III.

Maxime bleef tot de vacantie van 1854 op het gymnasium van

Plassans. Hij was dertien jaar en enkele maanden en had de vijfde

klasse doorloopen. Toen besloot zijn vader hem naar Parijs te laten

komen. Hij dacht dat een zoon van dien leeftijd hem iets geposeerds

zou geven, hem zou bevestigen in zijn rol van hertrouwden, rijken en

ernstigen weduwnaar.

Toen hij zijn voornemen te kennen gaf aan Renée, jegens wie hij altijd

uiterst galant was, gaf zij op achteloozen toon ten antwoord:

--Dat is goed, laat den jongen komen.... Hij zal ons een beetje

opvroolijken. 's Morgens is het hier doodelijk vervelend.

De jongen kwam een week later. Het was een lange, tengere jongen,

met een vrijpostig meisjesgezicht; lichtblond en fijn gebouwd. Maar,

goede hemel, hoe was hij toegetakeld! Zijn haar was zoo kort geknipt,

dat de huid ternauwernood met een lichte schaduw bedekt was; hij droeg

een te korte broek, schoenen als een vrachtrijder, een vreeselijk

afgesleten kiel, die zoo wijd was dat hij een bult leek te hebben.

Zoo uitgedost keek hij verbaasd over al het nieuws dat hij zag,

om zich heen, zonder eenige beschroomdheid, met het schuwe, slimme

voorkomen van een vroegrijp kind, dat in beraad staat of het zich

wel dadelijk zal overgeven.

Een knecht had hem van het station gehaald, en hij stond in het

groote salon, verrukt over het verguldsel van de meubelen en het

plafond, erg in zijn schik met die weelde waarin hij voortaan zou

leven, toen Renée, die van haar kleermaker kwam, als een wervelwind

binnenstormde. Zij wierp haar hoed neer, op den witten mantel, dien

zij omgeslagen had om zich tegen de scherpe koude te beschutten. Zij

stond daar eensklaps voor Maxime, die in stomme bewondering toekeek,

in al den glans van haar prachtig kostuum.

De knaap dacht, dat zij verkleed was. Zij droeg een prachtigen blauwen

rok, met breede strooken, daarover had zij een soort soldatenjas van

lichtgrijze zijde aangedaan. De panden der jas, die met satijn van

een donkerder blauw dan de stof der japon gevoerd was, waren sierlijk

opgenomen en vastgehouden door strikken van lint; de opslagen der

gladde mouwen, de groote omslagen van het keurslijf liepen breed uit

en waren met hetzelfde satijn gegarneerd. En om de kroon op dit alles

te zetten, had zij iets heel origineels gewaagd; groote knoopen,

imitatie van safier, in azuurblauwe rozetten gevat, liepen in twee

rijen langs de geheele jas. Het was leelijk, en toch verrukkelijk.

Toen Renée Maxime opmerkte, was zij verbaasd dat hij even groot was

als zij.

--Dat is de kleine, niet waar? vroeg zij den knecht.

De knaap verslond haar met zijn blikken. Die dame met haar blanke huid,

wier borst men zien kon door de gaping van een geplisseerd chemisette;

die plotselinge, bekoorlijke verschijning met haar hooge kapsel,

haar fijne geganteerde handen, haar kleine heerenlaarsjes, waarvan

de spitse hakken in het tapijt verzonken, bracht hem in verrukking,

scheen hem de goede fee toe van dit warme, schitterende vertrek. Hij

glimlachte even en was juist linksch genoeg om zijn jongensachtige

bevalligheid te behouden.

--Wel, hij is heel aardig! riep Renée uit.... Maar hoe

afschuwelijk! Wat is zijn haar kort geknipt!.... Luister eens, beste

jongen, je vader zal zeker pas tegen etenstijd thuis komen, dus ik

zal je van alles op de hoogte moeten brengen.... Ik ben je stiefmama,

jongmensch. Wil je me een zoen geven?

--Wat graag, antwoordde Maxime ronduit.

En hij zoende de jonge vrouw op beide wangen, terwijl hij haar bij

de schouders vatte, waardoor haar soldatenjas een beetje gekreukt

werd. Zij maakte zich lachend los en zei:

--Goede hemel, wat een grappige jongen is die kleine kaalkop!....

Zij kwam weer naar hem toe, met meer ernst.

--We zullen vrienden zijn, niet waar ?.... Ik wil een moeder voor

je zijn. Ik dacht er over, terwijl ik op mijn kleermaker wachtte,

die met een ander in gesprek was, en ik nam mij voor heel goed voor

je te zijn en je een goede opvoeding te geven.... Dat zal prettig zijn!

Maxime bleef haar aankijken, met zijn blauwe, vrijpostige meisjesoogen,

en plotseling vroeg hij:

--Hoe oud bent u?

--Maar dat vraagt men nooit! riep zij uit, de handen in elkaar slaande.

Hij weet dat nog niet, die arme jongen! Ik zal hem alles moeten

leeren.... Gelukkig kan ik nog voor mijn leeftijd uitkomen. Ik ben

een en twintig.

--Ik ben gauw veertien.... U zou mijn zuster kunnen zijn.

Hij sprak niet verder, maar zijn blik voegde er bij dat hij zich de

tweede vrouw van zijn vader veel ouder voorgesteld had. Hij stond

vlak naast haar, hij keek met zooveel aandacht naar haar hals, dat zij

bijna begon te blozen. Haar dwaas hoofd kon zich echter niet lang bij

hetzelfde onderwerp bepalen; zij liep heen en weer en begon over haar

kleermaker te praten, er niet aan denkende dat zij tot een kind sprak.

--Ik was wel graag thuis gebleven om je te ontvangen. Maar verbeeld

je, Worms brengt me van morgen dit kostuum.... Ik pas het en ik vind

het nog al goed uitgevallen. Hij heeft veel smaak, vind je niet?

Zij was voor een spiegel gaan staan. Maxime draaide om haar heen,

om haar van alle kanten te bekijken.

--Maar, ging zij voort, toen ik de jas aantrok, merkte ik dat er daar

op den linker schouder, zie je, een diepe plooi viel.... Die plooi

staat heel leelijk, 't is net of mijn ééne schouder hooger is dan

de ander.

Hij was naderbij gekomen, hij streek met den vinger over de plooi als

om haar plat te maken, en zijn kwajongenshand scheen met een zeker

welgevallen op dat plekje te blijven rusten.

--Ik kon het niet langer uitstaan. Ik heb in laten spannen en ik ben

aan Worms gaan zeggen wat ik van zoo'n onbegrijpelijke lichtzinnigheid

dacht.... Hij beloofde me het te laten veranderen.

Daarop bleef zij voor den spiegel staan, zichzelve bekijkende, en

begon toen plotseling over iets na te denken. Eindelijk legde zij

een vinger op den mond, met een air van peinzend ongeduld. En heel

zachtjes, alsof zij in zichzelve sprak:

--Er mankeert iets aan.... er mankeert stellig iets aan....

En toen keerde zij zich snel om, plaatste zich voor Maxime en

vroeg hem:

--Vind je het zoo heusch goed?.... Vind je niet dat er iets aan

mankeert, een kleinigheidje, een strik bijvoorbeeld?

De schooljongen, geheel op zijn gemak gebracht door de

kameraadschappelijkheid van de jonge vrouw, had al de onverstoorbare

kalmte van zijn onbeschaamden aard teruggekregen. Hij deed een paar

stappen terug, kwam weer naderbij, knipte met de oogen en sprak

binnensmonds:

--Neen, neen, er mankeert niets aan, 't is heel mooi, heel mooi.... Ik

vind eer, dat er iets te veel is.

Hij bloosde even, ondanks zijn stoutmoedigheid, kwam nog wat nader,

en met den vingertop een scherpen hoek op Renée's hals makende,

merkte hij op:

--Ziet u, ik zou die kant zoo uitsnijden, en dan zou ik een collier

aandoen met een groot kruis.

Zij klapte vroolijk in de handen.

--Juist, juist, riep zij uit....

Zij verwijderde het chemiset, ging even de kamer uit en kwam met het

collier en het kruis terug. En terwijl zij met een zegevierenden blik

voor den spiegel ging staan:

--Heel goed, 't staat heel goed, zei zij zachtjes.... Maar die

kleine kaalkop is nog zoo dom niet! Kleedde je soms de dames aan

in je provincie? We zullen bepaald goede vrienden worden. Maar je

moet doen wat ik je zeg. In de eerste plaats, moet je je haar laten

groeien, en die afschuwelijke kiel niet meer dragen. Verder moet je

mijn lessen in de wellevendheid trouw opvolgen. Ik verlang dat je

een aardig jongmensch zal worden.

--Dat spreekt van zelf, antwoordde de jongen naïef, nu papa immers

rijk is en u zijn vrouw bent.

Zij glimlachte even en met haar gewone levendigheid:

--Laten wij dan beginnen met jij en jou tegen elkaar te zeggen. 't

Eene oogenblik zeg ik u, 't andere jij. Dat klinkt dwaas.... Zal je

veel van me houden?

--Ik zal je van harte liefhebben, antwoordde hij met de geestdrift

van een lang opgeschoten jongen, die een fortuintje denkt te hebben.

Zoo was de eerste kennismaking van Maxime en Renée. De knaap ging

eerst een maand later naar het gymnasium. Zijn stiefmoeder speelde

de eerste dagen met hem als met een pop; zij ontbolsterde hem een

beetje en het moet gezegd worden, dat hij er zich gewillig toe leende.

Toen hij te voorschijn kwam, geheel in het nieuw gekleed door

den kleermaker van zijn vader, slaakte zij een uitroep van blijde

verrassing: hij zag er uit om te stelen, verzekerde zij. Zijn haar

alleen groeide wanhopig langzaam aan. De jonge vrouw was gewoon

te zeggen, dat de uitdrukking van het heele gelaat van het haar

afhangt. Zij droeg de grootste zorg voor haar eigen haar. Lang was zij

wanhopig geweest over de bijzondere kleur, die aan fijne boter deed

denken. Maar toen het geelblonde haar in de mode kwam, vond zij het

prettig, en om te doen gelooven dat zij de mode niet dwaas navolgde,

betuigde zij plechtig dat zij het iedere maand verfde.

Maxime was al vreeselijk wijs voor zijn dertien jaar. Het was een

van die teere, vroegrijpe naturen, waarin de zinnelijke begeerten

vroeg ontwaken. De ondeugd verscheen zelfs bij hem voordat de zinnen

ontwaakt waren. Tot tweemaal toe was hij bijna van het gymnasium

verwijderd geworden.

Indien Renée oog gehad had voor hetgeen in de kleinere provinciesteden

voor bevallig doorgaat, zou zij opgemerkt hebben dat, hoe smakeloos

ook gekleed, de kleine kaalkop, zooals zij hem noemde, glimlachte,

het hoofd draaide, de armen uitstak op een aardige manier, zooals

oudere schoolmeisjes wel eens doen.

Hij verzorgde zijn lange, smalle handen uitstekend, en al moest zijn

haar kort blijven, op bevel van den directeur, een oud-kolonel der

genie, hij bezat toch een zakspiegeltje dat hij onder schooltijd voor

den dag haalde en tusschen de bladen van zijn boek lei; daarin bekeek

hij zich dan uren lang, beschouwde aandachtig zijn oogen, zijn tanden,

lachte zichzelf toe en bestudeerde allerlei behaagzieke manieren.

Zijn makkers hingen aan zijn kiel, als aan een vrouwenrok; hij reeg

zich zoo in, dat hij een smal middel had, en wiegelende heupen als

een volwassen vrouw.

Toch kreeg hij evenveel slaag als liefkoozingen. Het gymnasium van

Plassans, een toevluchtsoord van kleine bandieten, zooals de meeste

plattelands-gymnasiums, was dus een middelpunt van besmetting,

waarin dit halfslachtige temperament, dit kind, dat de overgeërfde

kiem van het kwaad al in zich meebracht, zich bijzonder snel

ontwikkelde. Gelukkig zou de leeftijd hier gaandeweg verbetering

in brengen. Maar het merkteeken van zijn slechte gedrag als kind,

die verwijfdheid van zijn geheele wezen, dat uur waarop hij zich

meisje gewaand had, zou hem bijblijven, hem voor altijd in zijn

manbaarheid treffen.

Renée noemde hem "jongejuffrouw", zonder te vermoeden dat zij hem

een half jaar geleden bij zijn juisten naam zou genoemd hebben. Hij

maakte op haar den indruk van zeer gehoorzaam en liefhebbend te zijn;

soms werd zij een weinig verlegen onder zijn liefkoozingen. Hij had

een manier van omhelzen, die de huid verwarmde. Maar zij was verrukt

over zijn guitigheid, hij was allergrappigst ondernemend, hij sprak al

over de vrouwen met glimlachjes, geen kamp gevende aan de vriendinnen

van Renée, de lieve Adeline die pas met mijnheer d'Espanet getrouwd

was, en de dikke Suzanne, onlangs de vrouw geworden van den grooten

industriëel Haffner. Voor laatstgenoemde had de veertienjarige knaap

zelfs een zekeren hartstocht opgevat. Hij had zijn stiefmoeder in

zijn vertrouwen genomen, en deze had veel schik in het geval.

