat ik hem overtuig dat
het klaarlichte dag is. En mijn vrouw is al niet veel verstandiger
dan Rozan. Ik heb haar afgronden laten zien. Zij heeft zelfs geen
vermoeden van de aanstaande onteigening. Toen zij verwonderd was,
dat je er in jouw rampzaligen toestand nog aan denken kon zwaardere
lasten op je te nemen, heb ik haar gezegd, dat zij je zeker in den weg
zat om je schuldeischers een leelijken streek te spelen.... Enfin,
ik heb haar de zaak aangeraden als het eenige middel om niet in
eindelooze processen gewikkeld te worden, en ten minste nog eenig
geld uit de terreinen te trekken.
Larsonneau bleef de geschiedenis een beetje grof vinden. Hij hield er
een minder dramatische methode op na; al zijn operaties verwikkelden
en ontknoopten zich sierlijk, als een salonstukje.
--Ik zou wat anders verzonnen hebben, zei hij. Enfin, ieder zijn
manier.... Er blijft ons dus niets over dan te betalen.
--Daarover, antwoordde Saccard, wou ik me juist met je verstaan....
Morgen zal ik de akte van afstand aan mijn vrouw brengen, dan heeft
zij die alleen bij je te laten bezorgen om den overeengekomen prijs
te ontvangen. Ik zou liever een onderhoud vermijden.
Hij had inderdaad nooit willen hebben, dat Larsonneau op een
vertrouwelijken voet met hen zou verkeeren. Hij inviteerde hem nooit,
en bracht hem alleen bij Renée als het hoog noodig was dat de twee
compagnons elkaar ontmoetten; dat was drie keeren gebeurd. Bijna
altijd handelde hij als gevolmachtigde van zijn vrouw, daar hij het
onnoodig vond dat hij alles van zijn zaken zou afweten.
Hij opende zijn portefeuille, en zei:
--Hier zijn tweehonderdduizend francs aan wissels, door mijn
vrouw geteekend; die geef je haar in betaling, en dan voeg je er
honderdduizend francs bij, die ik je morgen ochtend zal brengen.... 't
Is een heele aderlating voor me. Dat zaakje kost me verbazend veel.
--Maar, merkte de onteigeningsagent op, dat maakt pas
driehonderdduizend francs.... Is dat het bedrag van de kwitantie?
--Een kwitantie van driehonderdduizend francs! hernam Saccard lachend,
dat kan je begrijpen, daar zouden we later mooi mee uitkomen:
Volgens onze inventarissen, moet het eigendom nu geschat worden op
twee millioen vijfhonderdduizend francs. De kwitantie moet natuurlijk
de helft lager zijn.
--Dan zal je vrouw nooit willen teekenen.
--Wel ja! Ik zeg je dat alles in orde is. Wat drommel! ik heb haar
gezegd dat dit een eerste voorwaarde is. Je zet ons het mes op de keel
met je failliet, begrijp je? En daarbij heb ik net gedaan of ik aan je
eerlijkheid twijfelde en je beschuldigd dat je je schuldeischers wou
beetnemen.... Denk je dat mijn vrouw iets van al die dingen begrijpt?
Larsonneau schudde het hoofd en mompelde:
--Je had toch iets eenvoudigers kunnen verzinnen.
--Maar mijn verhaal is zoo eenvoudig mogelijk! zei Saccard in
de grootste verbazing. Waar zie je toch voor den drommel iets
ingewikkelds in?
Hij had zelf geen begrip van het ongeloofelijke aantal kunstgrepen
die hij bij de gewoonste zaak gebruikte. Hij was werkelijk in zijn
schik met dat sprookje, dat hij Renée op de mouw had gespeld; wat
hem het meest verrukte, dat was de onbeschaamdheid van den leugen,
de opeenstapeling van onmogelijkheden, de verbazende ingewikkeldheid
van de intrige. Hij had de terreinen al lang in zijn bezit gehad,
als hij dat heele drama niet verzonnen had; maar het zou hem minder
genot verschaft hebben, als hij ze gemakkelijk had kunnen krijgen.
