Bij het huiswaarts keeren was de terugweg langs den oever van het meer
zoo door rijtuigen versperd, dat de kales stapvoets moest rijden. Eén
oogenblik ontstond er zoo'n opstopping, dat zij zelfs moest stilhouden.
De zon ging onder in een heldergrijze Octoberlucht, die aan den
horizon smalle wolkenstrepen vertoonde. Een laatste straal, die
door het houtgewas om den waterval in de verte doordrong, gleed over
den rijweg en hulde de lange reeks van stilstaande rijtuigen in een
bleeken, rossen gloed.
De goudgele glans, de lichtschakeeringen die de wielen uitstraalden,
schenen zich vastgezet te hebben op het stroogele lofwerk van
de kales, wier donkerblauwe paneelen hoekjes van het omringende
landschap weerkaatsten. En hooger, in het volle rosse licht dat
hen van achteren bescheen en de koperen knoopen van hun omgevouwen,
van den bok afhangende overjas deed blinken, zaten de koetsier en de
palfrenier, in hun donkerblauwe livrei, hun stopverfkleurige broek en
zwart en geel gestreepte vest, stijf, deftig en geduldig, als lakeien
van goeden huize die zich door een opstopping van rijtuigen niet
uit hun humeur laten brengen. Hun hoed, die met een zwarte kokarde
versierd was, gaf hun een zeer deftig voorkomen. Alleen de paarden,
een prachtig bruin span, snoven van ongeduld.
--Kijk, zei Maxime, daar zit Laure d'Aurigny in die coupé.... Zie
toch eens, Renée!
Renée richtte zich even op en keek door haar halfgesloten oogleden,
met die aardige uitdrukking die haar bijziendheid haar gaf.
--Ik dacht dat ze er van door was, zei zij,.... ze heeft haar haren
weer anders geverfd, nietwaar?
--Ja, zei Maxime lachend, haar nieuwe minnaar heeft een hekel aan rood.
Voorover gebogen, met de hand op het lage portier van de kales geleund,
keek Renée toe, wakker geschud uit de droeve mijmering, die haar al
een uur lang deed zwijgen, achterover geleund in het rijtuig als een
zieke in zijn ruststoel.
Over een japon van mauve zijde, met tuniek en voorschoot, met breede
geplooide strooken gegarneerd, droeg zij een wit lakensch manteltje
met opslagen van mauve fluweel, dat haar een kranig voorkomen gaf.
Haar lichtrossig haar, welks kleur aan fijne boter deed denken,
werd nauwelijks bedekt door een hoedje, waarop een toef Bengaalsche
rozen prijkte.
Zij bleef door haar half gesloten oogleden kijken, met haar drieste
jongensgezicht, haar glad voorhoofd, door een diepen rimpel gegroefd,
haar mond, waarvan de bovenlip vooruit stak, als bij een pruilend
kind. Toen nam zij, om beter te kunnen zien, haar kijker, een heeren
tooneelkijker, met schildpad ingelegd, en dien op korten afstand
voor zich uithoudende, beschouwde zij de dikke Laure d'Aurigny heel
op haar gemak.
De rijtuigen stonden nog altijd stil. Te midden der effen, donker
getinte vlekken, gevormd door de lange rij coupé's, die op dien
herfstdag zeer talrijk in het Bosch waren, ontwaarde men de schittering
van een koetsvenster, het gebit van een paard, den verzilverden knop
van een lantaarn, de galons van een lakei die op zijn hoogen bok zat.
Hier en daar zag men in een open landauer een kleurige stof, een stuk
zijde of fluweel van een damestoilet.
Langzamerhand was er een diepe stilte neergedaald over die onbewegelijk
geworden woeligheid. In de rijtuigen hoorde men duidelijk de gesprekken
der voetgangers. Zwijgend wisselde men blikken door de portierramen;
niemand sprak meer, de stilte van het wachten werd enkel verbroken
door het gekraak der tuigen en den ongeduldigen hoefslag van een
paard. In de verte stierven de verwarde stemmen van het Bosch weg.
Ondanks het vergevorderde seizoen, was geheel Parijs daar
vertegenwoordigd: hertogin de Sternich in haar huit-ressorts; mevrouw
de Lauwerens, in een keurig bespannen victoria; barones de Meinhold,
in een prachtig mooie cab met bruine paarden; gravin Vanska, met
haar bonte poneys; mevrouw Daste en haar vermaarde zwarte stappers;
mevrouw de Guende en mevrouw Tessière in een coupé, de kleine Sylvia,
in een donkerblauwen landauer. Bovendien don Carlos, in den rouw, met
zijn ouderwetsche, deftige livrei; Selim pacha, met zijn fez en zonder
zijn gouverneur; hertogin de Rozan, in haar coupé voor één persoon,
met haar witgepoederde livreibedienden; graaf de Chibray in een
dogcart; mijnheer Simpson in een keurige mail; de heele amerikaansche
kolonie. Eindelijk nog twee academieleden in een huurkoets. De voorste
rijtuigen kregen ruimte en gaandeweg kwam er beweging in den heelen
stoet. Het was als een ontwaken. Duizenden lichtjes dansten op en neer,
snelle flikkeringen schoten op uit de wielen, vonken spatten uit het
tuig bij iedere beweging der paarden. Op den grond en langs de boomen
weerkaatsten de portierramen breede, voortglijdende lichtschijnsels.
Dat gefonkel der tuigen en wielen, dat geglinster der geverniste
paneelen, waarop de roode gloed van de ondergaande zon brandde, die
levendige kleuren van de schitterende livreien, hoog in de lucht, en
de rijke toiletten die buiten de portierramen overhingen,--dat alles
werd meegevoerd in een dof, onafgebroken geratel, waartusschen zich
de gelijkmatige draf der paarden deed hooren. En de stoet ging voort
onder hetzelfde geraas, in dezelfde schijnsels, onafgebroken in eenen
door, alsof de eerste rijtuigen alle andere achter zich aantrokken.
Bij den lichten schok dien de in beweging komende kales haar gaf, had
Renée haar kijker uit de hand laten glijden en haar half liggende
houding hernomen. Huiverig trok zij een punt van de berenhuid,
die als een donzig sneeuwkleed het rijtuig vulde, over zich heen en
verborg haar gehandschoende handen geheel in de lange krullen van
het warme vacht.
Een frissche wind stak op. De zoele October-namiddag, die aan het
Bosch een vleugje van de lente gegeven en de dames uit de groote
wereld tot een ritje in een open rijtuig verlokt had, dreigde in een
guren avond te zullen eindigen.
Een poosje gaf de jonge vrouw, warm ingebakerd in haar hoekje, zich
over aan het behagelijk gevoel, dat haar bij het staren op al die
rond wentelende wielen beving. Toen hief zij het hoofd op naar Maxime,
die kalmpjes met zijn blikken de vrouwen in de coupés en de landauers
ontkleedde, en vroeg:
--Vind je die Laure d'Aurigny heusch mooi? Je hemelde haar laatst zoo
op, toen de verkooping van haar diamanten aangekondigd werd!.... A
propos, heb je het halssnoer en de haarnaald al gezien, die je vader
op die verkooping voor me gekocht heeft?
De jonge vrouw haalde even de schouders op.
--Hij weet zijn zaakjes goed te doen, zei Maxime met een grijnslach,
zonder haar vraag te beantwoorden. Hij weet er raad op Laure's schulden
te betalen en tegelijk diamanten aan zijn vrouw te geven.
--Deugniet! fluisterde zij, glimlachend.
Maar de jonge man had zich voorover gebogen om een dame na te oogen,
wier groene japon zijn belangstelling wekte.
Met halfgesloten oogen leunde Renée weer achterover, lusteloos
kijkende naar beide zijden der laan, zonder iets te zien. Rechts,
gleden tusschen het hakhout enkele hoogopgaande stammen voorbij, met
hun verschrompelde bladeren en spichtige takken; nu en dan reden op
het ruiterpad heeren met dunne tailles voorbij, wier paarden onder
het galoppeeren stofwolkjes deden opstuiven.
Links, onder de zachtglooiende grasvlakte, met bloemvakken en dichte
heesterboschjes afgewisseld, lag het effen kristalheldere meer,
zonder eenig schuim, dat langs den rand glad afgespit scheen door de
spade der tuinlieden; en aan gene zijde van het spiegelgladde water
verhieven de beide eilandjes, waartusschen de verbindingsbrug een
grijze streep vormde, hun aardige steile oevers, en teekenden tegen
den bleeken hemel de omtrekken van hun dennen, van hun altijd groene
boomen, wier donker gebladerte door het water weerkaatst werd, als
gordijnfranjes door een kunstige hand aan den horizon gedrapeerd. Dat
stukje natuur, dat schijnbaar pas geschilderd décor, was gehuld in
een licht waas, in een blauwachtigen nevel, die aan het vergezicht
een bekoorlijk aanzien gaf.
Op den anderen oever blonk het Zwitsersch huisje als met het vernis van
een nieuw stuk speelgoed; en de smalle laantjes, die als gele linten
om het meer heen door de grasvlakte kronkelen en met ijzeren takken
bij wijze van rustiek houtwerk afgezet zijn, staken op dit late uur
nog vreemder af tegen het zachte groen van het water en het grasperk.
Aan de bekoorlijkheden van deze vergezichten gewoon geraakt, had
Renée in haar lusteloosheid de oogen geheel neergeslagen; zij keek
nog slechts naar haar smalle vingers, die als op een krulstok de
lange haren van de berenhuid wonden.
Plotseling werd de regelmatige draf der rijtuigen afgebroken. Opziende,
groette zij twee jonge vrouwen, die als smachtende gelieven naast
elkander lagen in een huit-ressorts, die met groot geraas den meeroever
verliet om een zijlaan in te rijden.
Mevrouw de markiezin d'Espanet, wier man, toen adjudant van den
keizer, zich openlijk met het nieuwe vorstenhuis verzoend had,
tot groote ergernis van den ouden adel die bleef mokken, was een der
toongeefsters in de groote wereld van het tweede keizerrijk; de andere,
mevrouw Haffner, was de vrouw van een grooten industrieel uit Colmar,
die wel twintig millioen bezat en zich sedert het keizerrijk druk
met politiek inliet.
Renée, die de twee onafscheidelijken, zooals men ze met een
veelbeteekenenden glimlach noemde, op de kostschool gekend had,
noemde ze bij haar voornamen, Adeline en Suzanne.
Juist wilde zij zich weer warmpjes inbakeren, toen een gelach van
Maxime haar het hoofd deed omwenden.
--Neen, heusch, ik ben niets opgewekt, lach maar niet, het is volle
ernst, zei zij, toen de jonge man haar gekscherend aankeek en den
spot dreef met haar gebogen houding.