--Ik zou de voorkeur aan Adeline gegeven hebben, zei zij, zij is

mooier.

--'t Kan zijn, antwoordde de jongen, maar Susanne is veel dikker.... Ik

houd toch zooveel van mooie vrouwen.... Als je heel lief was, zou je

een goed woordje voor me doen.

Renée lachte. Haar pop, die groote jongen met zijn meisjes-manieren,

scheen haar onbetaalbaar, sinds hij verliefd was. Het kwam zelfs

zoover dat mevrouw Haffner zich in allen ernst moest verdedigen.

Trouwens, de dames moedigden Maxime zelf aan door haar onderdrukte

lachjes, haar halve woordjes, de behaagzieke houding die zij

tegenover dit vroegrijpe kind aannamen. Daar was ook een zweempje

zeer aristocratische losbandigheid bij in het spel. Alle drie,

in haar luidruchtig leven, door hartstocht verteerd, beschouwden

de bekoorlijke verdorvenheid van den knaap als een origineel en

onschadelijk prikkelend kruid, dat den eetlust scherpte.

Zij lieten toe dat hij hun japon betastte, met zijn vingers langs

haar schouders gleed, wanneer hij ze in de voorkamer volgde om haar

een balsortie om te slaan; zij lieten hem van de eene naar de andere

gaan, en lachten uitgelaten, wanneer hij ze op de pols zoende, op dat

plekje waar de huid zoo zacht is; dan deden zij zich weer moederlijk

voor en leerden hem hoe hij zich een goed uiterlijk moest geven en

hoe hij de dames moest behagen.

Het was hun speelpop, een vernuftig uitgedacht mechanisch manneke,

dat zoende en het hof maakte, dat de beminnelijkste ondeugden ter

wereld bezat, maar een stuk speelgoed bleef, een bordpapier mannetje,

waarvoor men niet zoo heel bang hoefde te zijn, maar toch nog genoeg

om onder zijn kinderlijke hand een lichte trilling van genot te voelen.

Toen de vacantie om was, ging Maxime naar het lycée Bonaparte. Dit

was de school voor de deftige lui, en die moest Saccard voor zijn

zoon kiezen.

Ofschoon tenger en zwak, had de knaap een vlug verstand; maar hij legde

zich op heel wat anders dan op de klassieke studiën toe. Toch was hij

een onberispelijk scholier, die zich nooit afgaf met de arme jongens,

op wier manieren wel iets viel aan te merken, maar altijd behoorde

tot die fatsoenlijke, netgekleede jongelui van wie men niets zegt.

Het eenige wat hem van zijn jeugd bijbleef, was een oprechte vereering

voor het toilet. Parijs opende hem de oogen; het maakte van hem een

mooi jongmensch, altijd in een nauwsluitend costuum gekleed, gelijk

toen de mode was.

Hij was de grootste fat van zijn klasse. Hij vertoonde zich in de

school als in een salon, met fijne handschoenen en dure laarzen, hij

droeg verbazend groote dassen en keurige hoeden. Hij was trouwens

de eenige niet. Zoo waren er omtrent twintig, die de aristocratie

uitmaakten; bij het uitgaan der school boden zij elkander havanna's

aan uit kokers met gouden sluiting, en lieten hun boekentasschen door

een knecht in livrei achter zich aandragen.

Maxime had zijn vader overgehaald een tilbury en een zwart paardje

voor hem te koopen, die de bewondering van zijn makkers opwekten. Hij

mende zelf; op het achterbankje zat een palfrenier met over elkaar

geslagen armen, en de boekentasch van den scholier op den schoot,

een echte ministers-portefeuille van bruin chagrijn-leer.

Men had eens moeten zien met welk een losheid, kunst en onberispelijke

houding hij in tien minuten van de rue de Rivoli naar de rue du

Havre reed, zijn paarden op eens inhield voor de deur van het lycée,

den palfrenier de teugels toewierp en zei: "Jacques, om half vijf

voor, hoor!"

De winkeliers in de straat waren opgetogen over de bevallige manieren

van dien blonden jongen, dien zij geregeld tweemaal per dag in zijn

rijtuigje zagen komen en gaan.

Bij het naar huis gaan, bracht hij soms een vriend tot aan diens

deur. De beide jongens rookten, keken de vrouwen aan, bespatten de

voorbijgangers, alsof zij van de wedrennen terugkeerden.

Verwonderlijk volkje, broedsel van fatten en uilskuikens, die men

dagelijks in de rue du Havre zien kan, onberispelijk gekleed in

hun korte overjassen, zich voordoende als rijke heeren, die alle

genietingen des levens volop genoten hebben, terwijl de armere jongens

van het lycée, de echte scholieren, schreeuwende en dringende aankomen,

met hun grove schoenen op de straat stampen, en hun boeken aan een

eind riem achter op den rug laten bengelen.

Renée, die haar rol van moeder en leermeesteres ernstig wilde opvatten,

was zeer met haar leerling ingenomen. Zij verwaarloosde dan ook geen

enkele gelegenheid om zijn opvoeding te volmaken. Zij bracht toen

juist een tijd van tranen en spijtige herinneringen door; een minnaar

had haar verlaten, haar voor de oogen van geheel Parijs in opspraak

gebracht, om het te houden met de hertogin de Sternich.

Zij hoopte nu dat Maxime haar tot troost zou zijn, zij deed zich

ouder voor, deed al haar best om moederlijk te zijn, en werd de

zonderlingste mentor die men zich denken kon.

Dikwijls bleef de tilbury thuis, dan kwam Renée in haar groote kales

den jongen van school halen. Zij stopten de bruine portefeuille

onder de bank en reden naar het Bosch, dat toen in zijn nieuwsten

tooi prijkte.

Daar gaf zij hem les in hoogere elegantie. Zij noemde hem al die

welgedane, gelukkige lieden van het keizerlijk Parijs op, die nog in

extase waren over dien goocheltoer, die de hongerlijders van voorheen

in groote heeren veranderd had, in millionnairs die zwoegden en puften

onder het gewicht van hun geldkist.

Maar de knaap vroeg haar vooral naar de vrouwen, en daar zij heel

vrij met hem omging, bracht zij hem precies op de hoogte van allerlei

bijzonderheden. Mevrouw de Guende was dom, maar prachtig gevormd; de

rijke gravin Vanska had in het publiek gezongen, voor dat zij getrouwd

was met een Pool, die haar sloeg, naar men zei; markiezin d'Espanet

en Suzanne Haffner waren onafscheidelijk, en ofschoon zij haar intieme

vriendinnen waren, voegde Renée er met dichtgeknepen lippen bij, alsof

zij er niets meer van wilde zeggen, dat er heel leelijke praatjes over

haar liepen. De mooie mevrouw de Lauwerens gedroeg zich ook lang niet

onberispelijk, maar zij had zulke mooie oogen, en iedereen wist per

slot van rekening toch dat haar niets te verwijten viel, ofschoon

zij zich wat te veel afgaf met de intriges van die arme vrouwtjes,

mevrouw Daste, mevrouw Teissière en barones de Meinhold.

Maxime vroeg om de portretten van die dames; hij zette ze in een

album dat op de salontafel bleef liggen.

Om zijn stiefmoeder in verlegenheid te brengen, met die ondeugende

slimheid die den grondtrek van zijn karakter uitmaakte, vroeg hij

haar naar bijzonderheden omtrent lichte meisjes, zich houdende alsof

hij ze voor dames uit de groote wereld aanzag.

Renée antwoordde zedig en ernstig, dat het afschuwelijke schepsels

waren, die hij zorgvuldig moest ontwijken; kort daarop vergat zij

zich zoozeer, dat zij er over sprak alsof zij ze intiem gekend had.

Een van de grootste genoegens van den knaap was, haar aan het praten

te brengen over de hertogin de Sternich. Telkens als haar rijtuig

voorbijreed in het Bosch, liet hij niet na haar naam te noemen, haar

met een opzettelijke geniepigheid van terzijde aanziende, als om te

toonen dat hij op de hoogte was van Renée's laatste avontuur.

Renée begon op vinnigen toon allerlei kwaad van haar mededingster

te spreken. Wat werd zij oud, die arme vrouw! zij blankette zich,

zij had minnaars in al haar kasten verborgen, zij had zich aan een

kamerheer overgegeven om in het keizerlijk bed te komen. Daar kwam geen

eind aan de beschuldigingen; Maxime daarentegen, om haar te plagen,

vond mevrouw de Sternich allerliefst.

Dergelijke lessen hadden een zonderlinge verstandsontwikkeling van

den scholier ten gevolge, te meer wijl de jonge leermeesteres ze

overal herhaalde, in het Bosch, in den schouwburg, in de salons. De

leerling werd verbazend knap.

Maxime vond het verrukkelijk zich tusschen de japonnen, de linten

en strikken, de poudre de riz der dames te bewegen. Hij bleef altijd

eenigszins meisje, met zijn welgevormde smalle handen, zijn baardeloos

gelaat, zijn blanken, gevulden hals.

Renée raadpleegde hem in allen ernst over haar toiletten. Hij kende

de goede dameskleermakers van Parijs, beoordeelde ieder hunner

met een enkel woord, sprak van de smaakvolle hoeden van den een en

den juisten vorm der japonnen van den ander; op zeventienjarigen

leeftijd, was er geen modiste die hij niet grondig had bestudeerd,

geen schoenmaker of hij kende hem door en door.

Dat vreemde misbaksel, dat onder de Engelsche les de prospectussen las

die zijn parfumeur hem iederen Vrijdag toezond, had een schitterende

rede kunnen houden over de groote Parijsche wereld, clientèle en

leveranciers, op een leeftijd waarop buitenjongens hun bonne nog niet

in het gezicht durven zien.

Dikwijls bracht hij, als hij van het lycée kwam, een hoed, een

doos zeep of het een of ander moois, dat zijn stiefma hem den

avond tevoren opgegeven had, in zijn tilbury mee. Hij had altijd

een stuk kant, dat sterk naar muskus rook, in zijn zak. Maar zijn

grootste genot was Renée naar den beroemden Worms te vergezellen,

dien genialen dameskleedermaker, voor wien de toongeefsters van het

tweede keizerrijk neerknielden.

Het salon van den grooten man was groot en vierkant, en met breede

divans voorzien. Hij trad daar met een vromen eerbied binnen.

Toiletten hebben voorzeker een eigenaardigen geur, de zijde, het

satijn, het fluweel, de kanten hadden hun licht aroma bij dat der

haren en der ambergeurige schouders gevoegd; en de lucht in het salon

bleef doortrokken van die geurige warmte, dien wierook van vleesch

en weelde, die de kamer in een kapel veranderde, aan de een of andere

geheimzinnige godin gewijd.

Dikwijls moesten Renée en Maxime uren lang wachten; daar waren wel

twintig sollicitanten, die haar beurt afwachtten, beschuitjes in

glazen madera doopten of een kouden maaltijd aan de groote middentafel

hielden, waarop flesschen en schaaltjes met gebakjes stonden. De

dames waren daar thuis, spraken er vrij haar gedachten uit, en als

zij daar zoo in groepjes rondom de kamer zaten, zou men ze voor een

vlucht witte Lesbische vogels hebben aangezien, die op de divans van

een Parijsch salon waren neergestreken.

Maxime, die daar geduld en geliefd werd om zijn meisjes-uiterlijk,

was de eenige man die in dat heiligdom werd toegelaten. Hij smaakte

daar een goddelijk genot, hij gleed als een slang langs de divans,

men vond hem onder een rok, achter een keurslijf, tusschen twee

japonnen, waar hij zich erg ineendrong en zich heel rustig hield,

terwijl hij de welriekende warmte van zijn buurvrouw opsnoof met het

gezicht van een koorknaap, die het lichaam des Heeren nuttigt.

--Hij kruipt overal tusschen, die kleine, zei barones de Meinhold,

terwijl zij hem een tikje op de wang gaf.

Hij was zoo tenger dat de dames hem niet ouder dan veertien jaar

schatten. Zij vonden er pleizier in hem met de madera van den beroemden

Worms dronken te voeren. Hij zei de zotste dingen, die haar tranen

deden lachen.

Markiezin d'Espanet vond de juiste uitdrukking om den toestand te

beschrijven. Toen men op een keer Maxime in een hoek van de divans

achter haar rug vond, en zij zag hoe blozend en gelukkig hij er uitzag

door het behagelijk gevoel dat hij in haar nabijheid ondervonden had,

merkte zij zachtjes op:

--Dat is een jongen, die als meisje had moeten ter wereld komen.

Toen de groote Worms Renée eindelijk ontving, drong Maxime met haar

de kamer binnen. Een paar malen veroorloofde hij zich de vrijheid

te spreken, terwijl de meester in de aanschouwing van zijn cliënt

verdiept was, zooals de hoogepriesters der kunst beweren dat Léonard

de Vinci tegenover Joconde gedaan heeft.