Hij stond op, en Larsonneau bij den arm nemende, ging hij met hem
naar het salon.
--Je hebt me begrepen, niet waar? Volg maar getrouw mijn aanwijzingen
en je zult me later toejuichen.... Zeg eens, waarde vriend, je moest
liever geen gele handschoenen dragen, dat bederft je hand.
De onteigeningsagent glimlachte even en antwoordde:
--O, handschoenen zijn zoo kwaad niet; men kan alles aanraken zonder
zich vuil te maken.
Toen zij het salon binnen kwamen, was Saccard verbaasd en ietwat
ongerust, toen hij Maxime aan de andere zijde van het portière
vond. De jonge man zat op een causeuse naast een blonde dame, die
hem met eentonige stem een lange geschiedenis vertelde, de hare zeker.
Hij had inderdaad het gesprek van zijn vader en Larsonneau gehoord. De
medeplichtigen schenen hem een paar onverschrokken knapen toe. Nog
geërgerd over Renée's verraad, smaakte hij een laffe vreugde bij het
hooren van den diefstal, waarvan zij het slachtoffer zou worden. Dat
wreekte hem een beetje. Zijn vader kwam hem met een argwanend gezicht
de hand drukken; maar Maxime fluisterde hem in het oor, terwijl hij
op de blonde dame wees:
--Ze ziet er niet kwaad uit, hè? Ik wil van avond eens "werk van
haar maken."
Toen deed Saccard zich heel galant voor. Laure d'Aurigny kwam even
bij hen; zij beklaagde zich dat Maxime haar ternauwernood eenmaal
per maand bezocht. Maar hij gaf voor dat hij het heel druk had gehad,
wat iedereen deed lachen. Hij voegde er bij, dat hij voortaan altijd
zou komen.
--Ik heb een treurspel geschreven, zei hij, en ik heb eerst gisteren
de vijfde akte gevonden. Ik ben van plan bij alle mooie vrouwen van
Parijs te komen uitrusten.
Hij lachte; hij had schik in zijn toespelingen, die hij alleen
begrijpen kon.
Intusschen bleef er niemand in het salon over dan Rozan en
Larsonneau. De Saccards stonden op, evenals de blonde dame, die in
het huis woonde. Toen ging Laure naar den hertog en sprak zachtjes
met hem. Hij scheen verbaasd en teleurgesteld. Toen zij zag dat hij
geen aanstalten maakte om op te staan, zei zij halfluid:
--Neen, heusch, vanavond niet. Ik heb zoo'n hoofdpijn! Morgen, dat
beloof ik je.
Rozan moest gehoorzamen. Laure wachtte totdat hij op het portaal was,
om Larsonneau snel in het oor te fluisteren:
--Ik houd mijn woord, hè, groote Lar.... stop hem in zijn rijtuig.
Toen de blonde dame afscheid van de heeren nam, om naar haar kamer
op de bovenste verdieping te gaan, was Saccard verwonderd dat Maxime
haar niet volgde.
--Nu? vroeg hij.
--Och neen, antwoordde de jonge man. Ik heb me bedacht.
Toen kwam hij op een idee, dat hij heel grappig vond:
--Ik sta je mijn plaats af, als je wilt. Haast je, ze heeft haar deur
nog niet gesloten.
Maar de vader haalde zachtjes de schouders op en zei:
--Dank je, ik heb op 't oogenblik wat beters, mijn jongen.
De vier mannen gingen naar beneden. Op straat gekomen, wilde de hertog
bepaald dat Larsonneau met hem in het rijtuig mee zou gaan; zijn moeder
woonde in het Marais; dan zou hij den onteigeningsagent aan zijn huis
in de rue de Rivoli afzetten. Deze weigerde, sloot zelf het portier
en riep den koetsier toe dat hij kon wegrijden. En hij bleef op het
trottoir van den boulevard Haussmann met de twee anderen staan praten.
--Ach, die arme Rozan! zei Saccard, die op eens alles begreep.
Larsonneau bezwoer van neen, dat hij niets gaf om die dingen, dat
hij een praktisch man was. En daar de twee anderen bleven schertsen
en het een vinnige koude was, riep hij eindelijk uit:
--Nu, mij wel, ik bel aan!.... Je bent erg indiscrete lui.
