De duidelijke, brandende begeerte die in Renée's hart was opgekomen,
in de bedwelmende geuren van de serre, terwijl Maxime en Louise
lachten op een causeuse van het kleine gele salon, scheen uit haar
geheugen gewischt als een benauwde droom, die niets meer dan een
lichte huivering achterlaat.
Den ganschen nacht had de jonge vrouw den bitteren smaak van de
tanghinia op haar lippen geproefd; terwijl zij het branden van dat
vergiftige blad voelde, leek het haar toe alsof een vurige mond zich
op den haren plaatste, haar een verterende liefde inblies. Daarop liet
die mond haar los, en haar droom loste zich op in donkere golven die
over haar heen rolden.
Tegen den morgen viel zij in slaap. Toen zij ontwaakte, dacht zij
dat zij ziek was. Zij liet de gordijnen dichtschuiven, klaagde
tegen haar dokter over onpasselijkheid en hoofdpijnen, weigerde
twee dagen lang uit te gaan. En daar zij de bezoeken te druk vond,
sloot zij haar deur. Maxime kwam tevergeefs aankloppen. Hij sliep
niet in huis, om vrijer over zijn kamers te kunnen beschikken; hij
leidde overigens het afwisselendste leven ter wereld; hij logeerde
in de nieuwe huizen van zijn vader, koos de verdieping die hem het
best aanstond, verhuisde iedere maand, dikwijls uit grilligheid,
een enkele maal om plaats te maken voor de werkelijke huurders. In
gezelschap van de een of andere maîtresse betrok hij de nieuwgebouwde
huizen, om er gemakkelijker huurders voor te krijgen.
Aan de luimen van zijn stiefmoeder gewoon geraakt, veinsde hij erg
met haar begaan te zijn, en kwam viermaal per dag naar boven om naar
haar toestand te vernemen, met een wanhopig gezicht, alleen om haar
te plagen. Den derden dag vond hij haar in het kleine salon, blozend
en lachend, kalm en rustig.
--Wel, heb je je goed geamuseerd met Céleste? vroeg hij haar, met
een zinspeling op haar langdurig samenzijn met haar kamenier.
--Ja, antwoordde zij, het is een onbetaalbaar meisje. Zij heeft altijd
ijskoude handen, zij lei ze op mijn voorhoofd en dat bracht mijn pijn
wat tot bedaren.
--Maar dan is dat meisje een geneesmiddel! riep de jonge man uit. Als
ik ooit het ongeluk mocht hebben verliefd te worden, wil je ze zeker
wel aan me uitleenen, niet waar? Dan kan ze allebei haar handen op
mijn hart leggen.
Zij schertsten, en deden hun gewone rijtoertje naar het Bosch. Een
paar weken gingen voorbij. Renée had zich hartstochtelijker dan ooit
aan het leven van bezoeken en danspartijen overgegeven; haar hoofd
scheen weer op hol, zij klaagde niet meer over verzadiging en walging.
Alleen zou men gezegd hebben, dat zij zich in het geheim aan iets
bezondigd had, waarover zij niet sprak, maar dat zij bekende door
een duidelijker aan den dag gelegde minachting voor zichzelve en een
gewaagder verdorvenheid in haar groote damesgrillen.
Op een avond bekende zij Maxime dat zij dolgraag naar een bal zou
gaan, dat Blanche Muller, een gevierde tooneelspeelster, aan de
tooneelprinsessen en de voornaamste dames der demi-monde gaf.
Die bekentenis verraste den jongen man en bracht hem, die toch niet
over-scrupuleus was, in geen geringe verlegenheid. Hij hield een
zedepreek tegen zijn stiefmoeder: heusch, dat was geen gepaste plaats
voor haar, zij zou er trouwens niets grappigs zien, bovendien zou
het opspraak verwekken als zij herkend werd. Op al die goede redenen
antwoordde zij met saamgevouwen handen, smeekend en glimlachend:
--Kom, Maxiempje lief, wees nu eens aardig. Ik wil.... Ik zal een
donkere domino aandoen, we zullen maar even door de salons wandelen.
Maxime, die ten slotte altijd toegaf en zijn stiefmoeder op de
beruchtste plaatsen van Parijs zou gebracht hebben, als zij er maar op
zinspeelde, stemde er eindelijk in toe haar naar het bal van Blanche
Muller te geleiden. Zij klapte in de handen als een kind dat een
ontspanning krijgt, waarop het niet gerekend had.
--Dat vind ik lief, zei zij. 't Is morgen, niet waar? Kom me vroeg
afhalen. Ik wil die dames zien binnenkomen. Je moet me haar namen
noemen; wat zullen we een pret hebben....
Zij dacht even na, en ging toen voort:
--Neen, kom niet. Je moet me met een vigelante opwachten, op den
boulevard Malesherbes. Ik zal den tuin door komen.
Die geheimzinnigheid zou een bekoring te meer aan haar uitstapje
geven, 't was niets dan een verfijning van genot, want al was zij te
middernacht de voordeur uitgegaan, dan zou haar man haar niet eens
uit het raam nagekeken hebben.
Nadat zij Céleste op het hart had gedrukt op haar te wachten, ging
Renée den volgenden avond, met een heerlijk gevoel van vrees, door de
duisternis van het park Monceau. Saccard had gebruik gemaakt van zijn
vriendschappelijke verhouding tot het stadhuis, en zich een sleutel
laten geven van een poortje, dat in het park uitkwam. Renée had er
ook een willen hebben. Zij was bijna verdwaald geraakt, zij vond de
vigelante alleen door de twee gele lichten der lantarens.
In dien tijd was de boulevard Malesherbes pas voltooid; 's avonds
was het er nog heel eenzaam. De jonge vrouw trad vlug het rijtuig in,
met een kloppend hart, alsof zij een samenzijn met haar geliefde te
gemoet ging. Maxime zat heel wijsgeerig te rooken in een hoekje van het
rijtuig. Hij maakte een beweging om zijn sigaar weg te gooien, maar zij
belette dit, en terwijl zij in de duisternis zijn arm wilde grijpen,
gleed haar hand over zijn gezicht, wat ze beiden heel aardig vonden.
--Ik verzeker je dat ik van tabakslucht houd, riep zij. Houd je sigaar
maar aan.... Vanavond gaan we uit zwieren.... Ik ben nu een man.
De boulevard was nog niet verlicht. Terwijl de vigelante den kant
van de Madeleine op reed, was het zoo donker in het rijtuig dat zij
elkander niet zagen. Nu en dan, als de jonge man zijn sigaar naar den
mond bracht, verscheen er een rood vurig stipje in de duisternis. Dat
roode stipje nam Renée's aandacht in beslag.
Maxime, half bedolven onder het zwarte satijn van den domino, die het
rijtuig bijna geheel vulde, rookte stilzwijgend voort, alsof hij zich
verveelde. Inderdaad had de gril van zijn stiefmoeder hem verhinderd
zich bij een troepje dames in het café Anglais aan te sluiten, die
daar het bal van Blanche Muller wilden houden. Hij was uit zijn humeur,
en zij ried het in het donker.
--Voel je je onwel? vroeg zij hem.
--Neen, ik ben koud, antwoordde hij.
--Hé, hoe vreemd, ik heb het heel warm. Ik vind het hier om te
stikken. Leg een punt van mijn rokken over je knieën.
--O, je rokken, mompelde hij gramstorig, daar zit ik tot over mijn
ooren in.
Hij moest om zijn eigen woorden lachen, en langzamerhand werd hij
opgewekter. Zij vertelde hem dat zij zoo bang was geweest in het park
Monceau. En toen vertelde zij hem nog iets, dat zij zoo graag wou: zij
zou zoo graag op een nacht op den vijver van het park willen varen,
in een bootje dat zij van uit haar vensters aan het uiteinde eener
laan aan land zag liggen. Hij vond dat zij sentimenteel werd.
De vigelante reed steeds voort, het bleef nog even donker, zij
bogen zich naar elkander over om zich verstaanbaar te maken bij het
geraas der wielen, zij raakten elkander bij het minste gebaar aan,
zij voelden elkanders warmen adem. En van tijd tot tijd trok Maxime
aan zijn sigaar, en het roode stipje wierp een bleekrood schijnsel
op Renée's gelaat. Bij dat snelle licht gezien was zij bekoorlijk,
zoodat het zelfs den jongen man opviel.
--O, o, zei hij, je ziet er van avond heel lief uit, stiefmaatje. Laat
ik je eens zien.
Hij hield zijn sigaar naderbij, en deed snel eenige trekjes. Renée werd
in haar hoekje door een warm, flikkerend schijnsel verlicht. Zij had
haar kap teruggeslagen. Haar bloot hoofd, bedekt met een overvloed
van krulletjes, waarover een eenvoudig blauw lint, leek op dat van
een jongen, boven de hooge zwart satijnen blouse die alleen haar hals
vrij liet. Zij vond het wel aardig, bekeken en bewonderd te worden
bij het licht van een sigaar. Zij wierp zich lachend achterover,
terwijl hij met een grappig ernstig gezicht opmerkte:
--Drommels, ik zal op je moeten passen, als ik je heelhuids bij papa
terug wil brengen.
Intusschen maakte het rijtuig een bocht om de Madeleine en reed de
boulevards op. Daar vulde de weerschijn van de schitterend verlichte
magazijnen het met een dansend licht. Blanche Muller woonde vlak bij
een dier nieuwe huizen, die op de opgehoogde terreinen van de rue
Basse-du-Rempart gebouwd zijn.
Er stonden nog slechts enkele rijtuigen voor de deur. Het was nog
pas tien uur. Maxime wou een eindje op de boulevards rondrijden, een
uurtje wachten; maar Renée, wier nieuwsgierigheid nog meer opgewekt
was, verklaarde hem ronduit dat zij alleen ging, als hij haar niet
vergezelde. Hij volgde haar, en was blij dat hij er meer gasten vond
dan hij gedacht had.
De jonge vrouw had haar masker voorgedaan. Aan den arm van Maxime,
wien zij zachtjes bevelen gaf, op een toon die geen tegenspraak duldde,
en die haar dan ook gedwee gehoorzaamde, snuffelde zij in alle kamers
rond, lichtte de portières op, beschouwde opmerkzaam de meubelen,
zou zelfs in de laden gesnuffeld hebben, als zij niet gevreesd had
dat men haar zien zou.
Het rijke appartement had hoekjes, waarin men het zigeunerleven
van de reizende tooneelspeelster terugvond. Daar vooral trilden de
rose neusvleugels van Renée, daar dwong zij haar metgezel zachtjes
te loopen, opdat niets haar blik of haar reuk zou ontgaan. Zij
vertoefde bijzonder lang in een toiletkamertje, dat wijd open stond,
daar Blanche Muller op haar ontvang-avonden tot zelfs haar slaapkamer
aan haar gasten overliet, waar het bed op zijde geschoven werd om er
speeltafeltjes neer te zetten. Maar het kamertje voldeed haar niet;
het leek haar burgerlijk en zelfs een beetje vuil, met zijn tapijt
vol brandgaatjes van de sigaretten, zijn blauw zijden behangsel vol
pomadevlekken en zeepspatten.
Toen zij de plaatselijke gesteldheid goed had opgenomen, en de minste
bijzonderheden der woning in haar geheugen geprent had om ze naderhand
aan haar intieme vriendinnen te vertellen, ging zij tot de personen
over. De mannen kende zij, het waren meerendeels dezelfde politieke
lui, dezelfde jonge losbollen die op haar Donderdagen kwamen.
Zij waande zich soms in haar eigen salons, wanneer zij zich tegenover
een groepje glimlachende, zwartgerokte heeren bevond, die den avond te
voren bij haar thuis denzelfden glimlach vertoond hadden, als zij het
woord richtten tot markiezin d'Espanet of de blonde mevrouw Haffner.
En als zij de vrouwen aankeek, werd die illusie niet geheel
verstoord. Laure d'Aurigny was in het geel evenals Suzanne Haffner,
en Blanche Muller had evenals Adeline d'Espanet een witte japon,
die tot halverwege den rug was uitgesneden.
Maxime smeekte eindelijk om genade, en zij nam naast hem plaats op een
causeuse. Daar bleven zij een oogenblik zitten, de jonge man geeuwende,
terwijl zij hem de namen van die dames vroeg, ze met haar blikken
ontkleedde, de meters kant telde die zij om haar rokken droegen.
Toen hij haar in die ernstige studie verdiept zag, wist hij te
ontsnappen, en begaf hij zich naar Laure d'Aurigny, die hem wenkte. Zij
plaagde hem met de dame, die hij aan den arm had. Daarop liet zij
hem plechtig beloven, dat hij ze tegen één uur in het café Anglais
zou komen opzoeken.
Deze was omringd door een groepje hard lachende vrouwen, terwijl
mijnheer de Saffré gebruik had gemaakt van het plaatsje dat Maxime had
opengelaten, om zich naast haar neer te vlijen en haar op onkiesche
wijze het hof te maken. Daarop waren mijnheer de Saffré en de vrouwen,
al die lui, begonnen te schreeuwen, zich op de dijen te slaan, zoodat
Renée verdoofd door het lawaai, op haar beurt begon te geeuwen,
opstond en tot haar metgezel zei:
--Laten we hier vandaan gaan, ze zijn onuitstaanbaar vervelend!
Juist toen zij heengingen, kwam mijnheer de Mussy binnen. Hij scheen
zeer blij te zijn dat hij Maxime ontmoette, en zonder acht te slaan
op de gemaskerde dame die deze bij zich had, fluisterde hij op
kwijnenden toon:
--Ach, mijn waarde, zij doet me den dood aan. Ik weet dat zij beter
is, en zij ontzegt me nog altijd haar deur. Zeg haar eens goed dat
je de tranen in mijn oogen gezien hebt.
--Wees daaromtrent gerust, je boodschap zal ik overbrengen, zei de
jonge man met een zonderlingen glimlach.
En op de trap:
--Wel, stiefma, heeft die arme jongen je hart niet getroffen?
Zij haalde de schouders op en zweeg. Op het trottoir aarzelde zij even,
voordat zij in de vigelante steeg die op hen gewacht had. Zij keek
weifelend nu eens den kant der Madeleine op, dan weer dien van den
boulevard des Italiens. Het was nauwelijks half twaalf, er heerschte
nog een groote levendigheid op den boulevard.
--Kom, we gaan naar huis, zei zij met verborgen spijt.
--Als je tenminste de boulevards niet een eindje wil oprijden,
antwoordde Maxime.
Zij nam zijn voorstel aan. Haar nieuwsgierigheid was bevredigd, maar
zij had er minder pleizier van gehad dan zij zich had voorgesteld;
zij vond het erg onaangenaam met een illusie minder en een begin van
hoofdpijn naar huis te moeten gaan. Zij had altijd in de meening
verkeerd dat een tooneelspeelstersbal het toppunt van grappigheid
zou zijn.
De lente scheen weergekomen,--geen ongewoon verschijnsel in de laatste
dagen van October; de avond was zoel als in Mei, en de koele windjes
die zich nu en dan deden gevoelen, maakten het weer nog opwekkender.
Renée bleef zwijgend voor het portierraam zitten en keek naar
de menschenmenigte, de koffiehuizen, de restauraties, die in een
eindelooze rij op elkander volgden. Zij was ernstig geworden, haar
geest toefde weer te midden der vage wenschen, waarin vrouwen zich
gaarne verdiepen.
Dat breede trottoir, waarover de japonnen der meisjes sleepten, en
waarop de laarzen der mannen weerklonken, dat grijze asphalt waarop
zij de wufte vermaken en het gemakkelijk te verwerven mingenot in galop
meende te zien voorbijgaan, wekte haar sluimerende begeerten weer op,
deden haar dat idiote bal vergeten om haar andere genoegens van een
meer verfijnden smaak te doen zien.
Aan de vensters van Brébant zag zij schaduwen van vrouwen op de witte
gordijnen. En Maxime vertelde haar een heel gewaagde geschiedenis, van
een bedrogen echtgenoot die aldus, op een gordijn, de schaduw van zijn
vrouw op heeterdaad betrapt had met de schaduw van een minnaar. Zij
hoorde hem ternauwernood aan. Hij maakte zich vroolijk, vatte haar
bij de handen, plaagde haar met dien armen mijnheer de Mussy.