Maxime zette een grappige stem op.
--Wel, wel, zoo'n groot verdriet, toch niet jaloersch?
Zij scheen geheel verbaasd.
--Ik! Zei zij. Waarom jaloersch?
En onmiddellijk daarop, alsof zij zich de oorzaak herinnerde, ging
zij met een minachtenden trek om den mond voort:
--O ja, die dikke Laure! Ik denk er niet aan. Als het waar is,
wat jelui me allen vertellen, dat Aristide de schulden van die meid
betaald en haar op die manier een reisje naar het buitenland bespaard
heeft, dan bewijst dit alleen dat hij minder aan geld gehecht is dan
ik dacht. Dat zal hem weer bij de dames in de gunst brengen.... Ik
laat den goeien man volkomen vrij.
Zij glimlachte en zei "den goeien man" op een toon van
vriendschappelijke onverschilligheid. Toen weer plotseling neerslachtig
wordende, keek zij om zich heen met den wanhopigen blik van een vrouw,
die niet weet aan welk tijdverdrijf zij zich zal wijden, en zachtjes
klonk het:
--O, ik zou wel willen.... Maar neen, ik ben niet jaloersch, heelemaal
niet jaloersch. Zij hield aarzelend op.
--Ik verveel me, zie je, zei zij eindelijk, op driftigen toon.
Toen zweeg zij en drukte haar lippen stijf op elkander.
De rijtuigen reden nog steeds langs het meer, in een gelijkmatigen
draf, met het eigenaardige geraas van een verwijderden waterval.
Nu verhieven zich links, tusschen het water en den rijweg, boschjes
groene boomen, met dunne rechte stammetjes, die in het schemeruur
den indruk maakten van bundels kleine zuilen.
Rechts was er een einde gekomen aan het hakhout en de opgaande
stammen, het Bosch bood een ruim uitzicht op groote grasvlakten,
hier en daar met een groepje hooge boomen beplant; de groene vlakten
volgden elkander op, met lichte golvingen van het terrein, tot aan
de poort de la Muette, wier lage hek men in de verte ontwaarde, als
een stuk zwarte kant, dat vlak boven den grond is uitgespannen; op
de hellingen en in de diepste plooien van het heuvelachtige terrein,
was het gras geheel blauw.
Renée staarde voor zich uit, alsof die verruiming van den
gezichtseinder, die zachte grasvlakten, bedauwd door de avondlucht,
haar nog levendiger aan de ledigheid van haar bestaan herinnerden.
Na een kort stilzwijgen, herhaalde zij met ingehouden toorn:
--O, ik verveel me, ik verveel me doodelijk.
--Weetje wel, dat je niet vroolijk bent? zei Maxime kalmpjes. Je bent
zeker weer zenuwachtig.
De jonge vrouw hernam haar halfliggende houding.
--Ja, ik heb weer last van mijn zenuwen, antwoordde zij kortaf.
Toen nam zij een moederlijken toon aan.
--Ik word oud, beste jongen; ik ben haast dertig jaar. 't Is
verschrikkelijk. Ik vind nergens meer genoegen in. Als je twintig
jaar bent, kan je niet weten....
--Heb je me soms meegenomen om je de biecht te laten afnemen? viel
de jonge man haar in de rede. Dat zou drommels lang kunnen duren.
Zij beantwoordde die onbeschaamdheid met een flauwen glimlach, als
gold het een uitval van een verwenden knaap die geen kwaad kan doen.
--Je hebt nog al reden om te klagen, ging Maxime voort: je geeft
ieder jaar meer dan honderd duizend francs voor je toiletten uit,
je woont in een paleis, je hebt prachtige paarden, je minste luimen
worden bevredigd, en de kranten spreken over ieder nieuw costuum
dat je draagt als over een gebeurtenis van het uiterste gewicht; de
vrouwen benijden je, de mannen zouden tien jaar van hun leven willen
geven om je de vingertoppen te mogen kussen. Is het waar of niet?
Zwijgend gaf zij een toestemmend knikje. Met neergeslagen oogen woelde
zij weer in de krullen van het vacht.
--Kom, wees nu zoo bescheiden niet, ging Maxime voort: kom er maar
rond voor uit dat je een der steunpilaren van het tweede keizerrijk
bent. Onder ons mag men zoo iets gerust zeggen. Aan het hof, bij
de ministers, bij de doodgewone millionairs, bij hoog en laag,
overal heersch je als oppermachtige gebiedster. Er is geen vermaak
waarvan je niet volop genoten hebt, en als ik durfde, als ik me
niet liet weerhouden door den eerbied dien ik je verschuldigd ben,
zou ik zeggen....
Lachend hield hij even op; toen sprak hij zijn meening onomwonden uit.
--Ik zou zeggen dat je van alle appels geproefd hebt.
Zij vertrok geen spier van haar gelaat.
--En je verveelt je! hernam de jonge man met kluchtige
levendigheid. Maar dat is ongehoord! Wat wil je, wat verlang je
dan toch?
Zij trok de schouders op, als wilde zij te kennen geven dat zij het
zelf niet wist.
Ofschoon zij het hoofd voorover boog, zag Maxime haar zoo ernstig, zoo
somber gestemd, dat hij zweeg. Hij wendde den blik naar de rijtuigen,
die aan het einde van het meer gekomen in breede rijen het kruispunt
geheel vulden. Minder dicht opeengedrongen, zwenkten de rijtuigen met
een sierlijken bocht: de snellere draf der paarden klonk luid op den
harden grond.
Toen de kales draaide om zich achter de andere rijtuigen te voegen,
bracht de schommeling voor een oogenblik een behagelijk gevoel bij
Maxime teweeg. Daarop toegevende aan den lust om Renée te plagen:
--Je verdiende in een huurrijtuig te moeten rijden, zei hij. Dat zou
je verdiende loon zijn! Zie eens naar al die menschen, die naar Parijs
terugkeeren, ze groeten je als een koningin, en het scheelt niet veel
of je goede vriend, mijnheer de Mussy, zendt je kushandjes toe.
Inderdaad werd Renée door een ruiter gegroet. Maxime had op een gemaakt
grappigen toon gesproken. Maar Renée keerde zich ternauwernood om
en haalde de schouders op. Ditmaal maakte de jonge man een wanhopig
gebaar.
--Is het er zoo mee gesteld?.... Maar, mijn goede hemel, je hebt alles,
wat wil je nog meer?
Renée hief het hoofd op. In haar oogen straalde een warme gloed,
een vurige begeerte naar iets ongekends, dat haar nieuwsgierigheid
nog niet bevredigd had gezien.
--Ik wil iets anders, antwoordde zij op kwijnenden toon.
--Maar aangezien je alles hebt, hernam Maxime lachend, bestaat er
geen iets anders. Wat bedoel je toch met iets anders?
--Wat? herhaalde zij....
En verder sprak zij niet. Zij had zich geheel omgewend en verdiepte
zich in de beschouwing van het vreemde tafereel, dat zich achter
haar in nevelen oploste. De avond begon te vallen; als fijne asch
daalde de schemering langzaam neer. In het bleeke daglicht dat nog
boven het water bleef hangen, geleek het meer, van voren gezien,
een reusachtige tinnen plaat; de groene boomen, wier slanke stammen
uit den onbewegelijken waterspiegel schenen op te rijzen, geleken op
violetkleurige zuilengangen, die in haar regelmatigen bouw de kunstig
gevormde krommingen der oevers afteekenden; verderop, verhieven zich
dichte boschjes, en een dicht gebladerte sloot met groote zwarte
vlekken den gezichtseinder af. Achter die vlekken vertoonde zich een
vuurgloed, een half ondergegane zon, die slechts een klein gedeelte
van het grauwe uitspansel verlichtte.
Boven dat onbewegelijke meer, dat lage houtgewas, dat geheel
vlakke vergezicht, opende zich het hemelgewelf, oneindig, dieper en
breeder. Dat groote stuk hemel over dat brokje natuur, gaf een ietwat
droevige gewaarwording, iets als een huivering; en er daalde uit
die verbleekende hoogte zulk een droefgeestig herfstgevoel neer, een
duisternis zoo stil en hartaangrijpend, dat het Bosch, langzamerhand
gehuld in een doodskleed van duisternis, zijn wereldsche bevalligheid
verloor en grooter scheen, geheel vervuld van de machtige bekoring
der wouden.
De draf der équipages, wier levendige kleuren de duisternis uitdoofde,
geleek op het verwijderde geluid van ritselende bladeren en stroomende
beekjes. Alles stierf langzamerhand weg.
En terwijl alles in het rond verbleekte, stak midden op het meer, het
driehoekig zeil van de groote pleizierboot, forsch en scherp tegen
den vuurgloed van de ondergaande zon af. En eindelijk zag men nog
slechts dat zeil, dien driehoek van geel linnen, bovenmatig vergroot.
In haar verzadiging kreeg Renée een vreemde gewaarwording van
onuitbare begeerten, bij het aanschouwen van dat landschap dat zij
niet meer herkende, van die zoo bij uitstek wereldsche natuur, waarvan
de geheimzinnige duisternis een gewijd bosch maakte, een van die
denkbeeldige open plekken waar de goden der oudheid hun gigantische
liefde, hun goddelijk overspel en hun bloedschande verborgen. En
terwijl de kales al verder en verder reed, scheen het haar toe alsof
achter haar de schemering in haar trillende sluiers het land van haar
droomen met zich meevoerde, het schandelijke en bovenmenschelijke
slaapvertrek waarin zij eindelijk den honger van haar ziek hart,
van haar verzadigd vleesch had kunnen stillen.
Toen het meer en de boschjes, in de duisternis opgelost, niets meer
dan een donkere streep aan den hemel vertoonden, keerde de jonge vrouw
zich plotseling om en met een stem, waarin tranen van spijt klonken,
voltooide zij haar afgebroken zin:
--Wat? Iets anders, wat drommel, ik wil iets anders. Weet ik het! Als
ik het wist.... Zie je, ik heb genoeg van die eeuwig durende bals,
soupers en feesten. 't Is altijd hetzelfde. 't Is ontzettend
eentonig. De mannen zijn doodelijk vervelend, ja, doodelijk vervelend.