--Goeden nacht! riep Maxime hem achterna, toen de deur weer dicht ging.
En zijn vader een arm gevende, liep hij met hem den boulevard op. Het
was een van die heldere, vriezende nachten, wanneer het zoo aangenaam
is op den harden grond, in de koude lucht te loopen. Saccard zei
dat Larsonneau verkeerd deed, dat hij enkel een kameraad voor Laure
moest zijn. Dat was zijn uitgangspunt om tot de verklaring te komen
dat de liefde voor zulke meisjes werkelijk slecht was. Hij hing
den zedenmeester uit, hij vond verwonderlijk wijze uitspraken en
raadgevingen.
--Zie je, zei hij tot zijn zoon, dat is goed voor een tijd, mijn
jongen. Men boet er zijn gezondheid bij in en het ware geluk smaakt
men toch niet. Je weet dat ik niet zulke ouderwetsche ideeën heb. Maar
ik heb er toch genoeg van; ik ga kalmer leven.
Maxime grinnikte; hij hield zijn vader staande, beschouwde hem in
het maanlicht en verklaarde dat hij er nog goed uitzag.
Maar Saccard werd nog ernstiger.
--Spot zooveel je wilt. Maar ik zeg je nog eens, dat er niets boven
het huwelijk gaat om een man te conserveeren en gelukkig te maken.
Toen sprak hij hem over Louise. En hij liep langzamer, om de zaak af te
handelen, zei hij, nu zij er toch over praatten. De zaak was al geheel
in orde. Hij vertelde hem zelfs dat hij met mijnheer de Mareuil den
datum van de onderteekening van het contract had vastgesteld op den
Zondag, die volgde op den Donderdag van halfvasten. Dien Donderdag
zou er een groote soirée in het hôtel van het park Monceau zijn,
en bij die gelegenheid zou het huwelijk openlijk bekend gemaakt worden.
Maxime vond dit alles heel goed. Hij was van Renée bevrijd, hij
zag geen enkelen hinderpaal meer, hij gaf zich over aan zijn vader,
zooals hij zich aan zijn stiefmoeder had overgegeven.
--Nu goed, dat is afgesproken, zei hij. Maar spreek er niet tegen Renée
over. Haar vriendinnen zouden me voor den gek houden, me plagen, en ik
heb liever dat ze de zaak pas tegelijk met de anderen te weten komen.
Saccard beloofde hem te zwijgen. Toen zij vervolgens op de hoogte
van den boulevard Malesherbes kwamen, gaf hij hem nogmaals een schat
van goede raadgevingen. Hij leerde hem hoe hij het moest aanleggen
om zijn huis tot een paradijs te maken.
--En vóor alles, breek nooit met je vrouw. Dat is een
domheid. Een vrouw met wie je niet meer omgaat, kost je ontzettend
veel.... Eerstens, moet je het een of andere meisje betalen,
nietwaar? Dan zijn de uitgaven in huis veel grooter: daar heb je het
toilet, de bijzondere genoegens van mevrouw, de goede vriendinnen,
den duivel en zijn trawanten.
Hij was in een bijzonder deugdzame bui. Het succès van de zaak Charonne
stemde hem idyllisch teeder.
--Ik, ging hij voort, was geboren om gelukkig en vergeten in het een of
ander dorpje te leven, te midden van mijn gezin.... Men kent me niet,
jongenlief.... Ik lijk zoo ongedurig, zoo rusteloos, hè? Niets daarvan,
ik zou dolgraag bij mijn vrouw blijven, ik zou graag mijn zaken in
den steek laten voor een bescheiden inkomen, waarvan ik in Plassans
zou kunnen leven.... Je wordt nu rijk, richt je nu met Louise een
gezellige woning in, waar je als twee tortelduifjes kunt leven. Dat
is zoo'n genot! Ik kom jelui eens opzoeken. Dat zal me goed doen.
De tranen verstikten op het eind zijn stem. Intusschen waren zij
voor het hek van het hôtel gekomen, en zij bleven nog staan praten,
op het trottoir.
