Aristide Rougon streek na de gebeurtenissen van den 2en December op
Parijs neer, met den fijnen reuk van een roofvogel, die op grooten
afstand een slagveld ruikt. Hij kwam uit Plassans, een onder-prefectuur
van het Zuiden, waar zijn vader eindelijk uit het troebele water
der verwikkelingen een reeds lang begeerde ontvangersplaats had
opgevischt. Nadat hij zich in zijn jeugdige onervarenheid als een dwaas
had bloot gegeven, zonder dat het hem eer of voordeel had opgeleverd,
moest hij zich gelukkig achten dat hij heelshuids uit het slaggewoel
ontkomen was. Hij kwam aansnellen, met nijd in het hart, dat hij op
een dwaalspoor was geraakt; hij verwenschte zijn provinciestadje, hij
sprak over Parijs met de hongerige begeerte van een wolf, hij zwoer
"dat hij zoo dom niet meer zou zijn", en de scherpe glimlach waarmee
hij deze woorden vergezeld deed gaan, kreeg op zijn dunne lippen een
verschrikkelijke beteekenis.
In de eerste dagen van 1852 kwam hij aan. Hij bracht zijn vrouw
Angèle mee, een blond, onbeduidend persoontje, dat hij in een kleine
woning in de rue Saint-Jacques onder dak bracht, als een lastig meubel
waarvan hij zich zoo gauw mogelijk wilde ontdoen. De jonge vrouw had
niet willen scheiden van haar dochtertje, de kleine Clotilde, een
vierjarig kind, dat de vader graag aan de zorg van de familie had
overgelaten. Hij had aan Angèle's wensch slechts toegegeven onder
voorwaarde dat hun zoon Maxime, een jongen van elf jaar, voor wien
zijn grootmoeder had beloofd te zullen zorgen, op het gymnasium te
Plassans zou blijven.
Aristide wilde de handen vrij hebben; een vrouw en een kind waren in
zijn oog reeds een drukkende last voor een man, die vastbesloten had
alle hindernissen over te springen, al moest hij er de lendenen bij
breken of in de modder tuimelen.
Op den eigen avond van hun aankomst, terwijl Angèle de koffers
uitpakte, voelde hij een onbedwingbaren lust in zich opkomen Parijs
te doorkruisen, met zijn lompe buitenmansschoenen over die brandende
steenen te loopen, waaruit hij millioenen hoopte te slaan. Het
was een ware inbezitneming. Hij liep met geen ander doel dan om te
loopen, het eene trottoir af, het andere op, als in een overwonnen
land. Hij maakte zich niets diets omtrent den slag dien hij ging
leveren, en het stuitte hem niet tegen de borst zich bij een handigen
inbreker te vergelijken, die door list of geweld zijn aandeel in
den gemeenschappelijken rijkdom gaat bemachtigen, dat men hem tot
dusverre uit kwaadwilligheid geweigerd heeft. Indien hij behoefte
aan een verontschuldiging gevoeld had, dan had hij zijn begeerten
kunnen aanvoeren, die hij al tien jaar lang had moeten onderdrukken,
zijn kommerlijk bestaan in de provincie, zijn misslagen in de eerste
plaats, waarvoor hij de geheele maatschappij aansprakelijk stelde.
Maar op dit oogenblik, in die aandoening van een speler, die eindelijk
zijn brandende handen op het groene laken legt, ging hij geheel op
in de vreugde, in zijn eigenaardige vreugde, waaruit de voldoening
van den afgunstige en de hoop van den ongestraften schelm spraken.
De lucht van Parijs bracht hem in een roes, hij meende in het geratel
der rijtuigen de stemmen van Macbeth te hooren, die hem toeriepen:
Gij zult rijk zijn!
Bijna twee uren liep hij zoo van de eene straat in de andere,
met den wellust van een man die zijn kwaden neigingen den vrijen
teugel geeft. Het was de eerste maal dat hij Parijs betrad sedert
het gelukkige jaar dat hij er als student had doorgebracht.
De avond begon te vallen: in het helle schijnsel dat de koffiehuizen
en winkels op de trottoirs uitstraalden nam zijn droombeeld grooter
afmetingen aan; hij liep wakend te droomen.
Toen hij de oogen opsloeg, bevond hij zich midden op den faubourg
Saint-Honoré. Een van zijn broers, Eugène Rougon, woonde in een
aangrenzende straat, rue de Penthièvre. Toen hij naar Parijs ging,
had Aristide hoofdzakelijk gerekend op Eugène, die eerst een der
krachtigste bevorderaars van den Staatsgreep geweest was en nu nog
in het geheim een grooten invloed uitoefende, een kleine advokaat
die zich tot een groot staatsman zou ontwikkelen.
Maar met een dier bijgeloovigheden aan spelers eigen, wilde hij nog
dien avond niet bij zijn broer aankloppen. Hij drentelde naar de rue
Saint-Jacques terug, met een gevoel van afgunst als hij aan Eugène
dacht en naar zijn armoedige kleeren keek die nog geheel bestoft van
de reis waren; daarop trachtte hij zich te troosten, door zich weer
in zijn droomen van rijkdom te verdiepen. Maar die droomen zelfs
waren bitter geworden.
Terwijl hij uitgegaan was in een behoefte aan verruiming en door
de bedrijvige winkeldrukte van Parijs in een vroolijke stemming was
gebracht, keerde hij nu naar huis terug, verbitterd door het geluk dat
hij overal op straat meende ontmoet te hebben; nog woester geworden,
stelde hij zich in de gedachte een hardnekkigen strijd voor, waarin
hij met genoegen die menigte, die hem op de trottoirs terzijde had
gedrongen, zou verschalken en verslaan. Nooit had hij zulke groote
verlangens in zich voelen opkomen, zulke rechtstreeksche begeerten
naar genot.
Den volgenden dag was hij al vroeg bij zijn broer. Eugène bewoonde
twee groote, kille, ternauwernood gemeubileerde kamers, die Aristide
deden rillen. Hij had gedacht dat zijn broer zich in weelde baadde.
Deze zat aan een zwart tafeltje te werken. Glimlachend zei hij enkel,
met zijn langzame manier van spreken:
--O, ben jij het, ik verwachtte je.
Aristide was heel scherp. Hij beschuldigde Eugène dat hij hem
in nooddruft had gelaten, dat hij hem zelfs niet bij wijze van
aalmoes een goeden raad had gegeven, terwijl hij in de provincie
voortploeterde. Hij zou het zich zelf nooit vergeven, dat hij tot den
2en December republikeinsch gezind was gebleven; daar zou hij altijd
met ergernis en schaamte aan denken.
Eugène had intusschen kalmpjes zijn pen weer ter hand genomen.
Toen Aristide uitgesproken had, antwoordde hij:
--Kom kom, alle misslagen laten zich goed maken. Je hebt nog een
goede toekomst vóór je.
Hij sprak die woorden met zooveel klem en keek Aristide daarbij
zoo doordringend aan, dat deze het hoofd boog, wel gevoelende dat
zijn broer tot in het diepst van zijn gemoed las. Deze ging op een
vriendschappelijk lompen toon voort:
--Je komt hier om een betrekking door mij te krijgen, niet waar? Ik
heb wel aan je gedacht, maar ik heb nog niets voor je gevonden. Je
begrijpt wel dat ik je niet overal in duwen kan. Jij moet een baantje
hebben waar je je zaakjes kan opknappen zonder gevaar voor jou zelf
of voor mij.... Houd je maar niet zoo verontwaardigd, we zijn alleen,
we mogen elkaar de waarheid wel zeggen.
Aristide koos de wijste partij en lachte.
--O, ik weet wel dat je slim bent, ging Eugène voort, en dat je geen
dwaasheden meer zal uithalen, die je niets opleveren. Zoodra er zich
een goede gelegenheid voordoet, zal ik je een betrekking bezorgen. Heb
je soms voor dien tijd een tientje noodig, kom het me dan maar vragen.
Zij bleven nog een poosje doorpraten over den opstand in het Zuiden,
waarbij hun vader zijn ontvangersplaats had verdiend; middelerwijl
kleedde Eugène zich aan. Op straat hield hij zijn broer nog even terug,
toen deze een anderen kant uitging, en zei zachtjes:
--Je zult me een pleizier doen als je je niet te veel op straat
vertoont; wacht liever thuis de betrekking af, die ik je beloof.... Ik
zou niet graag zien, dat mijn broer als een baantjesjager bekend
zou staan.
Aristide had ontzag voor Eugène, dien hij als een bij uitstek flinken
kerel beschouwde. Hij vergaf hem zijn wantrouwen niet en zijn ietwat
ruwe openhartigheid evenmin, maar hij ging zich heel gedwee in de rue
Saint-Jacques opsluiten. Hij was aangekomen met vijfhonderd francs die
zijn schoonvader hem geleend had. Na aftrek van de reiskosten, bleven
er driehonderd francs over, waarmee hij een maand kon rondkomen. Angèle
was een groote eetster, en bovendien achtte zij het hoognoodig dat
haar galatoilet eens met een stel mauve linten opgefrischt werd.
Die maand wachtens scheen Aristide oneindig toe. Hij brandde van
ongeduld. Als hij aan het venster ging staan en de reusachtige
bedrijvigheid van Parijs onder zich gewaar werd, bekroop hem soms de
lust om met één sprong in dien smeltoven terecht te komen, om er het
goud met zijn koortsachtige handen als was te kneden. Hij snoof die
nog zacht suizende ademtochtjes op, die uit de wereldstad opstegen,
die ademtochtjes van het opkomende keizerrijk, die reeds doortrokken
waren van de geuren van koppelarijen en zwendelarijen, van de warmten
der genietingen. De lichte uitwasemingen die tot hem opstegen, zeiden
hem dat hij op het goede spoor was, dat het wild voor hem uit liep,
dat de groote keizerlijke jacht, de jacht op avonturen, vrouwen en
millioenen, eindelijk begon. Zijn neusvleugels trilden, zijn instinct
van uitgehongerd dier rook met een bewonderenswaardig fijnen reuk,
welk een kostelijken buit de stad hem zou opleveren.
Tweemaal ging hij naar zijn broer, om hem meer spoed te doen
maken. Eugène ontving hem tamelijk norsch, herhaalde zijn verzekering
dat hij hem niet vergat, maar dat hij geduld moest oefenen. Eindelijk
ontving hij een brief waarin hij verzocht word in de rue de Penthièvre
aan te komen. Hij ging er heen met een kloppend hart, als gold het
een samenkomst met een geliefde.
Hij vond Eugène als altijd, aan zijn zwart tafeltje, in de groote
kille kamer die hem tot kantoor diende. Zoodra hij hem bemerkte,
reikte de advokaat hem een papier toe, met de woorden:
--Hier, ik heb gisteren iets voor je gekregen. Je bent benoemd aan
het stadhuis, tot adjunct-opzichter over de wegen en straten. Je
krijgt een traktement van vier en twintig honderd francs.
Aristide was blijven staan. Hij werd bleek en wilde het papier niet
aannemen, denkende dat zijn broer hem voor den gek hield. Hij had
minstens op zesduizend francs gerekend. Eugène ried wat in hem omging
en met een driftige beweging zijn stoel omkeerende, kruiste hij de
armen over de borst en vroeg met ingehouden toorn:
--Je bent toch niet gek?.... Je houdt er zeker van die meisjesdroomen
op na? Je zou op mooie kamers willen wonen, dienstboden houden,
lekker eten, onder zijden dekens slapen, in de armen van de eerste
de beste aan je lusten voldoen, in een boudoir dat in een paar uur
gemeubileerd is.... Als we jou en jouwsgelijken lieten begaan, dan zou
je de koffers leegmaken voor dat ze nog vol waren. Maar, mijn hemel,
heb dan toch een beetje geduld! Zie hoe ik leef, en doe ten minste
de moeite te bukken om een fortuin op te rapen.
Hij sprak met diepe minachting over het jongensachtige ongeduld van
zijn broer. In zijn ruwe manier van spreken voelde men een hoogere
eerzucht, een begeerte naar louter macht; die naïeve zucht naar geld
leek hem ongetwijfeld burgerlijk en kinderachtig toe. Ietwat zachter
gestemd, ging hij met een fijn glimlachje voort:
--Zeker, je neigingen zijn uitstekend, ik denk er niet aan ze tegen
te werken. Menschen zooals jij zijn onschatbaar. We zijn wel degelijk
van plan onze vrienden onder de grootste hunkeraars te kiezen. Maak je
maar niet ongerust, we zullen voor een ieder opdisschen, en de grootste
hongerlijders zullen verzadigd worden. Dat is nog de gemakkelijkste
manier om te regeeren.... Maar wacht dan toch in 's hemelsnaam tot
de tafel gedekt is, en als ik je een goeden raad mag geven, doe de
moeite zelf je bord uit de keuken te halen.
Aristide bleef donker kijken. De vriendelijke vergelijkingen van zijn
broer verdreven zijn rimpels niet. Toen kon Eugène zijn kwaadheid
niet bedwingen:
--Kijk! riep hij uit, ik kom weer tot mijn eerste opinie terug: je
bent gek.... Wat had je dan toch eigenlijk gedacht dat ik met jouw
doorluchtige persoontje zou doen? Je hebt niet eens den moed gehad je
laatste examen te doen; je hebt je tien jaar lang met het armzalig
baantje van klerk bij een onder-prefectuur beholpen, je komt bij me
met de allerongunstigste reputatie van een republikein, die eerst
na den Staatsgreep van overtuiging veranderd is.... Denk je soms dat
jij, met zoo'n conduite-staat, het nog tot minister brengen zal? Ja,
éen ding heb je voor, dat weet ik, en dat is je woeste begeerte om
er door alle mogelijke middelen bovenop te komen. Dat is een groote
deugd, dat geef ik toe, en met het oog daarop heb ik je ook aan het
Stadhuis geplaatst zien te krijgen.
En opstaande drong hij Aristide zijn benoeming in de hand.
--Neem aan, ging hij voort, je zult me er eens voor danken. Ik heb
zelf de betrekking gekozen, ik weet wat je er uit halen kan.... Houd
je oogen en je ooren maar goed open. Met een beetje doorzicht, zal je
begrijpen wat je te doen staat.... Maar onthoud goed wat ik je nu nog
te zeggen heb. We gaan een tijd tegemoet, waarin men op allerlei wijzen
fortuin kan maken. Verdien veel geld, daar heb ik niets op tegen:
maar geen domheden, geen opspraak, of ik trek mijn handen van je af.
Deze bedreiging had de uitwerking, die zijn beloften niet teweeg
hadden kunnen brengen. Het koortsachtig verlangen van Aristide
gloeide weer op bij de gedachte aan dat fortuin waarop zijn broer
zinspeelde. Hij kreeg een gewaarwording alsof men hem eindelijk los
liet in de kloppartij en hem machtigde de lui te wurgen, maar op een
wettige manier, zonder ze al te hard te laten schreeuwen.
Eugène gaf hem tweehonderd francs om er die maand mee toe te komen.
Daarop verzonk hij in gedachten.
--Ik ben van plan een anderen naam aan te nemen, zei hij eindelijk;
jij moest dat ook doen.... We zouden elkaar minder hinderen.
--Zooals je wilt, antwoordde Aristide kalmpjes.
--Je hoeft je met niets te bemoeien, ik zal wel voor de formaliteiten
zorgen.... Wil je Sicardot heeten, naar je vrouws naam?
Aristide richtte den blik naar de zoldering, sprak den naam eenige
keeren achtereen uit, luisterde goed naar den klank van de lettergrepen
en zei:
.... Sicardot.... Aristide Sicardot.... Neen, dank je; dat is een
goede naam voor een ouden sok, en dat ruikt naar een failliet.