Toen zij bij het terugkeeren weer voorbij Brébant kwamen, zei zij
plotseling:
--Weet je dat mijnheer de Saffré me van avond te soupeeren gevraagd
heeft?
--Nu, dan zou je slecht gegeten hebben, antwoordde hij lachend. Saffré
heeft niet het minste begrip van de kookkunst. Hij is altijd met
kreeftensla in de weer.
--Neen, hij sprak van oesters en koude patrijs.... Maar hij werd te
vertrouwelijk, en dat weerhield me....
Zij zweeg, keek nog eens langs den boulevard, en na een korte stilte
klonk het spijtig:
--Het ergste is, dat ik een vreeselijken honger heb.
--Wat, heb je honger? riep de jonge man uit. Dan gaan we eenvoudig
samen soupeeren.... Vind je het goed?
Hij zei het heel bedaard, maar zij weigerde eerst, zeggende dat Céleste
een koud souper voor haar had klaar gezet. Daar hij echter toch niet
naar het café Anglais ging, had hij het rijtuig stil doen houden op den
hoek van de rue Le Peletier, voor de restauratie van het café Riche;
hij was al uitgestapt en daar zijn stiefmoeder nog aarzelde, zei hij:
--Wel, als je bang bent dat ik je compromitteer, zeg het dan
maar.... Dan ga ik naast den koetsier zitten en breng je weer bij je
man terug.
Zij lachte even en steeg uit het rijtuig, als een vogeltje dat bang
is zijn pootjes nat te maken. Zij straalde van genot. Dat trottoir
dat zij onder haar voelde, maakte haar voeten warm, deed over haar
gansche lichaam een heerlijke trilling van vrees en van bevredigde
begeerte gaan.
Terwijl het rijtuig nog reed, had zij ternauwernood den lust kunnen
bedwingen er op te springen. Zij ging er met kleine stapjes over,
steelsgewijs, alsof het haar genoegen grooter maakte, te moeten
vreezen, dat men haar zou zien.
Haar uitstapje begon nu werkelijk op een avontuur te gelijken. Zij
had er wel geen spijt van, de lompe uitnoodiging van mijnheer de
Saffré te hebben afgewezen, maar zij zou toch vreeselijk ontstemd
thuisgekomen zijn, als Maxime niet op de gedachte was gekomen haar
van de verboden vrucht te laten proeven.
De jonge man ging vlug de trap op, alsof hij daar thuis was. Zij
volgde hem ietwat hijgend.
Een lichte geur van visch en wild kwam hen tegen, en de looper,
die met koperen roeden op de treden bevestigd was, rook naar stof,
wat haar nog zenuwachtiger maakte.
Toen zij op de eerste verdieping waren, ontmoetten zij een deftig
uitzienden kellner, die zich tegen den muur drong om hen voorbij te
laten gaan.
--Charles, zei Maxime, jij bedient ons, niet waar?....Geef ons het
witte salon.
Charles boog, ging een paar trappen op en opende de deur van een
kamer. Het gas was neergedraaid; het kwam Renée voor alsof zij in
het halfduister van een bekoorlijk, verdacht plekje doordrong.
Door het wijdgeopende venster drong het onafgebroken geratel der
rijtuigen, en op de zoldering gleden de vluchtige schaduwen der
voorbijgangers door het licht, dat het koffiehuis beneden daarop
weerkaatste. Maar de kellner opende het kraantje en het licht brandde
hooger op. De schaduwen van de zoldering verdwenen, een helder licht
verspreidde zich door de kamer en viel op het hoofd der jonge vrouw.
Zij had haar kap reeds afgeworpen. De krulletjes waren een beetje in de
war geraakt, maar het blauwe lint was blijven zitten. Zij begon heen en
weer te loopen, gegeneerd door de manier waarop Charles haar aankeek;
hij knipte met de oogen en kneep zijn oogleden half dicht, om haar
beter te zien; 't was alsof hij zeggen wilde: "Die ken ik nog niet."
--Wat zal mijnheer gebruiken? vroeg hij tamelijk luid. Maxime keerde
zich naar Renée.
--Het souper van mijnheer de Saffré, niet waar? zei hij, oesters,
een patrijs....
En toen hij den jongen man zag glimlachen, volgde Charles zijn
voorbeeld bescheiden na, terwijl hij zachtjes zei:
--Het souper van Woensdag dus, als u het goed vindt?
--Het souper van Woensdag.... herhaalde Maxime. En toen, zich
herinnerende:
--Ja, dat is goed, geef ons het souper van Woensdag.
Toen de kellner verdwenen was, nam Renée haar binocle en keek
nieuwsgierig in de kamer rond.
Het was een vierkant vertrek, wit met verguld, koket gemeubileerd
als een boudoir. Behalve de tafel en de stoelen, was er een
laag meubelstuk, een soort van console, waarop men de afgenomen
gerechten plaatste, en een breede sofa, een echt bed, die tusschen
den schoorsteen en het venster stond. Een pendule en twee candelabres
Louis XVI prijkten op den witmarmeren schoorsteen.
Maar het opmerkelijkste in die kamer was de spiegel, een mooie
dikke spiegel, die door de diamanten der "dames" bekrast was met
namen, datums, verminkte versregels, verwonderlijke gedachten en
bekentenissen. Renée meende iets onbetamelijks te zien, maar zij
dorst haar nieuwsgierigheid niet bevredigen.
Zij keek naar de sofa, voelde een nieuwe verlegenheid, begon toen, om
zich een houding te geven, het plafond en de verguld koperen gaskroon
met vijf pitten te bekijken. Maar de verlegenheid die zij voelde,
was heerlijk.
Terwijl zij het hoofd ophief, als om de kroonlijst te bestudeeren, met
een ernstig gezicht door haar binocle ziende, genoot zij innerlijk
van die dubbelzinnige meubelen om haar heen; van dien helderen,
cynischen spiegel welks zuiver glas, ternauwernood ontsierd door het
vieze gekrabbel, gediend had om zooveel valsche chignons in orde te
brengen; van die sofa, die haar stuitte door haar breedte, van de
tafel, van het tapijt zelfs, waarin zij de lucht van de trap terug
vond, een doordringende lucht van stof. En toen moest zij eindelijk
de oogen neerslaan.
--Wat is dat toch voor een souper van Woensdag? vroeg zij Maxime.
--Niets, antwoordde hij, een weddenschap die een van mijn vrienden
verloren heeft.
Op iedere andere plaats zou hij zonder aarzelen bekend hebben dat
hij dien dag met een dame gesoupeerd had, die hij op den boulevard
ontmoet had. Maar sinds hij zich daar met haar op die kamer bevond,
behandelde hij haar onwillekeurig als een vrouw, die hij behagen
moest en wier jaloerschheid hij moest ontzien.
Zij drong er trouwens niet verder op aan, zij ging voor het open
venster staan, waar hij zich bij haar voegde. Achter hen liep Charles
in en uit, met een gerinkel van vaat- en zilverwerk.
Het was nog voor middernacht. Daar beneden op den boulevard, duurde
het stadsgewoel voort. Parijs rekte zijn bedrijvigen dag, voordat
het besloot zich te rusten te begeven. De boomenrijen bakenden
met een onduidelijke streep de helder verlichte trottoirs en den
halfduisteren rijweg af, waarop de ratelende rijtuigen met hun vurige
oogen snel voorbij reden. Aan weerszijden van deze donkere strook
stonden de verlichte kiosken der dagbladverkoopers als hooge,
grillige bontgeschilderde venetiaansche lantarens, op gelijke
afstanden van elkander op den grond geplaatst, voor een kolossale
illuminatie. Maar op dit uur werd hun licht geheel verduisterd door
de schitterende verlichting der winkelramen. Geen enkel luik was
gesloten, de trottoirs strekten zich uit zonder éen schaduwlijn,
onder een regen van stralen die ze verlichtte met een gouden stof,
met het warme, heldere schijnsel van den dag.
Maxime wees Renée naar het café Anglais, vlak tegenover hen, waarvan
de vensters schitterden. De hooge takken der boomen beletten hen
echter de huizen en het trottoir aan de overzij goed te zien.
Zij bogen zich voorover en keken naar beneden. Het was een
onophoudelijk heen en weer geloop; groepjes wandelaars gingen
voorbij, meisjes paarsgewijze, met slepende rokken, die zij van
tijd tot tijd opnamen, met een matte beweging, glimlachend met haar
vermoeide blikken.
Vlak onder het venster stonden de tafeltjes van het café Riche in
het helle licht van de gaskronen die hun schijnsel tot midden op
den rijweg wierpen; in dien helderen lichtgloed zagen zij de bleeke
gezichten en de flauwe glimlachjes der voorbijgangers.
Om de ronde tafeltjes zaten vrouwen, tusschen de mannen, te
drinken. Zij waren opzichtig gekleed en droegen het haar in den hals;
zij zaten te schommelen op haar stoelen en voerden luide gesprekken,
die het geraas van de straat onverstaanbaar maakte.
Renée's aandacht viel vooral op een vrouw, die alleen aan een tafeltje
zat; zij droeg een lichtblauw kostuum, met witte gruipure afgezet;
zij dronk met kleine teugjes een glas bier leeg, en leunde dan weer
achterover in haar stoel, de handen op den schoot gevouwen, in een
houding van trage, berustende afwachting.
Zij die liepen, gingen langzaam in het gewoel verloren, en de jonge
vrouw oogde ze met belangstelling na; haar blik gleed over den heelen
boulevard, naar de verwijderde drukte van de avenue, waar men niets dan
een zwart gewemel van wandelaars onderscheidde, en de lichtschijnsels
nog slechts vonken leken.
En met een regelmatigheid die het oog vermoeide, trok die bonte
menigte onveranderlijk, onophoudelijk voorbij, te midden der heldere
kleuren, in de tooverachtige flikkering van die duizenden dansende
lichtschijnsels, die uit de winkels stroomden, de transparanten
van de kiosken en de ramen kleurden, in letters, lijsten of vurige
teekeningen langs de gevels liepen, de duisternis met sterren
bezaaiden, onafgebroken over den rijweg dansten.
Het oorverdoovend geraas, dat omhoog steeg, dreunde na, eentonig,
als het gebrom van een orgel, dat den eeuwigdurenden optocht van
mechanieke poppetjes begeleidt.
Een oogenblik meende Renée dat er een ongeluk gebeurd was. Een
stroom van menschen bewoog zich naar links, even voorbij de passage
de l'Opéra. Maar met haar kijker herkende zij het wachthuis der
omnibussen; de stoep stond vol wachtenden, die bij de nadering van
een omnibus haastig kwamen toesnellen. Zij hoorde de ruwe stem van
den controleur de nummers afroepen, daarop klonk het gelui van den
teller als een kristalhelder geklep tot haar door.
Zij liet haar blik rusten op de advertenties van een kiosk, met
schelle kleuren als kinderprenten; op een vierkant stond in een
geel en groenen rand een grijnzende duivelskop met steile haren,
een reclameplaat van een hoedenmaker die zij niet begreep.
Om de vijf minuten kwam de omnibus van Batignolles voorbij, met
zijn roode lantarens en gele kast; hij draaide den hoek van de rue
Le Peletier om en deed het huis trillen door zijn gedreun; zij zag
de mannen op de imperiale, vermoeide gezichten die omhoog keken en
haar en Maxime nieuwsgierig aanzagen, als uitgehongerden die door
een sleutelgat kijken.
--Ach! zei zij, wat zal het nu stil zijn in het park Monceau.
Dat was alles wat zij zei. Zij bleven daar wel twintig minuten staan,
zwijgend opgaande in het gewoel en de verlichting. Toen de tafel
gereed was, namen zij plaats, en daar de tegenwoordigheid van den
kellner haar scheen te hinderen, zond Maxime hem weg.
--Laat ons alleen.... Ik zal om het dessert schellen.
Zij had roode plekjes op de wangen en haar oogen schitterden; zij zag
er uit alsof zij hard geloopen had. Zij bracht van het venster een
beetje van de drukte en de levendigheid van den boulevard mee. Zij
wilde niet dat Maxime het venster sloot.
--Wel, dat is het orkest, zei zij, toen hij over het geraas
klaagde. Vind je het geen eigenaardige muziek? Dat is een mooie
begeleiding bij onze oesters en patrijs.
't Was of het uitstapje haar jonger maakte. Zij was druk in haar
bewegingen, een beetje opgewonden; die kamer, dat samenzijn met een
jongen man, het rumoer van de straat, wonden haar op, gaven haar
iets meisjesachtigs.
Zij viel met smaak op de oesters aan. Maxime had geen honger, hij
keek glimlachend toe, terwijl zij smulde.
--Verduiveld, mompelde hij, je bent een goede om mee uit soupeeren
te gaan.
Zij hield op, spijtig omdat zij zoo gauw at.
--Je vindt dat ik honger heb. Wat zal ik je zeggen? Dat onzinnige bal
heeft me hongerig gemaakt.... Arme jongen, wat beklaag ik je dat je
met zulke menschen omgaat!
--Je weet wel, zei hij, dat ik je beloofd heb Sylvia en Laure
d'Aurigny te laten schieten, zoodra je vriendinnen met mij uit
soupeeren willen gaan.
Zij maakte een trotsch gebaar.
--Dat geloof ik warempel ook wel. Wij zijn heel wat amusanter dan
die dames, dat zal je niet tegen kunnen spreken.... Als een van ons
een minnaar zoo verveelde, als jouw Sylvia en je Laure d'Aurigny
jou moeten vervelen, wel, het arme vrouwtje hield dien minnaar geen
week!.... Je wilt nooit naar me luisteren. Probeer het eerstdaags eens.
Maxime stond op, om den kellner niet te roepen, ruimde de
oesterschelpen weg en bracht den patrijs, die op de console stond. De
tafel was beladen met de weelde der groote restauraties. Op het
damasten tafellaken bevond zich een overvloed van heerlijke spijzen,
en met een lichte trilling van genot bewoog Renée haar fijne handen
van haar vork naar haar mes, van haar bord naar haar glas. Zij dronk
witten, onvermengden wijn, zij die gewoonlijk slechts een scheutje
wijn in haar water dronk.
Terwijl Maxime, met het servet over den arm, haar met een schertsende
voorkomendheid bediende, hernam hij:
--Wat heeft die mijnheer de Saffré toch tegen je gezegd, dat je zoo
woedend bent? Vond hij je leelijk?
--O, hij, antwoordde zij, 't is een gemeen mensch. Ik had nooit kunnen
denken dat iemand, die zich bij mij aan huis zoo deftig en zoo beleefd
voordeed, zoo'n taal kon uitslaan. Maar dat heb ik hem al vergeven. De
vrouwen, die hebben me gehinderd; 't leken wel appelenvrouwen. Er
was er een, die klaagde dat zij een steenpuist op haar heup had, en
het had weinig gescheeld of zij had haar rok opgetild om haar kwaal
aan iedereen te toonen.
Maxime lachte luidkeels.
--Neen, heusch, ging zij met toenemende heftigheid voort, ik begrijp
jelui niet, ze zijn vies en dom.... En toen ik je naar je Sylvia zag
gaan, stelde ik me nog al wonder wat voor, van die antieke feesten
zooals je wel op schilderijen ziet, meisjes met kransen van rozen
in het haar, gouden drinkschalen, buitengewone genietingen.... 't
Mocht wat! Je hebt me een onzindelijk kleedkamertje laten zien en
vrouwen die als voerlui vloekten. Zoo is het de moeite niet waard,
om kwaad te doen.
Hij wilde hier iets tegen inbrengen, maar zij legde hem het zwijgen
op, en terwijl zij een patrijzeboutje afkloof, dat zij tusschen de
vingertoppen hield, ging zij op zachter toon voort:
--Het kwaad moet iets keurigs, iets fijns zijn, jongenlief.... Wanneer
ik, een fatsoenlijke vrouw, me verveel en de zonde bega aan iets
onmogelijks te denken, weet ik zeker dat ik veel aardiger dingen vind
dan Blanche Muller.
En met een ernstig gezicht sprak ze ten slotte de naïeve
onbeschaamdheid uit:
--Dat is een kwestie van opvoeding, begrijp je?
Ze lei het beentje kalmpjes op haar bord neer. Het dreunend rollen
der rijtuigen ging voort, zonder dat zich daartusschen een levendiger
geluid deed hooren. Zij was genoodzaakt haar stem te verheffen om zich
verstaanbaar te maken, en haar wangen kleurden zich met een dieper
rood. Op de console stonden nog truffels, een zoet tusschengerecht,
asperges, een zeldzaamheid in dat jaargetijde.