Maxime begon te lachen. Er begon gloed te komen in het aristocratische
gezichtje van de groote dame. Zij knipte niet meer met de oogleden;
de rimpel in haar voorhoofd groefde zich dieper, haar pruilende lip
stak weer naar voren, als om de genietingen op te sporen waarnaar
zij verlangde, doch die zij niet kon noemen. Zij merkte den lach van
haar metgezel op, maar zij was te opgewonden om zich in te houden;
achterover geleund, liet zij zich wiegen door de schommelende beweging
van het rijtuig en ging in afgebroken zinnen voort:
--Zeker, jelui zijt doodelijk vervelend.... Ik zeg dat niet op jou,
Maxime, jij bent nog te jong.... Maar als ik je vertelde hoe Aristide
me in het begin verveeld heeft! En die anderen dan, die me bemind
hebben.... We zijn goede kameraads, weet je, met jou geneer ik me
niet, welnu, er zijn heusch dagen waarop ik mijn leven als rijke,
aangebedene, gevierde vrouw zoo moe ben, dat ik zou wenschen een Laure
d'Aurigny te zijn, een van die dames die een vrij en onafhankelijk
leventje leiden.
En daar Maxime nog harder begon te lachen, hield zij vol:
--Ja, een Laure d'Aurigny. Dat moet minder eentonig zijn, meer
afwisseling bieden.
Zij zweeg een oogenblik, als om zich het leven voor te stellen, dat
zij zou leiden als zij Laure was. Toen hernam zij op moedeloozen toon:
--Maar die dames zullen toch ook wel haar verdrietelijkheden
hebben. Eigenlijk gezegd is er toch niets amusants. 't Is om dood te
gaan van verveling.... Ik zei zooeven al, er moest iets anders zijn,
ik zou het niet weten te noemen, begrijp je, maar iets anders, iets dat
nog niemand overkomen is, geen alledaagsche zaak, maar een zeldzaam,
ongekend genot....
Haar stem klonk langzamer. Zij sprak deze laatste woorden uit op
afgebroken toon, alsof haar geest bezig was dat zeldzame genot
te zoeken.
De kales reed op dit oogenblik de laan in die naar den uitgang van het
Bosch leidt. De duisternis nam toe, als een grauwe muur verhief zich
het hakhout, aan beide zijden van de laan; de geelgeverfde ijzeren
stoelen, waarop de burgermenschen in hun Zondagsche gewaad op mooie
avonden zitten te pronken, stonden leeg op de trottoirs, met dat
naargeestige uitzicht van tuinmeubels, door den winter overvallen; en
het geratel, het doffe, gelijkmatige gedruis der huiswaarts keerende
rijtuigen, klonk als een droeve klacht in de eenzame laan.
Maxime begreep ongetwijfeld heel goed, dat het een slechten smaak
verried het leven aangenaam te vinden. Ofschoon hij nog jong genoeg
was om aan een opwelling van gelukkige bewondering toe te geven, was
zijn eigenliefde te groot, zijn onverschilligheid te spotziek, en had
hij zich werkelijk reeds te dikwijls verzadigd gevoeld, om er niet
voor uit te komen dat hij tot walgens toe verzadigd was. Gewoonlijk
legde hij die bekentenis zelfs met een zekeren trots af.
Hij strekte zich lang uit, evenals Renée, en sloeg een klagenden
toon aan.
--Je hebt warempel gelijk, zei hij. 't Is doodelijk vervelend. Ik
verzeker je, ik amuseer me al evenmin als jij; ik heb ook dikwijls
naar iets anders verlangd.--Reizen,--ik ken geen vervelender en dwazer
ding. Geld verdienen,--opmaken doe ik het nog liever, ofschoon dat ook
al zoo amusant niet is als men in den beginne denkt. Liefhebben, bemind
worden, daar heeft men gauw genoeg van, niet waar? En heel gauw ook!
Daar de jonge vrouw niet antwoordde, ging hij voort, om haar door
een groote goddeloosheid te doen ontstellen:
--Ik zou wel eens door een nonnetje bemind willen worden. Dat zou
misschien grappig zijn, hè?.... Heb jij nooit eens het verlangen in
je voelen opkomen een man te beminnen, aan wien je niet kon denken
zonder een misdaad te begaan?
Maar zij bleef stil en in zichzelf gekeerd, en daar zij geen antwoord
gaf, dacht Maxime dat zij niet naar hem luisterde. Het hoofd tegen den
gecapitonneerden rand van de kales geleund, scheen zij met open oogen
te slapen. Zij zat in gepeins, als het ware willoos overgeleverd aan
de droomen die haar zoo terneergedrukt hielden; nu en dan trilden haar
lippen door een zenuwachtigen schok. Het schemerduister doordrong haar
gansche wezen met een verslappenden invloed; al wat die duisternis aan
droefgeestigheid, aan stillen wellust, aan onuitgesproken verwachtingen
bevatte, drong in haar door, hulde haar als in een atmosfeer van
kwijning en ziekte.
Terwijl zij staarde naar den ronden rug van den palfrenier op den bok,
dacht zij zeker aan die pas gesmaakte genoegens, die feesten die zij
zoo eentonig vond, waarvan zij niet meer gediend was; zij zag haar
geheele verleden, de onmiddellijke bevrediging van haar begeerten,
het walgingwekkende van de weelde, de verpletterende eentonigheid
van dezelfde liefdesbetuigingen en dezelfde ontrouw.
Toen kwam, als een blijde verwachting, met een trillend verlangen de
gedachte aan dat "iets anders" in haar op, dat haar geest met alle
inspanning niet vinden kon. Maar daar raakte haar peinzende geest het
spoor bijster. Zij spande zich in, maar telkens ontglipte het gezochte
woord in de vallende duisternis, ging verloren in het onafgebroken,
rollend geraas der rijtuigen. De zachte schommeling van de kales was
een weifeling meer, die haar belette haar begeerte in woorden uit
te drukken. En een machtige verlokking steeg op uit dat nevelige,
uit dat in schemerduister gehulde houtgewas aan weerszijden der laan,
uit dat geratel van wielen en die zachte schommeling die haar in een
zoete bedwelming bracht.
Duizenderlei gewaarwordingen bestormden haar: onvoltooide mijmeringen,
namelooze wellustige genietingen, onbestemde wenschen, al wat een
terugkeer uit het Bosch, bij de invallende schemering, aan uitgezochts
en ongehoords in het verzadigde hart eener vrouw kan opwekken.
Zij hield haar beide handen in het berevacht, zij had het heel warm
onder haar witlakensch manteltje met opslagen van mauve fluweel.
Terwijl zij haar voet verschoof om zich behagelijk uit te strekken,
streek zij met haar enkel langs het warme been van Maxime, die niet
eens notitie nam van die aanraking. Een schok wekte haar uit haar
halven slaap. Zij hief het hoofd op, met een zonderlingen blik uit haar
grijze oogen naar den jongen man, die in alle elegantie achterover lag.
Op dit oogenblik reed de kales het Bosch uit. De avenue de
l'Impératrice strekte zich recht uit in de schemering, met de
beide groene lijnen van haar houten hekken, die elkander aan den
gezichtseinder raakten. Op het ruiterpad daarnaast vormde een wit
paard, in de verte, een heldere plek, die scherp afstak tegen het
grauwe halfduister. Aan de andere zijde van den straatweg liepen
enkele late wandelaars, groepjes donkere stippen, die zich langzaam
in de richting van Parijs voortbewogen. En heel omhoog, aan het einde
van dat wemelende loopvuur der rijtuigen, teekende het blank van den
Triomfboog, dwars voor de laan, zich af tegen een reusachtig stuk
roetkleurige lucht.
Terwijl de kales in sneller draf de laan op reed, keek Maxime,
bekoord door het engelsche voorkomen van het landschap, beurtelings
rechts en links naar de grillig gebouwde hôtels, wier grasvelden tot
aan de zijlanen afglooiden. Renée, in haar afgetrokkenheid, schepte
er vermaak in naar de gasvlammetjes te kijken, die aan het einde van
den weg, éen voor éen op de place de l'Etoile ontstoken werden, en
naarmate die lichtjes als gele vlekken op het wegstervende daglicht
verschenen, meende zij een heimelijk roepen te hooren, scheen het
haar toe dat het op winteravonden schitterend verlichte Parijs voor
haar in feestverlichting was, haar het onbekende genot bereidde,
waarvan haar verzadigd hart droomde.
De kales reed de avenue de la Reine-Hortense in, en hield stil aan
het einde van de rue Monceaux, op eenige passen afstands van den
boulevard Malesherbes, voor een groot gebouw dat tusschen plein en
tuin in stond. Naast elk der twee hekken, die kwistig met vergulde
ornementen versierd waren en zich naar het plein openden, stonden
een paar lantarens, in den vorm van urnen, eveneens rijk verguld,
waarin groote gasvlammen brandden. Tusschen de twee hekken woonde de
portier in een sierlijk tuinhuisje, dat eenigszins deed denken aan
een grieksch tempeltje.
Toen het rijtuig het voorplein op zou rijden, sprong Maxime er
vlug uit.
--Denk er aan, zei Renée, hem bij de hand terughoudend, we gaan om
half acht aan tafel. Je hebt meer dan een uur om je te kleeden. Laat
niet op je wachten.
En glimlachend voegde zij er bij:
--We krijgen de Mareuils.... Je vader verlangt dat je heel voorkomend
tegen Louise zult zijn.
Maxime haalde de schouders op.
--Een pleizierig baantje! mompelde hij knorrig. Ik wil haar wel
trouwen, maar haar het hof maken, dat is al te vervelend.... Hè,
Renée, wat zou ik het aardig van je vinden, als je me van avond van
Louise verloste.
Hij zette zijn grappig gezicht met de grimas en den toon die hij
Lassouche nadeed, telkens als hij een van zijn gewone aardigheden
ten beste gaf:
--Doe je het, mooi maatjelief?
Renée schudde hem kameraadschappelijk de hand. En op gekscherenden
toon klonk het snel, met zenuwachtige stoutmoedigheid:
--Zeg eens, als ik niet met je vader getrouwd was, zou je me, geloof
ik, het hof gaan maken.
De jonge man vond die gedachte zeker heel grappig, want hij lachte
nog toen hij den hoek van den boulevard Malesherbes al om was.
De kales reed het plein op en hield voor het bordes stil.
Dit bordes, met breede lage trappen, werd beschut door een groote
glazen kap, omrand door uitgesneden lofwerk met vergulde franje en
eikels. De beide verdiepingen van het gebouw verhieven zich boven
de keukens en provisiekamers, waarvan men bijna gelijkvloers de met
matglas voorziene luchtgaten zag. Boven op het bordes was de deur der
vestibule uitgebouwd, daarnaast kwamen dunne pilaren half uit den muur
te voorschijn, aldus een vooruitspringend gedeelte vormende dat, op
iedere verdieping van een rond vensterlicht voorzien, tot aan het dak
doorliep, waar het in een driehoek eindigde. Aan beide zijden hadden
de verdiepingen vijf vensters, met gelijke tusschenruimten in den
voorgevel geplaatst, en in een eenvoudige steenen lijst gevat. Het dak
was plat, en stak met vier bijna loodrechte zijden boven den gevel uit.