Op die hoogten van Parijs woei er een stevig windje. Geen enkel
geluid verstoorde de stilte van den helderen winternacht. Maxime,
verbaasd over de gemoedelijke bui van zijn vader, had al een poosje
een vraag op de lippen.
--Maar u, zei hij eindelijk, mij dunkt....
--Wat!
--Met uw vrouw!
Saccard haalde de schouders op.
--Juist. Ik was een dwaas. Daarom kan ik uit ondervinding
spreken.... Maar we zijn weer bij elkaar. Al een kleine zes weken. Ik
ga 's avonds weer naar haar toe, als ik niet te laat thuis kom. Maar
vandaag moet mijn arme schatje het maar buiten me stellen; ik moet
den heelen nacht doorwerken. Ze is toch zoo mooi gevormd!....
En hij hield Maxime, die hem de hand toestak, terug en ging zachter,
op vertrouwelijken toon voort:
--Je weet, de taille van Blanche Muller, nu, zoo iets, maar tienmaal
leniger. En die heupen! die zijn zoo fijn, zoo mooi van lijnen....
En tot afscheid zei hij tot den jongen man die heenging:
--Jij bent net als ik, je bent goedhartig, je vrouw zal gelukkig
zijn.... Tot ziens, mijn jongen.
Toen Maxime zich eindelijk van zijn vader bevrijd zag, liep hij met
rassche schreden het park om. Wat hij daar vernomen had, verbaasde
hem zoozeer, dat hij een onweerstaanbare behoefte gevoelde om Renée
te zien. Hij wou haar vergiffenis vragen voor zijn ruw gedrag, van
haar weten waarom zij gelogen had door hem mijnheer Saffré te noemen,
en hooren hoe haar man zoo verliefd op haar was geraakt. Maar dat
alles heel vaag; het eenige stellige was de wensch een sigaar bij
haar te komen rooken en hun vriendschappelijke verhouding weer te
hernieuwen. Als zij goed gemutst was, wou hij haar zelfs zijn aanstaand
huwelijk aankondigen, om haar te doen inzien dat hun liefde voor altijd
dood en begraven was. Toen hij het poortje geopend had, waarvan hij
gelukkig den sleutel bewaard had, maakte hij bij zichzelf de opmerking,
dat zijn bezoek, na alles wat zijn vader hem in vertrouwen verteld had,
noodzakelijk en volstrekt niet onbehoorlijk was.
In de serre floot hij, evenals den vorigen avond, maar hij wachtte
niet.
Renée kwam de glazen deur van het kleine salon open doen, en ging hem
zwijgend voor, naar boven. Ze was juist thuis gekomen van een bal
op het Stadhuis. Ze had haar balkostuum nog aan: een witte tullen
japon met groote plooien en vol satijnen strikken; de basques van
het satijnen lijf waren gegarneerd met een kantwerk van witte gitten,
die in het licht der kandelabers blauw en rose geaderd schenen.
Toen Maxime haar boven aanzag, werd hij getroffen door haar bleekheid,
door de diepe ontroering die haar het spreken belette. Zij verwachtte
hem niet, zij beefde over al haar leden, toen zij hem daar, zooals
gewoonlijk, zag komen, kalm, met zijn aanhalige manieren. Céleste kwam
uit de kleedkamer terug, waar zij een nachthemd was gaan halen, en de
gelieven bleven het stilzwijgen bewaren, totdat het meisje weg zou
gaan. Het was anders hun gewoonte niet zich voor haar in te houden;
maar zij voelden nu een zekeren schroom, om te uiten wat hun op de
lippen lag.
Renée wilde dat Céleste haar in de slaapkamer zou ontkleeden, omdat
daar een flink vuur brandde. Het kamermeisje maakte de spelden los,
en deed haar kleeren een voor een uit, zonder zich te haasten. En
Maxime, dien dit verdroot, nam werktuigelijk het hemd, dat naast
hem op een stoel lag, en warmde het voor het vuur, voorover gebogen,
de armen wijd uitgestrekt. Hij was gewoon, in hun gelukkige dagen,
Renée dien kleinen dienst te bewijzen. Zij werd verteederd, toen zij
hem het hemd voorzichtig voor het vuur zag houden. En toen Céleste
er geen eind aan scheen te maken, vroeg hij:
--Heb je veel plezier op het bal gehad?