Hij bracht alles aan, om verder te kunnen blijven zitten, en daar de
tafel wat smal was, zette hij tusschen hen in een zilveren ijsemmer,
waarin een flesch champagne, op den grond neer. De eetlust der
jonge vrouw begon aanstekelijk op hem te werken. Zij lieten geen
enkelen schotel onaangeroerd, zij ledigden de flesch, met uitgelaten
dartelheid, verdiepten zich in gewaagde bespiegelingen, en leunden
op de ellebogen als twee vrienden, die in een roes hun hart voor
elkander uitstorten.
Het werd minder druk op de boulevard, toch kwam het haar voor, alsof
het integendeel levendiger werd, en al die wielen schenen haar soms
in het hoofd te draaien.
Toen hij zei, dat hij om het dessert ging schellen, stond zij op,
schudde de kruimels van haar lange satijnen blouse af en zei:
--Dat is goed.... Zeg, je mag wel een sigaar opsteken.
Zij was een beetje bedwelmd. Zij ging naar het venster, aangetrokken
door een vreemd geraas, waarvan zij de oorzaak niet begreep. Men was
bezig de winkels te sluiten.
--Kijk, zei zij, zich naar Maxime wendende, het orkest gaat naar huis.
Zij boog zich weer voorover. Op den rijweg in het midden, kruisten
de gekleurde oogen van de minder talrijke, maar sneller rijdende
vigelanten en omnibussen elkander nog steeds. Maar aan de zijkanten,
langs de trottoirs, waren er groote donkere plekken ontstaan, voor
de gesloten winkels. Alleen de koffiehuizen waren nog hel verlicht,
en wierpen hun schijnsel op het asphalt.
Van de rue Drouot tot aan de rue du Helder zag zij een lange reeks
heldere en donkere plekken, waarin de late wandelaars op zonderlinge
wijze opdoken en verdwenen. Vooral de meisjes, met haar slepende
japonnen, beurtelings hel verlicht en in duisternis gehuld, leken wel
geestverschijningen, bleeke marionnetten, die zich door den electrisch
verlichten kring van het een of andere toover-kluchtspel bewegen. Zij
vermaakte zich een oogenblik met dit spel.
Het licht was nu niet meer over den geheelen boulevard verspreid,
de gaslichten werden uitgedraaid; de bontkleurige kiosken staken nog
harder af tegen de duisternis. Nu en dan ging er een groote menigte,
die uit een der schouwburgen kwam, voorbij. Maar weldra werd het
lediger, en onder het venster zag men soms groepjes van twee of drie
mannen, die door een vrouw werden aangesproken. Zij bleven staan,
in druk gesprek. Een enkel woord kon men zelfs verstaan; meestal ging
de vrouw aan den arm van een dier mannen weg. Andere meisjes gingen
het eene koffiehuis in, het andere uit, liepen de tafeltjes rond,
namen de achtergelaten klontjes suiker, lachten met de kellners,
keken de late bezoekers vragend en zich stilzwijgend aanbiedend aan.
En nadat Renée de bijna leege imperiale van een omnibus. had nagekeken,
herkende zij op den hoek van het trottoir, de vrouw met de blauwe,
met witte guipure afgezette japon, die daar rechtop stond, met hoofd
naar alle zijden heenwendend, steeds op den uitkijk.
Toen Maxime haar kwam opzoeken aan het venster, waar zij in
aanschouwing verdiept was, moest hij onwillekeurig glimlachen, toen
hij naar een der halfgeopende vensters van het café Anglais keek;
de gedachte, dat zijn vader daar ook soupeerde, scheen hem grappig
toe; maar dien avond had hij iets bijzonder schroomvalligs, dat hem
belette zijn gewone grappen te verkoopen.
Renée verliet met tegenzin het venster. Een smachtend, bedwelmend
verlangen steeg uit de vage diepte van den boulevard tot haar op. In
het verminderd gerol der rijtuigen, in het verdwijnen der heldere
schijnsels, klonk een stem die lokte tot wellust en slaap. De
fluisterende stemmen die hier en daar vernomen werden, de groepjes
die in een donker hoekje bleven staan, maakten het trottoir tot de
gang van een groot logement, op het uur waarop de reizigers hun bed
opzoeken. Het licht en het leven stierf langzamerhand weg, de stad
sliep in, teedere zuchtjes schenen over de daken te strijken.
Toen de jonge vrouw zich omkeerde, deed het licht van de gaskroon
haar oogen pijnlijk aan. Zij zag nu een beetje bleek, en had lichte
trekkingen om de mondhoeken.
Charles zette het dessert gereed; hij ging de deur uit, kwam weer
binnen, opende de deur langzaam en met gedruis, met het flegma van
een man, die weet hoe het betaamt.
--Ik heb geen trek meer! riep Renée uit, neem al die borden weg en
breng de koffie.
De kellner, gewoon aan de grillen zijner vrouwelijke cliënten, ruimde
het dessert op en schonk de koffie in. Al zijn bezigheden verrichtte
hij met een voorkomen van gewichtig.
--Stuur hem toch alsjeblieft weg, zei de jonge vrouw met een gevoel
van weerzin.
Maxime zond hem heen; maar hij was nauwelijks verdwenen, of hij kwam
weer terug om heel bescheiden de overgordijnen zorgvuldig dicht te
doen. Toen hij eindelijk heengegaan was, stond de jonge man, die nu
ook ongeduldig begon te worden, op en naar de deur gaande:
--Wacht eens, zei hij, ik weet een goed middel om van hem af te zijn.
En hij schoof den grendel er voor.
--Ziezoo, hernam zij, nu zijn we tenminste vrij.
Zij hervatten weer hun vertrouwelijke mededeelingen, hun
vriendschappelijk gekeuvel. Maxime had een sigaar opgestoken. Renée
slurpte haar koffie langzaam op en schonk zich vervolgens een glaasje
chartreuse in. De kamer vulde zich met een blauwachtigen rook;
het werd er warm. Zij legde de ellebogen op de tafel en leunde met
de kin tegen haar halfgesloten vuisten. Die lichte drukking maakte
haar mond kleiner, haar wangen gevulder, en haar oogen smaller en
schitterender. Zóó ineengeduwd, was haar gezichtje allerliefst,
onder den overvloed van goudgele krulletjes, die nu tot op haar
wenkbrauwen afhingen.
Maxime bekeek haar door den rook van zijn sigaar heen. Hij vond haar
origineel. Soms begon hij zelfs aan haar sekse te twijfelen; de groote
rimpel die door haar voorhoofd liep, de pruilend vooruitstekende
lippen, haar weifelende, bijziende blik, deden haar op een grooten
jongen lijken; daarbij kwam dat haar lange, zwart satijnen blouse
zoo hoog dicht was, dat men ternauwernood een blank, mollig streepje
hals onder de kin kon bespeuren. Zij liet zich glimlachend bekijken;
zij bewoog haar hoofd niet meer, haar blik had iets onbestemds,
haar woorden iets traags.
Toen schudde zij zich plotseling wakker; zij begaf zich naar den
spiegel, waarheen haar blikken al een poosje gestaard hadden. Zij ging
op de teenen staan, leunde met de handen tegen den schoorsteenmantel,
om die opschriften te lezen, die gewaagde uitdrukkingen die haar vóór
het souper verlegen hadden gemaakt. Zij spelde de lettergrepen met
eenige moeite, las, lachte telkens, als een schooljongen die Piron
in zijn lessenaar doorbladert.
--Ernest en Clara, zei zij, en er staat een hart onder dat wel op een
trechter lijkt.... Ha, dat is beter: "Ik houd van mannen, omdat ik
van truffels houd." Geteekend "Laure." Zeg eens, Maxime, heeft die
d'Aurigny dat geschreven?.... O, dat is zeker het wapen van een van
die dames: een kip die een groote pijp rookt.... Altijd maar namen,
een heele kalender vol: Victor, Amélie, Alexander, Eduard, Margaretha,
Paquita, Louise, Renée.... Hé, er is er een bij, die net zoo heet
als ik....
Maxime zag haar opgewonden gezichtje in den spiegel. Zij strekte zich
nog meer uit, en haar domino spande zich van achteren strakker en
deed de ontwikkeling van haar heupen, de slankheid van haar taille
goed uitkomen. De jonge man volgde de lijn van het satijn, dat als
een hemd om het lichaam sloot.
Hij stond nu ook op en wierp zijn sigaar weg. Hij voelde zich niet
op zijn gemak, onrustig. Er ontbrak hem iets, waaraan hij gewoon was.
--Ha, daar is jouw naam, Maxime, riep Renée.... Hoor.... "Ik houd
van...."
Maar hij was in een hoekje van de sofa gaan zitten, bijna aan de
voeten der jonge vrouw. Met een vlugge beweging slaagde hij er in
haar handen te vatten; hij keerde haar van den spiegel af en zei op
zonderlingen toon:
--Lees dat alsjeblieft niet.
Zij verweerde zich, zenuwachtig lachend.
--Waarom? Ben ik je vertrouwde dan niet?
Maar hij drong met gesmoorde stem aan:
--Neen, neen, vanavond niet.
Hij hield haar nog altijd vast, en zij gaf lichte rukjes met haar
polsen om zich los te maken. Zij keken elkaar met vreemde oogen
aan, hun glimlach had iets gedwongens en beschaamds. Zij viel op
haar knieën, aan het einde van de sofa. Zij bleven door worstelen,
ofschoon zij geen beweging meer maakte om naar den spiegel te gaan
en zich al overgaf. En toen de jonge man haar in zijn armen sloot,
zei zij met een flauw, verlegen lachje:
--Kom, laat me met rust.... Je doet me zeer.
Dat was alles wat haar lippen fluisterden. In de diepe stilte der
kamer, waar het gas hooger scheen op te vlammen, voelde zij den grond
trillen en hoorde zij het geraas van den omnibus van Batignolles die
den hoek van den boulevard kwam omrijden.
Toen zij weer naast elkander op de sofa zaten, beiden bedremmeld,
fluisterde hij:
--Bah, dat moest er toch eens van komen.
Zij zei niets. Zij tuurde als verslagen op de bloemen van het tapijt.
--Had jij aan zoo iets gedacht?.... ging Maxime stamelend voort. Ik
in het geheel niet.... Ik had die kamer niet moeten vertrouwen....
Maar uit het diepst van haar hart klonk het, alsof al de burgerlijke
braafheid van de Bérauds Du Châtel in deze laatste fout ontwaakte:
--Het is schandelijk, wat we daar gedaan hebben, fluisterde zij,
ontnuchterd, met een heel ernstig gezicht.
Zij kreeg het benauwd. Zij ging naar het venster, schoof de gordijnen
open en leunde op de vensterbank. Het orkest zweeg al lang; de misdaad
was begaan in de laatste trilling der bassen en het verwijderd geluid
der violen.
Daar beneden strekten de rijweg en de voetpaden zich uit, eenzaam en
verlaten. Al die ratelende rijtuigwielen schenen heengegaan te zijn,
het licht en de menigte met zich meevoerende. Onder het venster was het
café Riche gesloten, geen enkel lichtstraaltje drong door de ruiten.
Aan de overzijde was alleen de voorgevel van het café Anglais nog
verlicht; een der vensters stond half open en liet een flauwen klank
van gelach door. En langs die donkere schaduwlijn, van de bocht der
rue Drouot tot aan het andere uiteinde, zoover haar gezicht reikte,
zag zij niets anders dan de kiosken, die op gelijke afstanden roode
en groene plekken in de nachtelijke duisternis vormden, zonder ze te
verlichten, als nachtlichtjes, hier en daar in een reusachtig groote
slaapzaal geplaatst.
Zij hief het hoofd op. De boomen teekenden hun hooge takken tegen
een helderen hemel af, terwijl de onregelmatige lijn der huizen zich
onafzienbaar ver uitstrekte, met de afbrokkelingen van een rotsige
kust, aan den oever van een blauwe zee.
Maar die strook lucht stemde haar nog droeviger; alleen de duisternis
van den boulevard gaf haar eenige vertroosting. Wat daar op die
eenzame straat overbleef van de luidruchtigheid in de ondeugd van
den avond, strekte haar tot verontschuldiging. Zij meende de warmte
van al die mannen- en vrouwenstappen van het afkoelende trottoir te
voelen opstijgen.
De schandelijke dingen die daar gebeurd waren, begeerten van
een minuut, fluisterend gedane aanbiedingen, vooruit betaalde
bruiloftsnachten, zij losten zich op in damp, dreven voort in een
zwaren nevel, door den morgenwind weggevaagd.
Voorovergebogen over de duisternis, ademde zij die trillende stilte,
die alkooflucht in, als een aanmoediging die van beneden tot haar
kwam, als een verzekering dat haar schande door een medeplichtige
stad gedeeld en aangenomen werd. En toen haar oogen aan de duisternis
gewoon geraakt waren, bemerkte zij de vrouw met haar blauw kostuum,
alleen in de grauwe eenzaamheid, nog steeds op dezelfde plaats,
wachtende en zich aanbiedende in de ledige stilte van den nacht.
Toen zij zich omkeerde, werd de jonge vrouw Charles gewaar, die
snuffelend om zich heen keek. Hij ontdekte eindelijk iets,--het blauwe
lint van Renée, dat verfrommeld in een hoek van de sofa lag. Hij
haastte zich het haar op zijn beleefde manier te brengen. Toen voelde
zij haar geheele vernedering. Voor den spiegel staande, trachtte zij
met bevende handen het lint weer vast te strikken. Maar haar chignon
was gezakt, de krulletjes waren plat tegen haar slapen gedrukt,
zij kon den strik niet vastmaken.
Charles kwam haar te hulp, en alsof hij een doodgewoon iets, een
mondwater of een tandenstoker aanbood, vroeg hij:
--Wil mevrouw soms de kam hebben?....
--Wel neen, dat is niet noodig, kwam Maxime tusschenbeide met een
ongeduldigen blik op den kellner. Ga maar een rijtuig halen.
Renée besloot eenvoudig de kap van haar domino weer over het hoofd
te trekken. En voordat zij zich van den spiegel afwendde, ging zij
nog even op haar teenen staan, om de woorden terug te vinden die
Maxime's omhelzing haar belet had te lezen. Met groote, afschuwelijk
leelijke letters, die schuins omhoog liepen, stond deze verklaring,
door Sylvia onderteekend: "Ik bemin Maxime." Zij drukte de lippen
stijf opeen en trok de kap wat dieper over haar hoofd.
In het rijtuig voelden zij zich vreeselijk verlegen. Zij waren
tegenover elkaar gaan zitten, juist zooals zij uit het park Monceau
waren gekomen. Zij wisten elkander niets te zeggen. De vigelante was in
een dikke duisternis gehuld, en Maxime's sigaar bracht er zelfs geen
flikkerend stipje in. De jonge man die weer onder de rokken bedolven
zat, "waarin hij tot over de ooren zat", voelde zich onaangenaam
gestemd door die duisternis, die stilte, die zwijgende vrouw, die hij
tegenover zich voelde, en wier wijdgeopende oogen hij zich verbeeldde
in het donker te zien staren. Om een minder dwaas figuur te maken,
zocht hij haar hand, en toen hij die in de zijne hield, voelde hij
zich verlicht, vond hij den toestand dragelijker. Die hand gaf zich
gewillig over, slap en droomerig.
De vigelante reed de place de la Madeleine over. Renée bedacht dat
zij niet schuldig was. Zij had de bloedschande niet gewild. En hoe
meer zij zich zelf onderzocht, hoe onschuldiger zij zich vond, in de
eerste uren van haar uitstapje, haar heimelijk vertrek uit het park
Monceau, bij Blanche Muller, op den boulevard, zelfs in het kabinet
van de restauratie.
Waarom was zij eigenlijk aan den rand van de sofa op de knieën
gevallen? Dat wist zij zelf niet meer. Zij had stellig geen oogenblik
aan zóó iets gedacht. Zij zou boos geweigerd hebben. Het was uit
gekheid, zij maakte pret, niets anders. En in het voortrollen der
vigelante vond zij het oorverdoovend orkest van den boulevard terug,
dat heen een weer geloop van mannen en vrouwen, terwijl haar vermoeide
oogen als vuur brandden.