Aan den tuinkant was de gevel echter heel wat prachtiger. Een ruim
bordes leidde naar een smal terras dat langs de geheele onderste
verdieping liep; de leuning van dit terras, in den stijl van de hekken
van het park Monceaux, was nog meer met verguldsel overladen dan de
kap en de lantarens van het voorplein. Het gebouw had aan iederen
hoek een paviljoen, bij wijze van een half ingebouwd torentje, dat
binnenin een rond vertrek vormde. In het midden bevond zich een ander
torentje, dat minder uitstak dan de beide uiterste. De vensters,
die hoog en smal waren voor de paviljoens, maar bijna vierkant en
met grooter tusschenruimten op de vlakke gedeelten van den gevel,
hadden gelijkvloers steenen balustrades en op de hoogere verdiepingen
leuningen van verguld smeedijzer.
Het was een vertoon, een overdaad, een overstelping van rijkdom. Het
hôtel verdween onder het beeldhouwwerk. Om de vensters, langs de
kroonlijsten, liepen kronkelende takken en bloemen; er waren balkons
die geleken op bloemenmanden en gestut werden door groote naakte
vrouwenbeelden met gebogen heupen en vooruitstekende borsten; hier en
daar waren gephantaseerde wapenschilden aangebracht, druiventrossen,
rozen, alle mogelijke versieringen van steen en marmer. Naarmate de
blik zich hooger wendde, werden de bloemen menigvuldiger. Rondom
het dak liep een balustrade, waarop met gelijke tusschenruimten
urnen stonden, waarin steenen vlammen glansden. En daar, tusschen de
ronde dakvensters, die open gingen in een ongelooflijke mengeling
van vruchten en gebladerte, daar kwamen de kapitale stukken van
deze verbazende decoratie voor den dag; de frontons der paviljoens,
in wier midden de groote naakte vrouwenbeelden weer zichtbaar werden,
te midden van bundels riet, met appelen spelende en allerlei houdingen
aannemende.
Met al die versieringen overladen, scheen het dak, waarboven
zich nog galerijen van uitgetand lood verhieven, benevens twee
bliksemafleiders en vier kolossale symmetrische schoorsteenen, eveneens
met beeldhouwwerk versierd, het slotstuk van dit bouwkunstig vuurwerk
te zijn.
Rechts bevond zich een groote serre, tegen het hôtel aangebouwd, die
met de benedenverdieping in verbinding stond door de glazen deuren
van een salon. De tuin, die door een laag, achter een haag verborgen
hek, van het park Monceaux gescheiden werd, helde vrij sterk. Te
klein in verhouding tot de woning, zoo smal dat een grasperk en een
paar groepjes groene boomen hem geheel vulden, was hij eigenlijk
niets anders dan een heuveltje, een voetstuk van groen, waarop het
hôtel in galatoilet prijkte. Van uit het park gezien, boven dat goed
onderhouden grasperk, die struiken met hun glinsterende bladeren,
had dat groote gebouw met zijn plompen leien hoed, zijn vergulde
leuningen, zijn overvloed van beeldhouwwerk, het bleeke uitzicht,
de rijke en dwaze gewichtigheid van een parvenu. Het was het nieuwe
Louvre op kleiner schaal, een van de kenmerkendste staaltjes van den
stijl Napoleon III, dien weelderigen bastaard van alle stijlen.
Op zomeravonden, wanneer de schuine stralen der zon het verguldsel
van de leuningen aan den witten gevel deden schitteren, bleven de
wandelaars in het park stilstaan en keken naar de roodzijden gordijnen
die voor de vensters van de benedenverdieping gedrapeerd waren;
en door de ruiten, die zoo breed en zoo helder waren dat zij daar,
evenals de spiegelruiten van de groote nieuwerwetsche magazijnen,
geplaatst schenen om de inwendige pracht naar buiten te vertoonen,
ontwaarden de burgerluidjes hoekjes van meubelen, stukjes stof,
gedeelten van prachtig beschilderde plafonds, die hen van bewondering
en afgunst midden in de lanen als vastgeworteld deden stilstaan.
Maar nu daalde de duisternis van de boomen, de gevel sliep, Aan de
andere zijde, op het voorplein, had de palfrenier Renée eerbiedig
helpen uitstijgen. Rechts aan het eind van een met glas bedekte
inrij, openden de stallen met hun lijsten van rooden steen, hun breede
gepolijste eikenhouten deuren. Links was er bij wijze van pendant tegen
den muur van het aangrenzende huis een rijk versierde nis geplaatst,
waarin een breede waterstraal onafgebroken voortgutste uit een schelp,
die door twee Amors omhoog gehouden werd.
De jonge vrouw toefde een oogenblik aan den voet van het bordes,
en tikte even tegen haar rok, die niet wilde zakken.
Het voorplein, voor een oogenblik verlevendigd door het geraas van
het rijtuig, hernam zijn deftige stilte, die slechts verbroken werd
door het eeuwigdurend geruisch van den waterval. En in de donkere
massa van het hôtel, waar ter eere van het eerste groote herfstdiner
weldra alle lichten zouden ontstoken worden, zag men nu slechts de
benedenvensters verlicht, een helderen gloed afstralend op de kleine
steentjes van het voorplein, die regelmatig en zuiver als een dambord
in den grond gelegd waren.
De deur van de vestibule openduwend, stond Renée tegenover den
kamerdienaar van haar man, die zich met een zilveren waterketel in de
hand naar de benedenvertrekken wilde begeven. De man had een statig
voorkomen; hij was geheel in het zwart, lang en flink gebouwd, had
een bleek gelaat met de onberispelijke bakkebaarden van een engelsch
diplomaat, en het ernstige, waardige uiterlijk van een magistraat.
--Baptiste, vroeg de jonge vrouw, is mijnheer al thuis?
--Ja, mevrouw, hij kleedt zich, antwoordde de dienaar met eene
hoofdbuiging die hem benijd kon worden door een vorst, die de menigte
groet.
Renée ging langzaam de trap op, haar handschoenen onderwijl
uittrekkend.
De vestibule was weelderig ingericht. Bij het binnenkomen ontwaarde
men een lichte aandoening van beklemdheid. De dikke tapijten die
den grond bedekten en de loopers op de trap, de breede roodfluweelen
behangsels die de muren en deuren maskeerden, maakten de lucht zwaar,
met de stilte, den warmen geur van een kapel. Draperieën hingen van
boven neer, en het hooge plafond was versierd met rosetten, die op
een netwerk van vergulde staafjes rustten.
De trap, met haar dubbele, witmarmeren balustrade, had een
roodfluweelen leuning, en twee lichtgebogen opgangen, waartusschen zich
de deur van het groote salon bevond. Op het eerste portaal besloeg
een kolossale spiegel den geheelen muur. Beneden, aan den voet
der beide opgangen, stonden op marmeren voetstukken twee vergulde
bronzen vrouwen, met ontbloot bovenlijf, die groote kronen met vijf
lichten droegen, wier helder schijnsel verzacht werd door matglazen
ballons. Aan weerszijden stond een rij prachtige bloempotten van
majolica, waarin zeldzame planten bloeiden.
Renée ging de trap op, en bij iedere trede zag zij meer van haar
beeld in den spiegel; zij vroeg zich af, met dien twijfel dien zelfs
de meest gevierde tooneelspeelsters in zich voelen opkomen, of zij
er werkelijk zoo verleidelijk uitzag als men zeide.
In haar vertrekken gekomen, die zich op de eerste verdieping bevonden
en op het park Monceaux uitzagen, schelde zij Céleste, haar kamenier,
en liet zich kleeden voor het diner. Dat duurde bijna anderhalf
uur. Toen de laatste speld vastgestoken was, opende zij een venster,
want het was heel warm in de kamer, en op haar ellebogen leunend gaf
zij zich weer aan haar droomerijen over. Achter haar ruimde Céleste,
zoo stil mogelijk, de toiletbenoodigdheden op.
Beneden in het park golfde een zee van duisternis. De inktkleurige
massa's van het hooge gebladerte, door rukwinden heftig geschud,
schommelden heen en weer als een golfslag, die aanrolt en terugwijkt,
met het geruisch van droge bladeren, dat doet denken aan het
afdruppelen van de golven op een oever van kiezelsteenen.
Nu en dan vertoonde zich een lichtstreep in die draaikolk van
duisternis; de twee gele oogen van een rijtuig verschenen en verdwenen
tusschen het dicht geboomte, langs de groote laan die van de avenue
de la Reine-Hortense naar den boulevard Malesherbes loopt.
Tegenover al die droefgeestigheid van den herfst, voelde Renée al
haar weemoed weer in haar hart opkomen. Zij zag zich terug als kind
in het huis haars vaders, in dat stille heerenhuis op het eiland
St. Louis, waar de Bérauds Du Châtel meer dan twee eeuwen lang hun
sombere deftigheid van magistraatspersonen bewaard hadden. Toen
dacht zij aan haar huwelijk, als bij tooverslag opgekomen, aan dien
weduwnaar die zich verkocht had om haar te trouwen, die zijn naam
Rougon had verwisseld voor dien van Saccard, waarvan de twee harde
lettergrepen haar de eerste malen in de ooren hadden geklonken, met
de onbeschoftheid van twee harken, die goud naar zich toeschrapen;
hij had haar genomen, haar meegesleept in dat buitensporige leven,
dat haar arm hoofd iederen dag meer van streek bracht.
Toen dacht zij, met een kinderlijke vreugde, aan de heerlijke
raketspelletjes die zij met haar zusje Christine had gespeeld.
En op den een of anderen morgen zou zij ontwaken uit den roes van
genot waarin zij sedert tien jaar leefde, krankzinnig, haar goeden
naam bevlekt door een der speculaties van haar man; waarin hij zich
zelf te gronde zou richten. Het was als een ingeving. De boomen hieven
een luider klaaglied aan.
Ontroerd door die gedachte aan schande en straf, gaf Renée gehoor
aan de opwelling van ouderwetsche burgerdeugd die in haar binnenste
verscholen lag; zij beloofde aan den donkeren nacht zich te zullen
beteren, niet meer zooveel geld voor haar toiletten uit te geven, een
onschuldig vermaak te zoeken dat haar afleiding kon geven, zooals in de
gelukkige dagen van haar kostschoolleven, toen de leerlingen zachtjes
onder de platanen ronddansend zongen: Nous n'irons plus au bois.
Op dit oogenblik kwam Céleste, die naar beneden was gegaan, weer
binnen en fluisterde haar meesteres in het oor:
--Mijnheer verzoekt mevrouw beneden te komen. Er zijn al verscheidene
gasten in het salon.