--O neen, je weet, 't is altijd hetzelfde, antwoordde zij. Veel te
veel menschen, een echte warboel.
Hij keerde het hemd om, dat aan de eene zij warm was.
--Wat voor kostuum had Adeline?
--Een mauve japon, tamelijk leelijk idee.... Ze is klein, en ze is
verzot op strooken.
Ze spraken over de andere vrouwen. Nu brandde Maxime zijn vingers
aan het hemd.
--Pas op, het zal schroeien, zei Renée met een moederlijke streeling
in haar stem.
Céleste nam het hemd van den jongen man over. Hij stond op, ging
het groote grijs-rose bed bekijken, bleef verdiept in de beschouwing
van een der bouquetten op het behangsel, om het hoofd af te kunnen
wenden, om Renée's ontbloote borsten niet te zien. Dat deed hij
instinctmatig. Hij geloofde zich haar minnaar niet meer, hij had het
recht niet meer iets te zien. Toen haalde hij een sigaar voor den
dag en stak ze aan.
Renée had hem toegestaan bij haar te rooken. Eindelijk ging Céleste
heen; zij liet de jonge vrouw bij het haardvuur achter, geheel wit
in haar nachtgewaad.
Maxime liep nog een poosje zwijgend heen en weer met een schuinschen
blik naar Renée, die weer scheen te beven. En voor den schoorsteen
staan blijvende, met zijn sigaar in den mond, vroeg hij op driftigen
toon:
--Waarom heb je me niet gezegd dat het mijn vader was, die je gisteren
avond bij je had?
Zij hief het hoofd op, de oogen wijd opengesperd, met een blik van
naamlooze ontzetting; toen steeg er een purperen gloed naar haar
wangen, en door schaamte als vernietigd, verborg zij het gelaat in
haar handen en stamelde:
--Weet je dat! Weet je dat?....
Zij herstelde zich, trachtte te liegen.
--'t Is niet waar.... wie heeft het je verteld?
Maxime haalde de schouders op.
--Wel, vader zelf, hij vond je zoo mooi gevormd en hij prees je heupen.
Er klonk eenige spijt uit zijn woorden. Maar hij begon weer op en
neer te loopen, terwijl hij tusschen twee trekjes aan zijn sigaar op
een vriendelijk beknorrenden toon zei:
--Ik begrijp je waarachtig niet. Je bent een zonderlinge vrouw. 't Is
je eigen schuld als ik gisteren wat ruw ben geweest. Had je me gezegd
dat mijn vader bij je was, dan was ik bedaard heengegaan, vat je? Ik
heb geen recht--Maar nu ga je ons mijnheer de Saffré opnoemen!
Zij snikte, met de handen voor het gelaat. Hij kwam naderbij, knielde
voor haar neer, trok haar handen met geweld weg.
--Komaan, zeg me nu eens waarom je mijnheer de Saffré hebt genoemd!
En zij antwoordde zachtjes, tusschen haar tranen in, met afgewend
gelaat:
--Ik dacht dat je me verlaten zou, als je wist dat je vader....
Hij stond op, nam zijn sigaar weer van den schoorsteen en mompelde
niets dan:
--Jij bent ook een rare!....
Zij huilde niet meer. De vlammen van den schoorsteen en de gloed van
haar wangen droogden haar tranen. De verwondering Maxime zoo kalm te
zien tegenover een bekentenis die zij meende dat hem ontzetten moest,
deed haar haar schaamte vergeten. Zij zag hem loopen, zij hoorde hem
spreken, als in een droom. Hij herhaalde haar, zonder zijn sigaar uit
den mond te nemen, dat zij onverstandig was, dat het heel natuurlijk
was dat zij gemeenschap met haar man had, dat hij er niet aan dacht
om zich daarover boos te maken. Maar voor een minnaar uitkomen dien
men niet heeft! En daarop kwam hij telkens terug, als iets dat hij
niet begrijpen kon, dat hem werkelijk onnatuurlijk voorkwam. Hij
sprak van die "dwaze inbeeldingen" van vrouwen.