--Zoek dan wat anders, zei Eugène.
--Ik had liever kortweg Sicard, hernam de ander een poosje later;
Aristide Sicard,.... niet zoo kwaad.... vind je niet? misschien een
beetje vroolijk....
Hij dacht nog een oogenblik na, en met een zegevierend gezicht:
--Ik ben er, ik heb het gevonden, riep hij uit.... Saccard,
Aristide Saccard!.... met twee c's. Hè! er zit geld in dien naam,
het lijkt wel of men rijksdaalders telt.
Eugène was wreed als hij schertste. Hij nam lachend afscheid van zijn
broer en zei:
--Ja, een naam om er mee naar de galeien te gaan of om er millioenen
mee te verdienen.
Een paar dagen later was Aristide Saccard op het stadhuis. Daar hoorde
hij dat zijn broer heel wat invloed had moeten aanwenden om hem zonder
de gebruikelijke examens geplaatst te krijgen.
Toen begon voor het huishouden het eentonige leven der kleine
ambtenaartjes. Aristide en Angèle richtten hun levenswijs weer in
zooals in Plassans, met dit verschil echter, dat zij de hoop op een
plotseling fortuin moesten laten varen; en hun armelijke levenswijs
drukte hen meer, omdat zij haar beschouwden als een proeftijd waarvan
zij den duur niet vooruit konden bepalen.
In Parijs arm zijn, is dubbel armoe lijden. Angèle schikte zich in
de ellende met het gemis aan veerkracht van een bleekzuchtige vrouw;
zij bracht haar dagen in de keuken door, of lag op den grond met haar
dochtertje te spelen en klaagde niet voordat zij aan haar laatsten
rijksdaalder was.
Maar Aristide beefde van woede om die armoede, om dat bekrompen
bestaan, waarin hij rondliep als een wild dier dat opgesloten is
in zijn hok. Het was voor hem een tijd van namelooze kwelling; zijn
ijdelheid was gekwetst, zijn onbevredigde hartstochten zweepten hem
onbarmhartig voort.
Zijn broer slaagde er in als afgevaardigde van het arrondissement
Plassans in het Wetgevend lichaam te komen; nu voelde hij zijn lijden
nog meer. Hij gevoelde de meerderheid van Eugène te goed om dwaas
jaloersch te zijn; hij beschuldigde hem alleen, dat hij niet voor
hem deed wat hij kon.
Meer dan eens dreef de noodzakelijkheid hem er toe bij hem aan te
kloppen om geld. Eugène leende het hem, maar verweet hem op ruwen
toon zijn gebrek aan moed en wilskracht. Dat maakte Aristide nog
stijfhoofdiger. Hij zwoer dat hij niemand meer een cent zou vragen,
en hij hield woord. De laatste week der maand at Angèle zuchtend
droog brood.
Deze leerschool voltooide de vreeselijke opvoeding van Saccard. Zijn
lippen werden dunner; hij was zoo dwaas niet meer om van zijn
millioenendroomen te spreken, zijn magere persoonlijkheid werd karig
met woorden en drukte nog slechts één overheerschend denkbeeld,
één streven uit. Wanneer hij zich van de rue Saint-Jacques naar
het stadhuis spoedde, klonken zijn afgeloopen hakken driftig op de
trottoirs en hij knoopte zich in zijn versleten overjas als in een
toevluchtsoord van haat, terwijl zijn speurhondenneus de lucht in de
straten opsnoof. Hoekig beeld van de afgunstige armoede die men door
de straten van Parijs ziet ronddolen, peinzende over de middelen om
tot fortuin te geraken en ongebreidelde hartstochten bot te vieren.
Omstreeks het begin van 1853 werd Aristide Saccard benoemd tot
opzichter der wegen. Hij verdiende nu vierduizend vijfhonderd
francs. Deze verhooging kwam wel te pas; Angèle kwijnde weg, de kleine
Clotilde werd met den dag bleeker. Hij bleef in zijn beknopte woning,
bestaande uit een eetkamer met notenhouten en een slaapkamer met
mahoniehouten meubelen; hij bleef ook even spaarzaam, en stak zich niet
in schulden, daar hij zijn handen eerst dan naar het geld van anderen
wou uitsteken, wanneer hij ze er tot de ellebogen in kon dompelen. Zoo
verloochende hij zijn natuurlijken aard; met trotsche geringschatting
voor de paar stuivers die hij meer kreeg, bleef hij op den loer.
Angèle was volmaakt gelukkig. Zij kocht een paar snuisterijen en deed
iederen dag haar broche aan. Zij begreep niets meer van de stomme
woede van haar man, van zijn sombere gelaatsuitdrukking, als peinsde
hij zich moe op de oplossing van een geducht moeielijk vraagstuk.
Aristide volgde Eugène's raad op: hij luisterde en hij keek toe. Toen
hij zijn broer voor zijn bevordering ging bedanken, begreep deze welk
een ommekeer in hem had plaats gehad; hij gaf hem een pluimpje over
hetgeen hij zijn goed gedrag noemde. De ambtenaar, dien de afgunst
innerlijk onbuigzaam maakte, was uiterlijk meegaande en vleiend
innemend geworden.
In weinige maanden werd hij een volleerd tooneelspeler. Zijn zuidelijke
verbeeldingskracht was geheel in hem ontwaakt, en hij bracht het
zoover in de kunst, dat zijn collega's op het stadhuis hem voor
een goeden kerel hielden, die door zijn nauwe verwantschap met een
afgevaardigde bij voorbaat was aangewezen voor de een of andere hooge
betrekking. Om die zelfde reden behandelden zijn chefs hem ook met
een bijzondere welwillendheid.
Zoo werd hij meer ontzien dan met zijn betrekking overeen kwam, en
daardoor kon hij zekere deuren openen en zijn neus in zekere doozen
steken, zonder dat er iets ongeoorloofds in zijn onbescheidenheid
gezien werd.
Twee jaren lang zag men hem in alle gangen snuffelen, in alle zalen
toeven, twintigmaal op een dag opstaan, om met een collega een praatje
te gaan maken, een order over te brengen, een uitstapje door alle
bureaux te gaan maken, eeuwigdurende wandelingen die zijn collega's
de opmerking in den mond gaven: "Die drommelsche provençaal! Hij kan
geen minuut op zijn plaats blijven, hij heeft kwik in zijn beenen."
Zijn vertrouwde kennissen hielden hem voor een luiaard, en de brave
man lachte, wanneer zij hem beschuldigden, dat hij er slechts op uit
was om een paar minuten aan de administratie te ontstelen.
Nooit beging hij de fout om aan de deuren te staan luisteren; maar
hij had zoo'n besliste manier om de deuren te openen, de kamer door te
wandelen, met een papier in de hand, een nadenkend gezicht en een zoo
langzamen en regelmatigen tred, dat hem geen woord van de gesprekken
ontging. Het was een geniale taktiek, men hield eindelijk zijn woorden
niet meer in als men dien ijverigen ambtenaar voorbij zag loopen,
die zoo verdiept in zijn bezigheden scheen en zoo bescheiden door de
bureaux liep.
Hij paste nog een andere methode toe: hij was uiterst gedienstig,
hij bood zijn collega's zijn hulp aan, zoodra zij met hun werk ten
achteren waren, en dan bestudeerde hij de registers en de documenten
die hem onder de oogen kwamen, met een hartelijke belangstelling. Maar
een zijner pekelzonden was, dat hij vriendschap aanknoopte met de
kantoorknechts. Hij gaf ze zelfs de hand. Uren lang liet hij ze
praten op de portalen, met gesmoorde lachjes allerlei verhaaltjes
opdisschende en zijn best doende hen uit te hooren. De goede menschen
hadden verbazend veel met hem op, en zeiden van hem: "Die is tenminste
niet trotsch."
Zoodra er iets bijzonders gebeurde, was hij er het eerst van
onderricht. Op die wijze had het Stadhuis voor hem geen geheimen
meer. Hij kende het heele personeel, tot zelfs den geringsten
lampenopsteker, en al de paperassen, tot zelfs de rekeningen der
waschvrouwen.
Op dit tijdstip bood Parijs voor een man als Aristide Saccard een
allerbelangwekkendst schouwspel. Het keizerrijk was afgekondigd,
na die bekende reis waarop de prins-president er in geslaagd was
de geestdrift van enkele bonapartistische departementen te doen
ontvlammen. Er was stilte ontstaan op de tribune en in de pers.
De maatschappij, ten tweeden male gered, wenschte zich geluk,
ging te rust, sliep eens goed uit, nu een krachtig bestuur haar
beschermde en haar zelfs onthief van de zorg om te denken en haar
zaken te regelen. Het grootste hoofdbreken van de maatschappij was,
te weten met welke vermaken zij den tijd zou dooden. Zooals Eugène
Rougon het heel gelukkig uitdrukte, ging Parijs aan tafel en dacht
aan de kwinkslagen bij het dessert.
Politiek werd een schrikbeeld, een gevaarlijk goedje. De vermoeide
geest zocht de zaken en de genoegens op. Die iets bezaten, groeven
hun geld weer op, en die niets bezaten zochten in hoekjes en gaatjes
schatten, die mogelijk achtergelaten waren. Op den bodem van al dat
gewoel trilde het nauw merkbaar, ontstond er een rammelend geluid van
rijksdaalders, hoorde men een helder vrouwengelach, het nog zwakke
gerinkel van vaatwerk en het klinken van kussen.
In de diepe stilte der herstelde orde, in den vrede der nieuwe
regeering stegen allerlei aangename geluiden op, die hoop gaven
op goud en wellust. Het scheen alsof men voorbij een dier kleine
huisjes ging, waarvan de zorgvuldig neergelaten gordijnen slechts
schaduwen van vrouwen laten doorschemeren en waar men het goud op
den schoorsteenmantel hoort klinken.
Het keizerrijk zou Parijs tot de beruchtste plek van Europa maken. Dat
handjevol gelukzoekers dat een troon gestolen had, had behoefte aan
een regeering vol avonturen, kwade praktijken, verkochte gewetens,
betaalde vrouwen, een geweldigen en algemeenen roes van verzadiging.
En in de stad, waar het Decemberbloed ternauwernood was weggewischt,
ontwikkelde zich reeds, aanvankelijk nog schroomvallig, die
buitensporige zucht naar genietingen, die Frankrijk op de lijst der
verdorven en onteerde natiën zou plaatsen.
Aristide Saccard voelde al in de eerste dagen dien opkomenden vloed van
de speculatie, die heel Parijs overschuimen zou. Hij gaf nauwlettend
acht op de vorderingen die zij maakte. Hij bevond zich midden in den
warmen regen van goudstukken die dicht op de daken der stad neerviel.
In zijn onophoudelijke tochten door het Stadhuis, was hij achter
het groote ontwerp van de gedaanteverwisseling van Parijs gekomen,
het plan om geheele huizenrijen af te breken, nieuwe verkeerswegen,
nieuwe wijken te scheppen, van die ontzettende speculatie op den
verkoop van terreinen en huizen, die in alle hoeken der stad een
strijd van tegen elkander indruischende belangen deed ontstaan,
en voedsel gaf aan een buitensporige weelde.
Sedert dien tijd had zijn bedrijvige geest een doel gevonden. Van dit
oogenblik af begon hij op te vroolijken. Hij begon zelfs minder mager
te worden, hij liep niet meer door de straten als een magere kat,
die loert op haar prooi. Op zijn bureau was hij onderhoudender en
gedienstiger dan ooit. Zijn broer, bij wien hij eenigszins officiëele
bezoeken ging afleggen, wenschte hem geluk dat hij zijn raadgevingen
zoo getrouw opvolgde.
Tegen den aanvang van het jaar 1854 vertelde Saccard hem in vertrouwen
dat hij verscheidene zaken op het oog had, maar daarvoor aanzienlijke
voorschotten noodig had.
--Dan zoek je die maar, zei Eugène.
--Je hebt gelijk, ik zal zoeken, antwoordde hij zonder de minste
verstoordheid, alsof hij niet bemerkte dat zijn broer weigerde hem
de benoodigde fondsen te verschaffen.
Over die eerste fondsen peinsde hij zich dikwijls moe. Zijn plan had
hij in het hoofd, iederen dag bracht hij het meer tot rijpheid. Maar
de eerste duizend francs kon hij niet vinden. Zijn verlangen werd met
den dag grooter; ten slotte keek hij iedereen met een zenuwachtigen,
doordringenden blik aan, alsof hij verwachtte dat de eerste de
beste voorbijganger hem het geld zou leenen. Thuis bleef Angèle haar
vergeten, gelukkig leven leiden. Hij daarentegen loerde op een goede
gelegenheid, en zijn gulle lach werd bitterder naarmate die gelegenheid
zich langer liet wachten.
Aristide had een zuster in Parijs. Sidonie Rougon was getrouwd met
een procureursklerk uit Plassans, die met haar in de rue Saint-Honoré
een zaak in zuidvruchten was begonnen.
Toen haar broer haar weervond, was de man verdwenen, en de zaak al
lang te niet. Zij woonde in de rue du Faubourg Poissonnière, op een
tusschenverdieping die uit drie kamers bestond. Zij had ook den winkel
onder haar vertrekken in huur; het was een bekrompen, geheimzinnige
winkel, waarin zij voorgaf een zaak in kantwerken te drijven; inderdaad
hingen er in de winkelkast eindjes guipure en valencienne op vergulde
roedjes; maar als men binnentrad, zou men zich in een voorkamer gewaand
hebben met glimmende lambrizeering, zonder een schijn van winkelwaar.
De deur en de uitstalkast waren voorzien van lichte gordijnen, die
den nieuwsgierigen blik der voorbijgangers beletten in den winkel
te kijken, en hem het stille, halfduistere voorkomen gaven van een
wachtkamer, die toegang geeft tot een onbekend heiligdom.
Het gebeurde zelden dat men een klant bij mevrouw Sidonie zag
binnenkomen; meestal zelfs was de kruk van de deur afgenomen. In
de buurt luidde haar praatje, dat zij haar kanten zelf bij de rijke
dames ging aanbieden. De inrichting van haar vertrekken was de eenige
oorzaak, zei zij, dat zij den winkel er bij gehuurd had; beiden
stonden met elkander in verbinding door een in den muur verborgen trap.
De kantverkoopster was inderdaad altijd buitenshuis; tienmaal op een
dag zag men haar met zekere gejaagdheid uit- en ingaan.
Trouwens, haar handel bestond niet enkel uit kant, zij maakte zich
de ruimte van haar tusschenverdieping ten nutte en vulde die met
allerlei voorraad, hier en daar bijeengegaard. Zij had er caoutchouc
artikelen verkocht, mantels, schoenen, bretels enz.; daarna zag men er
achtereenvolgens een nieuwe soort haarolie, orthopedische instrumenten,
een automatische koffiekan, een gepatenteerde uitvinding, waarvan de
verkoop haar zeer veel last bezorgde.
Toen haar broer haar kwam opzoeken, had zij een agentuur in piano's,
en waren haar kamers opgepropt met die instrumenten; ze stonden zelfs
in haar slaapkamer, een sierlijk ingericht vertrek, dat heel vreemd
afstak bij den winkelrommel van de twee andere kamers.
Zij dreef deze twee zaken scherp afgescheiden; de klanten die voor
de koopwaren van de tusschenverdieping kwamen, uit en in door een
koetspoort, die het huis in de rue Papillon had; men moest in het
geheim van de trap ingewijd zijn om te weten dat de kantenverkoopster
er twee zaken op nahield.
In haar woning noemde zij zich mevrouw Touche, haar mans naam,
terwijl de winkeldeur alleen haar voornaam vermeldde, zoodat zij
algemeen mevrouw Sidonie genoemd werd.