Maxime werd in zijn hoekje ook door onaangename gedachten gekweld. Hij
had spijt over het avontuur. Hij wierp de schuld op den zwarten domino.
Had men een vrouw zich ooit zoo zien toetakelen! Haar hals kreeg men
zelfs niet te zien. Hij had haar voor een jongen aangezien, had met
haar gestoeid, en het was toch zijn schuld niet, dat het spel ernst
was geworden. Hij zou haar stellig niet aangeraakt hebben, als zij
maar een stukje van haar schouder had laten zien. Hij zou bedacht
hebben, dat zij de vrouw van zijn vader was. En, daar hij niet van
onaangename gedachten hield, schonk hij zichzelf vergiffenis. 't Was
nu eenmaal gebeurd, maar hij zou wel zorgen, dat hij er niet weer
mee begon. 't Was een dwaasheid.
De vigelante hield stil en Maxime stapte uit om Renée te helpen. Maar
bij het parkdeurtje durfde hij haar geen zoen geven. Zij scheidden met
een handdruk, als naar gewoonte. Zij stond al achter het hek, toen zij,
om toch iets te zeggen, en daarbij zonder het zelf te willen uiting
gevende aan een gedachte die haar al van de restauratie af vervolgde,
aan Maxime vroeg:
--Wat beteekent dat toch, die kam, waarvan de kellner sprak?
--Die kam, herhaalde Maxime, verlegen, dat weet ik niet....
Opeens werd haar alles duidelijk. De kam behoorde bij het materiaal
van de kamer, evengoed als de gordijnen, de grendel en de sofa. En
zonder een uitlegging af te wachten, die toch niet kwam, snelde zij
het donkere park Monceau door, alsof zij die schildpadden tanden
achter zich zag, waarin Laure d'Aurigny haar blonde en Sylvia haar
zwarte haren had achtergelaten. Zij had een hevige koorts. Céleste
moest haar te bed brengen en den verderen nacht bij haar waken.
Maxime stond een oogenblik op het trottoir van den boulevard
Malesherbes in tweestrijd, of hij het vroolijke troepje in het café
Anglais zou opzoeken of naar bed gaan; ten slotte besloot hij bij
wijze van straf tot het laatste.
Den volgenden morgen ontwaakte Renée laat, uit een zwaren, droomloozen
slaap. Zij liet een flink vuur aanleggen en zei dat zij den heelen
dag op haar kamer zou blijven. Dát was haar toevluchtsoord, in haar
ernstige uren.
Tegen twaalf uur vroeg haar man, die haar niet aan het ontbijt had
zien verschenen, of hij haar een oogenblik kon spreken. Zij was op het
punt dat te weigeren, met een zweem van ongerustheid, toen zij zich
bedacht. Den vorigen avond had zij Saccard een rekening van Worms
ter hand gesteld, die honderd zes en dertig duizend francs bedroeg,
een tamelijk hoog bedrag, en nu was hij zeker zoo galant haar de
geteekende kwitantie zelf te komen brengen.
Op eens dacht zij aan de krulletjes die zij den vorigen avond in
het haar had. Zij keek werktuigelijk in den spiegel naar de dikke
vlechten die Céleste gevlochten had. Toen ging zij ineengedoken, als
begraven onder de kant van haar morgenjapon, zoo dicht mogelijk bij het
vuur zitten. Saccard, wiens kamers zich ook op de eerste verdieping
bevonden, tegenover die van zijn vrouw, kwam op zijn pantoffels,
als echtgenoot.
Het gebeurde ternauwernood eens in de maand, dat hij een voet in
Renée's kamer zette, en dan was het altijd wegens een geldkwestie. Dien
morgen had hij roode oogen, en een bleek gelaat als iemand die den
heelen nacht niet geslapen heeft. Hij kuste zijn vrouwtje galant
de hand.
--Je bent ziek, lieve? zei hij, aan den anderen hoek van den
schoorsteen plaats nemende. Een beetje hoofdpijn, nietwaar?.... Neem
me niet kwalijk dat ik je lastig kom vallen over zaken, maar het is
een ernstig geval.
Hij haalde uit een zak van zijn kamerjapon de rekening van Worms te
voorschijn, die Renée aan het gladde papier herkende.
--Gisteren vond ik die rekening op mijn bureau, ging hij voort,
en het spijt me, maar ik kan ze op dit oogenblik onmogelijk voldoen.
Hij bespiedde tersluiks de uitwerking van zijn woorden. Zij scheen
ietwat verbaasd. Hij hernam glimlachend:
--Je weet, lieve, dat ik niet gewoon ben je uitgaven na te pluizen. Ik
kan niet ontkennen dat zekere bijzonderheden van deze rekening me
een beetje verrast hebben. Zoo zie ik bijvoorbeeld hier op de tweede
bladzijde: "Baljaponstof, 70 fr.; maakloon 600 fr., geleend geld
5000 fr.; water van Dr. Pierre, 6 fr." Dat loopt aardig op voor
een japon van zeventig francs.... Maar je weet, ik begrijp alle
zwakheden. Je rekening bedraagt honderd zesendertigduizend francs,
en je bent bijna verstandig geweest, dat is te zeggen, betrekkelijk
verstandig.... Maar, ik zeg het je nog eens, ik kan niet betalen,
ik zit zelf in verlegenheid.
Zij strekte de hand uit, met een gebaar van ingehouden spijt.
--'t Is goed, zei zij droogweg, geef me de rekening terug. Ik zal
raad zien te schaffen.
--Ik zie dat je me niet gelooft, sprak Saccard, zeer gevleid door de
ongeloovigheid van zijn vrouw op het punt van zijn geldverlegenheid. Ik
zeg niet dat mijn positie bedreigd wordt, maar de zaken gaan op het
oogenblik niet al te best. Laat ik je voor ditmaal eens lastig vallen
en je den toestand blootleggen; je hebt me je bruidschat toevertrouwd,
en ik ben je volkomen openhartigheid schuldig.
Hij lei de rekening op den schoorsteen neer, nam de tang en begon het
vuur op te rakelen. Die hebbelijkheid om in de asch te woelen, terwijl
hij over zaken sprak, was bij hem uit berekening voortgekomen. Wanneer
hij aan een zeker bedrag kwam, aan een gedachte die hij moeielijk
onder woorden kon brengen, porde hij duchtig in het brandhout; de
verzakking die daardoor ontstond, bracht hij dan heel netjes in orde,
door de blokken bij elkaar te schuiven en de verspreide spaanders samen
te rapen en op de blokken te stapelen. Soms verdween hij bijna geheel
in den schoorsteen, om een glimmend stukje houtskool op te zoeken.
Zijn stem klonk dan doffer, men werd ongeduldig, men begon belang
te stellen in zijn knappe opeenstapeling van gloeiende kooltjes,
men luisterde niet meer, en gewoonlijk verliet men hem geslagen en
tevreden. Zelfs bij anderen maakte hij zich eigendunkelijk meester
van de tang. 's Zomers speelde hij met een pen, een pennemes of
een vouwbeen.
--Beste vriendin, zei hij, terwijl hij met een hevigen por het vuur
op de vlucht joeg, ik vraag je nogmaals verschooning dat ik in al die
bijzonderheden treed.... Ik heb je de rente van de gelden, die je me
ter hand hebt, gesteld, stipt uitbetaald. Ik kan zelfs zonder je te
kwetsen zeggen, dat ik die rente alleen beschouwd heb als je zakgeld,
dat ik je uitgaven betaald heb en nooit van je gevergd heb je aandeel
in de gemeenschappelijke kosten van het huishouden te betalen.
Hij zweeg. Renée keek met een pijnlijk hoofd toe, hoe hij een kuil
in de asch groef om er een stuk brandhout in te begraven. Hij kwam
aan een teere kwestie.
--Je begrijpt wel, dat ik van je geld aanzienlijke intresten heb
moeten trekken. De kapitalen zijn in goede handen, wees daar maar
gerust op.... En de gelden die je bezittingen in Sologne opbrachten,
hebben gedeeltelijk gediend om het huis te betalen, waarin wij wonen;
de rest is in een uitstekende zaak gestoken, de Algemeene Maatschappij
van de havens van Marokko.... We vragen elkaar nog wel geen rekening
en verantwoording, maar ik wil je toch bewijzen dat wij arme mannen
dikwijls erg miskend worden.
Het moest wel een krachtig motief zijn, dat hem noopte minder dan
gewoonlijk te liegen. In werkelijkheid bestond de bruidschat van Renée
sedert lang niet meer; hij was in de kas van Saccard gevloeid, en had
daar een fictieve waarde gekregen. Al keerde hij er meer dan twee of
driehonderd percent intrest van uit, hij zou toch niet in staat geweest
zijn er het kleinste effect van te vertoonen, of ook maar de geringste
hoeveelheid specie van het oorspronkelijke kapitaal terug te vinden.
Zooals hij er dan ook half voor uitkwam, had het halve millioen van de
bezittingen in Sologne gediend tot afbetaling van den eersten termijn
op het hôtel en het ameublement, die samen bijna twee millioen hadden
gekost. Hij was nog een millioen aan den behanger en den aannemer
schuldig.
--Ik vorder niets van je, zei Renée eindelijk, ik weet dat ik erg
bij je in de schuld sta.
--O, lieve, riep hij uit, de hand zijner vrouw grijpende,
zonder de tang in den steek te laten, hoe kom je aan die leelijke
gedachte!.... Om je in een paar woorden alles te verklaren, luister,
ik ben ongelukkig geweest op de Beurs, Toutin-Laroche heeft domheden
begaan, Mignon en Charrier zijn vlegels, die me beetgenomen
hebben. Daarom kan ik je rekening niet betalen. Je vergeeft het
me toch?
Hij scheen werkelijk aangedaan. Hij stak de tang tusschen de
houtblokken en deed een vuurwerk van vonken opspatten. Renée herinnerde
zich, dat hij er den laatsten tijd ietwat gejaagd had uitgezien. Maar
zij kon de verwonderlijke waarheid niet doorgronden.
Saccard was nu zoover gekomen, dat hij dagelijks allerlei kunstgrepen
te baat moest nemen. Hij woonde in een huis dat twee millioen gekost
had, hij leefde op een voet alsof hij het jaargeld van een prins trok,
en op sommige dagen had hij geen duizend francs in kas. Zijn uitgaven
schenen niet te verminderen. Hij leefde op krediet, onder een troep
schuldeischers die dagelijks de schandalige winsten opstreken, welke
hij in zekere zaken maakte.
Terzelfder tijd stortten maatschappijen onder hem ineen, openden zich
nieuwe, nog diepere afgronden, waarover hij heen sprong, daar hij geen
kans zag ze te dempen. Hij liep dus over een ondermijnden grond, in
een gestadige crisis, rekeningen van vijftigduizend francs afdoende
en het loon van zijn koetsier niet uitbetalende, steeds voortgaande
met een onverstoorbare koelbloedigheid verteringen te maken, nog
ijveriger over Parijs zijn leege kas uitstortende, waaruit de gouden
stroom met zijn onbekende bronnen voort bleef vloeien.
Het was toen een slechte tijd voor de speculatiën. Saccard was een
waardig zoon van het stadhuis. Hij had de snelle gedaanteverwisseling,
de koortsachtige zucht naar genietingen, de blinde verkwistingen die
Parijs had aangetast, meegemaakt. Op dit oogenblik stond hij, evenals
de stad, voor een ontzettend tekort, dat hij heimelijk moest aanvullen;
want van verstandige zuinigheid, een kalm burgerlijk leven wilde hij
niet hooren. Hij behield liever de onnutte weelde en de werkelijke
ellende van die nieuwe wegen waaruit hij zijn kolossaal fortuin geput
had, dat 's morgens aangevuld en 's avonds weer verteerd was.
Van de eene avontuurlijke speculatie in de andere gaande, had hij
nog slechts den vergulden voorgevel van een afwezig kapitaal. In
dezen tijd van krankzinnige dwaasheid, zette zelfs Parijs niet zijn
toekomst met meer hartstocht op het spel, of ging halsstarriger voort
op den weg van dwaasheden en finantiëele bedriegerijen. De likwidatie
dreigde verschrikkelijk te zijn.
De mooiste speculatiën liepen mis in de handen van Saccard. Hij had,
zooals hij zei, aanzienlijke verliezen aan de Beurs geleden. Mijnheer
Toutin-Laroche had bijna het Wijnbouwcrediet doen duikelen in een
speculatie op de rijzing, die hem plotseling tegengeloopen was;
gelukkig was de regeering in het geheim tusschenbeide gekomen en had
de vermaarde hypothecaire leenbank weer overeind geholpen.
Saccard, door die dubbelen schade aan het wankelen gebracht en danig
doorgehaald door zijn broer den minister, wegens het gevaar dat de
soliditeit der delegatiebons tegelijk met die van het Wijnbouwcrediet
geloopen had, was nog minder gelukkig in zijn speculatiën op huizen.
Mignon en Charrier hadden alle betrekkingen met hem afgebroken. Hij
beschuldigde hen uit nijdigheid, omdat hij bedrogen was uitgekomen met
de huizen die hij op zijn aandeel in de terreinen had laten zetten,
terwijl zij, voorzichtiger, het hunne verkochten.
Terwijl zij een fortuin wonnen, bleef hij met huizen zitten, die hij
dikwijls met verlies van de hand moest doen. Onder anderen verkocht
hij voor driehonderd duizend francs een hôtel in de rue de Marignan,
waarop hij nog driehonderd tachtig duizend schuld had.
Hij had er op zijn manier wel wat op gevonden, hij vroeg namelijk
tienduizend francs voor een appartement dat hoogstens acht duizend
francs waard was; de verschrikte huurder teekende het contract niet
eer, voordat de eigenaar er in toegestemd had hem de eerste twee
jaren huur vrij te schelden; op die manier was het appartement tot
zijn werkelijken prijs teruggebracht, maar het huurcontract wees een
bedrag van tienduizend francs per jaar aan, en wanneer Saccard een
kooper vond en de jaarlijksche opbrengst van dit huis kapitaliseerde,
kwam hij tot een echte zinsbegoochelende berekening.
Dit bedrog kon hij echter niet op groote schaal toepassen, zijn huizen
werden niet verhuurd; hij had ze te vroeg gebouwd; de uitgegraven
terreinen, die ze wijd en zijd omringden, vormden 's winters groote
modderpoelen, die den toegang bemoeielijkten en ze een groot nadeel
deden.
Wat hem echter het meest griefde was de geslepenheid van de heeren
Mignon en Charrier, die het hôtel waarvan hij den bouw had moeten
staken, op den boulevard Malesherbes, van hem kochten. De aannemers
hadden eindelijk het verlangen gekregen op hun boulevard te wonen. Daar
zij hun aandeel in de terreinen met winst verkocht hadden, en de lucht
kregen van de verlegenheid waarin hun vroegere compagnon verkeerde,
boden zij hem aan hem af te helpen van het omheinde gedeelte waarbinnen
het hôtel tot de eerste verdieping was opgetrokken, en waarvan de
ijzeren binten reeds gelegd waren. Minachtend spraken zij over de
stevige grondslagen van gehouwen steen, zij noemden het nutteloos
metselwerk en zeiden, dat zij liever den kalen grond gehad hadden,
om er naar eigen believen op te bouwen.
Saccard moest tot den verkoop overgaan, zonder rekening te kunnen
houden met de ruim honderdduizend francs die hij reeds uitgegeven had,
en wat hem nog nijdiger maakte, was dat de aannemers het terrein niet
voor tweehonderd vijftig francs den vierkanten meter wilden terugnemen,
het bedrag dat bij de verdeeling vastgesteld was. Zij dongen vijf en
twintig francs op den meter af, evenals koopvrouwen in toiletartikelen,
die niet meer dan vier francs geven voor een voorwerp dat zij een
dag te voren voor vijf verkocht hebben. Twee dagen later zag Saccard
met leede oogen, hoe een heel leger metselaars de omheinde ruimte
binnendrong en voortbouwden op dat "nuttelooze" metselwerk.
Hij speelde zijn rol tegenover Renée des te gemakkelijker, omdat zijn
zaken werkelijk in de war geraakten. Hij was er de man niet naar uit
pure waarheidsliefde zijn toestand bloot te leggen.