De meester had zich verwaardigd om over de juistheid zijner opmerkingen

te glimlachen. Hij liet Renée voor een spiegel staan, die van den

vloer tot aan de zoldering reikte, beschouwde haar in stil gepeins,

met gefronste wenkbrauwen, terwijl de jonge vrouw haar adem inhield om

zich niet te bewegen. En een paar minuten later teekende de meester,

alsof hij door een ingeving aangegrepen en geschud werd, in grove,

hortende trekken het meesterstuk dat hij in zijn brein ontworpen had,

en riep hij in afgebroken volzinnen uit:

--Robe Montespan van aschkleurige zijde.... van voren een afgeronde

basque, eindigende in een sleep,.... groote satijnen strikken die

haar op de heupen opnemen...., ten slotte een geplooid voorschoot van

parelgrijze tulle, de plooien gescheiden door grijs satijnen linten.

Hij verzonk weer in gepeins, scheen tot in de diepste diepten van zijn

genie af te dalen, en met de zegevierende grimas van een waarzegster

op haar drievoet, eindigde hij:

--Wij zullen in het haar, op dat lachende kopje, den droomenden

vlinder van Psyche plaatsen, met blauwen weerschijn op de vleugels.

Maar somtijds wou de ingeving niet komen. De beroemde Worms riep

ze te vergeefs op, spande zijn geheele denkvermogen te vergeefs

in. Hij fronste geweldig zijn wenkbrauwen, werd zoo wit als een doek,

nam zijn arm hoofd, dat hij wanhopig schudde, tusschen de handen,

en moest zich eindelijk overwonnen geven. Dan liet hij zich in een

leuningstoel neervallen, en met klagelijke stem fluisterde hij:

--Neen, neen, vandaag niet... 't is niet mogelijk. De dames zijn

onbescheiden. De bron is opgedroogd.

En hij zond Renée heen met de herhaalde betuiging:

--Niet mogelijk, niet mogelijk, lieve mevrouw, kom een anderen dag

maar eens terug.... Ik voel u van morgen niet.

De mooie opvoeding die Maxime ontving, droeg al haar eerste

vruchten. Toen de kwajongen zeventien jaar oud was, verleidde hij de

kamenier van zijn stiefmoeder. Het ergste van het geval was, dat het

meisje zwanger werd. Zij moest met haar kind en een klein jaargeld

naar buiten gezonden worden.

Renée hinderde dat avontuur vreeselijk. Saccard's bemoeiingen hierin

bleven tot de regeling van de finantiëele zijde der kwestie beperkt,

maar de jonge vrouw nam haar leerling geducht onder handen. Hij,

dien zij tot een toonbeeld van netheid wilde maken, hij had zich met

zoo'n meisje ingelaten! Wat een belachelijk en schandelijk begin,

een liefdesavontuur waarmee je niet voor den dag kon komen! Als hij

het nog eens met een van haar kennissen had aangelegd!

--Wat drommel, antwoordde hij kalmpjes, als je vriendin Suzanne gewild

had, dan had zij naar buiten kunnen gaan.

--Wat een guit! mompelde zij ontwapend, lachend bij het denkbeeld,

dat Suzanne met een jaargeld van twaalfhonderd francs haar toevlucht

naar buiten zou nemen.

Toen kwam er een nog grappiger gedachte in haar op; zij vergat haar rol

van verontwaardigde moeder, hield haar helderen lach achter haar hand

terug, en hem schuins aanziende, zei zij tusschen haar lachen door:

--Zeg, ik geloof dat Adeline kwaad op je geworden was en haar een

standje gemaakt had.... Zij ging niet verder. Maxime lachte mee. Dat

was het einde van Renée's zedelessen over dit avontuur.

Intusschen bekommerde Aristide Saccard zich heel weinig om de twee

kinderen, zooals hij zijn zoon en zijn tweede vrouw noemde. Hij liet

hun een onbeperkte vrijheid, blij dat zij zulke goede vrienden waren,

wat heel wat drukte en vroolijkheid in de kamers bracht. Dat waren

anders zonderlinge kamers, op die eerste verdieping in de rue de

Rivoli. Den heelen dag hoorde men er het slaan van deuren; de meiden

en knechts spraken er op luiden toon, die vertrekken, nog in den vollen

tooi van hun nieuwe weelde, werden onophoudelijk doorkruist door lange,

fladderende japonnen, heele optochten van leveranciers, den chaos

van Renée's vriendinnen, Maxime's kameraads en Saccard's bezoekers.

Laatstgenoemde ontving van negenen tot elven het vreemdste volkje

dat men bedenken kan: senatoren en deurwaardersklerken, hertoginnen

en koopvrouwen in toiletartikelen, al het schuim dat de onweersbuien

van Parijs des morgens in zijn huis wierpen, zijden japonnen, vuile

rokken, kielen, zwarte jassen, die hij op denzelfden gejaagden toon,

met dezelfde ongeduldige en zenuwachtige gebaren ontving. Hij deed

de zaken met een paar woorden af, loste twintig zwarigheden te gelijk

op en gaf de oplossing, heen en weer dribbelende.

Het leek wel of dat bewegelijke mannetje, wiens stem heel hard

klonk, in zijn kamer aan het vechten was met zijn bezoekers, met de

meubelen, omduikelde, met het hoofd tegen de zoldering stiet om er

de denkbeelden uit te laten spatten, en altijd weer zegevierend op

zijn voeten terecht kwam.

Om elf uur ging hij uit, dan zag men hem den heelen dag niet meer

terug; hij ontbeet, ja, dineerde dikwijls buitenshuis.

Dan behoorde het huis aan Renée en Maxime, zij maakten zich meester van

het kantoor van den vader; zij pakten er de doozen van de leveranciers

uit, en allerlei lapjes en lintjes lagen over en tusschen de dossiers.

Soms wachtten ernstige menschen een uur lang voor de deur van het

kantoor, terwijl de schoolknaap en de jonge vrouw, ieder aan een hoek

van Saccard's bureau, over den strik van een lint twistten.

Renée liet tienmaal per dag inspannen. Zelden aten zij gezamenlijk;

van de drie waren er twee op den loop, om niet voor middernacht thuis

te komen. Woning van luidruchtige drukte, van zaken en genoegens,

waarin het moderne leven, met zijn gerinkel van goud, zijn verkreukte

toiletten, als in een windvlaag verzwolgen werd.

Aristide had eindelijk een werkkring naar zijn zin gevonden. Hij deed

zich kennen als een groote speculant, die met millioenen werkte. Na

het meesterstuk van de rue de la Pépinière, wierp hij zich onvervaard

in den strijd, die Parijs begon te bezaaien met onrechtmatig verkregen

buit en schitterende overwinningen.

Aanvankelijk speelde hij hetzelfde zekere spel, waarmee hij de eerste

maal succès had behaald; hij kocht huizen, waarvan hij vooruit wist

dat zij te eenigertijd zouden afgebroken worden, en nam zijn vrienden

in den arm om ruime schadevergoeding te krijgen. Op die wijze kreeg

hij een vijf- of zestal huizen in zijn bezit, dezelfde die hij vroeger

zoo zonderling aankeek, alsof het kennissen van hem waren, toen hij

nog maar een arme opzichter was.

Maar dat was nog slechts het werk van een beginner. Zoo'n slimheid

werd er niet toe vereischt, de huurcontracten af te laten loopen,

met de huurders te knoeien, den staat en de particulieren te bestelen;

hij vond bovendien, dat de opbrengst de moeite niet eens loonde. Hij

wendde zijn vernuft dan ook spoedig tot ingewikkelder zaken aan.

Saccard vond eerst het kunstje uit om in het geheim huizen voor

rekening van de stad te koopen. Een uitspraak van den raad van

State had deze namelijk in een moeielijk geval gebracht. De stad had

ondershands een groot aantal huizen opgekocht, in de hoop dat zij de

contracten kon laten afloopen en de huurders zonder schadeloosstelling

kon laten vertrekken. Deze aankoopen werden echter bij bovengenoemde

uitspraak als echte onteigeningen beschouwd, en de stad moest betalen.

Toen bood Saccard zich als tusschenpersoon aan, hij kocht, liet de

contracten afloopen en leverde tegen een ruime vergoeding het huis

op het bepaalde oogenblik af.

Hij begon zelfs het mes van twee kanten te laten snijden; hij kocht

voor de stad en voor den prefect. Als de zaak al te verleidelijk was,

hield hij het huis voor zichzelf. De staat betaalde. Men beloonde

zijn gedienstigheid door hem eindjes straat of ontworpen kruispunten

toe te staan, die hij alweer verkocht voor dat de nieuwe weg begonnen

was. Het was een woest spel; men speelde met wijken die nog gebouwd

moesten worden, zooals men met effecten speculeert.

Zekere dames, mooie meisjes, intieme vriendinnen van hooge ambtenaren,

deden er ook aan mee; een harer, die beroemd was om haar fraaie tanden,

heeft meer dan eens heele straten opgeknabbeld. Saccard werd hongerig,

hij voelde zijn begeerten grooter worden, als hij dat ruischende goud

tusschen zijn vingers voelde glijden.

Het scheen hem toe dat een zee van goudstukken zich rondom hem

uitstrekte, zich tot een oceaan uitbreidde, den onmetelijken horizon

vervulde met een gedruis van vreemdsoortige golven, een metaalklank die

zijn hart aangenaam aandeed; en hij waagde zich er in, zwom dagelijks

met meer stoutmoedigheid, dook, verscheen weer aan de oppervlakte, zwom

nu eens op den rug, dan weer op den buik, doorkliefde die onmetelijke

vlakte op kalme en op stormachtige dagen, rekende op zijn krachten

en zijn behendigheid, dat hij nooit zou verdrinken.

Parijs was toen in een wolk van kalk gehuld. De tijden, die Saccard op

de hoogte van Montmartre voorspeld had, waren gekomen. De stad werd

met sabelhouwen gekliefd, en hij had een werkzaam aandeel bij al die

insnijdingen, al die kwetsuren, hij had puin liggen in de vier hoeken

der stad. In de rue de Rome, was hij betrokken bij die zonderlinge

geschiedenis van een grooten kuil dien een maatschappij groef,

om vijf- of zesduizend kubieke meters aarde te vervoeren, teneinde

aan reusachtige werken te doen gelooven, maar die weer volgeworpen

moest worden met aarde uit Saint-Ouen, toen de maatschappij failliet

was gegaan.

Hij kwam er met een zuiver geweten en volle zakken uit, dank zij zijn

broer Eugène, die zoo goed was tusschenbeide te komen.

Te Chaillot hielp hij de hoogte uitgraven en de weggegraven aarde op

een laag terrein brengen, om den boulevard, die van den Arc-de-Triomphe

naar de pont de l'Alma gaat, door te trekken.

Van hem ging ook het denkbeeld uit om de weggegraven aarde van

het Trocadéro op het plateau in den omtrek van Passy te strooien,

zoodat men tegenwoordig op twee meters diepte goede aarde aantreft,

terwijl in dat puin zelfs geen gras wil groeien.

Hij was op twintig plaatsen tegelijk te vinden, overal waar

onoverkomelijke hindernissen waren, uitgegraven aarde waarmee men

niets wist aan te vangen, ophoogingen die men niet kon uitvoeren,

een groote voorraad aarde en kalkpuin, die den ingenieurs met hun

koortsachtige gejaagdheid in den weg lag, en dien hij met zijn nagels

doorwroette, om er ten slotte altijd een voordeeltje uit te halen.

Op een en denzelfden dag liep hij van de werken van den Arc-de-Triomphe

naar die van den boulevard Saint-Michel, van het uitgegraven gedeelte

van den boulevard Malesherbes naar de ophoogingen van Chaillot, en

achter zich een leger van werklieden, deurwaarders, aandeelhouders,

bedriegers en bedrogenen mee voerende.

Maar zijn grootste roem was het Wijnbouwcrediet, dat hij met

Toutin-Laroche opgericht had. Deze was de officiëele directeur; hij

verscheen slechts als lid van den raad van toezicht. Eugène had bij

deze gelegenheid zijn broer nog eens de behulpzame hand geboden. Door

zijn toedoen gaf de regeering toestemming tot de oprichting, en

oefende er met een groote goedwilligheid toezicht op uit.

Toen een kwaaddenkend blad de vrijheid nam een operatie van deze

maatschappij te critiseeren, ging de Moniteur zelfs zoover, dat

zij een nota opnam, waarbij alle discussie over een zoo respectable

onderneming, die zelfs onder de bijzondere bescherming van den Staat

stond, verboden werd.

Het Wijnbouwcrediet was gebaseerd op een uitstekend finantieel systeem;

het leende aan de verbouwers de helft van de geschatte waarde van hun

goederen, waarborgde het geleende door een hypotheek, en inde van de

leeners de intrest, vermeerderd met een termijn van de aflossing. Er

kon niets waardiger ingericht worden dan zoo iets.

Eugène had met een fijn lachje de opmerking gemaakt, dat men aan het

hof eerlijkheid verlangde. Mijnheer Toutin-Laroche gaf in zooverre

gehoor aan dien wensch, dat hij de leenbank voor de wijnbouwers

stilletjes haar gang liet gaan, maar daarnaast richtte hij een bank

op, die alle kapitalen tot zich trok en met koortsachtigen ijver

speculeerde, allerlei ondernemingen wagende.