Mevrouw Sidonie was vijf en dertig jaar; maar zij kleedde zich met
zoo'n achteloosheid, zij had zoo weinig vrouwelijks in haar manieren,
dat men haar veel ouder zou geschat hebben. Om de waarheid te zeggen,
had zij geen leeftijd. Zij droeg onveranderlijk een zwarte japon,
kaal in de plooien, verkreukt en glimmend door het dragen, die aan
een advokaten-toga deed denken, versleten tegen het hout van de balie.
Met een zwarten hoed op het hoofd, die haar tot in de oogen zakte
en haar kapsel verborg, met groote schoenen aan de voeten, draafde
zij door de straten met een mandje aan den arm, waarvan de hengsels
met touwtjes versteld waren. Die onafscheidelijke mand bevatte een
wereld van zaken. Wanneer zij open ging, kwamen er allerhande stalen
uit, agenda's, portefeuilles, en vooral bundels gezegeld papier, wier
onleesbaar schrift zij met bijzondere handigheid ontcijferde. Er stak
iets van een makelaar en van een deurwaarder in haar. Zij leefde in
protesten, assignaties, exploiten; wanneer zij voor tien francs pommade
of kant verkocht had, drong zij zich bij haar klant in de gunst,
werd haar zaakwaarnemer, liep voor haar de procureurs, advokaten en
rechters af. Zij liep aldus weken lang rond met heele dossiers in haar
mandje, zich afslovende om Parijs van het eene eind naar het andere
te doorkruisen, op haar kippendrafje, zonder ooit een rijtuig te nemen.
Het zou moeielijk geweest zijn te zeggen welk voordeel zij uit een
dergelijk beroep trok; zij oefende het in de eerste plaats uit door een
instinktmatige voorliefde voor zaken, die niet pluis waren; dan trok
zij er een menigte kleine voordeeltjes uit: diners rechts en links,
een gulden hier en een gulden daar.
Maar de winst die bij haar het zwaarst woog, haalde zij uit de
vertrouwelijke mededeelingen die zij overal ontving en die haar
op het spoor brachten van menig zaakje, waar zij voordeel uit kon
slaan. Altijd in eens andermans huis, in eens anders zaken, was zij
een levend koopmansregister van vraag en aanbod. Zij wist families,
waar men er belang bij had de dochter dadelijk te laten trouwen,
een familie die drieduizend francs noodig had, een ouden heer die de
drieduizend francs wel zou willen leenen, maar op zeker onderpand en
tegen hoogen intrest. Zij wist nog teerder geheimen, het verdriet van
een blonde dame die door haar man niet begrepen werd, en die verlangde
begrepen te worden; den geheimen wensch van een goede moeder die haar
dochter voordeelig hoopte te plaatsen, den smaak van een baron voor
intieme soupeetjes en heel jonge meisjes.
Al die vragen en aanbiedingen bracht zij met haar flauwen glimlach
over; zij liep twee uur achtereen om haar klanten met elkander in
aanraking te brengen; zij zond den baron naar de goede moeder, bewoog
den ouden heer er toe de drieduizend francs aan de in geldverlegenheid
zittende familie te leenen, vond troost voor de blonde dame en een
weinig kieskeurigen echtgenoot voor het meisje dat trouwen moest.
Zij had ook groote zaken, zaken waarvoor zij hardop kon uitkomen, en
waarvan zij den mond vol had tegenover de lui die met haar in aanraking
kwamen; een langdurig proces dat een geruïneerde adellijke familie
haar had opgedragen te volgen, en een schuld door Engeland tegenover
Frankrijk ten tijde der Stuarts aangegaan, waarvan het bedrag,
met intrest op intrest, bijna drie milliard beliep. Die schuld van
drie milliard was haar stokpaardje; zij legde de zaak haarfijn uit,
hield een heelen cursus in geschiedenis, en een blos van opwinding
steeg naar haar wangen, die gewoonlijk slap en geel als was waren.
Soms wist zij tusschen een boodschap bij een deurwaarder en een
bezoek bij een vriendin, een koffiekan, een caoutchouc mantel of een
stuk kant te verkoopen of een piano te verhuren. Dat was voor haar
een kleinigheid. Dan haastte zij zich weer naar haar winkel terug,
waar een klant haar verwachtte om een stuk chantilly te zien. De
klant kwam, gleed als een schaduw den stillen halfduisteren winkel
binnen. En het gebeurde ook vaak, dat een heer die door de koetspoort
van de rue Papillon was binnengekomen, op hetzelfde uur de piano's
van mevrouw Touche op de bovenkamers kwam zien.
Indien mevrouw Sidonie niet rijk werd, dan kwam dit omdat zij dikwijls
uit liefde voor de kunst werkte. Liefhebster als zij was van een
rechtsgeding, vergat zij haar eigen zaken voor die van anderen; zij
liet zich door de deurwaarders villen, wat haar trouwens genietingen
gaf, die alleen pleitzuchtige lieden kennen.
De vrouw stierf in haar weg, zij was nog slechts een zaakwaarnemer,
een tusschenpersoon die ieder uur van den dag op straat te zien was,
met de onmogelijkste koopwaar in haar onafscheidelijk mandje, van alles
verkoopende, van milliarden droomende, en bij den kantonrechter voor
een begunstigde klant een vordering van tien francs betwistende. Klein,
mager, bleek, gekleed in die dunne zwarte japon die uit de toga van
een pleiter geknipt scheen, zag zij er verschrompeld uit, en als men
haar langs de huizen zag trippelen, zou men haar voor een als meisje
verkleeden boodschappenjongen gehouden hebben.
Haar gelaatskleur had de bleekheid van zegelpapier. Haar lippen
glimlachten flauwtjes, terwijl haar oogen den warboel weerspiegelden
van de zaken en de menigvuldige beslommeringen waarmee zij haar
hersens vol stopte. Bescheiden en beschroomd in haar manieren, met iets
dat rook naar den biechtstoel of het vertrek van een verloskundige,
deed zij zich zacht en moederlijk voor, als een non die afstand gedaan
heeft van de wereldsche neigingen en medelijden heeft met het zieleleed
van anderen.
Zij sprak nooit van haar man, en evenmin van haar kindsheid, haar
familie of haar belangen. Er was maar één ding dat zij niet verkocht,
dat was haar zelve, niet omdat zij gewetensbezwaar daartegen zou
hebben, maar omdat de gedachte aan dien koop niet in haar op kon
komen. Zij was zoo droog als een factuur, koud als een protest,
en als het er op aankwam zoo onverschillig en grof als een
deurwaardersgetuige.
Saccard, zoo kersversch uit zijn provincie, kon eerst geen inzicht
krijgen in de verscheidenheid van beroepen, die mevrouw Sidonie
uitoefende. Daar hij een jaar in de rechten gestudeerd had, sprak
zij eens met een ernstig gezicht over de drie milliard, wat hem een
geringen dunk van haar verstand gaf. Zij kwam eens snuffelen in zijn
woning, had met éen blik Angèle beoordeeld, en verscheen eerst weer
als zij toevallig een boodschap in de buurt had of behoefte gevoelde de
drie milliard weer eens ter sprake te brengen. Angèle was belang gaan
stellen in de geschiedenis van de Engelsche schuld. De makelaarster
reed op haar stokpaardje, een uur lang liet zij het goud stroomen.
Dat was de barst in dien schranderen geest; de dwaasheid, waarmee
zij haar leven, dat in een armzaligen handel verloren ging, suste;
het toovermiddel waarmee zij, met haar, de lichtgeloovigsten van haar
klanten in geestdrift bracht.
Met volle overtuiging begon zij eindelijk zelfs over de drie milliard
als haar persoonlijk fortuin te spreken, dat de rechters haar vroeg of
laat moesten toewijzen. Dit gaf een wonderschoonen stralenkrans om haar
armoedig zwart hoedje, waarop een paar verbleekte viooltjes wiegelden
op geelkoperen steeltjes, waarvan het omkleedsel afgesleten was.
Angèle zette verbazend groote oogen op. Herhaalde malen sprak zij
tegen haar man met ontzag over haar schoonzuster, bewerende dat
mevrouw Sidonie hen misschien nog eens rijk zou maken.
Saccard haalde de schouders op; hij was den winkel en de bovenkamers
van den Faubourg Poissonnière eens gaan opnemen, en hij voorzag dat
die zaak spoedig failliet zou gaan.
Hij wenschte Eugène's opinie over hun zuster te vernemen, maar deze
werd ernstig en antwoordde alleen dat hij haar nooit zag, dat hij wist
dat zij heel slim was, misschien de familie een beetje in opspraak
kon brengen. Maar toen Saccard een poos later in de rue de Penthièvre
terugkwam, verbeeldde hij zich, dat hij de zwarte japon van mevrouw
Sidonie bij zijn broer uit zag komen en vlug langs de huizen voort
zag stappen. Hij liep haar achterna, maar hij kon de zwarte japon
niet terugvinden. De makelaarster had een van die nietige gestalten
die in de menigte verloren gaan.
Dit stemde hem tot nadenken, en van dat oogenblik bestudeerde hij
zijn zuster met meer oplettendheid. Hij ontdekte weldra, welk een
onmetelijke werkkracht verscholen lag in dat bleeke wezentje, wier
heele gelaat een ondoorgrondelijke uitdrukking droeg. Hij kreeg ontzag
voor haar. Zij was wel degelijk een echte Rougon.
Hij herkende dien gelddorst, die behoefte aan intriges, die de
familie kenmerkte: maar bij haar was, door de omgeving waarin zij
zoo lang had verkeerd, in dat Parijs waar zij 's morgens haar karig
brood voor den avond moest ophalen, het gemeenschappelijk temperament
afgeweken, om die zonderlinge tweeslachtigheid voort te brengen van
een vrouw, die een geslachtloos wezen was geworden, een zaakwaarnemer
en koppelaarster tegelijk.
Toen Saccard zijn plan eenmaal vastgesteld had en de eerste fondsen
moest zien te bemachtigen, dacht hij natuurlijk aan zijn zuster. Zij
schudde het hoofd, en sprak zuchtend over de drie milliard. Maar de
ambtenaar gaf haar in die dwaasheid geen voet, hij sprak haar ruw toe,
zoo dikwijls zij over de schuld der Stuarts begon; die hersenschim
scheen hem onwaardig bij zoo'n praktisch verstand.
Mevrouw Sidonie, die kalm den ruwsten spot verdroeg zonder dat haar
overtuiging geschokt werd, bracht hem toen duidelijk aan het verstand,
dat hij geen cent zou krijgen, aangezien hij geen enkelen waarborg
kon aanbieden.
Dit gesprek werd gevoerd voor de Beurs, waar zij met haar spaarduitjes
ging speculeeren. Tegen drie uur kon men haar altijd vinden, leunende
tegen het hek, links, naast het postkantoor; daar gaf zij audiëntie
aan personen die er even zonderling uitzagen als zij. Haar broer
zou juist weggaan, toen hij haar op spijtigen toon hoorde zeggen:
"Ja, als je niet getrouwd was!...." Die halve uitlating, waarvan hij
de volledige beteekenis niet wilde vragen, stemde Saccard tot nadenken.
Maanden gingen voorbij, de Krimoorlog was uitgebroken. Parijs stoorde
zich niet aan een oorlog zoo ver weg, maar wierp zich met te meer drift
op de speculaties en de vrouwen. Met verbeten ongeduld woonde Saccard
die stijgende woede, die hij voorzien had, bij. In den reuzenoven
gaven de hamers die het goud op het aambeeld pletten, hem schokken van
toornig ongeduld. Zijn verstand en zijn wilskracht waren zoo strak
gespannen, dat hij als in een droom leefde, als een slaapwandelaar
die door een idée fixe voortgedreven, in de dakgoot loopt.
Op een avond was hij onaangenaam verrast Angèle ziek te bed te
vinden. Zijn huiselijk leven, regelmatig als een uurwerk, geraakte
in de war en dat verbitterde hem als een opzettelijke kwaadwilligheid
van het noodlot.
De arme Angèle klaagde zacht; zij had kou gevat en rilde. Toen de
dokter kwam, trok hij een bedenkelijk gezicht; op het portaal zei
hij tot den man, dat zijn vrouw een longontsteking had en dat hij
niet voor haar instond.
Van dat oogenblik aan paste Saccard de zieke zonder boosheid op; hij
ging niet meer naar zijn bureau, hij bleef bij haar, en keek haar
met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan, als zij hijgend en rood
van koorts lag te slapen.
Mevrouw Sidonie vond ondanks haar overstelpend drukke bezigheden,
de gelegenheid om iederen avond het een of andere aftreksel te komen
maken, die volgens haar uitstekend hielpen. Bij al haar beroepen voegde
zij nog dat van een ziekenverpleegster uit roeping; zij zat gaarne
aan een ziekbed, om geneesmiddelen toe te dienen en te luisteren naar
de treffende gesprekken die aan een sterfbed gevoerd worden.
Dan scheen zij ook een innige vriendschap voor Angèle opgevat te
hebben; zij hield van de vrouwen, met allerlei liefkoozingen, zeker
om het genoegen dat zij aan de mannen verschaffen; zij behandelde
ze met die zorgzame oplettendheid die koopvrouwen hebben voor de
kostbare waar in hun uitstalkast, zij noemde ze: "liefje, schatje,"
kirde en keek ze met smachtende blikken aan, als een minnaar voor een
maîtresse. Ofschoon er van Angèle niets te trekken viel, liefkoosde zij
haar evenals de anderen, dat lag zoo in haar aard. Toen de jonge vrouw
te bed lag, werd de hartelijkheid van mevrouw Sidonie aandoenlijk,
zij vervulde de stille kamer met haar toewijding. Haar broer zag
haar met opeengeperste lippen op en neer gaan, alsof zij door smart
overstelpt was.
De kwaal verergerde. Op zekeren avond gaf de dokter te kennen, dat de
zieke den nacht niet meer door zou halen. Mevrouw Sidonie was vroeg
gekomen, zij scheen met éen gedachte vervuld en keek naar Aristide
en Angèle met haar betraande oogen, waarin zich nu en dan een korte
flikkering vertoonde.
Toen de dokter weg was, draaide zij de lamp neer; een diepe stilte
ontstond. De dood trad langzaam in deze warme, vochtige kamer, waarin
de onregelmatige ademhaling van de stervende klonk als het getiktak
van een klok die van streek is.
Mevrouw Sidonie maakte geen drankjes meer gereed, zij liet de ziekte
haar werk voltooien. Zij was voor den schoorsteen gaan zitten,
naast haar broer die zenuwachtig het vuur oprakelde, terwijl hij
onwillekeurig naar het bed keek. Toen, als van streek gebracht door die
drukkende lucht, door dat bedroevend schouwspel, begaf hij zich naar
de aangrenzende kamer. Daar had men de kleine Clotilde opgesloten,
die heel zoet op het karpet met haar pop speelde. Het kind lachte
hem toe, toen mevrouw Sidonie, zachtjes achter hem aankomende, hem
in een hoek trok en zacht begon te praten.
De deur was open gebleven. Men hoorde het zachte gereutel van Angèle.
--Je arme vrouw,.... snikte de makelaarster, ik geloof dat het nu
gauw gedaan is. Heb je gehoord wat de dokter zei?
Saccard boog somber het hoofd.
--Het was een goed mensch, ging de andere voort, alsof Angèle reeds
dood was. Je kunt rijker vrouwen vinden, vrouwen met meer wereldkennis,
maar zoo'n hart vind je nooit terug.
En toen zij even zweeg, en haar oogen afdroogde, terwijl zij een
overgang scheen te zoeken, vroeg Saccard haar kortaf:
--Heb je me iets te zeggen?