--Je bent niet goed bij 't hoofd, lieve kind, je mag wel oppassen.
Eindelijk vroeg hij nieuwsgierig:
--Maar waarom juist mijnheer de Saffré en geen ander?
--Hij maakt me het hof, zei Renée.
Maxime hield een onbeschoft antwoord terug; hij wou zeggen dat zij
zeker gedacht had dat zij een maand ouder was, toen zij mijnheer de
Saffré als haar minnaar noemde. Alleen een onaangename lach verried
zijn boos opzet, en zijn sigaar in het vuur werpende, kwam hij
aan den anderen kant van den schoorsteen zitten. Daar begon hij te
redeneeren, hij gaf Renée als zijn meening te kennen, dat zij goede
vrienden moesten blijven. Renée's strakke gezicht maakte hem toch een
beetje ongerust; hij durfde haar zijn huwelijk niet aankondigen. Zij
beschouwde hem aandachtig, de oogen nog gezwollen van het schreien.
Zij vond hem nietig, bekrompen, verachtelijk, en toch hield zij van
hem, met dezelfde liefde die zij voor haar kanten had. Hij zag er
knap uit onder het licht van den kandelaar, die naast hem op den rand
van den schoorsteen stond. Terwijl hij het hoofd achterover hield,
wierp het kaarslicht een gouden glans over zijn haren, gleed langs
zijn gelaat, over het lichte dons van zijn wangen, met een bekoorlijke
blondheid.
--'t Wordt tijd dat ik heenga, zei hij meer dan eens.
Hij was stellig van plan niet te blijven. Renée zou het trouwens niet
gewild hebben.
Alle twee dachten en zeiden het: zij waren nog slechts twee
vrienden. En toen hij eindelijk de jonge vrouw de hand gedrukt had en
op het punt stond de kamer te verlaten, hield zij hem nog een oogenblik
terug en sprak hem over zijn vader. Zij hield een heele lofrede op hem.
--Ik had te veel berouw, zie je. Ik ben blij dat het zoo gegaan
is.... Je kent je vader niet; ik stond verbaasd over zijn goedheid,
zijn belangeloosheid. De arme man zit op het oogenblik zoo in zorgen.
Maxime keek zwijgend naar de punten van zijn laarzen. Zij praatte
voort.
--Zoolang hij niet in deze kamer kwam, was het mij om het even. Maar
later.... Toen ik hem hier zag komen, zoo hartelijk, om me wat geld
te brengen dat hij met de grootste moeite overal vandaan had moeten
halen, zich zonder klagen voor mij ruïneerde, toen werd ik er ziek
van.... Als je wist hoe zorgvuldig hij mijn belangen behartigd heeft!
De jonge man kwam langzaam naar den schoorsteen terug en leunde er
met den rug tegen. Hij scheen te weifelen; zijn mond nam langzamerhand
een lachende uitdrukking aan.
--Ja, mompelde hij, mijn vader is heel knap in het behartigen van
iemands belangen.
De toon van dat gezegde verwonderde Renée. Zij keek hem aan, en hij,
als om zich te verdedigen:
--O, ik weet niets.... Ik zeg alleen dat mijn vader een knappe man is.
--Je zou er verkeerd aan doen als je kwaad van hem sprak, hernam
zij. Je beoordeelt hem naar den schijn.... Als ik je al zijn
beslommeringen noemde, als ik je zei wat hij mij vanavond nog in
vertrouwen vertelde, dan zou je eens zien hoe men zich in hem vergist,
als men denkt dat hij aan geld gehecht was.
Maxime kon een schouderophalen niet bedwingen. Hij viel zijn
stiefmoeder in de rede, met een ironisch lachje.
--Nu, ik ken hem, ik ken hem al te goed.... Hij heeft je zeker wat
moois verteld. Laat eens hooren.