Door den krachtigen impuls van den directeur, kreeg het Wijnbouwcrediet

weldra den naam van uiterst solide en voorspoedig te zijn.

Om aan de Beurs een menigte nieuwe aandeelen te plaatsen, kwam Saccard

op het vernuftige denkbeeld ze het voorkomen van oude te geven, die al

lang in omloop geweest waren; hij liet ze daartoe door de loopknechts,

met bezems gewapend, een heelen nacht trappen en slaan.

Het leek wel een filiaal van de Bank. Het hôtel, waarin de bureaux

gehuisvest waren, met zijn voorplein vol équipages, zijn stemmig

hekwerk, zijn breed bordes en monumentale trap, zijn lange reeksen

weelderig ingerichte vertrekken, zijn ontelbaar aantal kantoorbedienden

en lakeien, scheen een waardige tempel van het geld; niets stemde het

publiek eerbiediger dan het heiligdom, de kas, waarheen een gang van

heiligen eenvoud leidde, waar men de brandkast bespeurde, den god,

neergehurkt, aan den muur geklonken, ineengedoken sluimerend, met

zijn drie sloten, zijn dikke zijden, zijn uiterlijk van goddelijke

redeloosheid.

Saccard bedisselde een groote zaak met de stad. Gebukt onder haar

schuldenlast, meegesleept in dien millioenendans dien zij zelf begonnen

was, om den keizer te behagen en zekere zakken te vullen, zag zij zich

genoodzaakt haar toevlucht te nemen tot vermomde leeningen, daar zij

haar dwaze opwinding, haar houweelenwoede niet wilde bekennen. Zij

gaf toen zoogenaamde delegatie-bons uit, echte wissels op langen

termijn, teneinde de aannemers te kunnen betalen op den dag waarop

de overeenkomsten gesloten werden, en hen aldus aan geld te helpen

door dat zij de bons konden verhandelen.

Het Wijnbouwcrediet had dit papier heuschelijk van de aannemers

overgenomen. Zoodra de stad geldgebrek had, ging Saccard haar op de

proef stellen. Er werd hem een aanzienlijke som gelds voorgeschoten,

op een uitgifte van delegatie-bons, die mijnheer Toutin-Laroche

verzekerde van concessionnarissen in handen te hebben, en waarmee

hij op allerlei wijzen speculeerde. Van dien tijd af was het

Wijnbouwcrediet onaantastbaar; het had Parijs onder den duim.

De directeur sprak nog slechts met een glimlach over de vermaarde

Société Générale des Ports du Maroc; zij was toch altijd nog in

leven, en de bladen gingen geregeld voort ophef te maken over de

groote handelsstations. Eens toen mijnheer Toutin-Laroche Saccard

wilde overhalen aandeelen in die maatschappij te nemen, lachte deze

hem in het gezicht uit en vroeg hem of hij dacht, dat hij dom genoeg

zou zijn om zijn geld in de "Algemeene Maatschappij van de Duizend

en een Nacht" te steken.

Tot dusver had Saccard gelukkig gespeeld, zonder kans op verlies,

valsch spelende, zich verkoopende, voordeel trekkende uit de koopen

die hij sloot, kortom uit iedere onderneming die hij op touw zette,

geld slaande. Weldra was hem dat opgeld niet meer voldoende; hij

achtte het beneden zich het goud, dat een Toutin-Laroche en een baron

Gouraud achter zich lieten vallen, saam te lezen en op te rapen.

Hij stak zijn arm tot aan den schouder in den geldzak. Hij werd

compagnon van Mignon, Charrier en Cie, die vermaarde aannemers, die

toen nog pas in hun opkomst waren, en die later kolossale vermogens

verwierven.

De stad had reeds besloten de werken zelf niet meer uit te voeren,

maar het aanleggen der boulevards bij aanbesteding te gunnen. De

maatschappijen, aan wie de concessie verleend werd, verbonden zich

den verkeersweg kant en klaar op te leveren, met boomen, banken en

gaslantarens, tegen een vooraf bepaalde vergoeding; soms gaven zij

zelfs den weg voor niets: zij werden ruimschoots schadeloos gesteld

door de opbrengst der aanliggende terreinen, die zij hielden en

waarvan zij de prijzen buitensporig hoog stelden.

Uit dezen tijd dagteekenen de speculatiekoorts met de terreinen en

de vreeselijke rijzing in waarde der huizen.

Saccard kreeg door zijn invloedrijke vrienden de concessie van drie

stukken boulevard. Hij was de ziel, maar tevens de onruststoker van

het deelgenootschap. De heeren Mignon en Charrier, zijn ledepoppen in

het begin, waren een paar flinke, slimme snaken, metselaarsbazen die

de waarde van het geld kenden. Zij lachten heimelijk om Saccard's

equipages, meestal liepen zij in een kiel, ontzagen zich niet een

werkman een handje te helpen en kwamen met kalk en stof bedekt

thuis. Zij waren allebei uit Langres.

In dat koortsachtige, onverzadigde Parijs brachten zij hun boersche

voorzichtigheid mee, hun kalm verstand, dat niet zoo schrander was,

maar toch wakker genoeg om van de gelegenheid gebruik te maken om

zich de zakken te vullen, al zou het genot later pas volgen.

Wanneer Saccard een zaak op touw zette, er bezieling aan gaf door

zijn vuur, zijn woeste begeerten, beletten de heeren Mignon en

Charrier, door hun prozaïsche denkwijze, hun gehechtheid aan den

ouden, bekrompen sleur van hun beheer, hem wel twintig maal ten

onder te gaan in zijn verwonderlijke plannen. Zij gaven nimmer hun

toestemming tot de prachtige kantoren, het hôtel dat hij wilde bouwen

om Parijs in verbazing te brengen. Zij stemden evenmin toe in de

speculaties, die iederen morgen in zijn hoofd opkwamen: het bouwen

van concertzalen, groote badinrichtingen op de terreinen langs de

boulevards, spoorwegen, die de lijn van de nieuwe boulevards volgden,

met glas overdekte galerijen, die het tiendubbele van de gewone

winkelhuur zouden opbrengen, waardoor men in Parijs kon rondwandelen

zonder nat te worden.

Om een einde te maken aan al die schrikaanjagende plannen, besloten

de aannemers dat de terreinen langs de boulevards onder de drie

compagnons verdeeld zouden worden, en dat ieder met zijn deel kon

doen wat hij verkoos.

Zij gingen wijselijk voort hun aandeel te verkoopen. Hij liet

bouwen. Zijn hoofd kookte. Hij zou in staat geweest zijn in allen ernst

voor te stellen Parijs onder een kolossale stolp te zetten, om het

in een broeikas te veranderen en er ananas en suikerriet in te kweeken.

Weldra bezat Saccard acht huizen op de nieuwe boulevards. Vele

waren geheel af, waarvan twee in de rue de Marignan en twee op den

boulevard Haussman; de vier andere, op den boulevard Malesherbes,

waren nog in aanbouw; een daarvan, een groote afgeschutte ruimte

waarop een prachtig hôtel zou verrijzen, vertoonde nog slechts den

planken vloer van de eerste verdieping.

In dien tijd kregen zijn zaken zoo'n ingewikkeld karakter, had hij

zooveel draden aan iederen vinger bevestigd, zooveel belangen te

behartigen, zooveel poppen te doen dansen, dat hij soms maar drie

uren op een nacht sliep, en de ingekomen brieven in zijn rijtuig

moest lezen.

Het verwonderlijkste daarbij was dat zijn kas onuitputtelijk

scheen. Hij was aandeelhouder van alle maatschappijen, bouwde met een

grooten hartstocht, nam deel in allerlei handel, dreigde Parijs te

overstroomen als een springvloed, zonder dat men hem ooit een duidelijk

voordeel zag behalen, een groote som gelds in den zak zag steken.

Die stroom van goud, waarvan men de bronnen niet kende en die in

dicht opeengedrongen golven uit zijn kantoor scheen te komen, bracht

de lummels in verbazing en maakte hem tot een gezien man, aan wien

de dagbladen al de kwinkslagen van de Beurs toeschreven.

Met zoo'n echtgenoot was Renée zoo goed als ongehuwd. Er gingen weken

voorbij zonder dat zij hem zag. Overigens viel er niets op hem te

zeggen: hij deed voor haar zijn brandkast wijd open. Zij mocht hem

dan ook wel, als een toeschietelijk bankier. Wanneer zij naar het

hôtel Béraud ging, prees zij hem erg tegenover haar vader, dien het

fortuin van zijn schoonzoon streng en koel liet.

Haar minachting was verdwenen; die man scheen zoo overtuigd dat

het leven niets anders beteekende dan zaken doen, hij was zoo

klaarblijkelijk geboren om geld te slaan uit alles wat hem onder de

handen kwam, vrouwen, kinderen, keisteenen, zakken kalk, gewetens,

dat zij hem niet verwijten kon met hun huwelijk een koop te hebben

gesloten.

Sedert dien koop beschouwde hij haar eenigszins als een van die

mooie huizen, die zijn aanzien verhoogden en waaruit hij groote

voordeelen hoopte te trekken. Hij had graag dat zij goed gekleed ging,

een druk leven leidde, geheel Parijs het hoofd op hol bracht. Dat

verschafte hem aanzien, verdubbelde het waarschijnlijke bedrag van zijn

fortuin. Hij was jong, mooi, verliefd, dwaas, door zijn vrouw. Zij was

een compagnon, een medeplichtige zonder het te weten. Een nieuw span

paarden, een toilet van twee duizend daalders, een toeschietelijkheid

voor den een of anderen minnaar, vergemakkelijkten, beslisten dikwijls

zijn voordeeligste zaakjes.

Dikwijls wendde hij overstelpend drukke bezigheden voor, hij zond

haar naar een minister, naar een hooggeplaatst ambtenaar, om een

machtiging te verzoeken of een antwoord te halen. Hij zei haar:

"En wees verstandig!" op een toon zooals hij alleen kon aanslaan,

tegelijk spottend en vleiend. En als zij terugkwam, en geslaagd was,

wreef hij zich in de handen, terwijl hij herhaaldelijk zei: "En je

bent verstandig geweest!" Renée lachte. Hij was te werkzaam om naar

een mevrouw Michelin te verlangen. Hij hield doodeenvoudig van ruwe

aardigheden, van onbetamelijke veronderstellingen.

Trouwens, ingeval Renée niet "verstandig" was geweest, zou het hem

alleen gespeten hebben, omdat hij dan de vriendelijke hulp van den

minister of den ambtenaar werkelijk betaald zou hebben. De luidjes

bedriegen, hun minder waar te geven dan hun voor hun geld toekwam,

dat was voor hem een genot. Hij zei dikwijls bij zichzelf: "Als ik

een vrouw was, zou ik me misschien verkoopen, maar ik zou de koopwaar

nooit afleveren; dat zou al te dom zijn."

Die dartele Renée, die op een nacht aan den Parijschen hemel verschenen

was als de excentrieke toovergodin der wereldsche genietingen, was

de ondoorgrondelijkste van alle vrouwen. Als zij thuis was opgevoed,

dan had zij ongetwijfeld de prikkels der begeerten, die haar soms het

hoofd op hol brachten, door den godsdienst of eenige andere voldoening

der zenuwen afgestompt.

Wat haar hoofd aangaat, was zij echt burgerlijk; zij was hoogst

fatsoenlijk, had een voorkeur voor logische zaken, vrees voor den hemel

en de hel, een groote dosis vooroordeelen; zij aardde naar haar vader,

naar dat bedaarde, voorzichtige geslacht dat de huiselijke deugden

eerde. In die natuur ontkiemden en ontloken de verwonderlijkste

droombeelden, die telkens weerkeerende nieuwsgierigheid, de onuitbare

begeerten.

Bij de dames van de Visitatie in vrijheid opgegroeid, de geest naar

willekeur ronddolend in de mystieke genietingen van de kapel en de

zinnelijke vriendschap voor haar vriendinnetjes, had zij zich een

zonderlinge opvoeding eigen gemaakt; zij leerde de ondeugd kennen, en

pleegde die met al de openhartigheid van haar aard; zij bracht haar

jong hoofdje zoo van streek, dat zij haar biechtvader eens in niet

geringe verlegenheid bracht door de bekentenis, dat zij op zekeren

dag, gedurende de mis, een onweerstaanbaren lust gevoeld had om op

te staan en hem te kussen.

Dan weer kastijdde zij zich, en verbleekte zij bij de gedachte aan

den duivel en zijn hel.

De misslag, die later haar huwelijk met Saccard ten gevolge had,

die gewelddadige verkrachting, die zij met een soort van angstige

verwachting onderging, maakte dat zij zichzelf ging verachten, en

was een der voornaamste oorzaken dat zij zich willoos aan haar kwade

neigingen over gaf. Zij dacht dat het tot niets diende tegen het kwaad

te strijden, dat het al in haar was, dat de logica haar machtigde

tot het einde toe in de kennis van het kwaad door te dringen. Zij

was meer nieuwsgierig dan begeerig.