--Maar mijnheer, zei Renée op twijfelenden toon, wanneer ge zoo
in geldverlegenheid zit, waarom dan voor mij dat halssnoer en die
haarnaald gekocht, die u naar ik meen vijf en zestigduizend francs
hebben gekost? Ik heb die sieraden niet noodig, ik zal u moeten
vragen of ik ze mag verkoopen om de rekening van Worms gedeeltelijk
af te betalen.
--Doe dat toch niet! riep hij verschrikt uit. Als ge morgen niet met
die sieraden op het ministersbal verschijnt, zou men praatjes gaan
maken over mijn positie....
Hij was dien morgen heel goedig. Hij begon zelfs te glimlachen en
met een knipoogje zei hij:
--Lieve vriendin, wij speculanten zijn net als de mooie vrouwtjes,
we hebben onze listen.... Houd alsjeblieft het snoer en de naald,
om mij een pleizier te doen.
Hij kon haar onmogelijk de ware toedracht van de zaak vertellen,
die heel aardig, maar wel een beetje gewaagd was.
Na afloop van een souper hadden Saccard en Laure d'Aurigny een verbond
gesloten. Laure zat tot over de ooren in de schulden, haar eenige
gedachte was een braven jongen te vinden, die haar wou schaken en
naar Londen voeren.
Saccard voelde ook den grond onder zijn voeten wegzinken; in de
engte gedreven, zocht hij naar een redmiddel, waardoor hij zich
in de oogen van het publiek in goud en bankbiljetten kon baden. In
den halven roes van het dessert, kwamen het meisje en de speculant
tot een overeenkomst. Hij dacht die verkooping van diamanten uit,
die geheel Parijs deed toeloopen, en waarop hij, met veel drukte,
sieraden voor zijn vrouw kocht.
Met de opbrengst van de verkooping, ongeveer vierhonderdduizend francs,
stelde hij Laure's schuldeischers tevreden, ofschoon zij hun bijna het
dubbele schuldig was. Niet onwaarschijnlijk wist hij zelfs een deel
van zijn vijf en zestigduizend francs terug te krijgen. Toen men zag,
dat hij den boel van d'Aurigny vereffende, ging hij voor haar minnaar
door; men dacht dat hij al haar schulden betaalde, dat hij dwaasheden
voor haar beging. Aller handen strekten zich nu naar hem uit, hij kreeg
weer krediet, een kolossaal bedrag. En hij werd op de beurs geplaagd,
om zijn hartstocht, met glimlachjes en zinspelingen die hem streelden.
Intusschen bracht Laure d'Aurigny, die door al die drukte de aandacht
begon te trekken, en bij wie hij geen enkelen nacht doorbracht, een
achttal dommeriken in den waan, dat zij Saccard om hunnentwil bedroog.
De gedachte, dat zij de voorkeur kregen boven een schatrijk man, was
voor hen het grootste lokaas. Binnen een maand had zij twee volledige
stellen meubels en meer diamanten dan zij verkocht had.
Saccard had de gewoonte aangenomen 's middags na beurstijd zijn sigaar
bij haar te komen rooken; dikwijls bespeurde hij dan een slip van
een jas, die haastig achter een deur verdween.
Als zij alleen waren konden zij elkander niet zonder lachen
aanzien. Hij drukte haar een kus op het voorhoofd, en behandelde haar
als een slechte meid, die hem door haar schelmerijen in verrukking
bracht. Hij gaf haar geen cent, eens leende zij hem zelfs geld om een
speelschuld te betalen. Renée bleef aandringen en wilde de sieraden
ten minste verpanden, maar haar man bracht haar aan het verstand dat
dit onmogelijk was, dat geheel Parijs verwachtte haar den volgenden
dag er mee te zien. De jonge vrouw, die geen raad wist met de rekening
van Worms, zocht toen een anderen uitweg.
--Maar, riep zij plotseling, de zaken marcheeren goed in Charonne,
niet waar? Onlangs wist ge me nog te vertellen, dat er mooi geld
zou verdiend worden.... Misschien wil Larsonneau me de honderd
zesendertigduizend francs wel voorschieten?
Een oogenblik had Saccard de tang laten rusten. Hij nam die weer vlug
ter hand, bukte, verdween bijna in den schoorsteen, vanwaar de jonge
vrouw het zachte antwoord hoorde komen:
--Ja, ja, Larsonneau zou misschien....
Eindelijk kwam zij uit haarzelve op het punt waar hij haar sedert
het begin van het gesprek op wenschte te brengen. Al twee jaar lang
bereidde hij zijn genialen zet ten opzichte van Charonne voor. In geen
geval wilde zijn vrouw de goederen van tante Elisabeth vervreemden, zij
had deze plechtig beloofd ze nooit te verkoopen ten einde ze aan haar
kind na te laten, als zij moeder werd. Tegenover die stijfhoofdigheid
begon de verbeeldingskracht van den speculant te werken en weldra
een heel verdichtsel te scheppen.
Hij dacht een kolossaal bedrog uit, waarvan de stad, de staat, zijn
vrouw en tot zelfs Larsonneau de slachtoffers moesten worden. Hij
sprak niet meer over den verkoop der terreinen, maar hij jammerde
iederen dag over de dwaasheid om ze niets op te laten brengen, zich
tevreden te stellen met een opbrengst van twee percent.
Renée, die altijd in geldverlegenheid zat, verzoende zich eindelijk
met de gedachte van een speculatie. Hij grondde zijn operatie op de
zekerheid van een aanstaande onteigening voor het doortrekken van den
boulevard du Prince-Eugène, waarvan het ontwerp nog niet nauwkeurig
vastgesteld was. Toen bracht hij zijn oude medeplichtige Larsonneau
mee, als een compagnon, die met zijn vrouw een overeenkomst sloot op
de volgende grondslagen: zij bracht de terreinen aan, ter waarde van
vijfhonderdduizend francs; van zijn kant verbond Larsonneau zich op
die terreinen voor een gelijke som te bouwen, een café-concertzaal
met grooten speeltuin, waarin wippen, schommels, kegel en balspel,
enz. De winsten zouden natuurlijk gedeeld worden, even goed als de
verliezen. Ingeval een der compagnons zich wenschte terug te trekken,
kon hij dat doen met opeisching van zijn aandeel, volgens gedane
schatting.
Renée scheen verbaasd over het hooge bedrag van vijfhonderdduizend
francs, terwijl de terreinen er hoogstens drie waard waren. Maar
hij bracht haar aan het verstand dat het een handige zet was om
Larsonneau later de handen te binden, daar zijn gebouwen nooit zoo'n
bedrag zouden bereiken.
Larsonneau was een man van de wereld geworden, die nooit zonder
handschoenen uitging, onberispelijk wit linnengoed droeg en verbazend
mooie dassen. Om zijn zaken na te gaan, had hij een tilbury, zoo fijn
als een uurwerk, met hoogen bok, waarop hij zelf mende.
Zijn kantoren in de rue de Rivoli waren een reeks van prachtige
vertrekken, waar men niet het minste spoor van kantoorboeken
of papieren vond. Zijn klerken schreven op tafels van ingelegd
zwartgepolitoerd perenhout, met ornamenten van geciseleerd koper. Hij
nam den titel aan van onteigeningsagent, een nieuw beroep dat zijn
ontstaan te danken had aan de werken van Parijs. Zijn relatiën met
het stadhuis stelden hem in staat den voorgenomen aanleg van nieuwe
wegen vooruit te weten.
Wanneer hij zich door een opzichter der wegen op de hoogte had doen
brengen welken weg de boulevard zou volgen, ging hij den bedreigden
eigenaars zijn diensten aanbieden. Door allerlei middelen wist hij
de schadevergoeding te doen verhoogen, voordat er een onteigening
ten algemeenen nutte plaats greep. Zoodra een huiseigenaar zijn
diensten aanvaardde, nam hij alle kosten voor zijn rekening, maakte
een platten grond met de omschrijving van het eigendom, schreef een
memorie, volgde de zaak voor de rechtbank, betaalde een advokaat,
alles tegen zooveel percent van het verschil tusschen het aanbod der
stad en de schadeloosstelling door de jury toegekend.
Maar bij dit baantje, waarvoor hij zich tenminste niet behoefde te
schamen, voegde hij verscheidene andere. Hij leende vooral geld
uit tegen hoogen intrest. Hij was niet meer de woekeraar van de
oude school, haveloos en onzindelijk, met oogen wit en stom als
rijksdaalders, en lippen bleek en samengeperst als de koorden eener
beurs. Hij glimlachte vriendelijk, was onberispelijk gekleed, en ging
bij Brébant dejeuneeren met zijn slachtoffer, dien hij met "Beste
jongen" betitelde en havanna's aan het dessert liet rooken. Met dat
al was die elegant gekleede Larsonneau een verschrikkelijk heer, die,
zonder iets van zijn vriendelijkheid te verliezen, op de voldoening
van een accept zou aangedrongen hebben totdat de schuldenaar zich
van kant had gemaakt.
Saccard had liever een anderen compagnon gehad, maar hij was nog altijd
ongerust over den valschen inventaris, dien Larsonneau zorgvuldig
bewaarde. Hij hoopte nu dat de een of andere omstandigheid hem
behulpzaam zou zijn om weer in het bezit van dat gevaarlijke stuk
te geraken.
Larsonneau bouwde het café-concert, licht en ondicht, van planken en
kalk, met blikken torentjes, waarop hij een laagje roode en gele verf
liet leggen.
De speeltuinen namen op in de volkrijke buurt van Charonne. Na verloop
van twee jaar scheen de onderneming goed te gaan, ofschoon de winsten
in werkelijkheid heel gering waren. Saccard had tot dusver tot zijn
vrouw nooit anders dan met geestdrift over de toekomst van zoo'n mooi
idee gesproken.
Toen Renée zag dat haar man geen aanstalten maakte om uit den
schoorsteen te voorschijn te komen, waar zijn stem hoe langer hoe
doffer klonk, zei zij:
--Ik zal Larsonneau vandaag eens gaan opzoeken. 't Is de eenige uitweg.
Toen liet hij het blok hout los, waarmee hij het te kwaad had.
--Dat is al in orde, lieve, antwoordde hij glimlachend. Voorkom ik
niet al uw wenschen?.... Ik heb Larsonneau gisteren avond gesproken.
--En heeft hij je de honderd zes en dertigduizend francs beloofd? vroeg
zij, in spanning.
Tusschen de twee brandende blokken stapelde hij een aantal gloeiende
kolen op, heel voorzichtig met de tang de kleinste stukjes houtskool
aanvattende, en met voldoening ziende hoe het stapeltje, dat hij zoo
kunstig opbouwde, steeds hooger werd.
--O, wat draaft ge door!.... klonk het zachtjes. Honderd zes en
dertigduizend francs is een groote som.... Larsonneau is een goede
jongen, maar zijn kas is nog zoo gevuld niet. Hij is ten volle bereid
je te helpen....
Hij sprak langzamer, knipte met de oogen, bouwde weer een deel van
het stapeltje op dat ingestort was. Dat spelletje begon de gedachten
der jonge vrouw in de war te brengen. Zij volgde onwillekeurig de
bezigheid van haar man, die steeds onhandiger werd. Zij begon hem
zelfs raad te geven. Niet meer denkende aan Worms, de rekening,
haar geldgebrek, zei zij:
--Maar leg dan toch dat groote stuk onderaan, dan houden de anderen
van zelf.
Haar man volgde haar raad getrouw op, en sprak onderwijl:
--Hij kan maar vijftigduizend francs vinden. 't Is altijd wat, op
afbetaling.... Maar hij wil de zaak afgescheiden houden van die van
Charonne. Hij is maar een tusschenpersoon, dat begrijp je wel. Degeen
die het geld leent, vraagt verbazend hoogen intrest. Hij wil een
accept van tachtigduizend francs, zes maanden na dato.
En nadat hij een spits stuk houtskool boven op het stapeltje had
geplaatst, vouwde hij de handen op de tang samen en keek zijn vrouw
strak aan.
--Tachtigduizend francs! riep zij uit, maar dat is diefstal!.... Raadt
gij mij zoo'n dwaasheid aan?
--Neen, zei hij beslist. Maar als ge het geld bepaald noodig hebt,
verbied ik het je niet.
Hij stond op, alsof hij heen wilde gaan. Maar Renée, in pijnlijke
onzekerheid, keek beurtelings naar haar man en naar de rekening,
die hij op den schoorsteen had laten liggen. Zij sloeg haar handen
tegen haar hoofd en zuchtte:
--Ach, die zaken!.... Mijn hoofd loopt om.... Kom, ik zal dat accept
van tachtigduizend francs maar teekenen. Als ik het niet deed, zou ik
er heelemaal ziek van worden. Ik weet hoe ik ben, ik zou den heelen
dag in een verschrikkelijken tweestrijd zijn.... Ik doe de dwaasheden
dan maar liever dadelijk. Dat geeft me verlichting.
En zij zei dat zij zou schellen om zegelpapier te laten halen. Maar hij
wilde haar dien dienst zelf bewijzen. Hij had het zegelpapier stellig
in zijn zak, want hij bleef hoogstens twee minuten weg. Terwijl zij
aan een tafeltje, dat hij dicht bij den haard geschoven had, zat te
schrijven, beschouwde hij haar met oogen, die tegelijk verbazing en
begeerte uitdrukten.
Het was zeer warm in de kamer, die nog geheel vervuld was met de
geuren van het morgentoilet der jonge vrouw. Al pratende had zij
de slippen van haar peignoir, waarin zij haar hoofd gewikkeld had,
laten afglijden, en de blik van haar man, die voor haar stond, gleed
over haar gebogen hoofd, langs haar goudgele haren, heel diep, tot
in haar blanken hals en haar borst.
Hij glimlachte zonderling; die vuurgloed die zijn gezicht geblakerd
had, die dichte kamer waarin de zwoele lucht een geur van liefde
had behouden, die lichtblonde haren en die blanke huid, die hem met
een soort van echtelijke minachting tartten, maakten hem nadenkend,
deden een heimelijke, wellustige berekening in zijn onbeschaamde
schacheraarsnatuur ontstaan.
Toen zijn vrouw hem het accept overreikte, met verzoek de zaak verder
af te handelen, nam hij het aan, zonder zijn blikken van haar af
te wenden.
--Je bent verrukkelijk mooi,.... fluisterde hij.
En terwijl zij zich voorover boog om de tafel weg te schuiven, kuste
hij haar ruw op den hals. Zij stiet een lichten kreet uit. Vervolgens
stond zij rillend op, met een poging om te lachen; zij moest denken
aan de kussen van den ander, den vorigen avond. Maar hij had al spijt
over zijn lompe liefkoozing. Hij verliet haar met een hartelijken
handdruk en de belofte, dat zij dien eigen avond de vijftigduizend
francs zou hebben.
Renée bleef den heelen dag voor den haard zitten soezen. In moeielijke
omstandigheden had zij iets mats, als een creoolsche. Dan veranderde
al haar luidruchtigheid in loomheid, kouwelijkheid en slaperigheid. Zij
rilde van kou, zij had behoefte aan den gloed van een brandenden haard,
een verstikkende hitte die de zweetdruppeltjes op haar voorhoofd deed
parelen, die haar in verdooving bracht.
In die brandend heete lucht, in dat bad van vlammen, leed zij bijna
niet meer; haar smart werd als een lichte droom, een vage beklemming,
maar zoo onbestemd, dat het haar zelfs behagelijk aandeed.
Zoo deed zij tot den avond haar wroeging van den vorigen dag
insluimeren, in het roode schijnsel van den haard, vlak voor een
verschrikkelijk vuur, dat de meubelen om haar heen deed kraken en
haar bijwijlen het bewustzijn van haar bestaan ontnam.
Zij kon denken aan Maxime, als aan een vlammend genot, waarvan de
stralen haar brandden; zij had zonderlinge droomen, van liefdegenot
te midden van vlammende houtstapels op witgloeiende bedden gesmaakt.
Céleste ging de kamer in en uit, met haar kalme, onverstoorbare
dienstbodengezicht. Zij had bevel gekregen niemand binnen te laten;
zij zond zelfs de onafscheidelijken weg, Adeline d'Espanet en Suzanne
Haffner, die van een ontbijt terugkwamen, dat zij samen gebruikt hadden
in een paviljoen dat zij te Saint-Germain gehuurd hadden. Tegen den
avond echter kwam Céleste haar meesteres zeggen, dat mevrouw Sidonie,
mijnheers zuster, haar wenschte te spreken. Renée gaf bevel haar
binnen te laten.