Renée schrikte op. De scherpe lucht, die haar schouders ijskoud maakte,
had zij niet gevoeld. Toen zij voorbij haar spiegel ging, stond zij
even stil, en wierp er werktuigelijk een blik in. Zij glimlachte
onwillekeurig, en ging naar beneden.
Inderdaad waren bijna alle gasten aanwezig. Zij vond beneden haar
zuster Christine, een meisje van twintig jaar, heel eenvoudig
gekleed in een wit neteldoeksch japonnetje; haar tante Elisabeth,
weduwe van notaris Aubertot, in zwart satijn, een vriendelijk oud
vrouwtje van zestig jaar; de zuster van haar man, Sidonie Rougon, een
magere zoetsappige vrouw, wier leeftijd moeielijk te bepalen viel,
met een wasachtig gelaat, dat door de fletse kleur van haar japon
nog kleurloozer scheen; verder de Mareuils,--den vader, mijnheer
de Mareuil, die juist uit den rouw was over zijn vrouw, een langen,
knappen man, koel en ernstig, die een treffende gelijkenis met den
kamerdienaar Baptiste vertoonde,--en de dochter, die arme Louise,
zooals zij genoemd werd, een nietig, eenigszins gebocheld meisje van
zeventien jaar, dat met een ziekelijke gratie een japon van witte
foulardzijde met roode moesjes droeg; dan nog een kring van deftige
mannen, met verscheidene ridderorden, officiëele heeren met bleeke,
nietszeggende gezichten en verder een andere groep, jonge mannen,
met een losbandig uiterlijk en laag uitgesneden vest, die vijf of zes
zeer elegante dames omringden, waaronder de beide onafscheidelijken
het eerst in het oog vielen, de kleine markiezin d'Espanet in het
geel en de blonde mevrouw Haffner, in violetkleurige zijde.
Ook mijnheer de Mussy, de ruiter wiens groet Renée niet beantwoord
had, bevond zich daar, met het ongeruste gezicht van een minnaar die
voelt dat hij zijn afscheid zal krijgen. En midden tusschen de lange,
over het tapijt uitgespreide slepen, stapten twee aannemers, twee rijk
geworden metselaars, Mignon en Charrier, met wie Saccard den volgenden
dag een zaak te verhandelen had, met hun lompe laarzen heen en weer,
de handen op den rug, bijna stikkend in hun zwarte gekleede jas.
Aristide Saccard stond bij de deur, en hield met zijn neusgeluid en
zijn zuidelijke levendigheid een hoogdravende rede voor het groepje
deftige mannen, terwijl hij daar tusschen de gelegenheid vond om de
binnenkomende gasten te begroeten. Hij drukte hun de hand, en had
voor ieder een vriendelijk woord. Met zijn kleine gestalte en sluw
gezicht boog hij als een marionet, en wat het meest in het oog viel
van zijn schrale, listige, donkere persoontje, dat was het roode lint
van het Legioen van eer, dat hij heel breed droeg.
Toen Renée binnen trad, verhief zich een gemompel van bewondering. Zij
was inderdaad goddelijk schoon. Over een tulle rok, die van achteren
met een overvloed van strooken gegarneerd was, droeg zij een tuniek
van zacht groen satijn, afgezet met Engelsche kant, opgenomen en
vastgehecht met groote toefen viooltjes; een enkele strook garneerde
de voorbaan van den rok, waarop bouquetjes van dezelfde bloemen,
door guirlandes van klimopbladeren verbonden, een lichte draperie
van mousseline vasthechtten. Boven die rokken van een royale wijdte
en een beetje overdreven kostbaarheid waren de aanvalligheden van
het hoofd en het keurslijf aanbiddelijk. Tot op het midden der
borst gedecolleteerd, de armen ontbloot, met toefjes viooltjes op
de schouders, scheen de jonge vrouw geheel naakt uit haar foedraal
van tulle en satijn te voorschijn te komen, als een dier nimfen wier
bovenlijf zich uit de heilige eiken losmaakt; en haar blanke hals,
haar lenig lichaam was al zoo gelukkig met zijn halve vrijheid,
dat de blik telkens verwachtte het keurslijf en de rokken te zien
afglijden, als de kleeding van eene baadster, die ingenomen is met
haar eigen lichaam. Haar hooge kapsel, haar fijn geel haar dat als
een helm was opgestreken en waartusschen een takje klimop gevlochten
was, door een strik van viooltjes vastgehecht, deed haar naaktheid
nog meer uitkomen, daar het den nek geheel bloot liet, waarop dunne
vlashaartjes, als gouden draden, een lichte schaduw wierpen. Om den
hals had zij een snoer hangers van het zuiverste water en boven het
voorhoofd een aigrette van zilveren sprietjes met diamanten bezaaid.
Zoo stond zij een oogenblik op den drempel, in haar prachtig toilet,
terwijl de flonkerende gloed vlammige tinten op haar schouders
tooverde.
Zij hijgde een beetje door het snelle trappen loopen. Haar oogen,
nog vol van de duisternis van het park Monceaux, knipten voor die
plotselinge zee van licht en gaven haar dat weifelend voorkomen,
dat aan bijzienden eigen is en bij haar een bevalligheid te meer was.
Toen de kleine markiezin haar opmerkte, stond zij haastig op, liep
op haar toe en vatte haar beide handen, en terwijl zij haar van het
hoofd tot de voeten opnam, zei zij zachtjes met haar aangename stem:
--O lieve, wat ben je mooi!
De andere gasten kwamen nu ook met veel beweging naar de mooie mevrouw
Saccard toe, zooals Renée in de gezelschappen genoemd werd. Zij
bood bijna allen mannen de hand. Vervolgens omhelsde zij Christine
en vroeg haar hoe haar vader het maakte, die nooit in het hôtel van
het park Monceaux kwam. En glimlachend bleef zij staan, steeds met
een hoofdbuiging groetende, voor den kring van dames die nieuwsgierig
naar het halssnoer en de aigrette keken.
De blonde mevrouw Haffner kon de verzoeking geen weerstand bieden;
zij trad nader, bekeek de edelgesteenten aandachtig en zei op
jaloerschen toon:
--Dat is het snoer en de aigrette, niet waar?
Renée knikte toestemmend. Toen putten de dames zich uit in
loftuitingen; de steenen waren verrukkelijk, goddelijk; daarop begonnen
zij, met een bewondering vol afgunst, over de verkooping van Laure
d'Aurigny te spreken, waar Saccard ze voor zijn vrouw gekocht had; zij
klaagden dat die soort meisjes de mooiste dingen wisten te krijgen,
dat er weldra geen diamanten meer voor fatsoenlijke vrouwen zouden
zijn. Maar in die klachten klonk de begeerte door, op haar ontblooten
boezem een van die juweelen te voelen die heel Parijs op de schouders
van een beroemde maîtresse gezien had, en die haar misschien de intieme
alkoofgeheimen in het oor zouden fluisteren, waarbij de gedachten van
die groote dames zoo gaarne verwijlden. Zij kenden de hooge prijzen
die er besteed waren, zij noemden een kostbare cachemire sjaal,
prachtige kanten. De aigrette had vijftienduizend francs gekost,
het halssnoer vijftigduizend francs. Mevrouw d'Espanet geraakte in
geestdrift door die cijfers. Zij riep Saccard toe:
--Kom toch eens hier, dat wij u feliciteeren kunnen! Dat is eerst
een goed echtgenoot!
Aristide Saccard naderde en speelde den bescheidene. Maar zijn
grijnzend gezicht verried een levendige voldoening. En hij wierp een
schuinschen blik naar de twee aannemers, de rijk geworden metselaars,
die een paar passen verder stonden en blijkbaar met eerbied de cijfers
vijftienduizend en vijftigduizend francs hoorden klinken.
Op dat oogenblik kwam Maxime, die juist was binnengekomen, keurig
gekleed in zijn nauwsluitende zwarte jas, vertrouwelijk op zijns
vaders schouders leunen en met een oogwenk naar de metselaars, sprak
hij zachtjes tot hem, als tot een kameraad. Saccard vertoonde den
bescheiden glimlach van een tooneelspeler, die toegejuicht wordt.
Een paar nieuwe gasten traden binnen. Er waren nu minstens dertig
personen in het salon. De gesprekken werden hervat; gedurende de
oogenblikken van stilte hoorde men, achter de muren, een licht gerinkel
van borden en zilverwerk. Eindelijk opende Baptiste de beide vleugels
eener deur, en plechtig klonk de aankondiging:
--Mevrouw, de tafel is gereed.
Toen stelde de stoet zich langzaam in beweging. Saccard gaf een arm aan
de kleine markiezin, Renée nam dien van een ouden heer, een raadslid,
baron Gouraud, voor wien iedereen onderdanig boog; wat Maxime aangaat,
hij zag zich genoodzaakt Louise de Mareuil zijn arm aan te bieden;
daarop kwamen de overige gasten, in optocht, en heel aan het eind,
de twee aannemers met slingerende armen.
De eetzaal was een groot vierkant vertrek, met een manshooge
lambrizeering van zwartgepolitoerd en gevernist perenhout, met een
smal verguld lijstje afgezet. De vier groote zijvakken waren zonder
twijfel aangebracht teneinde met stillevens beschilderd te worden,
maar zij waren leeg gebleven, zeker omdat de eigenaar van het hôtel
teruggeschrikt was voor een uitgaaf louter voor de kunst. Men had
ze eenvoudig met donkergroen fluweel behangen. De meubels, gordijnen
en portières van dezelfde stof, gaven de kamer een sober en ernstig
voorkomen, dat er op berekend was om den geheelen glans van het licht
op de tafel te doen vallen.
En op dit oogenblik inderdaad, midden op het groote donkergetinte
Perzische tapijt, dat het geluid der voetstappen dempte, onder het
helle schijnsel van de kroonlamp, was die tafel, somber omlijst door
de zwarte leuningen met gouden biesjes van de stoelen, die er om
heen stonden, als een altaar, als een verlichte kapel, waar op het
schitterend wit van het tafellaken de heldere vlammen van het kristal
en het zilverwerk flonkerden. Over de gebeeldhouwde rugleuningen achter
zich ziende, ontwaarde men ter nauwernood in een halfduister het houten
beschot van den muur, een groot laag buffet, banen fluweel die tot
op den grond afhingen. Men werd als het ware gedwongen den blik weer
op de tafel te richten, hem te verzadigen aan de schitterende pracht.