--Ja, ik heb om je gedacht, je weet wel waarvoor, en ik geloof dat
ik iets gevonden heb.... Maar op zoo'n oogenblik.... Mijn hart breekt
er bij, zie je.
Zij droogde haar oogen nog eens af. Saccard liet haar rustig begaan,
zonder iets te zeggen. Toen kwam het hooge woord er uit.
--Het is een jong meisje, dat zoo gauw mogelijk moet trouwen. Het
arme kind heeft een ongelukje gehad. Ze heeft een tante die er veel
voor over zou hebben....
Zij hield grijnend op, nadat zij al dien tijd op een huilerigen toon
gesproken had, alsof zij de arme Angèle nog steeds beklaagde. Dat deed
zij opzettelijk om haar broer ongeduldig te maken, hem te nopen haar
te ondervragen, om niet de heele verantwoordelijkheid te dragen van
het aanbod dat zij hem kwam doen. De ambtenaar werd inderdaad een
beetje prikkelbaar.
--Komaan, voor den dag er mee! zei hij. Waarom wil men dat meisje
laten trouwen?
--Zij kwam van de kostschool, hernam de makelaarster op klagenden
toon, iemand heeft haar verleid, op het buiten van de ouders van een
harer vriendinnen.
De vader heeft haar misslag ontdekt. Hij wou haar dooden. De tante
heeft het arme kind willen redden, en samen hebben zij den vader op
de mouw gespeld, dat de schuldige een brave jongen was, die hoe eer
hoe liever zijn onbezonnenheid wou goed maken.
--Dus, zei Saccard op verbaasden toon en bijna boos, dus die buitenman
gaat met het meisje trouwen?
--Neen, dat kan hij niet, hij is getrouwd.
Een stilte volgde. Het gereutel van Angèle klonk droeviger in de
trillende lucht. De kleine Clotilde had haar spel gestaakt; zij
keek mevrouw Sidonie en haar vader aan, met haar groote peinzende
kinderoogen, alsof zij hun woorden begrepen had.
Saccard begon korte vragen te doen:
--Hoe oud is het meisje?
--Negentien jaar.
--Hoe lang is zij zwanger?
--Drie maanden. Er volgt zeker een miskraam.
--Is de familie rijk en geacht?
--Oude burgerfamilie. De vader is magistraat geweest. Heel
gefortuneerd.
--Wat zou de tante er voor over hebben?
--Honderdduizend francs.
Een tweede pauze volgde. Mevrouw Sidonie huilde niet meer; zij deed
nu zaken, haar stem kreeg een metaalklank, als die van een opkoopster
die afdingt.
Haar broer keek haar onderzoekend aan en zei ietwat aarzelend:
--En jij, wat beding jij?
--Dat is van later zorg, antwoordde zij. Je zult me op jouw beurt
van dienst kunnen zijn.
Zij wachtte eenige seconden, en daar hij zweeg, vroeg zij hem ronduit:
--Nu, wat is je besluit? Die arme vrouwen zijn wanhopig. Ze willen
schandaal vermijden. Ze hebben beloofd den naam van den schuldige
morgen aan den vader op te geven.... Als je het aanneemt, zal ik ze
een van je visitekaartjes door een besteller laten brengen.
Saccard scheen uit een droom te ontwaken; hij huiverde en keerde zich
angstig naar de naburige kamer, waar hij een licht gedruis meende
te hooren.
Mevrouw Sidonie keek hem strak aan, met een koelen, smadelijken blik.
Het bloed der Rougons, al zijn brandende begeerten stegen hem naar
de keel. Hij nam een visitekaartje uit zijn portefeuille en gaf het
aan zijn zuster, die het in een envelop stak, nadat zij het adres er
zorgvuldig afgekrabd had. Daarop ging zij de trap af. Het was even
negen uur.
Alleen gebleven, drukte Saccard zijn voorhoofd tegen de koude
ruiten. Hij was zoo in gedachten verdiept, dat hij met de vingertoppen
tegen de ruiten trommelde. Maar het was zoo pikdonker, de duisternis
daar buiten hoopte zich tot zulke zonderlinge massa's op, dat hij
zich onpleizierig begon te voelen en werktuigelijk terugkeerde naar
de kamer waar Angèle lag te sterven.
Hij had haar vergeten, het gaf hem een vreeselijken schok toen hij
haar overeind tegen haar kussens vond zitten; haar oogen waren wijd
geopend, een stroom van leven scheen naar haar wangen en haar lippen
te zijn opgestegen.
De kleine Clotilde, nog steeds met een pop in haar handje, zat op den
rand van het bed; zoodra haar vader zich omgekeerd had, was zij gauw
naar die kamer geslopen, waaruit men haar verwijderd had en waar haar
kinderlijke nieuwsgierigheid haar heenlokte.
Saccard, wiens hoofd geheel vervuld was met de geschiedenis van zijn
zuster, zag zijn droom ineenstorten. Een afschuwelijke gedachte
schitterde zeker in zijn oogen. Vol ontzetting wilde Angèle zich
tegen den muur terugwerpen, maar de dood kwam; dat ontwaken uit
den doodstrijd was de laatste opflikkering van de uitgaande lamp
geweest. De stervende kon zich niet verroeren; zij zakte ineen, zij
bleef haar wijdgeopende oogen op haar man gericht houden, als om zijn
bewegingen na te gaan.
Saccard, die aan een herleving dacht, met duivelsche kunsten door het
noodlot uitgevonden om hem in de ellende te houden, stelde zich gerust
toen hij zag dat de ongelukkige geen uur meer te leven had. Hij had
alleen nog een onverdragelijk, hinderlijk gevoel.
Angèle's oogen zeiden dat zij het gesprek van haar man met mevrouw
Sidonie gehoord had, dat zij vreesde dat hij haar zou verwurgen,
als zij niet gauw genoeg stierf. En in die oogen las men nog den
verbaasden afschuw van een zachtaardig, onschuldig gemoed, dat te
elfder ure de snoodheid dezer wereld bemerkte en huiverde bij de
gedachte aan de lange jaren die zij naast een bandiet had doorgebracht.
Langzamerhand werd haar blik zachter; zij was niet bang meer, zij moest
dien ongelukkige verontschuldigen, als zij dacht aan den hardnekkigen
strijd dien hij reeds zoo lang tegen de fortuin gevoerd had.
Saccard, achtervolgd door dien blik eener stervende, waarin hij
zoo'n lang verwijt las, zocht een steun tegen de meubels, en ging
opzettelijk in de donkerste hoekjes.
Maar toen ook dit niet baatte, wilde hij dat schrikbeeld verjagen
dat hem krankzinnig maakte, en hij trad in het volle schijnsel der
lamp. Maar Angèle wenkte hem toe dat hij zwijgen zou. En zij keek
hem voortdurend aan met die oogen vol nameloozen angst, waarin zich
nu een belofte van vergiffenis mengde. Toen boog hij zich voorover
om Clotilde uit haar armen weg te nemen en naar een andere kamer te
dragen. Zij verbood het hem weer, met een beweging van haar lippen. Zij
verlangde dat hij daar zou blijven. Zij stierf zachtjes weg, zonder
haar blik van hem af te wenden, en naarmate hij verflauwde, kreeg
die blik meer zachtheid. Zij schonk vergiffenis in haar laatsten zucht.
Zij stierf zooals zij geleefd had, zachtzinnig, zij vergat zichzelf
in den dood, zooals zij zich in het leven vergeten had.
Saccard bleef huiverend staan voor die open oogen der doode, die hem
met hun onbewegelijkheid bleven achtervolgen. De kleine Clotilde
wiegde haar pop op een slip van het beddelaken, zachtjes, om haar
moeder niet wakker te maken.
Toen mevrouw Sidonie weer boven kwam, was alles afgeloopen. Als iemand
die met dat werk vertrouwd is, sloot zij met een vingerdruk Angèle's
oogen, hetgeen Saccard een bijzondere verlichting gaf. Nadat zij
vervolgens de kleine te bed had gelegd, bracht zij in een ommezien
de sterfkamer in orde. Toen zij twee waskaarsen op de latafel
had aangestoken en het laken zorgvuldig tot aan de kin der doode
had opgetrokken, wierp zij een blik van voldoening om zich heen en
strekte zich uit in een armstoel, waar zij tot het aanbreken van den
dag insliep.
Saccard bracht den nacht in een naburige kamer door met het schrijven
van de bekendmakingen. Bijwijlen hield hij op, verzonk in gepeins of
schreef rijen getallen op stukjes papier.
's Avonds na de begrafenis, nam mevrouw Sidonie Saccard mee naar haar
woning. Daar werden groote besluiten genomen. De ambtenaar besloot
dat hij de kleine Clotilde naar een zijner broers zou zenden, Pascal
Rougon, een dokter te Plassans, die niet getrouwd was en enkel voor
de wetenschap leefde, en die hem meer dan eens had aangeboden zijn
nicht bij zich te nemen, om zijn stille huis wat op te vroolijken.
Mevrouw Sidonie bracht hem vervolgens aan het verstand, dat hij niet
langer in de rue Saint-Jacques kon blijven wonen. Zij zou voor een
maand keurig gemeubileerde kamers voor hem huren, in den omtrek van
het stadhuis; zij zou moeite doen om die kamers in een burgerwoning te
huren, dat het den schijn zou hebben alsof die meubels zijn eigendom
waren. Wat het ameublement van de rue Saint-Jacques betrof, dat
zou verkocht worden, om aldus de laatste sporen van het verledene
uit te wisschen. De opbrengst zou hij besteden voor een uitzet en
behoorlijke kleederen.
Drie dagen daarna, werd Clotilde toevertrouwd aan de zorgen van een
oude dame, die toevallig juist naar het Zuiden ging.
En Aristide Saccard, opgeruimd en blozend, zelfs iets dikker geworden
in die drie dagen door de eerste lonkjes der fortuin, bewoonde nu in
de rue Payenne, een deftig huis, uit vijf keurig ingerichte kamers
bestaande, waarin hij op geborduurde pantoffels rondliep. Het was de
woning van een jongen geestelijke, die onverwachts naar Italië was
afgereisd, en zijn dienstmaagd bevolen had een huurder te zoeken. Deze
dienstmaagd was een vriendin van mevrouw Sidonie, die nog al met de
geestelijkheid op had; zij hield van priesters op dezelfde manier
als zij van vrouwen hield, instinctmatig misschien vond zij eenige
overeenkomst in den priesterrok met de zijden rokken der vrouwen.
Nu was Saccard klaar, hij stelde met een bijzondere handigheid zijn
gedragslijn vast: hij wachtte onvervaard de moeielijkheden en de
neteligheden van den toestand af, dien hij zelf aanvaard had.
Mevrouw Sidonie had in dien afschuwelijken nacht van Angèle's
doodstrijd, het geval van de familie Béraud in weinig woorden getrouw
weergegeven. Het hoofd dier familie, mijnheer Béraud Du Châtel, een
groote grijsaard van zestig jaar, was de laatste vertegenwoordiger
van een oud burgergeslacht, welks oorkonden van veel vroeger tijden
dagteekenden dan die van sommige adellijke familiën. Een zijner
voorouders was de metgezel van Etienne Marcel geweest.
In 1793 stierf zijn vader op het schavot, nadat hij de republiek
begroet had met al de geestdrift van een Parijsch burger, in wiens
aderen het revolutionaire bloed der oude stad vloeide. Hij zelf was
een dier Spartaansche republikeinen, die droomen van een regeering
van louter rechtvaardigheid en wijsheid.
Vergrijsd in het magistraatsleven, waarin hij die stijfheid
en strengheid had opgedaan die aan dat beroep verbonden zijn,
nam hij zijn ontslag als President der Kamer in 1851, vlak na den
Staatsgreep, nadat hij geweigerd had deel uit te maken van een dier
gemengde commissies, die de Fransche gerechtigheid tot oneer waren.
Sinds dien tijd leefde hij eenzaam en verlaten in zijn huis, dat
op de spits van het eiland Saint-Louis stond, schuins tegenover het
hôtel Lambert.
Zijn vrouw was jong gestorven. Een geheim familiedrama, waarvan de
herinnering nog altijd in hem voortleefde, was oorzaak dat hij steeds
somber gestemd was. Hij had al een meisje van acht jaar, toen zijn
vrouw stierf bij de geboorte van een tweede dochter. Laatstgenoemde,
Christine geheeten, werd in huis genomen door een zuster van mijnheer
Béraud Du Châtel, die met notaris Aubertot getrouwd was. Renée ging
naar het klooster.
Mevrouw Aubertot, die geen kinderen had, vatte een moederlijke
genegenheid op voor Christine, die zij zelf opvoedde.
Toen haar man gestorven was, nam zij de kleine mee naar haar vader,
en bleef daar tusschen dien stroeven grijsaard en net lachende
blondinnetje.
Renée werd op de kostschool vergeten. In de vacantie vervulde zij het
huis met zoo'n rumoer, dat haar tante een diepen zucht van verlichting
slaakte, als zij haar eindelijk weer terugbracht naar de zusters
der orde van de Visitatie, waar zij al sedert haar achtste jaar op
school was.
Zij kwam eerst op negentienjarigen leeftijd uit het klooster, en
bracht al dadelijk een paar zomermaanden bij de ouders van haar
vriendin Adeline door, die in de omstreken van Nevers een prachtig
buitengoed hadden.
Toen zij in October terug kwam, was tante Elisabeth verwonderd haar
zoo ernstig, zelfs treurig te zien. Op een avond verrastte zij haar
in haar bed, half waanzinnig van smart en haar snikken in haar kussen
smorende. In de eerste opwelling van haar wanhoop vertelde het meisje
haar een aandoenlijke geschiedenis; een veertigjarige, rijke gehuwde
man, die daar met zijn jonge bekoorlijke vrouw buiten woonde, had
haar onteerd, zonder dat zij zich kon of durfde verdedigen.
Deze bekentenis deed tante Christine hevig ontstellen; zij beschuldigde
zich zelfs alsof zij zich medeplichtig voelde, haar voorliefde voor
Christine speet haar nu, en zij bedacht, dat als zij Renée ook bij
haar had gehouden, het arme kind niet bezweken zou zijn. Om toen dat
knagend zelfverwijt te verdrijven, dat haar door haar teergevoeligen
aard nog meer deed lijden, hielp zij de schuldige; zij kalmeerde den
toorn van den vader, die door de overmaat van haar voorzorgen achter
de verschrikkelijke waarheid kwam; in haar vertwijfeling bedacht zij
dat vreemde huwelijksplan, dat in haar oog alle moeielijkheden uit
den weg ruimde, den vader tevreden stelde, Renée weer haar plaats als
fatsoenlijke vrouw in de wereld terug gaf, en waarvan zij opzettelijk
noch de schandelijke zijde noch de noodlottige gevolgen wilde zien.
Het is nooit uitgelekt hoe mevrouw Sidonie de lucht kreeg van dit
goede zaakje. De eer der Bérauds had met de protesten van alle lichte
meisjes uit Parijs in haar mandje gelegen.
Toen zij de geschiedenis vernam, drong zij bijna haar broer op,
wiens vrouw op sterven lag. Tante Elisabeth kwam ten slotte in den
waan dat zij verplichting had aan die zachtzinnige, bescheiden dame,
die zich zooveel aan de ongelukkige Renée gelegen liet zijn, dat zij
zelfs een man voor haar koos uit haar eigen familie.
De eerste samenkomst van de tante en Saccard had plaats in de
bovenwoning van de rue du Faubourg-Poisonnière.