In den maalstroom van het tweede keizerrijk geworpen, overgelaten aan

haar verbeelding, steeds van geld voorzien, in haar luidruchtigste

buitensporigheden aangemoedigd, gaf zij zich over, had er spijt van

en slaagde er eindelijk in het reeds wegstervende gevoel van haar

fatsoenlijkheid geheel te dooden, altijd aangedreven en voortgezweept

door haar onverzadelijke begeerte om te weten en te gevoelen.

Tot dusver deed zij overigens nog slechts wat alle anderen deden. Zij

sprak graag, fluisterend en lachend, over buitengewone gevallen als

de teedere vriendschap van Suzanne Haffner en Adeline d'Espanet, over

het kiesche beroep van mevrouw de Lauwerens, over de kussen tegen

vaste prijzen van gravin Vanska; maar zij beschouwde die dingen nog

maar van verre, met de onbestemde gedachte dat zij er misschien ook

aan mee zou doen, en die onbepaalde begeerte die te kwader ure bij

haar opkwam, verhoogde nog die bedrijvige onrust, dat gejaagde zoeken

naar een heerlijk, eenig genot, dat zij enkel smaken zou.

Haar eerste minnaars hadden haar niet verwend; driemaal had zij gemeend

hartstochtelijk verliefd te zijn; de liefde ontbrandde in haar hoofd

als een vuurpijl, welks vonken haar hart niet raakten. Een maand lang

was zij als gek, vertoonde zij zich door heel Parijs met haar minnaar;

maar op een morgen, midden in de drukste betuigingen zijner liefde,

voelde zij een ontzettende leegte, een verpletterende stilte.

De eerste, de jonge hertog de Rozan, had al spoedig bij haar afgedaan;

Renée, die hem om zijn zachtheid en zijn onberispelijke manieren

had uitverkoren, vond hem, als zij met hem alleen was, onbeduidend,

saai, vervelend.

Mijnheer Simpson, attaché aan het amerikaansch gezantschap, was zijn

opvolger; hij had haar bijna geslagen, en daaraan had hij het te

danken dat hij meer dan een jaar bij haar bleef.

Toen nam zij graaf de Chibray, adjudant des keizers, een knappen,

verwaanden man, die haar erg begon te vervelen, toen hertogin de

Sternich op het idee kwam op hem te verlieven en hem van haar af te

nemen. Toen treurde zij om hem, en gaf zij haar vriendinnen te kennen,

dat haar hart verbrijzeld was, dat zij nooit meer zou beminnen.

Zoo kwam zij aan mijnheer de Mussy, het onbeduidendste wezen ter

wereld, een jongmensch dat carrière maakte in de diplomatie, doordat

hij met zooveel smaak een cotillon wist te leiden; zij begreep

eigenlijk zelf niet hoe zij zich aan hem had kunnen overgeven: toch

hield zij hem geruimen tijd, uit gemakzucht; zij vond niets aardigs

meer in iets onbekends, dat men in een uur ontdekt, en als zij zich

dan toch de moeite van een verandering moest getroosten, wilde zij

liever wachten totdat zij iets buitengewoons ontmoette.

Op haar acht en twintigste jaar was zij alles moe. De verveling scheen

haar te onverdragelijker, omdat haar burgerlijke deugden gebruik

maakten van die uren van verveling, om zich te beklagen en haar te

verontrusten. Dan sloot zij haar deur, had hevige hoofdpijnen. En

als de deur weer openging, kwam met groote drukte een stroom van

zijde en kant te voorschijn, een schepseltje van weelde en vreugd,

zonder een rimpel van zorg of een blos van schaamte.

In haar alledaagsch, wereldsch leven had zij toch een roman

gehad. Eens, toen zij tusschen licht en donker te voet een bezoek

had afgelegd bij haar vader, die niet gesteld was op het geratel van

rijtuigen voor zijn deur, bemerkte zij op den terugweg, op de quai

Saint-Paul, dat zij door een jongmensch gevolgd werd.

Het was warm; een aangename warmte, die tot minnen opwekte.

Daar zij nooit anders gevolgd werd dan te paard, in de lanen van het

Bosch, vond zij het avontuur pikant, zij werd er door gevleid als

door een nieuw soort hulde, een beetje onbeschaamd, maar juist die

onbeschaamdheid prikkelde haar aangenaam. In plaats van naar huis

te gaan, sloeg zij de rue du Temple in, en liet haar aanbidder de

boulevards afloopen.

Intusschen werd de man stoutmoediger, hij werd zoo dringend, dat

Renée van streek geraakte, de rue du Faubourg-Poissonnière insloeg en

den winkel van haar schoonzuster in vluchtte. De man kwam ook naar

binnen. Mevrouw Sidonie glimlachte, scheen de zaak te begrijpen en

liet ze alleen. En toen Renée haar wilde volgen, hield de onbekende

haar tegen, sprak haar met een bewogen stem eenige beleefde woorden

toe, en zij vergaf hem zijn vrijpostigheid. Het was een ambtenaar,

Georges genaamd; zijn familienaam zei hij haar niet, en zij vroeg er

ook niet naar. Zij ontmoette hem daar twee malen; zij ging door den

winkel, hij kwam door de rue Papillon.

Deze toevallige liefde, op straat gevonden en aangenomen, verschafte

haar het levendigste genoegen. Zij dacht er altijd aan, wel met een

beetje schaamte, maar ook met een zonderling lachje van spijt.

Mevrouw Sidonie won dit bij het avontuur, dat zij eindelijk de

medeplichtige werd van haar broers tweede vrouw, een rol die zij al

sedert den trouwdag had willen spelen.

Die arme mevrouw Sidonie had zich misrekend. Terwijl zij het huwelijk

bedisselde, had zij gehoopt ook haar aandeel in dat huwelijk te

krijgen, Renée tot klant te krijgen, een menigte voordeelen uit haar

te behalen. Zij beoordeelde de vrouwen met een oogopslag, zooals

kenners de paarden beoordeelen. Groot was dan ook haar verslagenheid,

toen zij na de maand die zij aan het echtpaar gegund had om zich

te vestigen, tot de ontdekking kwam dat zij achter het net vischte,

toen zij mevrouw de Lauwerens in het midden van het salon zag tronen.

Laatstgenoemde, een mooie zes en twintigjarige vrouw, maakte er haar

werk van de nieuwelingen in de groote wereld binnen te leiden.

Zij behoorde tot een zeer oude familie, was gehuwd met een groot

financier, die het gebrek bezat dat hij de rekeningen der modistes

en kleermakers weigerde te betalen. Mevrouw was schrander genoeg om

zichzelf te helpen. Zij had een afschuw van de mannen, zei zij; maar

zij verschafte ze aan al haar vriendinnen; er was altijd een compleet

stel te vinden in de vertrekken die zij in de rue de Provence, boven

het kantoor van haar man, bewoonde. Men hield er voorproefjes. Men

ontmoette er elkander heel onverwacht, heel gezellig. Er stak geen

kwaad in, dat een jong meisje haar lieve mevrouw de Lauwerens eens

ging bezoeken, en het was haar schuld niet als het toeval daar mannen

bracht, die zich heel eerbiedig gedroegen, en tot de hoogste kringen

behoorden.

De vrouw des huizes zag er lieftallig uit in haar kanten

peignoirs. Dikwijls zou een bezoeker haar verkozen hebben boven haar

geheele collectie blondines en brunettes. Maar men wist wel, dat zij

daartoe te verstandig was. Daarin stak het heele geheim van haar zaak.

Zij hield haar hooge positie in de wereld, alle mannen waren haar

vrienden, zij hield haar trots als fatsoenlijke vrouw, genoot heimelijk

als zij anderen liet vallen en bovendien voordeel uit haar val trok.

Toen mevrouw Sidonie begreep hoe die nieuwe uitvinding in elkander

zat, was zij diep getroffen. Dat was de oude school, de vrouw in een

oud zwart japonnetje, die minnebriefjes in haar mandje overbracht,

tegenover de moderne school, de groote dame die haar vriendinnen

in haar boudoir ontvangt, onder het drinken van een kopje thee. De

moderne school zegevierde.

Mevrouw Lauwerens keek minachtend naar het verkreukte toilet van

mevrouw Sidonie, in wie zij een mededingster bevroedde. Uit haar

hand ontving Renée haar eerste verveling, den jongen hertog de Rozan,

dien de mooie bankiersvrouw niet gemakkelijk plaatsen kon.

De nieuwe school zou eerst later het onderspit delven, toen mevrouw

Sidonie haar kamers afstond voor de gril van haar schoonzuster,

voor den onbekende van de quai Saint-Paul. Zij bleef van toen af

haar vertrouwde.

Maar een van mevrouw Sidonie's getrouwen was Maxime. Nauwelijks

vijftien jaar oud, kwam hij al bij zijn tante snuffelen en berook hij

de achtergelaten handschoenen, die hij op de meubels vond. Zijn tante,

die er een hekel aan had om openlijk voor de waarheid uit te komen,

leende hem ten slotte de sleutels van haar kamers, onder voorgeven

dat zij tot den volgenden dag uitbleef.

Maxime zei iets van vrienden, die hij niet bij hem thuis durfde

ontvangen. Op de bovenkamers van de rue du Faubourg-Poissonnière

bracht hij verscheidene nachten met dat arme meisje door, dat naar

buiten moest gezonden worden.

Mevrouw Sidonie leende geld van haar neef, keek hem smachtend aan,

en fluisterde met haar innemende stem dat hij "zoo zacht en zoo

blozend was als een meisje."

Intusschen was Maxime grooter worden. Het was nu een slanke, knappe

jongeling, die de blozende wangen en blauwe oogen van den knaap

behouden had. Zijn krullende haren voltooiden het "meisjesachtige"

in zijn uiterlijk, dat de dames zoo aantrok.

Hij geleek op de arme Angèle, hij had haar zachten blik, haar blonde

bleekheid. Maar hij was nog minder waard dan die trage, onbeduidende

vrouw. Het ras der Rougons was in hem verfijnd, maar tegelijk zwakker

en gebrekkig geworden.

Geboren uit een te jonge moeder, een vreemd mengsel, een

dooreenhaspeling, meebrengende van de woeste begeerten zijns

vaders en de weekelijke lijdzaamheid zijner moeder, was hij een

gebrekkig product, waarin de gebreken der ouders elkander aanvulden

en verergerden.

Dat geslacht leefde te snel; het stierf reeds uit in dat teere

wezen, waarbij de sekse klaarblijkelijk in twijfel gestaan had,

waarin niet meer een wilskracht stak, belust op rijkdom en genot,

zooals Saccard, maar een laffe zucht om het bijeengegaarde fortuin

te verteren; zonderling tweeslachtig wezen, te zijner tijd geboren

in een rottende maatschappij.

Wanneer Maxime naar het Bosch ging, ingeregen als een vrouw, op en

neer wippende in het zadel bij den zachten draf van zijn paard, was

hij de god van de jongelieden van zijn leeftijd, met zijn ontwikkelde

heupen, zijn lange smalle handen, zijn teer, guitig voorkomen, zijn

onberispelijke elegantie en zijn tooneelspelers-taal.

Toen hij twintig jaar oud was, achtte hij zich verheven boven

alle gevoel van verbazing en van walging. Hij had stellig van de

minst gebruikelijke vuilheden gedroomd. De ondeugd was bij hem geen

grondelooze diepte, zooals bij zekere grijsaards, maar een uitwendige,

natuurlijke bloei. Zij krulde in zijn haren, lachte op zijn lippen,

kleedde hem met zijn kleeren. Maar het eigenaardigst waren vooral de

oogen, twee blauwe, heldere, lachende oogen, spiegels van koketterie,

waarachter men de leegte van zijn hersenkas duidelijk bemerkte.

Die veile-deernenoogen sloeg hij nooit neer, zij zochten het vermaak,

een vermaak zonder afmatting, dat men aanroept en ontvangt.

De windvlaag, die zonder ophouden de vertrekken van de rue de Rivoli

binnendrong en er de deuren deed slaan, blies harder naarmate Maxime

grooter werd, naarmate Saccard den kring zijner operaties uitbreidde

en Renée met steeds toenemenden koortsachtigen ijver het onbekende

genot zocht. Die drie wezens leidden daar een vreemdsoortig leven

van vrijheid en dwaasheid. Dat was de rijpe vrucht van een tijdvak.

De straat was met haar geratel van rijtuigen, haar gedrang van

wildvreemden, haar ruwe taal, in deze woning binnengedrongen. De

vader, de stiefmoeder, de stiefzoon handelden, spraken of maakten het

zich gemakkelijk alsof ieder van hen alleen op kamers woonde. Drie

vrienden, drie studenten, die met elkander een zitkamer deelden,

konden niet met meer ongegeneerdheid over die kamer beschikt hebben

om er hun ondeugden, hun liefdesavonturen, hun luidruchtige vreugde

van groote kwajongens in te bergen.

Zij aanvaardden elkanders gezelschap met een vriendschappelijken

handdruk, schenen geen flauw vermoeden te hebben welke band hen onder

hetzelfde dak bijeenbracht, gingen gulhartig en vroolijk met elkander

om, en bleven zoodoende volkomen onafhankelijk van elkander.