Die schertsende toon kwetste haar. Toen werd zij nog uitbundiger in
haar lof, zij vond haar man nu heelemaal groot, zij sprak over de
zaak Charonne, over die knoeierij waarvan zij niets begrepen had,
als over een ramp waarin Saccard's schranderheid en goedheid haar
voor het eerst duidelijk werden. Zij voegde er bij dat zij de akte van
afstand den volgenden dag zou teekenen, en dat zij, als dat werkelijk
een ramp was, dien ramp aanvaardde als een straf voor haar misslagen.
Maxime liet haar, met een spotlach en een schuinschen blik, ten einde
toe uitpraten, toen zei hij halfluid:
--Ja, ja, zoo is het....
En luider, met de hand op Renée's schouder:
--Lieve kind, ik dank je, maar ik wist er alles van.... Je bent een
goede ziel.
Hij maakte weer een beweging om heen te gaan. Hij brandde van
begeerte om alles te vertellen. Ze had hem wanhopig gemaakt met haar
loftuitingen op haar man, en hij vergat zijn voornemen om niet te
spreken, om alle onaangenaamheden te voorkomen.
--Wat bedoel je toch? vroeg zij.
--Wel, wat drommel, dat mijn vader je aardig beetneemt.... Ik heb
met je te doen, heusch; je bent toch nog erg onnoozel!
En hij vertelde haar wat hij bij Laura gehoord had, laf en
geniepig als hij was, met een geheime vreugde over al die laagheden
uitweidende. Hij had een gevoel alsof hij zich wreekte over een
beleediging, hem aangedaan. Zijn meisjesaard deed hem met genot bij
die aanklacht verwijlen, bij dat wreede gebabbel, achter een deur
afgeluisterd. Hij bespaarde Renée niets, noch het geld dat haar man
haar met woekerwinst geleend had, noch dat wat hij van haar dacht te
stelen, met belachelijke verzinsels, bakersprookjes.
De jonge vrouw hoorde hem aan, doodsbleek, met opeengeklemde
lippen. Voor den schoorsteen staande, liet zij het hoofd een weinig
zinken, staarde zij in het vuur. Haar nachtgewaad, dat hemd dat Maxime
gewarmd had, ging open en liet haar blanke vormen zien, onbewegelijk
als een standbeeld.
--Ik zeg je dat alles, besloot de jonge man, om je niet zoo dwaas
te laten schijnen.... Maar je moet er mijn vader geen verwijt
van maken. Hij is zoo kwaad niet. Hij heeft zijn gebreken, als
iedereen.... Tot morgen, niet waar?
Hij ging naar de deur. Renée hield hem met een heftig gebaar terug.
--Blijf! riep zij gebiedend.
En hem naar zich toe trekkend, hem bijna op haar schoot nemend,
voor het vuur, kuste ze hem op de lippen, en zei:
--Neen maar, het zou al te dwaas zijn ons nu nog te geneeren.... Weet
je dan niet, dat ik sinds gisteren, sinds het oogenblik dat je hebt
willen breken, bijna zinneloos ben. Ik ben heelemaal van streek. Van
avond, op het bal, had ik een nevel voor mijn oogen. Dat komt
omdat ik niet meer buiten je kan. Als jij weggaat, is het met mij
gedaan.... Lach niet, ik zeg wat ik voel.
Zij keek hem met oneindige teederheid aan, alsof zij hem in lang niet
gezien had.
--Ja, je hebt het bij het rechte eind, ik was onnoozel, je vader zou
me alles wijs gemaakt hebben. Wat wist ik van al die dingen. Terwijl
hij me zijn geschiedenis stond te vertellen, hoorde ik niets dan
een hevig gegons, en ik was zoo verslagen, dat hij me had kunnen
laten neerknielen, als hij gewild had, om me zijn papieren te laten
teekenen. En ik verbeeldde me dat ik berouw had!.... Heusch, zoo dom
was ik nog!....