De ambtenaar, die door de koetspoort van de rue Papillon was binnen
gekomen, en mevrouw Aubertot door den winkel het kleine trapje op zag
komen, begreep op eens het vernuftige samenstel van de twee ingangen.
Hij was heel hoffelijk en legde bij deze gelegenheid veel takt aan
den dag. Hij sprak over het huwelijk als over een zaak, maar als een
man van de wereld die zijn speelschulden afdoet. Tante Elisabeth was
veel minder op haar gemak dan hij; zij stotterde soms en zij durfde
niet eens over de honderdduizend francs spreken, die zij beloofd had.
Hij was de eerste die de geldkwestie aanroerde, met het voorkomen van
een procureur, die voor de belangen van een cliënt optreedt. Volgens
hem, was het een bespottelijk lage inbreng voor den man van mejuffrouw
Renée. Hij drukte even op dat "mejuffrouw." Mijnheer Béraud Du Châtel
zou een armen schoonzoon nog meer minachten; hij zou hem beschuldigen
dat hij zijn dochter om haar geld verleid had, misschien zou hij
zelfs op de gedachte komen om heimelijk een onderzoek in te stellen.
Mevrouw Aubertot verschrok en door de kalme, beleefde woorden
van Saccard van de wijs gebracht, stemde zij er in toe de som te
verdubbelen, toen hij verklaard had dat hij Renée nooit zou durven
vragen voor minder dan twee honderdduizend francs, daar hij niet
wilde aangezien worden voor een schandelijken bruidschatjager.
Het goede mensch ging heen, geheel van streek, niet meer wetende wat
zij moest denken van een man, die zich zoo verontwaardigd toonde en
toch zoo'n koop aanging.
Dit eerste onderhoud werd gevolgd door een officieel bezoek dat
tante Elisabeth aan Aristide Saccard bracht, in zijn woning rue
Payenne. Ditmaal kwam zij uit naam van mijnheer Béraud.
De oude magistraat had geweigerd "dien man" te zien, zooals hij den
verleider zijner dochter noemde, zoolang hij niet met Renée getrouwd
was, aan wie hij trouwens ook de deur gewezen had.
Mevrouw Aubertot had de opdracht naar goedvinden te handelen. Zij
scheen heel ingenomen met de weelde van den ambtenaar; zij was bang
geweest dat de broer van die mevrouw Sidonie met haar verkreukte
japon, een arme slobber zou zijn. Hij ontving haar in een keurige
kamerjapon. De tijd was eindelijk daar, waarop de gelukzoekers van
den 2en December, na hun schulden betaald te hebben, hun afgedragen
schoenen en hun versleten jassen op den vuilnishoop wierpen, hun
baardstoppels afschoren en nette menschen werden.
Saccard kon nu ook meedoen, hij maakte zijn nagels schoon en gebruikte
bij het wasschen de duurste poeders en reukwaters. Hij werd galant;
hij veranderde van taktiek, toonde zich ongeloofelijk belangeloos. Toen
de oude dame van het contract sprak, maakte hij een gebaar alsof hem
dat niets kon schelen. Al acht dagen lang bladerde hij het Wetboek
door, hij bestudeerde die ernstige kwestie, waarvan in de toekomst
zijn vrijheid afhing om zwendelzaken te doen.
--Laat die onaangename geldkwestie in 's hemelsnaam rusten, zei
hij. Mij dunkt dat mejuffrouw Renée de beschikking over haar fortuin
en ik die over het mijne moet houden. De notaris zal dat wel in
orde brengen.
Tante Elisabeth keurde deze zienswijze goed; zij beefde bij de
gedachte, dat die man, van wiens onbuigzame hardheid zij een vaag
vermoeden kreeg, de vingers zou uitsteken naar den bruidschat van
haar nicht. Zij bracht toen dien bruidschat ter sprake.
--Het fortuin van mijn broer, zei zij, bestaat hoofdzakelijk uit
landgoederen en huizen. Hij is er de man niet naar om zijn dochter
tot straf het haar toegedachte aandeel te beknibbelen. Hij geeft haar
een landgoed in Sologne, dat op drie honderdduizend francs geschat
wordt, en een huis in Parijs, dat ongeveer twee honderdduizend francs
waard is.
Het schemerde Saccard voor de oogen; zoo'n bedrag had hij niet
verwacht, hij wendde zich half om, ten einde den blos te verbergen
die hem naar het gelaat steeg.
--Dat maakt vijf honderdduizend francs, ging de tante voort; maar
ik mag u niet verhelen dat het landgoed in Sologne slechts twee
percent opbrengt.
Hij glimlachte en gaf weer door een gebaar zijn belangeloosheid te
kennen, als wilde hij zeggen dat hem dat niet deerde, omdat hij toch
niet van plan was zich in de zaken van zijn vrouw te mengen.
In zijn armstoel gezeten, zijn pantoffels met den voet op en
neer doende dansen, nam hij een houding van allerinnemendste
onverschilligheid aan en scheen enkel uit beleefdheid toe te
luisteren. Mevrouw Aubertot, met haar gewone goedhartigheid, deed
moeite om de minst kwetsende woorden te kiezen. Zij hernam:
--Eindelijk wil ik Renée nog iets schenken. Ik ben kinderloos,
mijn nichtjes zullen eens van mij erven, maar nu een van haar in
zulke droevige omstandigheden is, wil ik mijn beurs niet gesloten
houden. Voor beiden lagen de huwelijksgeschenken gereed. Dat van Renée
bestaat uit terreinen in den omtrek van Charonne, die ik veilig op
twee honderdduizend francs kan schatten. Maar....
Bij het woord "terreinen" kon Saccard zijn ontroering niet
verbergen. Onder zijn voorgewende onverschilligheid luisterde hij
met de grootste aandacht. Tante Elisabeth werd verlegen; zij zocht
zeker naar een passende uitdrukking, en met een kleur op het gelaat
ging zij voort:
--Maar ik verlang dat de eigendom van die terreinen op het eerste
kind van Renée wordt overgebracht. U zult mijn bedoeling wel begrepen,
ik wil niet dat dit kind u eens tot last zal zijn. Ingeval het mocht
sterven, zou Renée alleen eigenares blijven.
Hij bewoog zich niet, maar zijn gefronste wenkbrauwen toonden, dat
zijn geest met één denkbeeld vervuld was. De terreinen van Charonne
wekten een wereld van gedachten in hem op. Mevrouw Aubertot dacht dat
de zinspeling op Renée's kind hem pijnlijk was geweest, en niet wetende
hoe zij het gesprek weer zou hervatten, bleef zij bedremmeld zwijgen.
--U hebt mij niet gezegd in welke straat het huis van twee
honderdduizend francs staat? vroeg hij op zijn ouden gullen toon.
--Rue de la Pépinière, antwoordde zij, bijna op den hoek van de
rue d'Astorg.
Dit eenvoudige gezegde had een beslissende uitwerking. Hij was zijn
verrukking niet meer meester, hij schoof zijn stoel dichter bij en
met zijn provençaalsche radheid van tong, zei hij op vleienden toon:
--Beste mevrouw, is het nu heusch uit, of moeten wij nog langer
over dat verwenschte geld spreken?.... Zie eens, ik wil open kaart
met u spelen, want ik zou wanhopig zijn als ik uw achting niet
verdiende. Ik heb mijn vrouw onlangs verloren, ik heb twee kinderen
tot mijn last, ik ben een nuchter man van zaken. Door uw nicht te
trouwen, doe ik een voordeelige zaak in het oog van de wereld. Als u
nog eenig vooroordeel tegen mij hebt, zult u het mij later vergeven,
wanneer ik ieders tranen gedroogd en zelfs mijn naneven verrijkt zal
hebben. Het succès is een gouden vlam die alles loutert. Ik wil dat
zelfs mijnheer Béraud mij de hand toesteekt en mij bedankt....
Zoo sprak hij een tijd lang voort met een spottend cynisme, dat nu
en dan onder zijn goedige gulheid voor den dag kwam. Hij liet goed
uitkomen, dat zijn broer afgevaardigde en zijn vader ontvanger te
Plassans was. Ten slotte had hij tante Elisabeth geheel ingepalmd;
onwillekeurig zag zij met vreugde hoe het drama waaronder zij al een
maand lang leed, onder de handen van dien behendigen man in een bijna
vroolijke komedie eindigde. Zij besloten den volgenden dag naar den
notaris te gaan.
Zoodra mevrouw Aubertot was heengegaan, begaf hij zich naar het
stadhuis, en bracht daar den ganschen dag door met het snuffelen in
zekere hem welbekende documenten.
Bij den notaris opperde hij een zwarigheid; hij zei dat de bruidschat
van Renée slechts bestond uit vaste goederen, dat hij bijgevolg veel
gehaspel voor haar voorzag, en dat hij het verstandig zou vinden,
als tenminste het huis in de rue de la Pépinière verkocht werd om
haar een inschrijving op het Grootboek te verzekeren.
Mevrouw Aubertot wenschte dit aan het oordeel van mijnheer Béraud Du
Châtel te onderwerpen, die nog steeds voor iedereen onzichtbaar bleef.
Saccard bleef tot den avond op straat. Hij ging naar de rue de la
Pépinière, en doorkruiste Parijs met het peinzend voorkomen van een
veldheer op den vooravond van een beslissenden slag.
Den volgenden dag zei mevrouw Aubertot, dat mijnheer Béraud Du Châtel
haar volkomen vrij liet. Het contract werd opgesteld op de reeds
besproken grondslagen. Saccard's aanbreng was tweehonderdduizend
francs. Renée had als huwelijksgift het landgoed in Sologne en het
huis in de rue de la Pépinière, dat zij zich verbond te verkoopen;
bovendien bleef zij, in geval haar eerste kind kwam te overlijden,
alleen eigenares van de terreinen van Charonne, die haar tante
haar gaf.
Het contract werd opgemaakt met uitsluiting der gemeenschap van
goederen, zoodat elk der echtgenooten het beheer over zijn eigen
fortuin behield.
Tante Elisabeth luisterde aandachtig toe en scheen zeer voldaan over
deze bepaling, die de onafhankelijkheid van haar nicht scheen te
waarborgen en haar fortuin tegen alle vervreemding beschermen zou.
Saccard glimlachte even toen hij de goede dame bij iedere clausule
een goedkeurend knikje zag geven. Het huwelijk werd op den kortst
mogelijken termijn vastgesteld.
Toen alles geregeld was, ging Saccard naar zijn broer Eugène om hem
heel plechtstatig zijn aanstaand huwelijk met mejuffrouw Renée Béraud
Du Châtel aan te kondigen. Dit meesterstuk verbaasde den afgevaardigde.
Saccard, zijn verbazing ziende, zei:
--Je hebt me gezegd, dat ik moest zoeken, welnu, ik heb gezocht
en gevonden.
Eugène, die er eerst niets van begreep, vermoedde toen de waarheid. En
op innemenden toon antwoordde hij:
-- Komaan, je bent een handig man.... Je komt me zeker vragen om te
getuigen? Je kunt op me rekenen. Als het noodig is, breng ik de heele
rechterzij van het Wetgevend lichaam op de bruiloft mee; dat zou je
al dadelijk heel wat aanzien verschaffen.... En terwijl hij de deur
open deed, zei hij op zachter toon:
--Zeg, ik wil me op dit oogenblik niet al te erg compromitteeren,
we hebben juist een wetsontwerp dat we er heel moeielijk door zullen
krijgen.... De zwangerschap is toch, hoop ik, niet te ver gevorderd?
Saccard wierp hem zoo'n venijnigen blik toe, dat Eugène bij zichzelf
zei, toen hij de deur achter hem sloot: Dat grapje zou me duur te
staan zijn gekomen, als ik geen Rougon was.
Het huwelijk had plaats in de kerk Saint-Louis-en-l'Ile. Saccard
en Renée ontmoetten elkander voor het eerst op den avond voor den
grooten dag, in een benedenzaal van het hôtel Béraud. Zij keken
elkander nieuwsgierig aan.
Sedert men over haar huwelijk aan het onderhandelen was gegaan, had
Renée haar vroolijke onbezonnenheid teruggevonden. Het was een groot
meisje, heel mooi en heel bewegelijk, dat vrij was opgegroeid met al
de grillen van een kostschoolmeisje.
Zij vond Saccard klein en leelijk, maar zijn leelijkheid had iets
belangwekkends en schranders, dat haar niet mishaagde; er viel
overigens niets op zijn toon en manieren aan te merken.
Hij vertrok even zijn gezicht, toen hij haar zag; zij leek hem
ongetwijfeld te groot toe, grooter dan hij zelf. Zonder eenige
verlegenheid wisselden zij enkele woorden. Indien de vader tegenwoordig
was geweest, zou hij inderdaad hebben kunnen meenen, dat zij elkander
sinds lang kenden, dat zij samen een misslag begaan hadden. Tante
Elisabeth, die bij het onderhoud tegenwoordig was, schaamde zich
voor hen.
Op den dag na het huwelijk, waaraan de tegenwoordigheid van Eugène
Rougon, die kort geleden de aandacht op zich gevestigd had door een
belangwekkende redevoering, een grooten luister bijzette, werden de
jonggehuwden eindelijk tot mijnheer Béraud Du Châtel toegelaten.
Renée huilde toen zij haar vader verouderd, ernstiger en stiller
terugvond. Saccard, die zich tot dusver door niets van zijn stuk
had laten brengen, huiverde bij de kilheid en het schemerlicht van
de kamer, den droevigen ernst van dien grooten grijsaard, wiens
doordringende blik zijn ziel tot op den bodem scheen te doorzoeken.
De oude magistraat drukte langzaam een kus op het voorhoofd zijner
dochter, als om haar te zeggen dat hij haar vergiffenis schonk,
en zich tot zijn schoonzoon wendende, zei hij niets anders dan:
--Mijnheer, wij hebben veel geleden. Ik reken er op dat gij ons uw
onrecht zult doen vergeten.
Hij reikte hem de hand. Maar Saccard bleef huiverig. Hij dacht bij
zichzelf, als mijnheer Béraud Du Châtel niet gebukt had gegaan onder
de tragische smart van Renée's schande, dan zou hij met één blik, met
één gebaar de kunstgrepen van mevrouw Sidonie te niet gedaan hebben.
Nadat deze haar broer een onderhoud met tante Elisabeth verschaft had,
had zij zich voorzichtig achteraf gehouden. Zij was zelfs niet bij
de huwelijksplechtigheid verschenen.
Saccard deed zich zeer innemend voor bij den ouden man, in wiens blik
hij een groote verbazing gezien had, den verleider zijner dochter
zoo klein, leelijk en oud te vinden.
De jonggehuwden waren genoodzaakt de eerste nachten in het hôtel Béraud
door te brengen. Al vóór twee maanden had men Christine verwijderd,
opdat het veertienjarige meisje niets zou vermoeden van het drama,
dat in dat kalme, stille huis werd afgespeeld. Toen zij terugkwam,
keek zij verbluft naar den man van haar zuster, dien zij ook oud en
leelijk vond.
Renée was de eenige die niet scheen te letten op den leeftijd of
het onoogelijke uiterlijk van haar man. Zij behandelde hem zonder
minachting, maar ook zonder liefde, met een onverstoorbare kalmte,
waarin soms een zweempje spottende geringschatting merkbaar was.
Saccard zette een hooge borst, deed alsof hij thuis was, en wist
werkelijk door zijn gulle levendigheid ieders vriendschap te verwerven.
Toen zij vertrokken om een prachtig nieuw huis in de rue de Rivoli
te gaan betrekken, was er al geen verwondering meer in den blik van
mijnheer Béraud Du Châtel te lezen en de kleine Christine speelde
heel kameraadschappelijk met haar zwager.