Het begrip familie was in hun oog iets als een vennootschap, waar de

winst gelijkelijk verdeeld wordt, elk nam zijn aandeel van het vermaak

in bezit, en het was een stilzwijgende conditie dat ieder van hen dat

aandeel kon opmaken zooals hij dit verkoos. Ten slotte smaakten zij hun

genoegens voor elkanders oogen, weidden er breedvoerig over uit, zonder

iets anders dan een beetje afgunst en nieuwsgierigheid op te weken.

Nu werd Renée door Maxime onderricht. Wanneer hij met haar naar het

Bosch ging, vertelde hij haar allerlei dingen over lichte meisjes,

die hen erg vroolijk stemden. Hij kon geen nieuwe verschijning aan

den oever van het meer opmerken, of hij ging inlichtingen inwinnen

omtrent den naam van haar minnaar, het jaargeld dat hij haar gaf,

of de manier waarop zij leefde.

Hij was bekend met het huiselijk leven van die dames, wist intieme

bijzonderheden, was een levende catalogus, waarin alle publieke meisjes

van Parijs genummerd stonden, met een volledige beschrijving er bij.

In het hooren van die nieuwtjes schiep Renée het grootste vermaak. Te

Longchamp bij de wedrennen, als zij in haar kales voorbij reed,

luisterde zij gretig toe, ofschoon zij haar waardigheid als deftige

dame niet aflegde, wanneer Maxime haar vertelde hoe Blanche Muller

haar gezantschapsattaché bedroog met haar kapper; of hoe de kleine

baron den graaf in zijn onderbroek gevonden had in de alkoof van een

magere, roodharige beroemdheid, bijgenaamd de Kreeft.

Iederen dag had hij een ander nieuwtje. Als de zaak te onkiesch

was, sprak Maxime wat zachter, maar hij vertelde ze voluit. Renée

luisterde met wijdgeopende oogen, als een kind dat een grapje hoort,

hield haar lachen in, en proestte het dan uit in haar geborduurden

zakdoek, dien zij even tegen de lippen drukte.

Maxime bracht ook de portretten van die dames mee. Hij had portretten

van actrices in al zijn zakken: tot zelfs in zijn sigarenkoker. Soms

ledigde hij zijn zakken; en deed de dames in het album dat op de

meubels van het salon lag te slingeren, bij de portretten van

Renée's vriendinnen. Er waren ook portretten van heeren in, de

Rozan, Simpson, de Chibray, de Mussy, alsook van acteurs, schrijvers,

afgevaardigden, waarvan men niet eens meer wist hoe zij in het album

gekomen waren. Vreemdsoortig mengelmoes, dat een denkbeeld gaf van

den warboel van ideeën en personen, die het levenspad van Renée en

Maxime kruisten.

Dat album gaf heel wat stof tot gesprekken, wanneer het regende of

men zich verveelde. Het kwam op de een of andere manier altijd in

hun handen. De jonge vrouw sloeg het geeuwend open, misschien wel

voor den honderdsten keer. Dan werd haar nieuwsgierigheid opgewekt

en de jonge man kwam achter haar leunen.

Dan werd er druk gepraat over het haar van de Kreeft, de dubbele kin

van mevrouw de Meinhold, de oogen van mevrouw Lauwerens, den hals

van Blanche Muller, den ietwat scheven neus van de markiezin, den

mond van de kleine Sylvia, die bekend was om haar dikke lippen. Zij

vergeleken de eene vrouw bij de andere.

--Als ik een man was, zei Renée, zou ik Adeline kiezen.

--Omdat je Sylvia niet kent, antwoordde Maxime. Die is toch zoo

grappig!.... Ik mag Sylvia liever.

De bladen werden omgeslagen; soms verscheen de hertog de Rozan,

of mijnheer Simpson, of de graaf de Chibray, en hij voegde er

gekscherend bij:

--Trouwens, jouw smaak is bedorven, dat is bekend.... Heb je ooit

dwazer gezichten gezien dan van die heeren! Rozan en Chibray lijken

op Gustave, mijn kapper.

Renée haalde de schouders op, als wilde zij te kennen geven dat die

spotternij haar niet deerde. Zij bleef zich verdiepen in de beschouwing

van die bleeke, glimlachende of stuursche gezichten die het album

bevatte; zij bleef wat langer stilstaan bij de meisjesportretten,

bestudeerde nieuwsgierig de microscopisch kleine rimpeltjes of

haartjes, die daarop zichtbaar waren.

Eens liet zij zich zelfs een sterk vergrootglas brengen, daar zij een

haartje op den neus van de Kreeft meende te ontdekken. En inderdaad, de

loep toonde een fijn, glinsterend blond haartje dat van de wenkbrauwen

naar den top van den neus was verdwaald. Dat haartje vermaakte hen

kostelijk. Een week lang, moesten de dames die bij haar kwamen zich

met eigen oogen overtuigen van de aanwezigheid van het haartje.

De loep deed van toen af dienst om de gezichten der vrouwen uit te

pluizen. Renée deed merkwaardige ontdekkingen; zij vond onbekende

rimpels, ruw vel, gaatjes die niet genoeg door het poudre de riz

bedekt waren. Eindelijk borg Maxime de loep weg, met de verklaring

dat men op die manier een afkeer van het menschelijk gelaat zou

krijgen. Maar de eigenlijke reden was, dat zij de dikke lippen van

Sylvia, voor wie hij een bijzondere genegenheid koesterde, aan een

te streng onderzoek onderwierp.

Zij vonden weer een ander spelletje uit. Zij stelden deze vraag:

"Met wien zou ik graag een nacht doorbrengen?" en het album

moest die vraag beantwoorden. Dat gaf aanleiding tot vermakelijke

paringen. De vriendinnen speelden het verscheidene avonden. Renée werd

achtereenvolgens uitgehuwelijkt aan den aartsbisschop van Parijs, aan

baron Gouraud, aan mijnheer de Chibray, wat veel stof tot lachen gaf,

en aan haar man zelf, wat ze niet aardig vond. Wat Maxime aangaat,

hetzij bij toeval, of uit moedwil van Renée die het album opensloeg,

hij kreeg steeds de markiezin. Maar nooit werd er meer gelachen dan

wanneer het lot twee mannen of twee vrouwen samen paarde.

De vriendschappelijke verhouding tusschen Maxime en Renée werd zoo

innig, dat zij hem haar hartsgeheimen toevertrouwde. Hij troostte

haar en gaf haar raad. Zijn vader scheen niet te bestaan.

Daarop kwamen de vertrouwelijke mededeelingen uit hun jeugd aan

de beurt. Vooral op hun rijtoertjes in het Bosch voelden zij een

aandrang, een behoefte om elkander dingen te vertellen, die niet

oorbaar zijn. Hetzelfde genot dat kinderen er in vinden zachtjes over

verboden dingen te spreken, dezelfde aantrekkelijkheid die er voor een

jongen man en een jonge vrouw in gelegen is om samen te zondigen, al

is het maar in woorden, bracht hen telkens op onvoegzame onderwerpen.

Zonder eenig zelfverwijt gaven zij zich over aan het wellustig

gevoel dat zij smaakten, ieder in hun hoekje op de zachte kussens

van het rijtuig uitgestrekt, als makkers die elkander hun eerste

kwajongensstreken in herinnering brengen. Zij begonnen ten slotte op

de onzedelijkheid te pochen. Renée kwam er voor uit dat de meisjes

op de kostschool heel gemeen waren. Maxime wou niet voor haar onder

doen en durfde een paar staaltjes vertellen van de schandelijkheden

die op het gymnasium te Plassans gebeurden.

--O, ik durf het haast niet zeggen.... fluisterde Renée.

En zij boog zich naar zijn oor, alsof zij zich schaamde over het geluid

van haar stem, en zij vertelde hem een van die kloosterhistories,

die soms in gemeene liedjes bezongen werden.

En hij had een te grooten voorraad van dergelijke anecdotes, om met

den mond vol tanden te blijven zitten. Hij neuriede allerlei gemeene

liedjes.

En zoo geraakten zij langzamerhand in een eigenaardigen toestand van

welbehagen, gewiegd door al die zinnelijke ideeën die zij oprakelden,

geprikkeld door begeerten die niet onder woorden te brengen waren.

Het rijtuig reed zachtjes voort, zij keerden naar huis met een

heerlijk gevoel van moeheid, meer afgemat dan na een aan de liefde

gewijden nacht. Zij hadden de zonde gepleegd, evenals twee jongens

die het pad opgaan zonder liefje, en zich tevreden stellen met hun

wederzijdsche herinneringen.

Een nog grooter vertrouwelijkheid bestond er tusschen vader en

zoon. Saccard had begrepen dat een groot geldman het niet buiten de

vrouwen kan stellen, en dat hij van tijd tot tijd een dwaasheid voor

ze moet doen. Hij was lomp in de liefde, hij hield meer van geld; maar

zijn programma eischte nu eenmaal, dat hij verschillende slaapkamers

bezocht, bankbiljetten op sommige schoorsteenen met kwistige hand

neerlei, nu en dan de een of andere beroemdheid onder de lichte

meisjes als een verguld uithangbord voor zijn speculaties gebruikte.

Toen Maxime zijn leertijd volbracht had, ontmoetten zij elkander

bij dezelfde dames, en dat vonden zij grappig. Zij waren soms wel

elkanders medeminnaars.

Het gebeurde wel, dat Maxime, als hij met een luidruchtig troepje in

Maison-d'Or dineerde, de stem van Saccard in de naaste kamer hoorde.

--Kijk, pa is hiernaast! riep hij met een grimas, die hij van de

toenmaals gevierde tooneelspelers had afgekeken.

Hij klopte aan de deur van het kabinet, nieuwsgierig om te zien welke

verovering zijn vader nu weer gemaakt had.

--Zoo, ben jij het, zei deze aangenaam verrast. Kom binnen. Jelui

maakt een lawaai dat men zijn eigen woorden niet verstaan kan. Wie

zijn daar toch allemaal?

--Wel, Laure d'Aurigny, Sylvia, de Kreeft, en nog twee anderen,

geloof ik. 't Is om te proesten van 't lachen: ze steken haar vingers

in de schotels en gooien ons handenvol sla naar het hoofd. Mijn jas

zit vol olie.

De vader lachte, vond dat heel komiek.

--Die jeugd, die jeugd, mompelde hij. Dan doen wij anders, niet,

poesje? Wij hebben heel kalmpjes gegeten en we gaan een dutje doen.

En hij streek de vrouw die naast hem zat onder de kin, hij kirde

met zijn zuidelijk neusgeluid, wat een zonderlinge liefdemuziek te

weeg bracht.

--Die oude sijs!.... riep de vrouw uit. Bonjour, Maxime. Of ik

van je houd hè, om met zoo'n ouden schelm als je vader is, te

gaan soupeeren.... Ik zie je niet meer. Kom overmorgen ochtend

vroeg.... Neen, heusch, ik heb je iets te zeggen.

Saccard verorberde intusschen met smaak een portie ijs of een paar

vruchten. Hij drukte een kus op den schouder der vrouw en zei op zijn

innemendsten toon:

--Zeg, kinderen, als ik jelui hinder, ga ik zoolang weg.... Je moet

maar schellen als ik terug kan komen.

Dan nam hij de dame mee, of nam soms met haar deel aan het rumoer van

de aangrenzende kamer. Maxime en hij deelden dezelfde schouders; hun

handen ontmoetten elkander om dezelfde tailles. Zij riepen elkander op

de sofa's, vertelden elkaar hardop wat de vrouwen hun in vertrouwen in

het oor gefluisterd hadden. En zij dreven de vertrouwelijkheid zoover,

dat zij samenspanden om de blondine of brunette, die een van hen had

uitverkoren, uit het gezelschap te ontvoeren.

Zij waren goede bekenden op Mabille. Zij kwamen daar na een fijn

dineetje gearmd binnen, drentelden den tuin rond, groetten de

vrouwen en voegden ze in het voorbijgaan een woordje toe. Zij lachten

luidkeels, steeds gearmd, en kwamen elkaar desnoods te hulp bij al te

heftige woordenwisselingen. De vader, die heel sterk op dat punt was,

bepleitte met succès de liefdesbetrekkingen van zijn zoon. Soms gingen

zij zitten en dronken met een troepje van die meisjes. Dan namen zij

weer plaats aan een ander tafeltje, of hervatten hun wandeling. En tot

middernacht zag men ze, altijd kameraadschappelijk gearmd, de vrouwen

achterna loopen, langs de gele lanen, onder het helle schijnsel van

de gasvlammen.

Als zij thuiskwamen, brachten zij van buiten, in hun kleeren, iets

van de lichte meisjes mee, die zij zoo pas verlaten hadden. Hun slappe

houding, enkele gewaagde uitdrukkingen, of gemeene gebaren, brachten

een verdachte slaapkamerlucht in de vertrekken van de rue de Rivoli. De

weeke, slappe handdruk dien de vader met den zoon wisselde, zei reeds

genoeg waar zij vandaan kwamen. In die lucht ademde Renée haar grillen,

haar zinnelijk verlangen in. Zij schertste zenuwachtig met hen.

--Waar komen jelui toch vandaan? zei zij. Je ruikt naar tabak en naar

muskus.... Daar krijg ik bepaald weer hoofdpijn van.