Zij barstte in een schaterlach uit, haar oogen glinsterden als die
van een krankzinnige. Zij ging voort, terwijl zij haar minnaar dichter
tegen zich aandrukte:
--Doen wij dan kwaad! Wij hebben elkaar lief, wij amuseeren ons op onze
manier. Dat doet iedereen, niet waar?.... Zie je vader, die geneert
zich ook niet. Hij houdt van geld en hij neemt het waar hij het krijgen
kan. Hij heeft gelijk, dat maakt het mij gemakkelijk. In de eerste
plaats, teeken ik niets, en verder kom jij iederen avond terug. Ik
was bang dat je niet meer zou willen, je weet wel, om hetgeen ik je
gezegd heb.... Maar nu je dat toch niet schelen kan.... Ik sluit mijn
deur trouwens toch voor hem, dat begrijp je nu wel.
Zij stond op en stak het nachtlichtje aan. Maxime weifelde, hij
was wanhopig. Hij zag wat een dwaasheid hij begaan had, hij verweet
zichzelf dat hij te veel gepraat had. Hoe kon hij nu zijn huwelijk
bekend maken! Het was zijn eigen schuld, zij waren van elkander af, hij
had niet noodig gehad naar boven te gaan, en vooral niet de bewijzen
te komen leveren dat haar man haar plukte. Hij wist zelf niet meer
aan welken aandrang hij had toegegeven, en dat maakte hem nog boozer
op zichzelf. Maar, al mocht hij een oogenblik het plan gehad hebben
om heen te gaan, het zien van Renée die haar pantoffels uitdeed,
maakte hem daartoe te laf. Hij werd bang. Hij bleef.
Den volgenden dag kwam Saccard bij zijn vrouw om haar de akte te laten
teekenen, maar zij antwoordde bedaard dat daar niets van kwam, dat
zij zich bedacht had. Overigens zinspeelde zij nergens op; zij had
zich stellig voorgenomen te zwijgen, om zich geen onaangenaamheden
op den hals te halen, en haar op nieuw opluikende liefde in vrede te
genieten. De zaak Charonne mocht loopen zoo zij wilde, haar weigering
om te teekenen was maar een wraakneming; het overige kon haar niets
schelen.
Saccard was bijna driftig geworden. Zijn heele droom vervloog. Zijn
andere zaken gingen hoe langer hoe slechter. Hij had al zijn middelen
uitgeput, als door een wonder hield hij het hoofd nog boven; dien
eigen morgen had hij niet eens de rekening van zijn bakker kunnen
betalen. Dat verhinderde hem echter niet tegen den Donderdag van
halfvasten een schitterend feest voor te bereiden.
Tegenover Renée's weigering voelde hij den woesten toorn van een
krachtig man, die door de gril van een kind in zijn werk gestuit
wordt. Met het bewijs van afstand in zijn zak, kon hij wel geld los
krijgen, in afwachting van de schadeloosstelling. Toen hij vervolgens
een beetje tot bedaren kwam en helder na kon denken, verwonderde
hem die plotselinge ommekeer van zijn vrouw, zij was ongetwijfeld
opgestookt. Hij kreeg er de lucht van, dat er een minnaar in het
spel was. Dat voorgevoel was zoo sterk, dat hij naar zijn zuster liep
om haar te ondervragen, van haar te hooren of zij niets van Renée's
verborgen leven wist.
Sidonie toonde zich zeer bitter. Zij vergaf haar schoonzuster de
beleediging niet, die zij haar had aangedaan door haar weigering om
mijnheer de Saffré te ontmoeten. Toen zij dan ook uit de vragen van
haar broer begreep, dat deze zijn vrouw beschuldigde er een minnaar
op na te houden, riep zij uit dat ze er zeker van was. En zij bood
zich uit eigen beweging aan om de "duifjes" te bespieden. Dat snibbige
nufje zou eens zien met wie zij te doen had.
Het was Saccard's gewoonte niet onaangename waarheden uit te lokken,
zijn belang alleen dwong hem de oogen, die hij wijselijk gesloten
hield, te openen. Hij nam het aanbod van zijn zuster aan.
--Wees daar maar gerust op, ik kom alles te weten, zei zij op
meewarigen toon. Ach, arme broer, Angèle zou je nooit verraden
hebben. Zoo'n goede, edelmoedige man! Die Parijsche poppen hebben
geen hart.... En ik heb haar nog voortdurend goeden raad gegeven!