Renée was toen vier maanden zwanger; haar man was juist voornemens
haar naar buiten te zenden, om later met den leeftijd van het kind
te kunnen smokkelen, toen zij, zooals mevrouw Sidonie voorzien had,
een miskraam kreeg.
Zij had zich zoo ingeregen om haar zwangerschap te verbergen, die
trouwens niet zeer merkbaar was onder haar ruime japon, dat zij
gedurende eenige weken te bed moest blijven.
Hij was dolblij met dit buitenkansje; eindelijk was de fortuin
hem gunstig; hij had een prachtigen koop gesloten, een royale
huwelijksgift, een vrouw die zoo mooi was dat hij wel binnen het
halfjaar gedecoreerd zou worden en niet den minsten last.
Men had voor twee honderdduizend francs zijn naam van hem gekocht voor
een foetus, dat de moeder niet eens verlangde te zien. Nu verkneukelde
hij zich al bij de gedachte aan de terreinen van Charonne. Maar voor
het oogenblik moest hij al zijn aandacht wijden aan een speculatie
die den grondslag van zijn fortuin zou uitmaken.
Ofschoon de familie van zijn vrouw tot zoo'n deftigen stand behoorde,
nam hij niet dadelijk ontslag als opzichter der wegen. Hij wendde
voor, dat hij eenige aangevangen bezigheden moest afmaken, en nieuwe
moest zoeken.
In werkelijkheid wilde hij tot het laatste oogenblik op het slagveld
blijven, waar hij zijn eerste troeven uitgespeeld had. Hij was daar
thuis, hij kon zijn valsch spel daar meer op zijn gemak spelen.
Het plan van den opzichter der wegen om fortuin te maken was eenvoudig
en praktisch. Nu hij meer geld in handen had dan hij ooit had durven
hopen om zijn operaties te beginnen, was hij voornemens zijn plannen
op groote schaal uit te voeren. Hij kende zijn Parijs door en door,
hij wist dat de goudregen die tegen de muren kletterde, met den dag
dichter zou neervallen. Handige luidjes behoefden slechts hun zakken
open te doen. Hij nu had onder die handigen plaats genomen, toen hij
in de toekomst leerde lezen op de bureaux van het stadhuis.
Door den aard van zijn bezigheden was hij er achter gekomen hoeveel
men kan stelen bij den aan- en verkoop van huizen en terreinen.
Hij was op de hoogte van alle bestaande knoeierijen, hij wist hoe
men voor een millioen verkoopt wat men voor de helft gekocht heeft;
hoe men voor geld recht krijgt om de schatkist van den Staat, die
het oogluikend en glimlachend toelaat, te plunderen, hoe men, onder
de toejuichingen van al degenen, die er het slachtoffer van zijn,
met de huizen van zes verdiepingen goochelt, als er een boulevard
wordt aangelegd in het hartje van een oude wijk. En wat, in dien
nog troebelen tijd, toen de kanker der speculatie nog in haar
wordingsperiode was, van hem een verschrikkelijken speler maakte,
was de omstandigheid dat hij veel beter dan zijn chefs zelven ried,
welk een toekomst in Parijs was weggelegd voor hardsteen en kalk.
Hij had zooveel gesnuffeld, zooveel aanwijzingen opgespoord, dat
hij het schouwspel, dat de nieuwe wijken in 1870 zouden aanbieden,
had kunnen voorspellen. Soms, als hij op straat liep, keek hij sommige
huizen zonderling aan, als waren het kennissen met wier lot hij alleen
bekend en innig begaan was.
Twee maanden voor Angèle's dood was hij met haar op een Zondag naar
de buttes Montmartre geweest. De arme vrouw vond het verrukkelijk in
een restauratie te eten; zij voelde zich gelukkig, als hij haar na
een lange wandeling, buiten Parijs, in het een of andere koffiehuis
voor een tafeltje plaats liet nemen. Op dien Zondag dineerden zij op
den top der hoogte, in een restauratie waarvan de vensters uitzicht
gaven op Parijs, op die huizenzee met blauwachtige daken, als dicht
opeengedrongen golven die den onmetelijken horizon vulden.
Hun tafeltje stond voor een dier vensters. Saccard geraakte door dat
uitzicht in een vroolijke stemming. Bij het dessert bestelde hij een
flesch bourgognewijn. Hij lachte de ruimte toe, hij was buitengewoon
galant. En met ingenomenheid daalden zijn blikken steeds weder naar
die levende wemelende zee, uit wier diepten de stem des volks oprees.
Het was in den herfst, de stad scheen onder den bleeken hemel weg
te kwijnen in een teer zachtgrijs, hier en daar met donker groen
gestipt, dat in de verte leek op de groote bladeren van waterleliën,
ronddrijvend op een meer. De zon ging onder in een rooden wolk,
en terwijl een lichte nevel op den achtergrond verrees, daalde een
gouden stofregen op den rechteroever der stad, in den omtrek der
Madeleine en der Tuileriën.
Het was als het betooverde hoekje van een stad uit de Duizend en éen
nacht, met smaragden boomen, saffieren daken en robijnen weerhanen. Eén
oogenblik was de straal, die tusschen twee wolken doorgleed, zoo
schitterend, dat de huizen in lichte laaie schenen te staan, en te
smelten als een staaf goud in een smeltkroes.
--O, zie eens, zei Saccard met een kinderlijken lach, het regent
gouden tientjes in Parijs!
Angèle begon nu ook te lachen, en merkte op dat die tientjes niet
zoo gemakkelijk op te rapen waren. Maar haar man was opgestaan en
met den arm op het kozijn geleund, riep hij uit:
--Dat is de Vendôme-zuil, niet waar, die daar zoo schittert!.... Hier,
meer naar rechts, daar heb je de Madeleine.... Een mooie wijk, waar
nog veel te doen valt.--O, nu staat alles in brand! Zie je?.... 't is
net of de heele wijk in den distilleerketel van een scheikundige kookt.
Zijn stem werd ernstig en bewogen. De vergelijking, die hij
onwillekeurig gemaakt had, scheen hem zelfs te treffen. Hij had
bourgognewijn gedronken, hij verdiepte zich in zijn onderwerp; hij
ging voort, terwijl hij de hand uitstrekte om Parijs te toonen aan
Angèle, die naast hem was komen staan:
--Ja, ja, ik heb de waarheid gesproken, meer dan eene wijk zal
ineenstorten, en er zal goud achterblijven aan de vingers van hen die
de kroes zullen verhitten en omroeren. Dat lummelachtige Parijs! Zie
eens hoe onmogelijk groot het is en hoe rustig het inslaapt! 't Is
toch een dwaas ding, die groote steden! Het denkt heelemaal niet
aan het leger van houweelen, dat het op een mooien morgen zal komen
aanvallen, en zekere groote heerenhuizen in de rue d'Anjou zouden
niet zoo mooi glinsteren in de ondergaande zon, als zij wisten dat
zij nog maar drie of vier jaar te leven hebben.
Angèle dacht dat haar man gekscheerde. Hij had soms een manier van
schertsen die schrik aanjoeg. Zij lachte, schoon met een onbestemde
vrees, toen zij dat manneke zich zag oprichten boven dien reus die aan
zijn voeten lag, om hem met een spotachtig lachen de vuist te toonen.
--Men is reeds begonnen, ging hij voort. Maar dat heeft niet veel
te beduiden. Kijk daar ginds, den kant van de Hallen uit, daar heeft
men Parijs in vieren gesneden....
En met de uitgestrekte hand, vlak en scherp als een hakmes, maakte
hij een gebaar alsof hij de stad in vieren deelde.
--Je bedoelt de rue de Rivoli en den nieuwen boulevard die aangelegd
wordt? vroeg zijn vrouw.
--Juist, den grooten kruisweg van Parijs, zooals zij zeggen. Zij
maken het Louvre en het stadhuis vrij. Alles kinderspel! Dat is
goed om het publiek trek te doen krijgen.... Wanneer het eerste net
voltooid is, dan beginnen de poppen eerst goed te dansen. Het tweede
net zal de stad aan alle kanten doorsnijden om de voorsteden met
het eerste net te verbinden. De afgesneden stukken zullen zieltogen
in de kalk.... Kijk maar eens langs mijn hand. Van den boulevard du
Temple tot aan de barrière du Trône, éen sneê, verder dezen kant uit
weer een sneê, van de Madeleine naar de plaine Monceau, een derde
sneê in deze richting, een vierde in die, een sneê hier, een sneê
daar, sneden overal, Parijs met sabelhouwen stuk gehakt, de aderen
geopend, honderdduizend aardwerkers en metselaars voedsel gevende,
door prachtige strategische wegen doorkruist, die de fortificaties in
't hartje van de oude wijken zullen brengen.
De avond viel. Zijn magere, zenuwachtige hand hakte nog altijd in de
ruimte. Angèle huiverde even voor dat levende mes, voor die ijzeren
vingers die onmeedoogend op die onbegrensde opeenstapeling van donkere
daken inhakten.
De nevels van den horizon daalden intusschen langzaam van de hoogte
neer, en zij verbeeldde zich, onder de duisternis die zich in de
diepten opeenhoopte, een verwijderd gekraak te hooren, alsof de
hand van haar man inderdaad de sneden maakte, waarvan hij sprak,
alsof zij Parijs midden doorspleet, balken doormidden brak, steenen
verbrijzelde en groote, afschuwelijke wonden van ingestorte muren
achter zich liet. De nietigheid van die hand, die op een reusachtige
prooi aanviel, werd eindelijk verontrustend; en terwijl zij zonder
moeite de ingewanden der onmetelijke stad verscheurde, was het alsof
zij in de blauwachtige avondschemering flikkerde als staal.
--Er komt nog een derde net, vervolgde Saccard, na een korte stilte,
alsof hij in zichzelf sprak; maar dat is nog in de toekomst, ik zie
het niet zoo duidelijk. Ik heb nog maar enkele aanwijzingen.... Maar
dat zal een echte razernij zijn, een helsche millioenendans, Parijs
zal dronken gevoerd en van kant gemaakt worden.
Hij zweeg opnieuw, de oogen hartstochtelijk naar de stad gericht,
waar de duisternis in dichtheid toenam. Hij ondervroeg voorzeker die
verre toekomst die zich aan zijn blik onttrok. Toen werd het geheel
donker, de stad was niet duidelijk kenbaar meer, men hoorde ze zwaar
ademhalen, als een zee waarvan men nog slechts de witgetopte golven
ziet. Hier en daar zag men nog een witten muur; éen voor éen begonnen
de gele gasvlammen in de duisternis te schitteren, als sterren die
aan een donkeren hemel opkomen.
Angèle had zich intusschen van haar onaangename gewaarwording hersteld
en vatte de grap weer op, die haar man aan het dessert gemaakt had.
--Zoo, zei zij glimlachend, er zijn toch van die tientjes gevallen! Nu
gaan de Parijzenaars aan het tellen. Kijk toch eens, wat een mooie
stapeltjes men voor onze voeten neerlegt!
Zij wees op de straten die tegenover de buttes Montmartre afhelden,
waar de gasvlammen haar gouden vlekken aan weerszijden schenen op
te stapelen.
--En kijk daar eens, riep zij, naar een gewemel van flonkerende
stippen wijzende, dat is zeker de algemeene kas.
Deze opmerking deed Saccard lachen. Zij bleven nog een oogenblik voor
het venster, verrukt over dien stroom van "tientjes" die geheel Parijs
deed gloeien.
Toen de opzichter der wegen van Montmartre naar beneden ging, had
hij zeker spijt, dat hij zooveel gepraat had. Hij weet het aan den
bourgognewijn en verzocht zijn vrouw de "dwaasheden" die hij had
uitgekraamd, niet verder te vertellen; hij wou een ernstig man zijn,
zei hij.
Saccard had al geruimen tijd te voren zijn studie gemaakt van die
drie netwerken van straten en boulevards, waarvan hij in de opwinding
van het oogenblik het ontwerp in vrij juiste trekken aan Angèle had
medegedeeld. Toen deze stierf, was hij er niet rouwig om dat zij zijn
praatjes mee in het graf nam.
Daar lag zijn fortuin, in die groote sneden die zijn hand in het
hart van Parijs gemaakt had, en hij was niet van plan zijn idee met
iemand te deelen, wel wetende dat als de dag van den buit gekomen was,
er roofvogels genoeg zouden vliegen boven de opengereten stad.
Zijn eerste plan was voor weinig geld een huis te koopen, waarvan
hij te voren wist dat het onteigend zou worden, en door een ruime
schadevergoeding te vragen er flink wat op te verdienen. Hij zou
het zaakje misschien gewaagd hebben zonder een cent te bezitten,
het huis op krediet te koopen en het verschil in den zak te steken,
zooals dat op de Beurs geschiedt, toen hij als premie op zijn huwelijk
die twee honderdduizend francs ontving, die hem in staat stelden zijn
plan op grooter schaal te volvoeren.
Hij had alles vooruit berekend; hij kocht van zijn vrouw, op naam
van een tusschenpersoon, zonder zelf genoemd te worden, het huis in
de rue de la Pepinière en verdriedubbelde zijn kapitaal, dank zij
de wetenschap die hij had opgedaan in de gangen van het Stadhuis,
en zijn goede relatiën met zekere invloedrijke personen. Dat hij zijn
ontroering niet had kunnen verbergen, toen tante Elisabeth hem de plek
had aangeduid waar het huis stond, kwam omdat het midden op den weg van
een ontworpen straat lag, waarover nog slechts in het kabinet van den
prefect der Seine gesproken werd. Deze weg, de boulevard Malesherbes,
zou het huis heelemaal doen verdwijnen.
Het was een oud plan van Napoleon I, dat men nu wenschte uit te voeren,
"om een behoorlijken uitgang te verschaffen, zeiden de deftige heeren,
aan wijken die achter een doolhof van nauwe straten verscholen lagen,
op de glooiingen der heuvels die Parijs begrensden."
Deze officiëele volzin kwam natuurlijk niet uit voor het belang
dat het keizerrijk er bij had de rijksdaalders te laten rollen,
de werklieden in één adem aan het afbreken en opbouwen te houden.
Saccard had zich eens de vrijheid veroorloofd bij den prefect dien
fameuzen plattegrond van Parijs te raadplegen, waarop "een hooge hand"
de voornaamste verkeersaderen van het tweede net met rooden inkt had
aangegeven. Die op bloed gelijkende pennestreken maakten nog dieper
insnijdingen in Parijs dan de hand van den opzichter der wegen.
De boulevard Malesherbes, die het afbreken van prachtige heerenhuizen
in de rues d'Anjou en de la Ville-l'Evêque noodzakelijk maakte,
zou een van de eerste zijn.
Toen Saccard het huis in de rue de la Pépinière ging bezichtigen,
dacht hij aan dien herfstavond, aan dat diner met Angèle op de hoogte
van Montmartre, toen er tegen zonsondergang zoo'n dichte regen
van goudstukken op de wijk van de Madeleine was neergevallen. Hij
glimlachte; hij bedacht dat de schitterende wolk zich boven zijn
binnenplaats had ontlast, en dat hij de "tientjes" ging oprapen.
Terwijl Renée, in haar weelderig ingerichte woning in de rue de
Rivoli, midden in dat nieuwe Parijs waarvan zij een der koninginnen
zou worden, over haar toekomstige toiletten peinsde en zich in haar
leven als dame van de groote wereld trachtte in te denken, werkte
haar man ijverig aan zijn eerste groote zaak.
Om te beginnen kocht hij van haar het huis in de rue de la Pépinière,
door tusschenkomst van een zekeren Larsonneau, dien hij ontmoet had
terwijl deze, evenals hij, in de bureaux van het Stadhuis snuffelde,
maar die zoo dom was geweest zich te laten betrappen, toen hij de
laadjes van den prefect doorzocht.