En de vreemde geur maakte haar werkelijk van streek. Van dien geur

was deze zonderlinge huiselijke haard aanhoudend doortrokken.

Intusschen vatte Maxime een werkelijken hartstocht voor de kleine

Sylvia op. Hij verveelde zijn stiefmoeder maanden lang met dat

meisje. Renée kende haar weldra op een prikje, van haar voetzolen tot

haar kruin. Zij had een blauwachtig vlekje op haar heup; er was niets

bekoorlijkers dan haar knieën; haar schouders hadden de eigenaardigheid

dat er alleen op den linker een kuiltje zat.

Maxime vond er een boosaardig genoegen in zijn stiefmoeder op hun

rijtoertjes te vergasten op de beschrijving van de volmaaktheden

zijner maîtresse.

Op zekeren avond moesten de rijtuigen van Renée en Sylvia, bij den

terugrit uit het Bosch, door een opstopping naast elkander stilhouden

in de Champs-Elyséés.

De beide vrouwen keken elkander nieuwsgierig aan, terwijl Maxime, zich

verkneukelende over deze kritieke ontmoeting, in zijn vuistje lachte.

Toen de kales weer doorreed, en zijn stiefmoeder een somber stilzwijgen

bewaarde, dacht hij dat zij ontstemd was, hij hield zich al voorbereid

op een van die moederlijke terechtwijzingen, een van die vreemde

sermoenen, waarmee zij soms nog haar verveling verdreef.

--Ken je soms den juwelier van die dame? vroeg zij hem eensklaps,

juist toen zij op de place de la Concorde kwamen.

--Helaas ja, antwoordde hij glimlachend; ik moet hem nog tienduizend

francs betalen.... waarom vroeg je me dat?

--Zoo maar.

Toen, na een nieuwe stilte:

--Ze had een mooien armband om, ik bedoel dien aan haar

linkerhand.... Ik had hem wel eens van nabij willen zien.

Zij kwamen thuis. Zij sprak er niet meer over. Maar den volgenden

morgen, toen Maxime en zijn vader samen uit zouden gaan, nam zij

den jongen man ter zijde en ietwat verlegen, met een lief lachje,

dat vergeving scheen te vragen, fluisterde zij hem iets toe.

Hij scheen verrast en ging met een ondeugend lachje de deur uit. 's

Avonds bracht hij Sylvia's armband mee, waarom zijn stiefmoeder hem

dringend verzocht had.

--Daar is het ding, zei hij. Voor u zou men uit stelen gaan, mamaatje.

--Ze heeft toch niet gezien dat je het wegnam? vroeg Renée, die het

kleinnood met begeerigheid bekeek.

--Ik geloof het niet.... Zij heeft hem gisteren aangehad, dus vandaag

zal ze hem zeker niet dragen.

De jonge vrouw was intusschen voor het raam gaan staan. Zij had den

armband omgedaan. Zij hield haar pols een beetje omhoog, draaide hem

langzaam om, en herhaalde vol verrukking:

--Beeldig, beeldig mooi.... Alleen de smaragden bevallen me niet erg.

Op dit oogenblik trad Saccard binnen, en terwijl zij daar nog stond,

met opgeheven arm, in het volle licht van het venster:

--Wat is dat, riep hij verwonderd uit, de armband van Sylvia?

--Ken je hem? zei zij, meer verlegen dan hij, niet meer wetende wat

ze met haar arm moest doen.

Hij was al van zijn verbazing bekomen; hij dreigde zijn zoon met den

vinger, en zei:

--Die snaak heeft altijd verboden vruchten in zijn zak!.... Op een

goeien dag brengt hij ons nog den arm van de dame met den armband mee.

--'t Is mijn schuld niet, antwoordde Maxime met de lafhartigheid van

een gluiper. Renée wou hem eens zien.

--Zoo! was alles wat de man zei.

En hij bekeek het kleinood ook eens, en maakte dezelfde opmerking

als zijn vrouw:

--Hij is beeldig mooi.

Toen ging hij kalmpjes heen, en Renée beknorde Maxime dat hij haar

verraden had. Maar hij verzekerde dat zijn vader daar niets om

gaf. Toen gaf zij hem den armband terug en zei:

--Je moet bij den juwelier aangaan en er net zoo een voor me bestellen,

maar je moet er saffieren in plaats van smaragden in laten zetten.

Het was Saccard onmogelijk iemand of iets lang om zich heen te hebben,

zonder dat de wensch bij hem opkwam dien persoon of dat voorwerp te

verkoopen, of tenminste tot zijn voordeel aan te wenden. Zijn zoon

was nog geen twintig jaar of hij dacht er al over om partij van hem

te trekken. Het kon niet missen of een knappe jongen, neef van een

minister en zoon van een grooten financier, zou gemakkelijk een positie

krijgen. Hij was wel wat jong, maar men kon al vast een vrouw en een

huwelijksgift voor hem zoeken, om dan het huwelijk op de lange baan

te schuiven, of te bespoedigen, al naar den toestand zijner financiën.

Hij was erg fortuinlijk. In een raad van toezicht waarvan hij ook

deel uitmaakte, vond hij een grooten knappen man, mijnheer de Mareuil,

dien hij binnen twee dagen in zijn macht had.

Mijnheer de Mareuil was een gewezen raffinadeur uit Havre; hij heette

eigenlijk Bonnet. Nadat hij een groot fortuin bijeengegaard had,

huwde hij een adellijk meisje, ook schatrijk, dat een domoor met een

knap uiterlijk zocht. Bonnet kreeg vergunning den naam zijner vrouw te

voeren, wat voor hem een eerste voldoening van zijn hoogmoed was; maar

zijn huwelijk had een dwazen eerzucht in hem opgewekt, hij streefde

er naar Hélène's adellijke afkomst te betalen, door het innemen van

een hooge politieke positie.

Hij stak geld in de nieuwe dagbladen, hij kocht groote landgoederen

in Nièvre, hij wendde alle bekende middelen aan om zich voor het

Wetgevend lichaam candidaat te laten stellen. Tot dusver hadden zijn

pogingen schipbreuk geleden, zonder dat hij iets van zijn deftigheid

verloor. Hij was het ongeloofelijkste leeghoofd, dat men ooit kon

aantreffen. Hij had een statig voorkomen, het bleeke, peinzende gelaat

van een groot staatsman, en daar hij op een verwonderlijke manier

kon toeluisteren, met nadenkende blikken en een plechtige kalmte op

het gelaat, zou men kunnen meenen, dat zijn geest zich diep inspande

om het gesprokene op te nemen en te verwerken. Het leed echter geen

twijfel of hij dacht nergens aan. Maar hij slaagde er in de menschen

in de onzekerheid te brengen of zij met een groot man of met een

domoor te doen hadden.

Mijnheer de Mareuil klampte zich aan Saccard vast, als een drenkeling

aan een toegestoken plank. Hij wist dat een officiëele candidatuur

in Nièvre vrij zon komen en hij hoopte vurig dat de minister hem als

candidaat zou aanwijzen; het was zijn laatste troef. Hij gaf zich

dan ook blindelings aan den broer van den minister over.

Saccard, die de lucht kreeg van een voordeelig zaakje, bracht hem op

het idee van een huwelijk tusschen Maxime en zijn dochter Louise. De

ander weidde dadelijk uit over zijn ingenomenheid met dit voorstel,

hij meende dat hij het eerst aan dat huwelijk gedacht had, en achtte

zich zeer gelukkig in de familie van een minister te komen en Louise

aan een jongmensch te geven, die de schitterendste vooruitzichten

scheen te hebben.

Louise zou, zei haar vader, een millioen mee ten huwelijk

krijgen. Mismaakt, leelijk en alleraardigst, was zij veroordeeld

om jong te sterven; een borstkwaal ondermijnde haar, maakte haar

opgewonden vroolijk, en gaf haar iets innemends. Ziekelijke meisjes

verouderen snel, worden vóór den tijd vrouw. Zij had iets zinnelijk

naïefs, zij scheen op elfjarigen leeftijd, in volle puberteit,

geboren te zijn.

Als haar vader, die gezonde, domme kolossus, haar aankeek, kon hij

niet gelooven dat het zijn dochter was. Haar moeder was bij haar

leven ook een groote, sterke vrouw, maar haar nagedachtenis wekte

de herinnering aan geruchten op, die een verklaring gaven van de

wanstaltigheid van dit kind, van haar gedragingen als een schatrijk

zigeunermeisje, haar ondeugende, bekoorlijke leelijkheid.

Men zei dat Hélène de Mareuil in de schandelijkste uitspattingen

gestorven was. De zinnelijke lusten hadden aan haar geknaagd als een

zweer, zonder dat haar man de vlagen van krankzinnigheid opmerkte

van zijn vrouw, die hij in een gesticht had moeten opsluiten.

Uit dien zieken schoot geboren, had Louise dun bloed en mismaakte

leden, waren haar hersenen aangedaan en was haar geheugen reeds

vol van een bezoedeld leven. Soms kwam er een vage herinnering aan

een vroeger bestaan in haar op, door een nevel zag zij zonderlinge

tooneelen schemeren, mannen en vrouwen die elkander omhelsden,

een geheel drama van vleeschelijke lusten waarin haar kinderlijke

nieuwsgierigheid zich vermeide. Het was haar moeder, die in haar

sprak. In haar kinderjaren bleef haar die ondeugd bij.

Naarmate zij grooter werd, was er niets dat haar verbaasde, zij

herinnerde zich alles, of liever zij wist alles, en zij reikte naar de

verboden zaken met een zekerheid van hand, die haar deed gelijken op

iemand die na een lange ziekte in zijn woning terug komt en slechts

den arm hoeft uit te steken om zich op zijn gemak te zetten en zich

thuis te voelen.

Dit zonderlinge meisje, wier kwade neigingen met de zijne strookten,

maar dat daarenboven zoo onschuldig in haar onbeschaamdheid scheen, en

een pikante mengeling vertoonde van kinderlijkheid en vrijpostigheid

in dat tweede leven dat zij als maagd doorleefde met haar wetenschap

en schande van een volwassen vrouw, moest Maxime ten slotte behagen

en hem veel grappiger toeschijnen dan Sylvia, een woekeraarster in

haar hart, dochter van een eerzamen papierfabrikant en eigenlijk

vreeselijk burgerlijk.

Het huwelijk werd lachend vastgesteld, en men besloot de "kwajongens"

te laten opgroeien. De twee gezinnen gingen heel vriendschappelijk

met elkander om. Mijnheer de Mareuil deed zijn best voor zijn

candidatuur. Saccard loerde op zijn prooi. De afspraak luidde,

dat Maxime als bruidsgeschenk zijn benoeming tot auditeur bij den

staatsraad zou meebrengen.

Intusschen scheen het fortuin van Saccard zijn toppunt bereikt te

hebben. Het straalde midden in Parijs als een groot vreugdevuur. Het

uur was gekomen, waarop de honden hun aandeel in den buit kregen,

en het door toortsen verlichte bosch weerklonk van hun geblaf

en van het klappen der zweepen. De losgelaten begeerten vonden

eindelijk bevrediging in den onbeschaamden triomf, bij het geraas

der ineengestorte wijken en der snel opgekomen fortuinen.

De stad was niets meer dan een groote zwelgpartij van millioenen en

van vrouwen. De ondeugd, van bovenaf gekomen, stroomde in de beken,

spreidde zich uit in de vijvers, steeg weer omhoog in de fonteinen der

tuinen, om neer te vallen op de daken, in een fijnen doordringenden

regen. En als men des nachts de bruggen overging, scheen de Seine,

midden in de slapende stad, den afval met zich mee te voeren:

van de tafels gevallen kruimels, op de sofa's achtergelaten kanten

strikken, in de vigelantes vergeten haartooi, uit de boezems gegleden

bankbiljetten, al wat de dierlijkheid der begeerte en de onmiddellijke

bevrediging van de aandrift op straat werpen, na het gebroken en

bezoedeld te hebben.

Dan, in den koortsachtigen slaap van Parijs, en nog beter dan op die

hijgende jacht overdag, voelde men dat alle hoofden op hol waren,

dat die stad van niets droomde dan van goud en wellust.

Tot middernacht klonken de violen; dan werden de vensters donker,

en daalde de duisternis over de stad.

Het leek een ontzaglijk groote alkoof, waarin met het uitblazen van

de laatste kaars ook de laatste schaamte afgelegd werd.

In die diepe duisternis ontwaarde men niets meer dan een groot

gereutel van hevigen, afgematten hartstocht, terwijl de Tuileriën,

aan den waterkant, hun armen in het donker uitbreidden als tot een

ontzaglijke omhelzing.

Saccard had zijn hôtel laten bouwen in het park Monceau, op een

terrein dat hij van de stad gestolen had. Hij had daar voor zichzelf

op de eerste verdieping een prachtig kabinet laten inrichten,

palissanderhout met vergulde ornamenten, met hooge glazen deuren

als van een boekenkast, vol dossiers maar met geen enkel boek er in;

de brandkast, in een inspringenden hoek van den muur, geleek op een

ijzeren alkoof, groot genoeg om tot bed te dienen voor een milliard.