Mevrouw Sidonie kwam gewoonlijk eerst tegen het vallen van den
avond. Haar broer had van haar gedaan gekregen, dat zij zijden
japonnen droeg. Maar hoe het kwam wist men niet, al kwam de zijde
zoo pas uit den winkel, zij scheen nooit nieuw; zij kreukte, verloor
haar glans, leek een vod. Zij had er ook in toegestemd haar mand niet
bij de Saccards te brengen. Haar zakken daarentegen puilden uit van
de papieren. Zij stelde belang in Renée, van wie zij geen redelijke
klant kon maken, die berustte in de noodwendigheden des levens. Zij
bezocht haar op geregelde tijden, met den bescheiden glimlach van een
dokter die den zieke geen schrik wil aanjagen door hem te zeggen wat
hij eigenlijk mankeert. Zij sprak met meewarigheid over haar kleine
verdrietelijkheden, als over de pijn van kleine kleuters, die zij
dadelijk zou genezen, als de jonge vrouw maar wilde.
Deze, die juist behoefte gevoelde om beklaagd te worden, liet haar
enkel binnenkomen om haar te zeggen, dat zij ondragelijke hoofdpijn
had.
--Zoo, lieve kind, fluisterde mevrouw Sidonie, in de schaduw van de
kamer voortglijdende, maar 't is hier om te stikken!.... Altijd die
zenuwhoofdpijnen, nietwaar? Dat is het verdriet. Je vat het leven te
zwaar op.
--Ja, ik heb heel veel zorgen, antwoordde Renée op kwijnenden toon.
De avond begon te vallen. Zij had niet willen hebben dat Céleste
een lamp aanstak. Het haardvuur alleen wierp een rooden gloed af,
die haar geheel verlichtte, zooals zij daar achterover lag in haar
witte morgenjapon, waarvan de kant rose werd. In de schaduw zag men
slechts een tipje van mevrouw Sidonie's zwarte japon en haar gevouwen
handen, in grijze katoenen handschoenen gestoken. Haar meewarige stem
kwam uit de duisternis.
--Alweer geldzorgen! zei zij, alsof zij gezegd had: zielsverdriet,
op een toon vol zachtheid en medelijden.
Renée sloeg de oogen neer en maakte een toestemmend gebaar.
--Ach, als mijn broers naar mij wilden luisteren, zouden we allen rijk
zijn. Maar zij halen de schouders op, wanneer ik over die schuld van
drie milliard spreek, weet je?.... Toch heb ik goede hoop. Ik ben
al tien jaar van plan een reis naar Engeland te maken. Ik heb zoo
weinig tijd!.... Eindelijk heb ik besloten naar Londen te schrijven,
en ik wacht op antwoord.
En daar de jonge vrouw glimlachte, ging zij voort:
--Ik weet dat je ook al ongeloovig bent. Toch zou je heel blij zijn,
als ik je een dezer dagen een aardig millioentje cadeau gaf.... De
zaak is doodeenvoudig: een Parijsche bankier heeft het geld aan den
zoon van den koning van Engeland geleend, en daar de bankier zonder
natuurlijken erfgenaam gestorven is, kan de Staat de terugbetaling
van de schuld met intrest op intrest eischen. Ik heb het uitgerekend,
het is een bedrag van twee milliard negenhonderd drie en veertig
millioen tweehonderd tienduizend francs.... Wees daar gerust op,
't komt stellig los.
--Dan moest je maar alvast, zei de jonge vrouw met een zweem van
spot, honderdduizend francs voor me zien te leenen. Ik kon dan mijn
kleermaker betalen, die het me heel lastig maakt.
--Honderdduizend francs zijn wel te vinden, antwoordde mevrouw Sidonie
kalmpjes. 't Is maar de vraag wat men er voor over heeft.
Het haardvuur flikkerde op; Renée strekte met nog loomer beweging
haar beenen uit, zoodat de punt van haar pantoffels onder den zoom van
haar japon te voorschijn kwam. De makelaarster sloeg haar meewarigen
toon weer aan.
--Arme lieveling, je bent heusch niet verstandig. Ik ken veel
vrouwen, maar ik heb er nooit een gezien die zich zoo weinig om
haar gezondheid bekommerde. Daar heb je dat vrouwtje van Michelin,
die weet hoe ze het moet aanleggen! Ik moet altijd aan jou denken,
als ik haar zoo gelukkig en welvarend zie.--Weet je dat mijnheer
de Saffré dol verliefd op haar is en dat hij haar al een kleine
tienduizend francs aan cadeautjes heeft gegeven? Ik geloof dat het
haar ideaal is, een buitenplaats te bezitten.
Zij geraakte in vuur en zocht naar haar zak.
--Daar heb ik nog een brief van een arm jong vrouwtje. Als we
licht hadden, zou ik je hem laten lezen.... Verbeeld je dat haar
man heelemaal niets om haar geeft. Zij had accepten geteekend, en
was genoodzaakt geld te leenen van een heer dien ik ken. Ik heb met
heel veel moeite die accepten uit de klauwen der deurwaarders weten
te redden... Die arme kinderen, geloof jij, dat zij kwaad doen? Ik
ontvang ze bij mij aan huis, alsof het mijn kinderen waren.
--Ken je een geldschieter? vroeg Renée achteloos.
--Ik ken er wel tien.... Je bent te goed. Wij vrouwen, niet waar,
kunnen onder elkaar heel wat dingen bepraten, en omdat je man
mijn broer is, zal ik hem heusch niet verontschuldigen, dat hij
die gemeene meiden naloopt en een allerliefst vrouwtje zooals jij,
in een hoekje van den haard laat verkleumen... Die Laure d'Aurigny
kost hem schatten van geld. Het zou me niets verwonderen als hij je
geld geweigerd had. Hij heeft het je stellig geweigerd, niet?.... O,
wat een slechte man!
Renée luisterde met welbehagen naar die zachte stem, die uit de
duisternis kwam, als de onbestemde echo van haar eigen gepeinzen. Met
halfgesloten oogleden in haar fauteuil liggend, wist zij niet meer
dat mevrouw Sidonie daar was; zij meende te droomen, dat slechte
gedachten haar met zoeten aandrang kwamen verlokken. De makelaarster
sprak lang achtereen, met een zacht, eentonig geluid.
--Die mevrouw de Lauwerens heeft je leven bedorven. Je hebt me nooit
willen gelooven. O, als je mij niet gewantrouwd had, dan zou je nu
niet in een hoekje van je haard behoeven te schreien.... En ik hou
innig veel van je, schatje. Je hebt een verrukkelijk voetje. Je zult
om me lachen, maar ik wil je toch vertellen, hoe dwaas ik ben. Wanneer
ik je in geen drie dagen heb gezien, moet ik absoluut naar je toe om
je te bewonderen; ja, er ontbreekt mij dan iets; ik voel behoefte me
te verzadigen aan je mooie haar, je blanke, fijne gezichtje, je dunne
middel.... Heusch, nog nooit heb ik zoo'n toilet gezien.
Renée moest eindelijk glimlachen. Zelfs haar minnaars waren niet zoo
warm, zoo opgewonden in hun lof, wanneer zij over haar schoonheid
spraken. Mevrouw Sidonie zag dien glimlach.
--Dat is dus afgesproken, zei zij, haastig opstaande.... Ik praat
maar steeds door, en ik denk er niet aan, dat ik je hoofdpijn erger
maak.... Je komt morgen, niet waar? We zullen over het geld praten,
een geldschieter zoeken.... Hoor je, ik wil je gelukkig zien.
De jonge vrouw, die daar onbewegelijk, als versuft door de warmte zat,
antwoordde na een kort stilzwijgen, alsof het haar veel inspanning
kostte te begrijpen wat men om haar heen zeide:
--Ja, ik zal komen, dat is afgesproken, we zullen er over praten;
maar morgen niet.... Worms zal wel tevreden zijn met een gedeelte. Als
hij me lastig valt, kunnen we verder zien.... Spreek er maar niet
meer over. Mijn hoofd doet me zeer van al die zaken.
Mevrouw Sidonie scheen erg teleurgesteld. Eerst wou ze weer gaan
zitten, haar vleiend gepraat hervatten, maar de lustelooze houding van
Renée deed haar van plan veranderen; zij besloot haar aanval tot later
uit te stellen. Zij haalde uit haar zak een handvol papieren, waarin
zij na eenig zoeken, een voorwerp vond, dat in een rose doosje zat.
--Ik was eigenlijk gekomen om je een nieuwe zeep aan te bevelen,
zei zij met haar makelaarsstem. Ik stel veel belang in den uitvinder,
een alleraardigst jongmensch. De zeep is heel zacht en aangenaam voor
de huid. Je zult ze, hoop ik, eens probeeren? En ze aan je vriendinnen
aanbevelen?.... Ik zal het hier neerleggen, op den schoorsteen.
Zij was al aan de deur, toen zij nog eens terugkwam, en in den
zachtrooden gloed van het haardvuur, met haar wasachtig gezicht, een
lofrede begon te houden over een elastieken ceintuur, een uitvinding
die ten doel had het corset te vervangen.
--Daar krijg je een keurig rond middeltje in, een echt wespenmiddeltje,
zei zij.... Ik heb het uit een faillieten boedel. Als je komt,
kan je de verschillende maten eens aanpassen.--Ik ben al de heele
week naar allerlei procureurs geweest. Het dossier zit in mijn zak,
en ik ga nu naar mijn deurwaarder om een laatste hinderpaal uit den
weg te ruimen. Tot ziens, liefje. Je weet dat ik je verwacht en dat
ik geen tranen in je mooie oogen wil zien.
Zij sloop de deur uit. Renée hoorde haar niet eens de deur dicht doen.
Zij bleef zitten, voor het kwijnende vuur, haar droom voortzettende,
het hoofd vol dansende cijfers, in de verte de stemmen van Saccard en
mevrouw Sidonie hoorende, die haar aanzienlijke sommen boden, op den
toon van een taxateur die een ameublement bij opbod verkoopt. Zij
voelde in haar hals den ruwen kus van haar man, en als zij zich
omkeerde vond zij de makelaarster aan haar voeten, met haar zwarte
japon, haar week gezicht, hartstochtelijke redevoeringen houdende,
haar volmaaktheden prijzende, liefdes-rendez-vous afsmeekende, in de
houding van een minnaar wiens geduld nu uitgeput raakt. Daar moest
zij om glimlachen.
De warmte werd hoe langer hoe bedwelmender. En de verdooving van de
jonge vrouw, de grillige droomen die zij had, waren slechts een lichte,
kunstmatige slaap, waarin zij telkens weer de kamer van den boulevard
terugzag, met de breede sofa, waar zij op de knieën gevallen was. Zij
leed in het geheel niet meer. Wanneer zij de oogleden opsloeg, zag
zij Maxime in den rooden gloed van het haardvuur voorbijgaan.
Den volgenden dag was de mooie mevrouw Saccard op het ministerbal
uitermate schoon. Worms had de vijftigduizend francs op afrekening
aangenomen, zij kwam uit de geldverlegenheid te voorschijn als een
pas herstellende zieke, met een vroolijk lachje.
Toen zij de salons doorschreed, in haar rose satijnen japon met
langen sleep Louis XIV, met hooge witte kant afgezet, verhief zich
een gemompel van bewondering, de mannen verdrongen zich om haar
te zien. En de intieme vrienden bogen, met een bescheiden lachje
van verstandhouding, hulde brengend aan die mooie schouders, die
het geheele officiëele Parijs zoo goed kende, die de steunpilaren
waren van het keizerrijk. Zij had zich met zoo'n minachting voor
de onbescheiden blikken gedecolleteerd, zij liep zoo kalm en zoo
lieftallig in haar naaktheid, dat het bijna niet meer onbetamelijk was.
Eugène Rougon, de groote staatsman, die voelde dat deze ontbloote
boezem nog welsprekender was dan zijn stem in de Kamer, zachter en
overredender om al het aangename van de tegenwoordige regeering te
doen genieten en de twijfelaars te overtuigen, ging zijn schoonzuster
een complimentje maken over haar gelukkige stoutmoedigheid om haar
keurslijf twee duim dieper te laten uitsnijden.
Bijna het heele Wetgevende lichaam was aanwezig, en de manier waarop de
afgevaardigden de jonge vrouw aanzagen, gaf den minister gegronde hoop
op een prachtig succès, als den volgenden dag de netelige kwestie van
de leeningen der stad Parijs ter tafel zou komen. Het was in zijn oog
een onmogelijkheid te stemmen tegen zijn gezag, dat in de vruchtbare
aarde der millioenen een bloem liet groeien als deze Renée, een zoo
vreemde bloem die op de zinnen werkte, met haar vleesch zoo glanzend
als zijde, haar naaktheid als van een beeld, een levend genot dat
een zoeten geur van vermaak achter zich naliet.
Maar wat het heele bal deed fluisteren, dat was het halssnoer met
de haarnaald. De mannen herkende die sieraden. De vrouwen maakten er
elkander opmerkzaam op, ter sluiks met een blik. Er werd den heelen
avond over niets anders gesproken. En de salons, schitterend verlicht
door de gaskronen, waren gevuld met een flonkerende menigte, als een
hoop sterren, die in een te nauwen hoek gevallen zijn.
Tegen één uur verdween Saccard. Hij had van het succès zijner vrouw
genoten als een man, die in een handigen toer geslaagd is. Hij had
zijn krediet al weer op hechter grondslagen gevestigd. Een dringende
zaak riep hem naar Laure d'Aurigny, hij verzocht Maxime Renée na
afloop van het bal naar huis te geleiden.
Maxime bracht den avond heel zedig naast Louise de Mareuil door; zij
hielden elkander bezig met allerlei kwaad te spreken van de vrouwen
die voorbij gingen. En als zij een dwaasheid gevonden hadden, die de
reeds opgenoemde nog overtrof, proestten zij het achter hun zakdoek
van lachen uit.
Renée moest den jongen man om zijn geleide komen vragen, toen zij de
salons wilde verlaten. In het rijtuig was zij opgewonden vroolijk, zij
trilde nog van de bedwelming van het licht, de geuren en de drukte om
haar heen. Zij scheen de dwaasheid van den boulevard, zooals Maxime het
noemde, geheel vergeten te hebben. Zij vroeg hem op zonderlingen toon:
--Ze is dus erg grappig, die kleine gebochelde Louise?
--O, dolgrappig.... antwoordde de jonge man, nog lachend. Je hebt
zeker wel de hertogin de Sternich gezien, met een gelen vogel in het
haar?.... Verbeeld je, die Louise beweert, dat het een mechanieke
vogel is, die klapwiekt en alle uren koekoek! koekoek! tegen den
armen hertog roept.
Renée vond deze grap van het vroegwijze juffertje heel komiek. Toen
zij thuis gekomen waren en Maxime afscheid wilde nemen, zei zij:
--Kom je niet boven? Céleste heeft zeker een avondmaal klaargemaakt.
Hij ging naar boven, met zijn gewone achteloosheid. Boven gekomen,
vonden zij geen maaltijd gereed, en Céleste was naar bed. Renée moest
de kaarsen van een driearmigen kandelaar aansteken. Haar hand beefde
een beetje.
--Die malle meid heeft me zeker weer verkeerd begrepen.... Ik zie
geen kans me heelemaal alleen uit te kleeden.
Zij ging in haar kleedkamer. Maxime volgde haar heel bedaard, alsof
hij wat laat bij een vriend gebleven was; hij zocht zijn sigarenkoker
al om een havanna op te steken, en was juist van plan haar een nieuwe
grap van Louise te vertellen, die hem net te binnen schoot. Maar
nauwelijks had zij den kandelaar neergezet, of zij keerde zich om en
liet zich zwijgend in de armen van den jongen man vallen, haar mond
op den zijnen drukkend.
De particuliere vertrekken van Renée waren een wonder van kokette
weelde, een nestje van zijde en kant. Een heel klein boudoir grensde
aan de slaapkamer. De beide kamers vormden er samen slechts een,
of wel het boudoir was slechts een voorportaal van de kamer,
een groote alkoof, met luierstoelen voorzien, zonder deuren, door
een dubbele portière afgesloten. Beide kamers waren behangen met
vlaskleurige, doffe zijde, met groote bouquetten rozen, witte seringen
en boterbloemen. De gordijnen en portières waren van Venetiaansche
guipure, op een zijden voering van beurtelings grijze en rose banen.