Larsonneau had zich als zaakwaarnemer gevestigd, op een donkere,
vochtige plaats, aan het lager eind van de rue Saint-Jacques. Hij had
het even ver gebracht als Saccard vóór zijn huwelijk; hij beweerde ook
dat hij een "rijksdaalder-machine" had uitgevonden, maar dat het hem
aan de eerste fondsen ontbrak om van zijn uitvinding partij te trekken.
De vroegere collega's begrepen elkander met een half woord, en
Larsonneau deed zoo zijn best, dat hij het huis voor honderd vijftig
duizend francs kreeg, want na enkele maanden bevond Renée zich al in
groote geldverlegenheid. Saccard machtigde zijn vrouw tot den verkoop
van het huis. Toen de koop gesloten was, verzocht zij hem op haar naam
honderdduizend francs te beleggen, die zij hem op goed vertrouwen ter
hand stelde, zeker opdat hij, door die daad getroffen, de oogen zou
sluiten voor het feit, dat zij vijftigduizend francs in haar zak hield.
Hij glimlachte fijntjes; het strookte met zijn berekeningen dat zij het
geld bij handenvol verkwistte; die vijftigduizend francs, die aan kant
en juweelen zouden weggaan, zouden hem honderd percent opleveren. Hij
was zelfs zoo eerlijk, in zijn tevredenheid over zijn eerste zaakje,
de hondderdduizend francs van Renée werkelijk te beleggen en haar
de stukken ter hand te stellen. Zijn vrouw kon ze niet vervreemden,
hij was dus zeker ze in huis te vinden, als hij ze noodig had.
--Dat is voor uw speldegeld, lieve, zei hij heel galant.
Toen hij het huis in eigendom had, was hij zoo slim het tweemaal in
één maand aan gefingeerde tusschenpersonen te doen verkoopen, telkens
tegen hooger koopprijs. De laatste kooper betaalde niet minder dan
drie honderdduizend francs.
Intusschen bewerkte Larsonneau, als vertegenwoordiger van de
opeenvolgende eigenaars, de huurders. Hij weigerde onmeedoogend de
huurcontracten te vernieuwen, als men niet in een aanzienlijken opslag
van de huur wilde toestemmen. De huurders, die de lucht hadden van
de aanstaande onteigening, waren wanhopig; zij berustten eindelijk in
den opslag, vooral toen Larsonneau er op verzoenenden toon bij voegde,
dat die opslag in de eerste vijf jaar maar voor den schijn was.
De huurders die niet goedschiks wilden, werden vervangen door luidjes
die voor niets mochten wonen en die alles teekenden wat men verlangde;
op die wijze sneed het mes van twee kanten; de huur bracht meer op en
de schadevergoeding die den huurder toekwam voor zijn huurcontract,
zou in Saccard's zak terechtkomen.
Mevrouw Sidonie wilde haar broer helpen, door in een der winkels
van de benedenverdieping een depôt van piano's te vestigen. Bij deze
gelegenheid gingen Saccard en Larsonneau, in hun koortsachtig ongeduld,
een beetje te ver: zij legden valsche boeken aan, pleegden valschheid
in geschriften om den verkoop der piano's tot een kolossaal bedrag
op te voeren.
Verscheidene nachten zaten zij samen te knoeien. Met kunst- en
vliegwerk werd het huis driemaal meer waard. Dank zij de laatste
verkoopacte, den opslag der huur, de gewaande huurders en den handel
van mevrouw Sidonie, kon het voor de commissie van onteigening op
vijf honderdduizend francs geschat worden.
Het raderwerk van de onteigening, van die machtige machine, die
vijftien jaar lang Parijs onderste boven gekeerd en beurtelings fortuin
en ondergang gebracht heeft, zit allereenvoudigst in elkander. Zoodra
het besluit tot het aanleggen van een nieuwen verkeersweg genomen is,
maken de opzichters der wegen een lijst van de perceelen op en schatten
de waarde der huizen. Gewoonlijk kapitaliseeren zij, na voorafgaand
onderzoek, de geheele opbrengst der huur en kunnen op die wijze het
vermoedelijk bedrag der waarde ramen.
De commissie voor de schadevergoeding, uit leden van den raad
bestaande, doet altijd een lager bod dan dit bedrag, wel wetende dat de
belanghebbenden meer zullen eischen en dat men van beide zijden iets
zal moeten toegeven. Wanneer men niet tot een vergelijk kan komen,
wordt de zaak voor een jury gebracht, die dan in laatste instantie
uitspraak velt over het bod van de stad en den eisch van den eigenaar
of den verdreven huurder.
Saccard, die met het oog op het beslissende oogenblik zijn betrekking
aan het stadhuis had aangehouden, had een oogenblik de onbeschaamdheid
zich in die commissie te willen doen benoemen, toen de werken voor
den boulevard Malesherbes begonnen, en zelf zijn huis te willen
schatten. Maar hij vreesde daardoor zijn invloed op de leden van de
onteigeningscommissie te zullen verliezen.
Hij liet nu een zijner collega's kiezen, een vriendelijk, zachtaardig
jongmensch, Michelin genaamd, wiens lieftallig mooi vrouwtje haar man
soms kwam excuseeren bij zijn chefs, als hij wegens ongesteldheid thuis
moest blijven. Hij was heel vaak ongesteld. Saccard had opgemerkt dat
de mooie mevrouw Michelin, die zoo nederig door de half geopende deuren
sloop, een alles vermogenden invloed uitoefende; Michelin maakte bij
iedere ziekte promotie, hij kwam vooruit door te bed te gaan liggen.
Gedurende een van die afwezigheden, daar hij zijn vrouw bijna iederen
morgen naar zijn bureau zond om te laten weten hoe hij het maakte,
ontmoette Saccard hem tweemaal op de buitenboulevards, met zijn
gewone zachtzinnige, opgeruimde gezicht een sigaar rookend. Die
ontmoeting deed hem sympathie opvatten voor dien goeden jongen, voor
dat gelukkige, praktische echtpaar. Hij voelde bewondering voor alle
"rijksdaaldermachines", als zij handig geëxploiteerd werden.
Toen hij Michelin had doen benoemen, ging hij zijn bekoorlijk vrouwtje
een visite maken, wilde haar aan Renée voorstellen, sprak van zijn
broer den afgevaardigde, den beroemden redenaar. Madame Michelin
begreep er alles van.
Van dien dag af, had haar man zijn liefste glimlachjes voor zijn
collega. Deze wilde den braven jongen niet in zijn vertrouwen nemen,
maar was als toevallig tegenwoordig toen hij het huis in de rue
de la Pépinière moest schatten. Hij hielp hem er bij. Michelin, de
onbenulligste man dien men zich denken kon, hield zich trouw aan de
instructies van zijn vrouw, die hem op het hart had gedrukt mijnheer
Saccard in alles tevreden te stellen. Hij voedde trouwens niet de
minste achterdocht; hij dacht dat de opzichter der wegen hem tot
spoed wilde aanmanen, om hem mee te nemen naar een koffiehuis.
De huurcontracten, de kwitanties van de huren, de mooie boeken van
mevrouw Sidonie werden hem door zijn collega onder de oogen gelegd,
zonder dat hij zelfs den tijd had om de bedragen, die deze hardop
voorlas, na te gaan. Larsonneau was er ook bij, maar hij deed alsof
hij zijn medeplichtige niet kende.
--Kom, zet maar vijfhonderdduizend francs, zei Saccard eindelijk. Het
huis is meer waard.... Haast je een beetje, ik geloof dat er promotie
op til is voor het personeel op het stadhuis, en ik wou er met je
over praten, dan kan je je vrouw waarschuwen.
Zoo haalde Saccard de zaak er door. Maar hij was nog niet gerust. Hij
was bang dat een bedrag van vijfhonderdduizend francs een beetje
hoog zou toeschijnen aan de commissie voor de schadevergoeding,
voor een huis dat blijkbaar slechts tweehonderdduizend francs waard
was. De kolossale stijging in de waarde der huizen had nog niet plaats
gehad. Een onderzoek had hem aan ernstige onaangenaamheden kunnen
blootstellen. Hij herinnerde zich het gezegde van zijn broer: Geen
opspraak, of ik trek mijn handen van je af, en hij wist dat Eugène
er de man naar was om zijn bedreiging te volvoeren.
Het kwam er dus op aan de heeren van de commissie welwillend te
stemmen, zoodat zij een oogje dicht zouden doen. Hij liet daartoe het
oog vallen op twee invloedrijke mannen, die hij zich tot vrienden had
gemaakt door zijn manier van groeten, wanneer hij ze in de corridors
ontmoette. De zes en dertig leden van den gemeenteraad waren op
voordracht van den prefect, door de eigen hand des keizers gekozen
uit de raadsleden, afgevaardigden, advokaten, dokters en groote
industriëelen, die zich het meest voor het gezag verdeemoedigden:
boven alle anderen verdienden baron Gouraud en mijnheer Toutin-Laroche
de welwillendheid van de Tuileriën door hun verkleefden ijver.
Al wat men van baron Gouraud kon zeggen, was in deze korte biographie
samengevat: door Napoleon I met den titel van baron in den adelstand
verheven, om hem te beloonen voor de levering van bedorven beschuit aan
het groote leger, was hij achtereenvolgens pair geweest onder Lodewijk
XVIII, Karel X en Louis-Philippe; onder Napoleon III was hij senator.
Hij was een trouw aanhanger van den troon, namelijk van de vier
vergulde, met fluweel bedekte planken; wie er op zat, kon hem weinig
schelen. Met zijn dikken buik, zijn dom gezicht en zijn plompen gang,
was hij een echte schelm, hij verkocht zich met groote deftigheid en
beging de grootste laagheden in naam van den plicht en het geweten. Nog
meer deed hij iemand versteld staan door zijn ondeugden.
Er liepen geruchten over hem, die men iemand slechts in het oor kon
fluisteren. Op acht en zeventigjarigen leeftijd gaf hij zich aan de
monsterachtigste liederlijkheid over. Tot twee malen toe had men zijn
liederlijke gedragingen in den doofpot moeten stoppen, om te beletten
dat hij met zijn geborduurde senatorsjas op de bank der beschuldigden
zou plaats nemen.
Mijnheer Toutin-Laroche, een lange magere man, die indertijd een
mengsel van roet en stearine voor de vervaardiging van waskaarsen had
uitgevonden, hoopte nog eenmaal in den Senaat te komen. Hij volgde
baron Gouraud als zijn schaduw, hij was zijn onafscheidelijke metgezel,
in de vage hoop dat hem dit geluk zou aanbrengen. Daarbij was hij
heel praktisch; als hij een zetel in den senaat had kunnen koopen, zou
hij niet nagelaten hebben zooveel mogelijk op den prijs af te dingen.
Het keizerrijk zou dien begeerigen onbeduidenden man, dat bekrompen
verstand, dat zich alleen verstond op industriëele knoeierijen,
vooruit helpen. Hij verkocht het eerst zijn naam aan een van die
maatschappijen, die als vergiftige paddestoelen op den mesthoop der
keizerlijke speculatiën verrezen. Men zag toen ter tijd op de muren
groote aanplakbiljetten waarop met groote zwarte letters deze woorden
stonden: "Société générale des ports du Maroc", waarbij de naam van
mijnheer Toutin-Laroche met zijn titel van raadslid prijkte, boven
aan de lijst der leden van toezicht, waarvan de een al onbekender
was dan de ander.
Dit middel, waarvan men sedert dien een te druk gebruik heeft gemaakt,
werkte uitstekend; de aandeelhouders stroomden toe, ofschoon de kwestie
van de havens van Marokko niet heel duidelijk was en de goede luidjes
die hun geld kwamen brengen, zelf niet wisten te verklaren waartoe
men het zou gebruiken.
De biljetten spraken van de vestiging van handelsstations langs de
Middellandsche zee. Sedert twee jaren roemden sommige kranten deze
onderneming als iets grootsch, en ieder kwartaal verklaarden zij,
dat ze in bloei toenam.
In den gemeenteraad ging mijnheer Toutin-Laroche voor een bijzonder
verdienstelijk administrateur door, hij werd daar onder de knappe
koppen gerekend, en zijn onaangename heerschzucht over zijn collega's
werd slechts geëvenaard door zijn kruipende onderdanigheid aan
den prefect. Hij werkte reeds aan de oprichting van een groote
finantiëele maatschappij, het Wijnbouwcrediet, een leenkas voor de
wijngaardeniers, waarover hij met een deftige geheimzinnigheid sprak,
die de begeerigheid van de domooren om hem heen opwekte.
Saccard wist zich de bescherming van deze twee personen te verzekeren,
door hun diensten te bewijzen, waarvan hij het gewicht niet begreep,
zoo hield hij zich althans. Hij bracht zijn zuster met den baron
in kennis, die juist in een alles behalve net zaakje betrokken
was. Hij bracht haar bij hem, onder voorwendsel dat hij zijn steun
kwam vragen voor dat goede mensch, dat al zoo lang gerekwesteerd had
om de leverantie van gordijnen voor de Tuileriën te krijgen.
Maar toen de opzichter der wegen die twee samen had gelaten, beloofde
mevrouw Sidonie den baron dat zij onderhandelingen zou aanknoopen met
zekere lieden, die lomp genoeg waren om zich niet vereerd te voelen
door de vriendschap, die een senator wel had willen betuigen aan hun
kind, een meisje van tien jaar.
Met mijnheer Toutin-Laroche handelde Saccard zelf de zaak af, hij wist
hem te spreken te krijgen in een der gangen van het stadhuis en bracht
toen het gesprek op het fameuze wijnbouwcrediet. Geen vijf minuten
later nam de groote administrateur, versteld over de wonderlijke
zaken die hij hoorde, den ambtenaar zonder plichtplegingen bij den
arm en hield hem een uur lang in de gang aan de praat.
Saccard fluisterde hem vindingrijke finantiëele kunstgrepen in het oor.
Toen mijnheer Toutin-Laroche hem verliet, drukte hij hem beteekenisvol
de hand, met een vrijmetselaars-knipoogje.
Saccard overtrof zichzelven in deze aangelegenheid. Hij was zelfs
zoo voorzichtig baron Gouraud en mijnheer Toutin-Laroche niets van
elkander te doen afweten. Hij bezocht ze afzonderlijk, fluisterde
hun een woordje toe ten gunste van een zijner vrienden, wiens huis
in de rue de la Pépinière onteigend zou worden, hij zorgde er wel
voor aan elk zijner medeplichtigen te zeggen dat hij met geen ander
commissielid over die zaak zou spreken, dat de zaak nog in de lucht
hing, maar dat hij op hun volkomen welwillendheid rekende.
De opzichter der wegen had niet ten onrechte zijn voorzorgsmaatregelen
genomen. Toen het dossier betreffende zijn huis voor de commissie
der schadevergoedingen kwam, trof het toevallig dat een der leden in
de rue d'Astorg woonde en het huis kende. Dit lid protesteerde tegen
het bedrag van vijfhonderdduizend francs, dat volgens hem op de helft
moest gebracht worden.
Aristide had de onbeschaamdheid gehad zevenhonderdduizend francs
te vragen.
Dien dag was mijnheer Toutin-Laroche, gewoonlijk reeds heel onaangenaam
voor zijn collega's, nog ongenietbaarder dan gewoonlijk. Hij werd
boos en begon de huiseigenaars te verdedigen.