Een bewonderenswaardige surtout van dof zilver, met glanzend drijfwerk,
stond in het midden; hij stelde nimfen voor, die door een troep
boschgoden geschaakt werden, en boven de groep daalde uit een grooten
hoorn een enorme ruiker levende bloemen in trossen neer. Aan de beide
einden stonden vazen die insgelijks losse bloemen bevatten, twee
kandelaars, in den stijl van de middelgroep en elk een loopenden sater
voorstellende die op een zijner armen een onmachtige vrouw meevoerde
en met den anderen een luchter met tien kaarsen droeg, voegden hun
schijnsel bij het geschitter van de groote kroonlamp. Tusschen deze
groote stukken stonden de groote en kleine komforen met het eerste
gerecht beladen netjes gerangschikt, geflankeerd door schelpen die de
tusschengerechten bevatten, en afgewisseld door porseleinen mandjes,
kristallen vazen, platte schalen en gemonteerde compotiers, die het
gedeelte van het dessert bevatten dat reeds op tafel stond.
Langs het cordon der borden, stond het leger van glazen, de water-
en de wijnkaraffen, de zoutvaatjes; al het kristal was dun en licht
als neteldoek, zonder graveersel, en zoo doorzichtig, dat het geen
schaduw op het tafellaken afwierp.
De surtout en de andere groote stukken schenen vuurfonteinen; één
geflonker was de spiegelgladde zijkant der komforen; de vorken,
lepels en messen met paarlemoeren hechten vormden vlammende strepen,
alle kleuren van den regenboog schitterden in de glazen; en te midden
van dien vonkenregen, van die gloeiende massa, vormden de wijnkaraffen
roode plekken op het witgloeiende tafellaken.
Bij het binnenkomen veranderde de glimlach, waarmede de gasten de
dames, die zij aan den arm hadden, aanzagen, in een uitdrukking van
stille gelukzaligheid. De bloemen gaven eenige frischheid aan de
warme atmosfeer. Lichte dampwolkjes vermengden zich met den geur
der rozen. Maar de scherpe geur der kreeften en de zure lucht der
citroenen hielden de bovenhand.
Toen iedereen zijn naam op de keerzijde van het menu gevonden had,
volgde er een geschuifel van stoelen en een geritsel van zijden
japonnen. De ontbloote, van diamanten flonkerende schouders, naast
de zwarte jassen, die er de blankheid van deden uitkomen, voegden
hun melkwitte kleur bij het geschitter van de tafel.
Het eerste gerecht werd rondgediend, onder enkele glimlachjes tusschen
tafelburen gewisseld, in een halve stilte die slechts door het gedempte
gerinkel der lepels verbroken werd. Baptiste vervulde zijn plichten
als hofmeester met de deftige houding van een diplomaat; behalve de
twee huisknechts, had hij vier helpers onder zijn bevelen, die hij
alleen voor de groote diners aanwierf. Bij ieder gerecht dat hij meenam
om het in een hoek der zaal op een dientafel voor te snijden, gingen
drie bedienden langzaam de tafel rond, met een schotel in de hand, en
noemden halfluid het gerecht op dat zij aanboden. De anderen schonken
wijn of zorgden voor het brood en de karaffen. De tusschengerechten
werden aldus weggenomen en de voorgerechten langzaam rondgediend,
zonder dat de kristalheldere lach der dames scherper werd.
Het gezelschap was te talrijk om het gesprek algemeen te doen
worden. Bij het tweede gerecht echter, toen het gebraad en de
tusschengerechten aan de beurt kwamen en de Bourgogne, Pomard en
Chambertin op de Léoville en de Château-Lafitte volgden, begonnen de
stemmen zich te verheffen, en trilde het dunne kristal door het gelach.
Renée, aan het midden der tafel gezeten, had aan haar rechterzij baron
Gouraud, en links mijnheer Toutin-Laroche, gewezen kaarsenfabrikant,
toen lid van den gemeenteraad, directeur van het Wijnbouwcrediet,
lid van den raad van toezicht der Algemeene Maatschappij van de
havens in Marokko, een mager invloedrijk man, dien Saccard, die
tegenover hem zat, tusschen mevrouw d'Espanet en mevrouw Haffner,
op vleienden toon nu eens, "mijn waarde collega", dan weer, "onze
groote administrateur" noemde.
Dan kwamen de mannen die veel aan politiek deden: mijnheer Hupel de la
Noue, een prefect die acht maanden van het jaar te Parijs doorbracht,
drie afgevaardigden, waaronder mijnheer Haffner zijn breed Elzasser
gelaat vertoonde; verder mijnheer de Saffré, een alleraangenaamst
jongmensch, secretaris van een minister, mijnheer Michelin, bureauchef
van het toezicht over de wegen, en andere hooge ambtenaren.
Mijnheer de Mareuil, eeuwigdurend candidaat naar een zetel van
afgevaardigde, troonde tegenover den prefect, dien hij met de oogen
vleide. Mijnheer d'Espanet was afwezig, daar hij zijn vrouw nooit
op partijen vergezelde. De dames die tot de familie behoorden, waren
tusschen de beduidendsten van de genoemde heeren geplaatst, behalve
Sidonie, die een plaats aan het lager einde der tafel gekregen had,
tusschen de twee aannemers, den heer Charrier ter rechter- en den
heer Mignon ter linkerzijde, als een post van vertrouwen, waar het
aankwam op de overwinning.
Mevrouw Michelin, de vrouw van den bureauchef, een aardige, poezelige
brunette, zat naast mijnheer de Saffré, met wien zij op fluisterenden
toon een levendig onderhoud voerde. Aan beide einden der tafel zaten de
jongelui, auditeurs in den Staatsraad, zoons van invloedrijke vaders,
toekomstige millionnaars, mijnheer de Mussy die wanhopige blikken op
Renée richtte, Maxime die rechts Louise de Mareuil naast zich had,
en geheel door haar in beslag genomen werd. Langzamerhand waren zij
hardop begonnen te lachen. Uit hun hoek kwamen dan ook de eerste
losbarstingen van vroolijkheid.
Mijnheer Hupel de la Noue vroeg intusschen beleefd:
--Zullen wij het genoegen hebben Zijn Excellentie vanavond te zien?
--Ik geloof het niet, antwoordde Saccard met een gewichtig voorkomen,
dat een geheime teleurstelling verborg. Mijn broer heeft het zo
druk!.... Hij heeft zijn secretaris, mijnheer de Saffré, gezonden om
ons zijn verontschuldigingen aan te bieden.
De jonge secretaris, die geheel door mevrouw Michelin in beslag werd
genomen, hief het hoofd op toen hij zijn naam hoorde uitspreken,
en meenende dat men het woord tot hem had gericht, riep hij op goed
geluk af:
--Ja, ja, er moet van avond om negen uur minister-vergadering gehouden
worden bij den zegelbewaarder.
Intusschen ging mijnheer Toutin-Laroche, dien men in de rede was
gevallen, ernstig voort, alsof hij een rede hield voor den aandachtig
toeluisterenden gemeenteraad:
--De resultaten zijn prachtig. Die leening van de stad zal altijd
genoemd worden als een der mooiste finantiëele operaties van onzen
tijd. Ja, mijne heeren.... Maar hier werd hij weer overstemd door
een schaterend gelach, dat aan een der uiteinden van de tafel
weerklonk. Tusschen al die vroolijkheid door hoorde men de stem van
Maxime, die het slot van een anecdote vertelde: "Wacht even, ik ben
nog niet aan het eind. De arme amazone werd door een straatwerker
opgeholpen. Men zegt dat zij hem een schitterende opvoeding laat geven
om later met hem te trouwen. Zij wil niet hebben dat een andere man
dan haar echtgenoot zich er op beroemen kan, zeker zwart vlekje boven
haar knie te hebben gezien." Het gelach begon op nieuw. Louise lachte
ongedwongen, harder nog dan de mannen. En kalmpjes, temidden van die
vroolijkheid, stak een lakei, alsof hij doof was, zijn deftig bleek
gezicht tusschen de gasten door, en bood op zachten toon reepjes
gebraden eendebout aan.
Aristide Saccard werd boos over de weinige aandacht die aan mijnheer
Toutin-Laroche geschonken werd. Om hem te toonen dat hij naar hem
geluisterd had, hernam hij:
--De leening der stad....
Maar mijnheer Toutin-Laroche was er de man niet naar den draad van
zijn gedachten te verliezen:
--Ja, heeren, ging hij voort, toen het gelach een beetje bedaard was,
de dag van gisteren is een groote troost geweest voor ons, wier beheer
het mikpunt is van zooveel onedele aanvallen. Men beschuldigt den
raad dat zij den ondergang van de stad veroorzaakt, en gij ziet het,
zoodra de stad een leening wil sluiten, brengt iedereen zijn geld,
de schreeuwers niet het laatst.
--Gij hebt wonderen verricht, zei Saccard. Parijs is de hoofdstad
van de geheele wereld geworden.
--Ja, het is inderdaad verbazend, viel mijnheer Hupel de la Noue in
de rede. Verbeeld u, ik, een oude Parijzenaar, ik herken mijn Parijs
niet meer. Gisteren ben ik verdwaald geraakt, toen ik van het stadhuis
naar het Luxembourg moest gaan. 't Is verbazend, verbazend!
Een kort stilzwijgen volgde. Alle ernstige mannen luisterden nu toe.
"De gedaanteverwisseling van Parijs, ging mijnheer Toutin-Laroche
voort, zal de roem der regeering zijn. Het volk is ondankbaar. Het
moest den keizer de voeten kussen. Ik zei het van morgen nog in den
raad, toen er sprake was van het groote succès der leening: Heeren,
laat die schreeuwers van de oppositie maar praten: Parijs omver halen,
is het vruchtbaar maken."
Saccard glimlachte en sloot de oogen, als om de fijnheid van het
gezegde beter te genieten. Hij boog zich achter den rug van mevrouw
d'Espanet naar mijnheer Hupel de la Noue over, en zei luid genoeg om
verstaan te worden:
--'t Is een eenig vernuft!
Terwijl er over de werken van Parijs gesproken werd, had de heer
Charrier met gerekten hals zitten toeluisteren, alsof hij zich in
het gesprek wilde mengen. Zijn compagnon Mignon had slechts oog en
oor voor mevrouw Sidonie, die hem voortdurend bezig hield. Van het
begin van het diner af hield Saccard een oogje op de aannemers.
--De administratie, zei hij, heeft zooveel toewijding mogen
ondervinden! Iedereen heeft een steentje willen bijdragen aan het
groote werk. Zonder de rijke maatschappijen die haar te hulp zijn
gekomen, had de stad nooit zoo goed en zoo snel kunnen te werk gaan.
Hij draaide zich om en met een soort van vleiende lompheid ging
hij voort:
--De heeren Mignon en Charrier weten er van mee te spreken, zij hebben
hun aandeel in de moeite gehad, zij zullen het ook in den roem hebben.