In de slaapkamer werd de aandacht al dadelijk getrokken door den
witmarmeren schoorsteen, een echt pronkstuk; hij was ingelegd met
lazuursteen en kostbaar mozaïekwerk, de rozen, witte seringen en
boterbloemen van het behangsel weergevende.
Een groot grijs en rosekleurig bed, welks houtwerk geheel onzichtbaar
was door de gecapitonneerde stof, en dat met het hoofdeinde tegen den
muur stond, vulde de halve kamer met zijn overvloed van draperieën,
guipures en met bouquetten gebrocheerde zijden gordijnen, die van de
zoldering tot op het tapijt afhingen. Het leek wel een vrouwenkleed,
afgerond, uitgesneden, met doffen, strikken en strooken; en dat
groote gordijn, dat bol stond, als een vrouwenrok, deed denken aan een
groote minnares, die half in onmacht op de kussens neerzinkt. Onder
de gordijnen was het een heiligdom, fijn geplooid linnen, sneeuwwitte
kant, allerlei fijne doorschijnende zaken, die in een geheimzinnig
halfduister verscholen lagen.
Naast het monumentale bed, welks ruimte deed denken aan een kapel, die
voor het een of andere feest versierd is, zonken de andere meubelen in
het niet; lage stoeltjes, een psyché van twee meter hoogte, meubelen
met een menigte laadjes.
Op den grond lag een blauwgrijs tapijt, met bleeke, half ontbladerde
rozen bezaaid. En aan weerszijden van het bed, lagen twee groote,
zwarte berevachten, met rose fluweel omzoomd en met zilveren klauwen,
wier naar het venster gekeerde koppen met glazen oogen in de ledige
ruimte staarden.
In die kamer heerschte een zachte harmonie, een gedempte stilte. Geen
te scherpe toon, geen weerschijn van metaal of helder blinkend
verguldsel, klonk in den droomerigen zang van het rose en het
grijs. Het schoorsteengarnituur, de lijst van den spiegel, de pendule,
de kandelaartjes, waren van oud sèvres-porcelein, dat ternauwernood
het vergulde koper van het montuur deed zien. Dat garnituur was een
prachtstuk, vooral de pendule, met haar krans van bolwangige cupido's,
die neerdaalden en zich over de wijzerplaat heen bogen, als een
troepje naakte bengels, die spotten met den snellen loop der uren.
Die zachte weelde, die kleuren en voorwerpen, die Renée's oogen
streelden door hun teerheid en vroolijkheid, brachten daar een
schemerlicht, het halfduister van een alkoof waarvan men de gordijnen
heeft dichtgetrokken. Het scheen alsof het bed zich verlengde, of de
geheele kamer één groot bed was, met haar kleeden, haar berevachten,
haar gecapitonneerde stoelen, haar gevulde behangsels, die de
mollige zachtheid van den grond langs de muren tot aan het plafond
voortzetten. En evenals in een bed, liet de jonge vrouw daar op al die
zaken den indruk, de warmte, den geur van haar lichaam achter. Wanneer
men de dubbele portière van het boudoir openschoof, scheen het als
of men een zijden sprei oplichtte, of men in een groot, nog klamwarm
bed kwam, waar men op de fijne lakens, de verrukkelijke vormen,
den sluimer en de droomen van een dertigjarige Parisienne terugvond.
Een aangrenzende kamer, de garderobe, met oud Perzisch sits behangen,
stond rondom vol kasten van rozenhout, waarin een onmogelijk
aantal japonnen hingen. Céleste ging heel methodisch te werk; zij
rangschikte de japonnen naar anciënniteit, nummerde ze, bracht de
rekenkunst te midden der gele of blauwe grillen van haar meesteres,
hield de garderobe stemmig als een sacristie en zindelijk als een
groote paardenstal. Er stond geen enkel meubelstuk in en geen lapje
stof slingerde er over den vloer; de paneelen der kasten blonken,
koud en netjes, als de gelakte paneelen van een coupé.
Maar het bewonderenswaardigste van alles, de kamer waarvan geheel
Parijs den mond vol had, was de toiletkamer. Men zei: "de toiletkamer
van de mooie mevrouw Saccard," zooals men zei: "De spiegelgalerij
te Versailles." Dit kabinet bevond zich in een van de torentjes van
het hôtel, juist boven het goudgele salon. Wanneer men er binnentrad,
dacht men aan een groote, ronde tent, een feeëntent, door een verliefde
krijgsheldin, midden in haar droomen, opgericht.
In het midden van het plafond hield een geciseleerd zilveren kroon de
banen van de tent, die met een bocht naar de muren liepen, vanwaar zij
recht tot op den vloer neerdaalden. Die banen, dat rijke behangsel,
waren gemaakt van rose zijde, overtrokken met zeer dun neteldoek, met
groote plooien op gelijke afstanden; die plooien werden gescheiden
door een guipure tusschenzetsel, en kunstig ineengedraaide staafjes
liepen van de kroon langs het behangsel, aan weerszijden van ieder
tusschenzetsel. Het grijs-rose van de slaapkamer werd hier lichter,
een wit-rose, een naakt vleesch. En onder dat priëel van kant, onder
die gordijnen die van het heele plafond niets zichtbaar lieten dan
een blauwachtige opening in de kroon, waar Chaplin een lachenden
Amor geschilderd had, die den pijl tot schieten gereed hield, zou
men zich in een prachtige byouteriedoos gewaand hebben, van groote
afmetingen, niet meer gemaakt voor den glans van een diamant, maar
voor de naaktheid eener vrouw.
Het kleed was sneeuwwit, zonder de minste bloemen. Een spiegelkast,
waarvan de twee paneelen met zilver waren ingelegd; een luierstoel,
twee poufs, tabouretten van wit satijn, een groote toilettafel met
rose marmeren blad, waarvan de pooten onder strooken en neteldoek
en guipure verdwenen, meubelden de kamer. Het kristalwerk van de
toilettafel, de glazen, de vazen, de waschkom, waren van oud boheemsch
glas, rose en wit geaderd. Er was nog een andere tafel, met zilver
ingelegd evenals de spiegelkast, waar de toilet-instrumenten lagen,
een zonderlinge verzameling, die een aanzienlijk aantal werktuigjes
bevatte waarvan men het doel niet begreep, rugkrabbers, vijlen van
allerlei grootte en vorm, rechte en gebogen schaartjes, alle soorten
van tangetjes en spelden. Ieder van die voorwerpen van zilver en ivoor,
droeg Renée's naamcijfer.
Maar de kamer had een heerlijk hoekje, en dat hoekje vooral maakte
er den grootsten roem van uit. Tegenover het venster openden zich de
banen der tent en lieten in een lange, ondiepe soort van alkoof een
badkuip bespeuren, een kom van rose marmer, diep in den vloer, wier
uitgeschulpte randen gelijk met het kleed kwamen. Men daalde langs
marmeren treden in de badkuip af. Boven de zilveren kraantjes in den
vorm van zwanenhalzen, besloeg een spiegel van Venetiaansch glas,
aan de randen ingesneden en zonder lijst, met matte teekeningen in
het kristal, de achterzijde van de alkoof.
Iederen morgen nam Renée een bad van enkele minuten. Dat bad vulde
den geheelen dag de kamer met een vochtige geur van frisch, nat
vleesch. Soms kwam daar nog een scherpere geur bij, wanneer een
fleschje ontkurkt was gebleven of een stuk zeep niet was opgeborgen.
De jonge vrouw bleef daar gaarne, bijna geheel naakt, tot twaalf
uur. Die rose badkuip, die rose tafels en waschkommen, dat neteldoek
van de zoldering en de muren, waaronder men een rosekleurig bloed
meende te zien stroomen, nam de rondingen van vleesch, rondingen van
schouders en boezems aan; en naar gelang van het invallende daglicht,
leek het op de sneeuwwitte huid van een kind of op de warme huid van
een vrouw. Het was éen groote naaktheid. Wanneer Renée uit het bad
kwam, voegde haar blank lichaam slechts een beetje rose bij al dat
rose vleesch van de kamer.
Maxime hielp Renée ontkleeden. Hij had verstand van die dingen, en
zijn vlugge vingers rieden waar de spelden zaten, liepen met een
aangeboren kennis langs haar taille. Hij maakte haar kapsel los,
borg haar diamanten op, en kapte haar voor den nacht. En daar hij
bij zijn bezigheden als kamenier grappen en liefkoozingen voegde,
lachte Renée, terwijl de zijde van haar keurslijf kraakte en haar
rokken een voor een afgleden. Toen zij zich ontkleed zag, blies zij
de kaarsen van den kandelaar uit, sloeg haar armen om Maxime en droeg
hem bijna in haar slaapkamer. Het bad had haar zinnen geheel bedwelmd.
In haar koortsachtige opwinding dacht zij aan den dag van gisteren,
dien zij aan het hoekje van den haard had doorgebracht, dien dag van
brandende verdooving, van onbestemde, lachende droomen. Zij hoorde
nog de droge stemmen van Saccard en mevrouw Sidonie, die met het
neusgeluid van een deurwaarder getallen riepen. Die lui verveelden
haar, dreven haar tot de misdaad aan. En zelfs nu, terwijl zij zijn
lippen zocht, in dat groote donkere bed, zag zij Maxime nog midden in
den gloed van het haardvuur, met gloeiende blikken naar haar kijkend.
De jonge man ging eerst om zes uur heen. Zij gaf hem den sleutel van
het poortje, dat in het park Monceau uitkwam, en liet hem plechtig
belooven dat hij iederen avond terug zou komen. De toiletkamer stond
in verbinding met het gele salon door een dienstbodentrap in den muur,
die voor al de kamers in het torentje dienst deed. Uit het salon kwam
men gemakkelijk in de serre en van daar in het park.
Toen Maxime met het krieken van den dag, buiten in den dichten mist
kwam, was hij nog een beetje verbluft door zijn fortuintje. Hij nam
het trouwens aan, met zijn inschikkelijkheid van geslachtloos wezen.
--Ik kan het niet helpen, dacht hij, zij wil het.... Ze is verduiveld
mooi gevormd, en ze had gelijk, ze is tweemaal zoo aardig in bed
als Sylvia.
Zij hadden de eerste schrede op het hellende vlak, dat naar de
bloedschande leidde, reeds gezet toen Maxime in zijn versleten
schooljongenskiel Renée om den hals was gevallen en daarbij haar
soldatenjas gekreukt had. Van dat oogenblik af was hun omgang een lange
weg naar het verderf. De zonderlinge opvoeding die de jonge vrouw aan
het kind gaf; de vertrouwelijkheden die hen tot twee kameraads maakten;
later, de vroolijke gewaagdheid van hun wederzijdsche bekentenissen;
dat voortdurende samenzijn vormde eindelijk een zonderlingen band,
waarin de genoegens der vriendschap bijna vleeschelijke voldoeningen
werden.
Zij hadden zich al jaren lang aan elkander overgegeven, de
uiting van dierlijke drift was slechts de crisis van die onbewuste
liefdeziekte. In de dwaze wereld waarin zij leefden, was hun misslag
gegroeid als op een vette mest van onreine sappen, hij had zich
met een zonderlinge verfijning ontwikkeld, te midden van bijzondere
toestanden van zedelooze uitspattingen.
Toen de groote kales hen zachtjes door de lanen van het Bosch reed,
en zij elkander onkiesche dingen toefluisterden, uit hun kindsheid
de onbetamelijkheden ophalende, die zij instinctmatig deden, was dat
reeds een afwijking, een onbewuste bevrediging van hun begeerten. Zij
voelden zich eenigermate schuldig, alsof zij elkander aangeraakt
hadden; en zelfs die erfzonde, dat wellustige, matte gevoel dat hun
onbetamelijke gesprekken teweeg bracht, prikkelde haar nog aangenamer
dan werkelijke kussen.
Hun vriendschappelijke omgang werd aldus de langzame gang van twee
geliefden, die hen noodzakelijkerwijs eenmaal naar het kabinet
van het café Riche en het groote grijs-rose bed van Renée moest
leiden. Toen zij zich in elkanders armen bevonden, voelden zij den
schok van hun misdaad niet. Zij schenen oude gelieven, die in hun
kussen de herinnering aan vroegere liefkoozingen terugvonden. En
zij hadden zooveel uren in een nauwe aanraking van hun geheele wezen
doorgebracht, dat zij onwillekeurig over dat verleden spraken, dat
vol was van hun onbewuste liefdesbetuigingen.
--Weet je nog, dien dag dat ik in Parijs kwam, zei Maxime, droeg je
een alleraardigst kostuum; en met mijn vinger trok ik een hoek op je
borst, en ik ried je aan je zoo te decolleteeren dat het in een punt
uitliep. Ik voelde je huid onder het chemiset, en mijn vinger drukte
ze een beetje in..... Dat was een heerlijk gevoel.
Renée lachte, en met een kus fluisterde zij:
--Je was al een echte deugniet.... Wat hadden we een schik met je bij
Worms, weet je nog wel? We noemden je "ons mannetje". Ik heb altijd
gedacht dat de dikke Suzanne alles lijdzaam toegelaten zou hebben,
als de markiezin haar niet met woedende blikken had nagekeken.
--Ja, ja, we hebben heel wat pret gehad,.... antwoordde de jonge
man. Het portretalbum, niet waar? En dan onze tochtjes door Parijs,
onze snoeperijen bij den pasteibakker op den boulevard; weet je nog,
die aardbezietaartjes, waarvan je zooveel hield?.... Ik vergeet nooit
dien middag, waarop je me dat avontuur van Adeline in het klooster
vertelde, toen zij brieven schreef aan Suzanne, die zij als man
onderteekende: Arthur d'Espanet, en waarin zij haar voorstelde haar
te schaken.
De twee gelieven maakten zich nog vroolijk over die aardige
geschiedenis, toen ging Maxime met zijn vleiende stem voort:
--Toen je me aan het gymnasium met je rijtuig kwam afhalen, zullen
we er wel grappig uitgezien hebben.... Ik verdween onder je rokken,
zoo klein was ik.
--Ja, ja, stamelde zij, met een trilling van genot, den jongen man naar
zich toetrekkende, dat was heerlijk, zooals je zegt.... We hielden
van elkaar zonder het te weten, niet waar? Ik wist het eerder dan
jij. Toen we eens uit het bosch terugkwamen, streek ik met mijn voet
langs je been, dat gaf me opeens een schok.... Maar jij merkte niets,
hè? je dacht niet aan me?
--Ja, zeker, antwoordde hij een beetje verlegen. Maar ik wist niet,
begrijp je.... Ik dorst niet.
Dat was een leugen. De gedachte om Renée te bezitten was nooit
duidelijk bij hem opgekomen. Hij had haar met al zijn verdorvenheid
aangeroerd, zonder haar werkelijk te begeeren. Hij had te weinig
wilskracht voor die poging. Hij nam Renée omdat zij zich aan hem
opdroeg, en omdat hij in haar bed gleed, zonder het te willen,
zonder het te voorzien. Toen hij er in gerold was, bleef hij er,
omdat het er warm was, en omdat hij in alle gaten bleef, waar hij
in viel. In den beginne werd zijn eigenliefde zelfs gestreeld. Het
was de eerste getrouwde vrouw die hij bezat. Hij dacht er niet aan,
dat de echtgenoot zijn vader was.
Maar Renée legde in haar misdaad al den gloed van een verdorven
hart. Zij was ook op de helling afgegleden, met dit verschil, dat
zij niet als een krachtelooze klomp vleesch tot het einde toe gerold
was. De begeerte was te laat in haar ontwaakt om ze nog te bestrijden,
toen de val onvermijdelijk werd. Die val verscheen haar plotseling,
als een noodzakelijk gevolg van haar verveling, als een zeldzaam,
hoogst genot, dat alleen in staat was haar verzadigde zinnen, haar
gewond hart te doen herleven.
Gedurende dien herfstrit, in het schemerdonker, toen het Bosch
insluimerde, kwam de gedachte aan de bloedschande onbestemd bij
haar op, als een kitteling die haar een onbekende rilling over de
huid liet gaan, en 's avonds, in den halven roes van het diner,
onder den prikkel der jaloerschheid, nam die gedachte duidelijker
vormen aan, verhief zich in gloeiende trekken voor haar, te midden
der brandendwarme serre, tegenover Maxime en Louise.