Zijn fortuin groeide daar aan, pronkte er onbeschaamd in. Alles

scheen hem mee te loopen. Toen hij de rue de Rivoli verliet, zijn

huis op grooter voet inrichte, zijn uitgaven verdubbelde, zei hij tot

zijn kennissen dat hij aanzienlijke winsten behaald had. Naar zijn

zeggen bracht zijn compagnonschap met de heeren Mignon en Charrier

hem ontzaglijke winsten op; zijn speculaties op huizen gingen nog

voordeeliger, en het Wijnbouwcrediet was een onuitputtelijke melkkoe.

Hij somde zijn rijkdommen op zoo'n eigenaardige manier op, dat het

den toehoorders voor de oogen duizelde. Zijn provençaalsch neusgeluid

kwam nog sterker uit: met zijn korte gezegden en zijn zenuwachtige

gebaren, stak hij een vuurwerk af, waarin de millioenen als vuurpijlen

omhoog stegen, zoodat zelfs de ongeloovigsten verblind werden. Die

drukte over zijn rijkdom was voor een groot deel de oorzaak, dat

hij den naam van een gelukkig speler had gekregen. In werkelijkheid

was er niemand, die een veilig belegd kapitaal van hem kende. Zijn

verschillende compagnons, die natuurlijk op de hoogte waren van zijn

positie tegenover hen, verklaarden zich zijn kolossaal fortuin door

aan te nemen dat hij bijzonder gelukkig was in de andere speculaties,

waarvan zij niets afwisten.

Hij maakte grove verteringen; de stroom uit zijn kas vloeide aanhoudend

door, zonder dat de bronnen ontdekt konden worden. Het was zuivere

waanzin, een razende hartstocht, handen vol goudstukken in het

water gesmeten, de brandkast iederen avond tot den laatsten stuiver

geledigd om weer op onrustbarende wijze in den nacht gevuld te worden,

en nooit grooter geldsommen opleverende dan wanneer Saccard beweerde

de sleutels verloren te hebben.

In dat fortuin, met het geloei en de overstroomingen van een

winterstorm, werd de bruidschat van Renée geslingerd, meegevoerd en

verdronken. De jonge vrouw, die in den eersten tijd nog eenigszins

wantrouwend was en haar goederen zelf wou beheeren, had al heel gauw

genoeg van de zaken; later voelde zij zich arm tegenover haar man,

en onder den last der schulden gebukt, moest zij haar toevlucht bij

hem zoeken, geld van hem leenen, zich aan zijn genade overleveren.

Bij iedere nieuwe rekening, die hij betaalde met den glimlach van een

man die medelijden heeft met de menschelijke zwakheden, gaf zij zich

iets meer aan hem over, vertrouwde zij hem effecten toe of machtigde

hem het een of ander te verkoopen.

Toen zij in het park Monceau kwamen wonen, was zij al bijna geheel

uitgeplunderd. Hij had zich in de plaats van den Staat gesteld, en

betaalde haar de rente van de honderdduizend francs, voortkomende

uit haar eigendom in de rue de la Pépinière; bovendien had hij haar

overgehaald haar landgoed in Sologne te verkoopen, om het geld in een

groote zaak te steken, een uitmuntende belegging, zei hij. Zij had

dus nog enkel de terreinen van Charonne over, die zij standvastig

weigerde van de hand te doen, om tante Elisabeth geen verdriet te

doen. En daar had hij nog een slim plannetje mee beraamd, met behulp

van zijn ouden medeplichtige Larsonneau.

Toch bleef zij nog verplichting aan hem houden; hij had wel haar

fortuin genomen, maar hij betaalde haar het vijf- of zesvoud der

jaarlijksche opbrengst. De rente van de honderdduizend francs,

gevoegd bij die van het geld van Sologne, bedroeg ternauwernood

negen- of tienduizend francs, juist genoeg om haar linnennaaister en

haar schoenmaker mee te betalen. Hij gaf haar of betaalde voor haar

vijftien-, ja twintigmaal dat armzalige beetje.

Hij zou acht dagen werken om haar honderd francs te ontstelen, en

hij onderhield haar vorstelijk. Zij deelde dan ook in den algemeenen

eerbied voor de monumentale brandkast van haar man, zonder de herkomst

te doorgronden van dien goudstroom, dien zij zag voorbij stroomen en

waarin zij zich elken morgen wierp.

In het park Monceau, was het een razernij, een oogverblindende

pracht. De Saccards verdubbelden het aantal hunner rijtuigen en

paarden; zij hielden er een leger van bedienden op na, die zij in

een donkerblauwe livrei uitdosten, een stopverfkleurige korte broek

met zwart en geel gestreept vest, weinig opzichtige kleuren, die

de financier opzettelijk gekozen had om hoogst ernstig te schijnen,

wat altijd een van zijn liefste droomen was geweest.

Zij spreidden hun weelde aan den voorgevel ten toon en openden

de gordijnen, op de dagen dat er groote diners gegeven werden. De

windvlaag, die op de eerste verdieping van de rue de Rivoli de deuren

had doen slaan, was in het hôtel een ware orkaan geworden, die de

binnenmuren dreigde omver te blazen.

Te midden dier vorstelijke vertrekken, langs de vergulde trapleuningen,

op de dikke wollen tapijten, in dat tooverpaleis van een parvenu,

bleef de geur van Mobille hangen, dansten de wiegelende heupen de in

de mode zijnde quadrilles, waarde de tijdgeest rond met zijn dommen,

dwazen lach, zijn onleschbaren dorst en zijn eeuwigen honger.

Het was het verdachte huis van het wereldsch vermaak, van

het onbeschaamde vermaak, dat de vensters wijd open zet om de

voorbijgangers in te wijden in de geheimen der slaapkamer.

Man en vrouw leefden er vrij, onder de oogen van hun dienstboden. Zij

hadden het huis met elkaar gedeeld, zij kampeerden er, alsof het

hun eigen huis niet was, alsof zij na een drukke, afmattende reis

in een prachtig hôtel waren aangeland, waar zij zich even den tijd

gegund hadden om hun koffers uit te pakken, ten einde zoo gauw

mogelijk de genoegens van een nieuwe stad te kunnen najagen. Zij

hielden er hun nachtverblijf; zij bleven alleen thuis voor de groote

diners, onophoudelijk door Parijs zwervende, soms voor een uurtje

thuiskomende, zooals men in een logement tusschen twee uitstapjes

even komt uitrusten.

Renée voelde er zich onrustiger, droomeriger; haar zijden rokken

gleden over de dikke tapijten, langs het satijn der causeuses, met

het sissend geluid van slangen; zij voelde zich geprikkeld door die

dwaze verguldsels om haar heen, door die hooge, ledige plafonds,

waaronder na de feestavonden niets overbleef dan het dartel gelach

van de jongelui en de mooiklinkende woorden van de oude schelmen;

om die weelde aan te vullen, om die schitterende pracht te bewonen,

verlangde zij naar een buitengewoon vermaak, dat haar nieuwsgierigheid

te vergeefs zocht in alle hoekjes van het hôtel, in het kleine

zonkleurige salon, in de serre met haar weelderigen plantengroei.

Saccard daarentegen zag zijn droomen bijna vervuld; hij ontving de

groote geldmannen, mijnheer Toutin-Laroche, mijnheer de Lauwerens; hij

ontving ook de groote staatslieden, baron Gouraud, den afgevaardigde

Haffner; zijn broer, de minister, was zelfs twee- of driemaal bij

hem aan huis geweest om door zijn aanwezigheid zijn positie hechter

te maken.

Toch had hij, even goed als zijn vrouw, een zenuwachtige, onrustige

bezorgdheid, die zijn lach deed klinken als het gerinkel van gebroken

vensterglas. Hij kreeg iets zoo gejaagds, zoo overspannens, dat zijn

kennissen van hem zeiden: "Die drommelsche Saccard! hij verdient te

veel geld, hij wordt nog gek!"

In 1860 had hij een ridderorde gekregen, naar aanleiding van een

geheimzinnigen dienst dien hij den prefect had bewezen, door zijn

naam te leenen voor een dame bij een verkooping van terreinen.

Het was omstreeks den tijd van hun verhuizing naar het park Monceau,

dat er een gebeurtenis plaats greep in Renée's leven, die een

onuitwischbaren indruk bij haar achterliet. Tot dusver had de

minister weerstand geboden aan de smeekingen zijner schoonzuster,

die van begeerte brandde om tot de hofbals uitgenoodigd te worden.

Eindelijk zwichtte hij, in de meening dat het fortuin van zijn broer

nu stevig genoeg gegrondvest was. Een maand lang kon Renée er niet

van slapen. De groote avond kwam; zij zat te beven in het rijtuig,

dat haar naar de Tuileriën bracht.

Haar toilet was een wonder van bevalligheid en oorspronkelijkheid;

zij had het zelf in een slapeloozen nacht bedacht, en drie mannen van

Worms waren het onder haar oogen bij haar thuis komen maken. Het was

een eenvoudige robe van wit gaas, maar gegarneerd met een menigte

uitgeschulpte en met zwart fluweel geboorde strookjes. De tuniek

van zwart fluweel was aan den hals vierkant uitgesneden, heel laag

op den boezem, die omsloten werd door dunne kant, nauwelijks een

vinger hoog. Geen enkele bloem, geen enkel lint, om haar polsen gladde

armbanden en op haar hoofd een smalle diadeem van goud, die haar als

een stralenkrans omgaf.

Toen zij in de salons was en haar man haar verlaten had om met

baron Gouraud te spreken, voelde zij zich een oogenblik verlegen. De

spiegels echter toonden haar hoe bevallig zij er uitzag en stelden

haar spoedig gerust; langzamerhand raakte zij gewend aan de warme

atmosfeer, het gefluister van stemmen, de mengeling van zwarte jassen

en blanke schouders.

Daar verscheen de keizer. Hij schreed langzaam door het salon, aan

den arm van een dikken, kleinen generaal, die hijgde alsof hij aan

een moeielijke spijsvertering leed.

De schouders schaarden zich in twee rijen, terwijl de zwarte jassen

onwillekeurig bescheidenlijk een stapje achteruit weken. Renée werd

naar het einde der rij gedrongen, dicht bij de tweede deur, waarheen

de keizer juist zijn moeielijken, wankelenden gang richtte. Zij zag

hem zoo, van de eene deur naar de andere, op haar toekomen.

Hij droeg een zwarten rok met het roode lint van het grootkruis. Renée,

die de ontroering weer te machtig werd, onderscheidde niet goed wat

zij zag; die bloedige vlek scheen haar toe de geheele borst van den

vorst te bespatten. Zij vond hem klein, met te korte beenen en een

waggelenden gang; maar zij was verrukt, en in haar oog leek hij mooi,

met zijn bleeke gelaatskleur, zijn zware oogleden, die over zijn

doffe oogen neerhingen. Onder zijn snor opende zijn mond zich slap;

alleen zijn beenige neus kwam uit in dat nietszeggende gelaat.

De keizer en de oude generaal gingen stapje voor stapje verder;

zij schenen elkander te steunen, met een flauw glimlachje. Zij

keken naar de buigende dames, en hun blikken gleden links en rechts

in de keurslijven. De generaal boog zich naar zijn meester over,

fluisterde hem een woordje toe, drukte hem den arm als een vroolijke

kameraad. En de keizer, slap en bleek, nog matter dan gewoonlijk,

kwam steeds nader met zijn slependen tred.

Zij waren in het midden van het salon, toen Renée voelde dat hun

blikken op haar rustten. De oogen van den generaal werden rond,

terwijl de keizer, zijn oogleden half opslaande, een rooden gloed

kreeg in de grijze, troebele oogen.

Renée raakte van haar stuk, boog het hoofd en zag niets meer dan de

rozen van het tapijt. Maar zij volgde hun schaduw, zij begreep dat

zij een paar seconden voor haar stil bleven staan. En zij meende den

keizer, dien dubbelzinnige droomer, te hooren fluisteren, terwijl hij

haar aankeek, weggedoken in haar mousselinen, met fluweel gestreepte

japon:

--Zie eens, generaal, een bloempje om te plukken, een geheimzinnige,

wit en zwart gestreepte anjelier.

En de generaal antwoordde op lompen toon:

--Sire, die anjelier zou verduiveld goed in ons knoopsgat staan.

Renée hief het hoofd op. De verschijning was verdwenen, een stroom van

menschen versperde de deur. Sedert dien avond kwam zij dikwijls op de

Tuileriën, zij genoot zelfs de eer dat Zijne Majesteit haar hardop

een complimentje maakte, en dat zij eenigszins zijn vriendin werd;

maar zij herinnerde zich altijd den langzamen, loomen tred van den

vorst midden door het salon, tusschen de twee rijen van schouders;

en wanneer zij wat nieuwe vreugd in het aangroeiend fortuin van

haar man vond, zag zij den keizer weer langs de gebogen halzen gaan,

naar haar toekomen, haar vergelijkende bij een anjelier, die de oude

generaal hem aanried in zijn knoopsgat te steken. Dat was voor haar

het beduidendste moment van haar leven.

Jacht naar Fortuin · 第 5 / 10 题