De rijk geworden metselaars ontvingen met een gelukkig gezicht dit
onverwachte compliment. Mignon, tot wien Sidonie met een behaagzieke
gemaaktheid zei:
--O, mijnheer, u vleit me; neen, rose zou me te jeugdig staan.... liet
haar midden in haar volzin zitten om Saccard te antwoorden:
--U is wel vriendelijk, we hebben onze eigen zaken behartigd.
Maar Charrier kende zijn wereld beter. Hij dronk zijn glas Pomard
uit en zag kans een frase te uiten:
--De werken van Parijs, zei hij, hebben den werkman brood verschaft.
--Zeg ook, hernam mijnheer Toutin-Laroche, dat zij een prachtigen
stoot aan de finantiëele en industrieele ondernemingen hebben gegeven.
--En vergeet de artistieke zijde niet, de nieuwe verkeerswegen zijn
grootsch, merkte mijnheer Hupel de la Noue op, die zich op zijn smaak
liet voorstaan.
--Ja, ja, 't is een mooi werk, mompelde mijnheer de Mareuil, om toch
iets te zeggen.
--En de kosten, verklaarde op ernstigen toon de afgevaardigde Haffner,
die slechts bij groote gelegenheden den mond open deed, die zullen
onze kinderen betalen, en dat is billijk ook.
En daar hij, zoo sprekende, mijnheer de Saffré aankeek, die sinds
een oogenblik de misnoegdheid van de mooie mevrouw Michelin scheen
opgewekt te hebben, herhaalde de jonge secretaris, om het te doen
voorkomen alsof hij het gesprek gevolgd had:
--Dat is billijk ook, inderdaad.
Iedereen had in dat groepje deftige mannen een woordje
meegesproken. Mijnheer Michelin, de bureauchef, glimlachte, en
knikte met het hoofd; dat was zijn gewone manier om aan een gesprek
deel te nemen, hij had glimlachjes om te groeten, om te antwoorden,
om goed te keuren, om te bedanken, om afscheid te nemen, een heele
verzameling glimlachjes, die hem er van ontsloegen zich van woorden
te bedienen, wat hij ongetwijfeld beleefder en gunstiger voor zijn
bevordering achtte.
Nog een ander persoon had het stilzwijgen bewaard, baron Gouraud,
die langzaam kauwde als een os, met zware oogleden. Tot nu toe was
hij verdiept gebleven in de beschouwing van zijn bord. Renée, die een
en al oplettendheid voor hem was, bekwam slechts een licht geknor
van tevredenheid voor haar moeite. Men was dan ook zeer verbaasd,
toen hij het hoofd oprichtte, zijn vette lippen afveegde en zeide:
--Wanneer ik als eigenaar een huis laat repareeren en opschilderen,
dan sla ik mijn huurders op.
De volzin van mijnheer Haffner: "Onze kinderen zullen betalen" had
het raadslid wakker gemaakt. Allen klapten zachtjes in de handen en
mijnheer de Saffré riep uit:
--Heel aardig, heel aardig, ik zal die uitdrukking morgen naar de
kranten opsturen.
--Ge hebt wel gelijk, heeren, wij leven in een goeden tijd, zei de
heer Mignon bij wijze van besluit, te midden van de glimlachjes en de
bewonderende uitroepen die het gezegde van den baron had uitgelokt. Ik
ken er meer dan een, die een aardig fortuin hebben gemaakt. Als men
geld verdient, ziet u, is alles mooi.
Deze woorden vielen den deftigen mannen als een stortbad op het
lijf. Het gesprek werd opeens gestaakt, en ieder vermeed zijn buurman
aan te zien. Het gezegde van den metselaar trof de heeren als de
steenworp van den beer. Michelin, die Saccard juist vriendelijk
aankeek, hield op met glimlachen, uit vrees dat hij er een oogenblik
van verdacht zou kunnen worden de woorden van den aannemer op den heer
des huizes toe te passen. Laatstgenoemde gaf een duidelijken oogwenk
aan mevrouw Sidonie, die Mignon opnieuw in beslag nam met de woorden:
"U houdt dus veel van rose, mijnheer?...." Daarop maakte Saccard zijn
buurvrouw, mevrouw d'Espanet, een lang complimentje; zijn donker,
slim gezicht raakte bijna de melkwitte schouders van de jonge vrouw,
die zich herhaaldelijk lachend achterover boog.
Men was aan het dessert. De lakeien gingen vlugger de tafel rond. Er
werd even gepauzeerd, terwijl het tafellaken met vruchten en suikerwerk
beladen werd. Aan het eene uiteinde in den hoek van Maxime werd het
gelach luider; men hoorde de ietwat scherpe stem van Louise zeggen:
"Ik verzeker u dat Sylvia een blauw satijnen japon droeg in haar rol
van Dindonnette;" en een andere meisjesstem antwoordde: "Ja, maar de
japon was met witte kant gegarneerd." Een warme lucht steeg op. De
gezichten waren rooder, als het ware verzacht door een innerlijk
welbehagen. Twee lakeien gingen de tafel rond, Alicante en Tokajer
inschenkende.
Van den aanvang van het diner af scheen Renée verstoord. Zij vervulde
haar plichten als gastvrouw met een werktuigelijken glimlach. Bij
iedere uitbarsting van vroolijkheid, die van het einde der tafel kwam
waar Maxime en Louise als goede vriendjes met elkander schertsten,
flikkerden haar oogen, terwijl zij dien kant uitkeek. Zij verveelde
zich. De deftige mannen verveelden haar doodelijk. Mevrouw d'Espanet
en mevrouw Haffner keken haar met wanhopige blikken aan.
--En hoe staan de kansen voor de volgende verkiezing? vroeg Saccard
eensklaps aan mijnheer Hupel de la Noue.
--Heel goed, antwoordde deze met een glimlach; maar er zijn nog geen
candidaten gesteld voor mijn departement. Het ministerie weifelt,
naar het schijnt.
Mijnheer de Mareuil, die met een blik Saccard bedankte dat hij dit
onderwerp aanroerde, scheen op heete kolen te zitten. Hij kreeg een
kleur, knikte verlegen, toen de prefect hem aansprak en zei:
--Ik heb veel over u hooren spreken in mijn streek, mijnheer. Uw
groote eigendommen hebben u daar een aantal vrienden bezorgd, en het
is bekend hoezeer gij den keizer genegen zijt. Gij hebt alle kansen.
--Papa, verkocht de kleine Sylvia geen cigaretten te Marseille in
1849? riep op dit oogenblik Maxime, van het einde der tafel.
En daar Aristide Saccard zich hield alsof hij niets hoorde, hernam
de jonge man een toontje zachter:
--Mijn vader heeft haar heel goed gekend.
Er ontstond een gesmoord gelach. Intusschen had mijnheer Haffner tot
den steeds knikkenden mijnheer de Mareuil op schoolmeesterachtigen
toon gezegd:
--Toewijding aan den keizer is de eenige deugd, de eenige
vaderlandsliefde in deze tijden van baatzuchtige democratie. Wie den
keizer liefheeft, heeft Frankrijk lief. Het zou ons een waar genoegen
zijn, mijnheer als onzen collega te mogen begroeten.
--Mijnheer zal er wel komen, zei mijnheer Toutin-Laroche op zijn
beurt. De groote fortuinen moeten zich om den troon scharen.
Renée kon het niet langer uithouden. Vlak tegenover haar onderdrukte
de markiezin ternauwernood een gegeeuw. En toen Saccard weer het
woord wilde nemen:
--Heb toch alsjeblieft een beetje medelijden met ons, zei zijn vrouw
met een lieftallig lachje, laat uw akelige politiek nu eens rusten.
Toen riep mijnheer Hupel de la Noue met de galantheid van een
prefect, dat de dames gelijk hadden. En hij begon een grappig
verhaal op te disschen van een gebeurtenis, die in de hoofdplaats
van zijn departement was voorgevallen. De markiezin, mevrouw Haffner
en de andere dames lachten luidkeels om zekere bijzonderheden. De
prefect kruidde zijn verhaal met bedekte toespelingen, opzettelijke
weglatingen, stembuigingen, die een guitige beteekenis gaven aan
de onschuldigste woorden. Toen kwam het gesprek op den eersten
Dinsdag van de hertogin, over een grappig stuk, dat den vorigen
avond gespeeld was, over den dood van een dichter en over de laatste
herfstwedrennen. Mijnheer Toutin-Laroche, die heel beminnelijk kon
zijn als hij dit verkoos, vergeleek de vrouwen bij rozen, en mijnheer
de Mareuil, nog aangedaan van de verwachtingen, die ten opzichte der
verkiezingen in hem opgewekt waren, vond diepzinnige woorden over
den nieuwen vorm der hoeden. Renée bleef afgetrokken.
Intusschen hadden de gasten met eten gedaan. Het leek wel of een warme
wind over de tafel gestreken was, de glazen beslagen en het brood
verkruimeld had, de vruchtenschillen en de borden zwart gemaakt, en de
mooie symmetrie van het servies verbroken had. De bloemen verwelkten
in de groote horens van gedreven zilver. En de gasten bleven daar
een oogenblik zitten, tegenover de overblijfselen van het dessert,
zonder den moed te vinden om op te staan. Met een arm op de tafel,
in gebogen houding, hadden zij den wezenloozen blik, dat onbestemde
gevoel van verslapping van die gematigde, fatsoenlijke dronkenschap
van deftige lieden, die zich met kleine teugjes bedrinken. Het gelach
was verstomd, er werd weinig meer gesproken.
Men had veel gegeten en gedronken, wat het troepje gedecoreerde
mannen nog ernstiger maakte. In de drukkende atmosfeer der zaal
voelden de dames een klamheid opstijgen naar het voorhoofd en den
nek. Zij wachtten het oogenblik af dat men zich naar het salon zou
begeven, ernstig, een weinig bleek, alsof zij een beetje duizelig
waren. Mevrouw d'Espanet was geheel rose, terwijl de schouders van
mevrouw Haffner zoo wit als was geworden waren. Mijnheer Hupel de
la Noue bekeek intusschen aandachtig het hecht van een mes; mijnheer
Toutin-Laroche riep mijnheer Haffner nog enkele zinnen toe, die deze
met een hoofdschudden begroette; mijnheer de Mareuil zat in gedachten
en keek mijnheer Michelin aan, die fijntjes glimlachte.