Toen wilde zij dat kwaad, dat kwaad dat niemand bedrijft, dat haar
ledig bestaan zou opvullen en haar eindelijk in die hel zou brengen,
waarvoor zij nog altijd dezelfde vrees had, als toen zij nog een
klein meisje was.
Den volgenden morgen wilde zij weer niet meer, onder een vreemde
gewaarwording van wroeging en afgematheid. Het leek haar toe of zij
reeds gezondigd had, dat het niet zoo heerlijk was als zij gedacht had,
dat het toch eigenlijk al te schandelijk was.
De crisis moest noodzakelijk komen, uit zichzelve komen, buiten die
twee wezens om, die kameraads die voorbestemd waren zich op een avond
te vergissen, zich te paren, terwijl zij dachten elkander de hand te
drukken. Maar na dien dwazen val, begon zij weer te mijmeren over een
naamloos genoegen, en toen nam zij Maxime weer in haar armen, benieuwd
naar hem, benieuwd naar de wreede genietingen van een liefde, die
zij als een misdaad beschouwde. Haar wil aanvaardde de bloedschande,
eischte ze, was voornemens er ten einde toe van te genieten, tot aan
de wroeging, zoo die ooit kwam.
Zij was de handelende, zelfbewuste persoon. Zij beminde met de
vervoering van een dame der groote wereld, de ongeruste vooroordeelen
eener burgervrouw, met al den strijd, de vreugde en de walging van
een vrouw die onder gaat in een minachting voor zichzelve.
Maxime kwam iederen nacht terug. Hij kwam door den tuin, tegen éen
uur. Meestal wachtte Renée hem in de serre, die hij moest doorgaan om
in het kleine salon te komen. Zij waren overigens uiterst onbeschaamd,
zij verborgen zich ternauwernood en vergaten de gewoonste voorzorgen
van overspeligen. Het is waar, dat dit hoekje van het huis hun
geheel toebehoorde. Baptiste, de kamerdienaar van den echtgenoot,
had alleen het recht daar door te dringen, en Baptiste, altijd even
deftig, verdween zoodra zijn diensten niet meer noodig waren. Maxime
beweerde zelfs lachend, dat hij zich afzonderde om zijn gedenkschriften
te schrijven.
Op een avond, toen Maxime juist binnengekomen was, maakte Renée hem er
door een blik opmerkzaam op hoe plechtstatig Baptiste door het salon
liep, met een blaker in de hand. De groote kamerdienaar, met zijn
ministershouding, in het gele licht der waskaars, zette dien avond
een strenger, deftiger gezicht dan gewoonlijk. Zich vooroverbuigende,
zagen de gelieven hem de kaars uitblazen en zich naar de stallen
begeven, waar de paarden en de palfreniers sliepen.
--Hij doet de ronde, zei Maxime.
Renée huiverde onwillekeurig. Baptiste maakte haar altijd ongerust. Zij
beweerde soms dat hij de eenige rechtschapen man uit het heele
huis was, met zijn koelheid, zijn heldere blikken, die nooit op de
schouders der vrouwen bleven rusten. Zij begonnen toen een beetje
voorzichtiger te worden. Zij sloten de deuren van het kleine salon en
konden zóó rustig genieten van het salon, de serre en de vertrekken
van Renée. Dat was een heele wereld. Zij genoten er de eerste maanden
de meest verfijnde, de gezochtste genietingen. Zij brachten hun liefde
van het groote grijs-roode bed in de slaapkamer naar de rose en witte
naaktheid van de toiletkamer en naar de symphonie in geel mineur van
het kleine salon over. Iedere kamer, met haar bijzonderen geur, haar
behangsel, haar eigen leven, gaf hun een andere teederheid, maakte van
Renée een andere minnares: zij was delicaat en lief in haar deftig,
gecapitonneerd bed, in die aristocratische kamer, waarin de liefde
een zweem van goeden smaak kreeg; onder de vleeschkleurige tent,
te midden der geuren en de vochtige lucht van de badkuip, vertoonde
zij zich als een grillig, zinnelijk meisje, zich overgevende bij het
verlaten van het bad, en zoo had Maxime haar het liefst; en beneden,
in den helderen zonsopgang van het kleine salon, te midden van dat
morgenlicht dat haar haren goudgeel deed schijnen, werd zij een godin,
met haar blonde Diana-hoofd, haar bloote armen die kuische houdingen
aannamen, haar zuivergevormd lichaam, dat op de causeuses edele lijnen
van een antieke bevalligheid vertoonde.
Maar er was één plaats waarvoor Maxime bijna bang was, waar Renée hem
slechts heenbracht in haar booze dagen, wanneer zij behoefte had aan
een scherper prikkeling. Dan beminden zij in de serre. Daar genoten
zij de bloedschande.
Op zekeren nacht, in een van die buien, had de jonge vrouw verlangd dat
haar minnaar een van de zwarte berenhuiden ging halen. Toen waren zij
op dien inktkleurigen pels gaan liggen, aan den rand van de waterkom,
in het groote ronde gangpad.
Buiten vroor het geducht, bij een helderen maneschijn. Maxime was
rillend teruggekomen, met bevroren ooren en vingers. De serre was zoo
gloeiend warm, dat hij op de berenhuid zijn bewustzijn verloor. De
overgang van de scherpe koude in de hitte van de serre was zoo groot,
dat hij een stekende pijn voelde, alsof hij met roeden geslagen werd.
Toen hij weer bijkwam, zag hij Renée, voorovergebogen op de knieën
liggen, met starende oogen, een dierlijke houding die hem vrees
aanjoeg. Met hangende haren en ontbloote schouders, leunde zij op
haar vuisten, met uitgerekten hals, als een groote kat met glimmende
oogen. Op den rug liggende, zag de jonge man boven de schouders
van dat mooie verliefde dier dat hem aankeek, dien marmeren sphinx,
wiens glinsterende dijen door de maan beschenen werden.
Renée had de houding en den glimlach van dat monster met zijn
vrouwenhoofd; met haar losgemaakte rokken, scheen zij de witte
zuster van dien zwarten god. Maxime bleef lusteloos. De warmte was
verstikkend, een drukkende warmte, die niet als een regen van vuur
uit de lucht neerdaalde, maar die langs den grond bleef hangen,
als een ongezonde uitwaseming, waarvan een nevel opsteeg, als een
onweerzwangere wolk. Een warme vochtigheid bedekte de gelieven met
een dauw van zweetdroppels.
Geruimen tijd bleven zij onbewegelijk en zwijgend in dat bad van
heete lucht, Maxime krachteloos ter aarde, Renée trillend op haar
polsen als op buigzame, gespierde kniegewrichten. Door de ruitjes
van de serre zag men een stukje van het park Monceau, boomgroepen
met hun zwarte, kale takken, grasperken wit als bevroren meren,
een geheel dood landschap, waarvan de effen, heldere tinten aan een
Japansche gravure deden denken. En dat plekje brandend heete aarde,
dat gloeiend bed waarop de gelieven zich uitstrekten, vertoonde een
zonderlinge bruising te midden van die stille, koude eenzaamheid.
Het was een nacht van dollen hartstocht. Renée was de man, de vurige,
handelende wil; Maxime de lijdende. Dat geslachtlooze wezen, die
knappe blonde jongen die al sinds zijn kinderjaren in zijn manbaarheid
gekwetst was, werd in de armen van die nieuwsgierige jonge vrouw een
groot meisje, met zijn gladde ledematen, zijn bevallige tengerheid
als van een romeinschen knaap. Hij scheen geboren en opgegroeid voor
een ontaarding van den wellust.
Renée vond genot in haar overheersching, zij boog dat schepsel, wiens
geslacht nog altijd weifelde, onder haar hartstocht. Hij was voor haar
een voortdurende verbazing, een verrassende prikkeling der zinnen;
hij gaf haar een zonderling gevoel van onbehagelijkheid en van sterk
genot. Zij wist niet meer wat zij er van denken moest; met een gevoel
van twijfel kwam zij telkens weer terug naar zijn fijne huid, zijn
gevulden hals, zijn gewillige overgave en zijn bezwijmingen. Dat gaf
haar eindelijk een volheid van genot. Maxime, die nieuwe aandoeningen
in haar opwekte, vulde haar opzienwekkende toiletten, haar verbazende
weelde, haar buitensporige levenswijs aan. Hij schonk haar die overmaat
van wellust, die zij onbewust begeerd had. Hij was de minnaar, die
bij de dwaasheden van dien tijd paste.
Die knappe jongeman, wiens tengere vormen door zijn kleeding heen
uitkwamen, dat mislukte meisje, dat op de boulevards rondwandelde,
het haar in het midden gescheiden, met een fatterig lachje, werd in
de handen van Renée een van die verslimmeringen van ontucht, die op
zekere tijden, in een verrotte maatschappij, het vleesch uitputten
en den geest krank maken.
In de serre vooral was Renée de man. De hartstochtelijke nacht, dien
zij daar doorbrachten, werd door verscheidene andere gevolgd. De serre
beminde, gloeide met hen mee. In de zwoele lucht, bij het zilverwitte
schijnsel der maan, zagen zij de zonderlinge plantenwereld die hen
omringde, zich verward bewegen, omhelzingen wisselen. De berenhuid
besloeg het geheele pad.
Aan hun voeten dampte de waterkom, waar het krioelde van dicht
ineengeslingerde wortels, terwijl de zachtroode ster der nymphea's
zich aan de oppervlakte opende, als het keurslijf eener maagd,
en de tornelia's haar luchtwortels lieten hangen, als het haar van
onmachtige Nereïden.
Rondom hen verhieven de palmen, de groote Indische bamboes hun toppen
tot aan het boogvormige dak, waar zij zich voorover bogen en hun
bladeren dooreen mengden, met de wankelende houding van vermoeide
gelieven. Meer omlaag waren de varens, de pteriden en alsophila's,
als groene dames, met haar breede rokken met regelmatige strooken
gegarneerd, die zwijgend en onbewegelijk aan de kanten van het pad op
den geliefde wachtten. Daarnaast vormden de roodgevlekte, omgekrulde
bladeren der begonia's, en de lansvormige witte bladeren der Caladiums
een reeks van kneuzingen en witte plekken, waaraan de gelieven geen
naam wisten te geven, waarin zij soms de rondingen van heupen en
knieën meenden te zien, onder ruwe, bloedige liefkoozingen ter aarde
geworpen. En de bananen, die bogen onder hun vruchtentrossen, spraken
hun van de vruchtbaarheid der vette aarde, terwijl de Abyssinische
euphorbia's, wier stekelige kaarsen zij in de schemering ontwaarden,
wanstaltig en vol stekelige bulten, hun toeschenen den overvloed van
levenssappen uit te zweeten.
Maar naarmate hun blikken dieper in de hoeken der serre doordrongen,
vulde de duisternis zich met een woester ongebondenheid van bladeren
en stengels; zij konden de fluweelzachte maranta's, de gloxinia's
met haar paarse kelken, de dracaena's die op de planken stonden,
niet meer onderscheiden; het was een kring van levende planten,
die elkander met onverzadelijke liefkoozingen achtervolgden. In de
vier hoeken, waar de dichte gordijnen der slingerplanten priëelen
afscheidden, waren de buigzame loten der vanillestruiken, Levantsche
bessen, quisquallen en bauhinia's de eindelooze armen van onzichtbare
verliefden, die hun omhelzing wijd uitstrekten, om al die verspreide
genietingen te omvatten. Die eindelooze armen hingen vermoeid neer,
strengelden zich krampachtig ineen, zochten elkander, slingerden
zich ineen, als om zich te paren. Het was de ontzaglijke paring der
serre, van dat stukje maagdelijk woud, waarin de tropische gewassen
zoo welig groeiden.
Maxime en Renée voelden zich meegesleept door dien machtigen bruiloft
der aarde.
Door de berenhuid heen brandde de grond hen in den rug, en van de
hooge palmen drupte de warmte op hen neer. Het sap dat in de planten
opsteeg, drong ook in hen door, gaf hun een razende begeerte naar
onmiddellijken wasdom, naar reusachtige voortbrenging. Zij werden
ook bevangen door de geslachtsdrift der serre.
In het bleeke maanlicht werd hun geest beneveld, kregen zij vizioenen
en kwade droomen, waarin zij getuigen waren van het mingenot der palmen
en der varens; de bladeren kregen vage, dubbelzinnige vormen, waarin
hun begeerten wellustige beelden meenden te zien; uit de boschjes
kwamen murmelende, fluisterende geluiden; kwijnende stemmen, zuchten
van verrukking, onderdrukte kreten van pijn, verwijderd gelach, al wat
hun eigen kussen verklapt hadden en de echo naar hen terugzond. Soms
dachten zij dat de grond onder hen trilde, alsof de aarde zelve,
in de crisis der verzadiging, in wellustige snikken was uitgebarsten.
Ook al hadden zij de oogen gesloten, al hadden de verstikkende warmte
en het bleeke licht hun geest niet verbasterd, dan zouden toch de
geuren voldoende zijn geweest om een buitengewone prikkeling op
hun zenuwen uit te oefenen. De waterkom verspreidde een vochtigen,
scherpen geur, waarin alle geuren der planten en gewassen vermengd
waren. Nu en dan zong de vanille met het gekir van een houtduif; dan
kwamen de ruwe tonen der stanhopea's wier gestreepte monden de sterke,
scherpe lucht van herstellende zieken uitademden. De orchideeën, in
haar bloemkorven aan ijzeren kettinkjes, verspreidden haar uitwaseming
als levende wierookvaten.
Maar de geur die boven alles merkbaar was, de geur waarin al die vage
zuchten samensmolten, was een menschengeur, een geur van liefde, dien
Maxime herkende als hij Renée's hals kuste, als hij zijn hoofd in
haar losse haren begroef. En zij bleven bedwelmd door dien geur van
een minnende vrouw die in de serre bleef hangen, als in een alkoof,
waar de aarde vruchten voortbracht.
Gewoonlijk legden de gelieven zich neder onder de tanghinia van
Madagascar, onder dien vergiftigen struik, waarvan de jonge vrouw
een blad in den mond had genomen. De witschemerende gestalten der
beelden in het rond lachten, bij het zien van de enorme paring der
gewassen. De stijgende maan verplaatste de groepen, bezielde het
tooneel met haar veranderend licht.
En zij waanden zich duizend mijlen van Parijs verwijderd, ver van
dat alledaagsche leven van het Bosch en de officiëele salons, in een
hoekje van een Indisch woud, van een monsterachtigen tempel, waarvan
de zwartmarmeren sphinx de god werd. Zij voelden zich afglijden naar
de misdaad, naar de vervloekte liefde, naar een mingenot van wilde
dieren. Die voortwoekering die hen overal omringde, dat verwarde
gewemel in de kom, die onkuische naaktheid der bladeren, dat alles
wierp hen in de Dantische hel van den hartstocht.
In die glazen kooi, waar het gistte en bruiste in een zomersche hitte,
in de felle koude der Decembermaand, smaakten zij de bloedschande,
als de misdadige vrucht van een sterk verwarmde aarde, met een stille,
onuitgesproken vrees voor hun schrikaanjagende ligplaats.
En midden op de zwarte huid vertoonde zich het blanke lichaam van
Renée, als een neergehurkte groote kat, met uitgestrekten hals en
gespannen polsspieren, als buigzame, gespierde kniegewrichten. Zij
was opgezwollen van wellust, en de heldere lijnen van haar schouders
en lendenen, staken met eene katachtige scherpte af tegen de inktvlek
die het vacht op het gele zand van het gangpad wierp.
Zij beloerde Maxime, die prooi die onder haar lag, die zich overgaf,
dien zij geheel bezat. En van tijd tot tijd boog zij zich plotseling
neer, en kuste hem onstuimig. Dan opende haar mond zich met den
begeerigen, bloedigen glans van den Chineeschen hibiscus, wiens
overvloed van groen de geheele muurvlakte besloeg. Zij was niets
meer dan een gloeiende dochter der serre. Haar kussen bloeiden en
verwelkten, als de roode bloemen van de groote malve, die hoogstens
enkele uren duren, en die telkens weer opnieuw verschijnen, als de
gekneusde, onverzadelijke lippen van een reusachtige Messalina.