--Wij zijn allen eigenaars, heeren, riep hij.... De keizer wil groote
dingen tot stand brengen, laten wij nu niet op zulke kleinigheden
beknibbelen.... Dit huis moet vijfhonderdduizend francs waard zijn;
een van onze menschen, een stedelijk ambtenaar, heeft dat bedrag
bepaald.... 't Lijkt inderdaad wel of wij in het bosch van Bondy leven;
gij zult zien dat wij elkander ten slotte gaan wantrouwen.
Baron Gouraud, op zijn gemak in een armstoel gezeten, wierp met een
verbaasd gezicht een schuinschen blik naar mijnheer Toutin-Laroche,
die hemel en aarde bewoog ten gunste van den eigenaar uit de rue de
la Pépinière. Hij kreeg achterdocht. Maar daar die hevige uitval hem,
per slot van rekening, van de moeite ontsloeg een woord in het midden
te brengen, begon hij zachtjes met het hoofd te knikken, ten teeken
zijner volle instemming.
Het lid van de rue d'Astorg gaf niet toe; hij wilde niet buigen voor
de twee dwingelanden der commissie, in een kwestie waarin hij meer
bevoegd tot oordeelen was dan die heeren.
Toen maakte mijnheer Toutin-Laroche, die de goedkeurende knikjes van
den baron had opgemerkt, zich driftig van het dossier meester en zei
op drogen toon:
--'t Is goed. We zullen uw twijfel oplossen.... Met uw verlof,
ik belast mij met de zaak, en baron Gouraud zal het onderzoek met
mij verrichten.
--Ja, ja, zei de baron deftig, er mag niets duisters in onze
beslissingen zijn.
Het dossier was al in de diepe zakken van mijnheer Toutin-Laroche
verdwenen. De commissie moest buigen.
Bij het heengaan keken de twee slimmerds elkander met een strak
gezicht aan. Zij voelden dat zij medeplichtigen waren, en dat maakte
hen nog brutaler.
Twee gewone lui zouden een verklaring uitgelokt hebben; zij gingen
voort de zaak der eigenaars te bepleiten, alsof men ze nog had kunnen
hooren, en den geest van wantrouwen te betreuren, die overal begon
door te dringen. Op het oogenblik dat zij elkander zouden verlaten,
zei de baron met een glimlach:
--O ja, ik heb vergeten te zeggen, waarde collega, dat ik straks
naar mijn buitengoed ga. Ge zult zeker wel zoo vriendelijk willen
zijn dat onderzoek zonder mij te doen.... Verklap me vooral niet,
de heeren klagen toch al dat ik te veel vrijaf neem.
--Maak u volstrekt niet ongerust, antwoordde mijnheer Toutin-Laroche,
ik ga dadelijk naar de rue de la Pépinière.
Hij ging kalmpjes naar huis, met een gevoel van bewondering voor den
baron, die zich zoo kiesch uit netelige gevallen wist te redden. Hij
hield het dossier in zijn zak, en in de volgende zitting verklaarde
hij op stelligen toon, zoowel uit eigen naam als uit dien van den
baron, dat tusschen het bod van vijfhonderdduizend francs en den
eisch van zevenhonderdduizend francs het verschil moest gedeeld en
zeshonderdduizend francs moest toegestaan worden. Niemand had er
iets tegen. Het lid van de rue d'Astorg, die er zeker nog eens over
nagedacht had, zei gulweg dat hij zich vergist had; hij had gedacht
dat het huis daarnaast bedoeld werd.
Op die manier behaalde Aristide Saccard zijn eerste overwinning. Hij
kreeg het viervoud van zijn kapitaal terug en won er twee
medeplichtigen bij. Eén ding maakte hem ongerust; toen hij de bewuste
boeken van mevrouw Sidonie wilde vernietigen, vond hij ze niet
meer. Hij begaf zich in allerijl naar Larsonneau, die hem ronduit
bekende dat hij ze had en dat hij ze hield.
Saccard maakte zich niet boos; hij hield zich alsof hij bezorgd was
geweest over dien besten vriend, die veel meer door die papieren
gecompromitteerd was dan hij zelf, omdat ze bijna geheel door hem
geschreven waren, maar dat hij volkomen gerust was, nu hij ze in zijn
bezit had.
Eigenlijk had hij dien "besten vriend" wel willen wurgen; hij
herinnerde zich een heel compromitteerend stuk, een valschen
inventaris, dien hij, dom genoeg, had opgemaakt, en die in een van
de registers was blijven liggen.
Larsonneau, die ruim betaald werd, begon een zaakwaarnemerskantoor
in de rue de Rivoli, waar hij zich zoo weelderig inrichtte, dat het
de kamers van een cocote leken.
Saccard had intusschen zijn ontslag aan het Stadhuis genomen,
en daar hij nu de beschikking had over aanzienlijke fondsen, ging
hij uit alle macht aan het speculeeren, terwijl Renée, in dartelen
overmoed, geheel Parijs deed spreken over haar fraaie équipages,
haar schitterende diamanten en haar drukke levenswijs.
Een enkele maal gingen man en vrouw, die twee hartstochtelijke
minnaars van geld en van pleizier, naar de mistige koude van
l'Île-Saint-Louis. Het kwam hun voor alsof zij in een uitgestorven
stad kwamen.
Het hôtel Béraud, tegen het begin der zeventiende eeuw gebouwd,
was een van die vierkante, sombere en deftige gebouwen, met hooge
smalle vensters, zooals men er zooveel in het Marais aantreft, en die
verhuurd worden aan kostschoolhouders, fabrikanten van Seltzerwater
of als opslagplaatsen van wijn en alcoholische dranken. Maar het was
prachtig onderhouden.
In de benedenverdieping, die niet zoo hoog was, waren de met dikke
ijzeren spijlen voorziene vensters diep in den somberen muur gebouwd;
daar bevond zich ook een donkergroen geschilderde boogvormige deur,
bijna even hoog als breed, met een ijzeren klopper, en met zware
spijkers versierd, die in den vorm van sterren en ruiten op de beide
vleugels waren aangebracht.
Die deur was typisch, met de schuinstaande steenen palen aan
weerszijden, die door ijzeren ringen omsloten waren. Het was nog
duidelijk merkbaar dat men oudtijds de bedding van een beekje, in het
midden van de poort, tusschen de lichte hellingen van het heiwerk
van den ingang, ongerept had gelaten, maar mijnheer Béraud had die
beek verstopt door den ingang met asphalt te laten beleggen; dat was
trouwens de eenige concessie die hij aan de moderne architecten deed.
De vensters der verdiepingen waren voorzien van smalle leuningen van
smeedijzer, waarboven de in stevige bruine lijsten gevatte ramen met
hun groenachtige ruitjes uitkwamen. Boven, voor de zolderkamertjes,
hield het dak op en liep de goot alleen door, om het hemelwater naar
de afvoerpijpen te brengen.
De kale stijfheid van den gevel werd nog verhoogd door de totale
afwezigheid van zonneblinden en jalouziën, immers de zon bescheen
in geen enkel jaargetijde die bleeke, sombere steenen. Die gevel met
zijn eerwaardig voorkomen, zijn burgerlijke strengheid, rustte statig
in de eenzame wijk, in die stille straat die bijna nooit bereden werd.
Binnen in het hôtel bevond zich een vierkante plaats, door overwelfde
gangen met boogvormige openingen omgeven, een miniatuur-place Royale,
met kolossale steenen bevloerd, wat aan dit doodsche huis nog meer
het aanzien van een klooster gaf.
Tegenover den ingang wierp een fontein, een nog half zichtbare
leeuwenkop, waarvan men nog slechts den geopenden muil kon
onderscheiden, door een ijzeren buis, een zwaar en eentonig water
in een groenbemosten bak, waarvan de randen glad gesleten waren. Dat
water was ijskoud.
Het gras groeide tusschen de steenen. 's Zomers kwam er een beetje
zon op de plaats, en dat zeldzame bezoek had een der muren, tegen
het zuiden, verbleekt, terwijl de drie andere, somber en grauw,
met schimmel gemarmerd waren.
Op die binnenplaats, koel en stil als een put, in het kalme licht
van een winterdag, zou men zich duizend mijlen verwijderd gewaand
hebben van dat nieuwe Parijs, waar al die warme genietingen gloeiden,
bij het geraas en getier der millioenen.
De vertrekken van het hôtel waren even triestig en kalm, even koud en
plechtig als de binnenplaats. Een breede trap met ijzeren leuning,
waarop de stap en de kuch der bezoekers als onder een kerkgewelf
klonken, leidde naar een lange reeks groote, hooge kamers, waarin
donkere, ouderwetsche meubels de ledige ruimten nog lang niet
vulden; het gedempte licht liet slechts even de groote, bleeke
gestalten onderscheiden van de personen, die op de behangsels
waren voorgesteld. Daar trof men de weelde aan van een Parijsche
burgergeslacht van den ouden stempel, een weelde die onverslijtbaar en
zonder gemakken was, stoelen waarvan het eikenhout ternauwernood met
eenig haarpluis bedekt was, bedden met stijf neerhangende gordijnen,
linnenkisten wier ruwe planken het broze bestaan der nieuwerwetsche
japonnen in groot gevaar zouden gebracht hebben.
Mijnheer Béraud Du Châtel had zijn eigen vertrekken in het somberste
gedeelte van het hôtel gekozen, tusschen de straat en de binnenplaats,
op de eerste verdieping. Zij waren daar in een omgeving, die er met
haar stilte en donkerheid wonderwel bij paste. Als hij de deuren
openduwde, en de plechtige stilte der kamers van zijn langzamen,
deftigen tred weerklonk, zou men hem aangezien hebben voor een van die
oude parlementsleden, wier portretten men aan de muren zag hangen,
die peinzend van een zitting thuiskomen waar zij, na deelgenomen te
hebben aan de discussie over een koninklijk besluit, geweigerd hebben
dit te teekenen.
Maar er was toch in dit doodsche huis, in dit klooster, een nestje
trillend van warmte, een zonnig, vroolijk plekje, een hoekje van jeugd,
licht en lucht. Men moest een menigte trapjes bestijgen, langs tien
of twaalf gangen gaan, weer op en afdalen, een heele reis maken,
om eindelijk in een ruim vertrek te komen, een soort van belvedère
op het dak gebouwd, achter het hôtel, boven de quai de Béthune.
Het lag vlak op het zuiden. Het venster ging zoo wijd open, dat
de hemel er met al zijn stralen, al zijn blauw, scheen binnen te
komen. Er stonden groote bakken met bloemen, een kolossale volière en
geen enkel meubelstuk. Er lag enkel een mat op den vloer uitgespreid.
Dat was de "kinderkamer." In het heele hôtel kende en noemde men de
kamer bij dien naam. Het huis was zoo kil, de binnenplaats zoo vochtig,
dat tante Elisabeth bang was dat de koude wind, die over de muren
neerstreek, Christine en Renée ziek zou maken; menigmaal had zij de
kleine ondeugden beknord, als zij onder de bogen liepen of er pret in
hadden haar armpjes in het ijskoude water van de fontein te dompelen.
Toen was zij op het denkbeeld gekomen, dit verloren zolderhoekje voor
haar in te laten richten, het eenige hoekje waar de zon binnendrong
en zich sedert bijna twee eeuwen, alleen verlustigde te midden der
spinnewebben. Zij gaf den kinderen een mat, vogels en bloemen. De
kleinen waren in de wolken. In de vacantie was Renée daar den heelen
dag te vinden, in het goudgele bad van die goede zon, die zich scheen
te verheugen dat men haar verblijf zoo opgeknapt en haar twee blonde
kopjes gezonden had.
De kamer werd een paradijs, waarin het gezang der vogels en het
gebabbel der kinderen weerklonk. Zij mochten het als hun eigendom
beschouwen. Zij zeiden "onze kamer", zij waren er thuis, zij sloten
er zich zelfs in op, om duidelijker het besef te hebben dat zij er
de eenige bezitsters van waren. Wat een gelukkig plekje!
Op de mat lag allerlei gebroken speelgoed in den zonneschijn.
En het prettigste van de kinderkamer was het ruime uitzicht. Uit de
andere vensters van het hôtel zag men een paar voeten voor zich uit
niets dan zwarte muren. Maar uit dit venster zag men een heel eind
van de Seine, het heele gedeelte van Parijs dat tusschen de Cité en
de brug de Bercy ligt, vlak zoover het oog reikt, veel gelijkende op
een dier eigenaardige Hollandsche steden.
Beneden, op de kade, stonden half ineengezakte loodsen, een
opeenstapeling van balken en gebroken daken, waartusschen de kinderen
dikwijls ratten zagen loopen, met de heimelijke vrees dat zij tegen
de hooge muren zouden opklimmen. Maar verderop begon het verrukkelijk
schouwspel.
Het paalwerk langs de rivier, dat met zijn dikke planken en stutten als
van een gothische kathedraal, trapsgewijze omhoog rees, en de brug van
Constantine, die licht als kant onder de voeten der voorbijgangers
scheen te zweven, sneden elkander rechthoekig, schenen de enorme
watermassa te versperren en tegen te houden.
Recht vooruit strekte het lommer van de boomen van de Halle aux
vins en nog verder het dichte groen van den Plantentuin zich tot
den gezichtseinder uit; terwijl aan de andere zijde van het water de
kade Henri IV en de kade de la Râpée haar lage, onregelmatige huizen
vertoonden; van uit de hoogte gezien, geleken zij op de houten en
bordpapieren huisjes uit de speelgoeddoozen der kleinen.
Rechts, in de verte, stak het blauwachtige leiendak van de Salpétrière
boven de boomen uit. In het midden daalden de hooge, geplaveide oevers
tot aan de Seine en vormden twee lange grijze wegen, waarop hier en
daar een rij tonnen, een bespannen wagen, een geloste schuitlading
hout of steenkool donkere plekken vormden.
Maar de ziel van dat alles, de ziel van het heele landschap, was
de Seine, de levende rivier, zij kwam van verre, van dien vagen,
trillenden horizon, zij kwam van daar ginds, uit het droomland,
om recht op de kinderen aan te stroomen, in haar rustige majesteit,
in haar machtige zwelling, die zich tot een meer verbreedde aan hun
voeten, aan de spits van het eiland.
De twee bruggen die haar sneden, de pont de Bercy en de pont
d'Austerlitz, schenen noodzakelijke beletsels, die haar moesten
tegenhouden, haar verhinderen tot in de kamer te stroomen.
De kinderen hielden van den reus, zij staarden zich moe op dat
altijd stroomende, loeiende water dat naar hen toe rolde als om ze
te bereiken, en dat zij links en rechts vertakt zagen verdwijnen in
het onbekende, met de zachtheid van een getemden Titan.
Op mooie dagen, als de hemel blauw was, waren zij verrukt over de
mooie kleedjes van de Seine; het waren kleedjes wier weerschijn van
blauw tot groen overging, met duizenderlei fijne schakeeringen; soms
leek het zijde met schitterend witte moesjes, met satijnen ruches;
en de booten die aan de beide oevers lagen, omzoomden haar met een
zwart fluweelen lint.
In de verte vooral werd de stof prachtig en kostbaar, als het
toovergaas van een feeënkleedje; na den band van donkergroen satijn,
waarmee de schaduw der bruggen de Seine omsloot, waren er gouden
borststukken, zonkleurige lapjes geplisseerde stof. De onmetelijke
hemel welfde zich boven dit water, die lage huizenrijen, dat groen
der beide parken.
Soms gebeurde het dat Renée, dien onbegrensden horizon moede, als
groot meisje reeds zinnelijke nieuwsgierigheid van de kostschool
meebrengende, een blik wierp in de zwemschool, waarvan het bootje
aan de spits van het eiland vastgelegd is. Tusschen de linnen doeken
die aan touwtjes hingen, bij wijze van plafond, gluurde zij naar de
mannen in hun zwembroek, wier blooten buik men zien kon.