Wat de mooie mevrouw Michelin aangaat, zij sprak sedert lang niet
meer; met een vuurrood gezicht liet zij onder het tafellaken een hand
afhangen die mijnheer de Saffré zeker vasthield, want hij leunde
onbeholpen tegen den rand der tafel; hij trok de wenkbrauwen samen
en zette een gezicht alsof hij een algebravraagstuk oploste. Mevrouw
Sidonie had ook overwonnen; de heeren Mignon en Charrier, beiden op
den elleboog naar haar toe geleund, schenen bijster verheugd haar
vertrouwelijke mededeelingen te ontvangen; zij bekende dat zij dolveel
van melkkost hield en bang was voor spoken.
En Aristide Saccard zelf, zat daar met halfgesloten oogen, in het
zalige bewustzijn van een gastheer, die zijn gasten behoorlijk
heeft zat gevoerd. Hij dacht er niet aan de tafel te verlaten;
hij beschouwde met een eerbiedige toegenegenheid baron Gouraud, die
traag, onder de werking der spijsvertering, zijn hand op het witte
tafellaken uitstrekte, de hand van een zinnelijken grijsaard, kort,
dik, met paarse vlekken en roode haren bedekt.
Renée dronk werktuigelijk de druppeltjes Tokayer uit, die zich nog
in haar glas bevonden. Een vurige gloed steeg haar naar het gelaat,
de weerbarstige bleeke haartjes van haar voorhoofd en nek raakten
uit den krul, als nat geworden door een vochtigen wind. Haar lippen
en haar neus waren zenuwachtig vertrokken, zij zag er uit als een
kind dat wijn gedronken heeft. Mochten er al ouderwetsch-burgerlijke
gedachten in haar zijn opgekomen toen zij tegenover het duistere park
Monceaux stond, die gedachten waren op dit oogenblik weggevaagd in de
prikkeling der gerechten, wijnen en lichten, van die verbijsterende
omgeving van warme adems en opgewonden vroolijkheid.
Zij wisselde geen kalme glimlachjes meer met haar zuster Christine en
haar tante Elisabeth, die zich bescheiden op den achtergrond hielden en
weinig spraken. Met een hardvochtigen blik had zij den armen mijnheer
de Mussy de oogen doen neerslaan. In haar zichtbare verstrooidheid,
ofschoon zij nu vermeed zich om te wenden, tegen den rug van haar
stoel geleund, die het satijn van haar keurslijf zacht deed kraken,
trilde er een onmerkbare huivering door haar schouders, telkens als
een nieuwe lachbui uit het hoekje opsteeg waar Maxime en Louise nog
altijd druk schertsten, in het wegstervend geluid der gesprekken.
En achter haar, op de grenslijn tusschen licht en schaduw, met zijn
hooge gestalte boven die wanordelijke tafel en de aamechtige gasten
uitstekende, stond Baptiste, met zijn bleeke gezicht en zijn ernstig
uiterlijk, in de minachtende houding van een lakei die zijn meesters
verzadigd heeft. Hij alleen, in die atmosfeer vol bedwelming, onder
het helle schijnsel van de lichtkroon, bleef correct, met zijn
zilveren keten om den hals, zijn koele oogen waarin het zien van
de schouders der vrouwen geen gloed bracht, zijn voorkomen van een
eunuch, Parijzenaars in een tijd van zedenbederf bedienende en zijn
waardigheid behoudende.
Eindelijk stond Renée met een zenuwachtige beweging op. Iedereen volgde
haar voorbeeld. Men ging naar het salon, waar koffie werd rondgediend.
Het groote salon van het hôtel was een langwerpig vertrek, een soort
van galerij, die den geheelen muur aan den tuinkant besloeg en de
twee paviljoenen met elkander verbond. Breede glazen deuren gaven
toegang tot het bordes. Deze galerij schitterde van goud. Het licht
gewelfde plafond vertoonde grillige spiraalvormige figuren rondom
groote vergulde medaillons, die blonken als schilden. Schitterende
rozetten en guirlandes vormden den rand van het gewelfde gedeelte;
lijsten, die glinsterden als stralen gesmolten metaal, liepen langs
de muren en omsloten de paneelen die met roode zijde bespannen waren;
takken rozen, met bossen ontloken knoppen bovenaan, vielen langs de
spiegels neer.
Op den parketvloer spreidde een tapijt d'Aubusson zijn purperen bloemen
ten toon. Het ameublement van rood zijden damast, de portières en
gordijnen van dezelfde stof, de kolossale met schelpwerk versierde
pendule van den schoorsteen, de Chineesche vazen op de consoles,
de pooten der beide lange tafels die met Florentijnsch mozaïekwerk
ingelegd waren, tot zelfs de jardinières in de vensternissen, zweetten
het goud uit, dropen van goud.
In de vier hoeken verhieven zich vier groote lampen op voetstukken
van verguld marmer, waaraan zij bevestigd waren door kettingen van
verguld brons, die met symmetrische bevalligheid afhingen. En aan het
plafond hingen drie kronen met kristallen hangers, stralend van rose
en blauwe lichtschijnsels, en die met hun heldere verlichting al het
goud van het salon in vlam zetten.
De heeren trokken zich al spoedig naar de rookkamer terug. Mijnheer
de Mussy schoof vertrouwelijk zijn arm onder dien van Maxime, dien
hij op het gymnasium gekend had, ofschoon hij zes jaar ouder was dan
deze. Hij troonde hem mee naar het terras, en nadat zij een sigaar
hadden opgestoken, begon hij zich bitter over Renée te beklagen.
--Maar wat scheelt haar toch, zeg? Ik heb haar gisteren gezien, toen
was ze allerliefst. En vandaag behandelt ze me opeens alsof alles
tusschen ons uit was! Wat kan ik misdaan hebben? Je zou me een groot
pleizier doen, Maxime, als je haar eens vertelde hoeveel verdriet ze
me aandoet.
--Dank je wel! antwoordde Maxime lachend. Renée is weer zenuwachtig,
ik ben niets op een uitbrander van haar gesteld. Verzoen je met haar,
breng je zaken zelf maar in orde.
En terwijl hij den rook van zijn havanna langzaam uitblies, voegde
hij er bij:
--Je wilt me een mooie rol laten spelen, zeg!
Maar mijnheer de Mussy sprak van zijn trouwe vriendschap, en hij
verklaarde dat hij slechts een gelegenheid wachtte om hem te toonen
hoezeer hij hem genegen was. Hij was toch zoo ongelukkig, hij hield
zooveel van Renée!
--Nu dan, je kunt er op aan, zei Maxime ten slotte, ik zal een woordje
voor je doen; maar je begrijpt, ik kan je niets beloven; zij zal me
niet eens aanhooren, dat weet ik zeker.
Zij traden de rookkamer weer binnen en strekten zich in luierstoelen
uit. Daar stortte mijnheer de Mussy een half uur lang zijn hart
voor Maxime uit. Hij zei hem voor de tiende maal hoe hij op diens
stiefmoeder verliefd was geworden, hoe zij hem boven alle anderen
had uitverkoren, en Maxime gaf hem al rookende allerlei raadgevingen,
hij legde hem Renée's karakter uit en gaf hem een vingerwijzing hoe
hij het moest aanleggen om haar te beheerschen.
Saccard was dicht in de nabijheid van de jongelui gaan zitten. Mijnheer
de Mussy zweeg en Maxime besloot met de opmerking:
--Als ik in jouw plaats was, zou ik er ruiterlijk mee voor den dag
komen. Dat mag ze liever.
De rookkamer bevond zich aan het einde van het groote salon; het
was een der beide torenkamertjes. Zij was in een rijken, soberen
stijl ingericht. Met een imitatie van Cordova-leer behangen,
had zij gordijnen en portières van Algerijnsche wollen stof en
een wollen tapijt met Perzische figuren. Het meubilair, dat met
houtkleurig chagrijnleer bekleed was, bestond uit poufs, fauteuils
en een halfcirkelvormigen divan, die een groot gedeelte van de ronde
kamer besloeg. De kleine kroonlamp aan het plafond, de ornamenten op
den geridon, het garnituur van den schoorsteen, waren van bleekgroen
Florentijnsch brons.
Er waren slechts eenige jongelui en grijsaards met bleeke, slappe
gezichten bij de dames gebleven, omdat zij een afkeer van tabak hadden.
In de rookkamer lachte en schertste men ongedwongen. Mijnheer Hupel
de la Noue bracht de heeren in een vroolijke stemming; hij vertelde
hun de geschiedenis die hij aan het diner verteld had nog eens over,
ditmaal aangevuld met zeer onbetamelijke bijzonderheden. Daarin muntte
hij uit; hij had altijd twee lezingen van een anecdote, een voor de
dames en een voor de heeren.
Toen Aristide Saccard binnentrad, werd hij omringd en met complimentjes
overstelpt; en daar hij zich hield alsof hij er niets van begreep,
zei mijnheer de Saffré in een warm toegejuichte rede, dat hij zich
zeer verdienstelijk jegens het vaderland had gemaakt door de mooie
Laure d'Aurigny te beletten naar de Engelschen over te loopen.
--Neen, heeren, gij vergist u bepaald, stotterde Saccard met geveinsde
bescheidenheid.
--Kom, spreek maar niet tegen! riep Maxime hem gekscherend toe. Op
uw leeftijd is dat heel mooi.
De jonge man wierp zijn sigaar weg en ging weer in het groote salon. Er
waren verscheidene gasten. De galerij was vol zwarte jassen, die
zachtjes met elkander stonden te praten, en japonnen, die een groote
breedte besloegen naast de causeuses. Bedienden begonnen rond te gaan
met zilveren bladen, ijs en glazen punch presenteerende.
Maxime, die Renée wenschte te spreken, ging het groote salon in zijn
geheele lengte door, wel wetende waar hij het heiligdom der dames
zou vinden.
Aan het andere uiteinde der galerij bevond zich eveneens een ronde
kamer, waarvan men een gezellig salonnetje gemaakt had. Met zijn
behangsels, gordijnen en portières van goudgeel satijn, had het iets
bekoorlijks, weelderigs, en getuigde het van een origineelen, fijnen
smaak. Het schijnsel van de fijn bewerkte kroonlamp zong een symphonie
in geel mineur, te midden van al die zonkleurige stoffen. Het scheen
een stroom van zacht getemperde stralen, het ondergaan eener ster
boven een rijp korenveld. Op den grond stierf het licht weg op een
tapijt d'Aubusson, met dorre blaren bezaaid.
Een ebbenhouten, met ivoor ingelegde piano, twee meubeltjes waarin
men achter het glas een aantal snuisterijen zag, een tafel Louis XVI,
een bloementafel met een zeer grooten bloemruiker, waren voldoende om
het vertrek te meubileeren. De causeuses, fauteuils en poufs waren
bekleed met goudgeel gecapitonneerd satijn, waarop breede strepen
zwart satijn, met schitterende tulpen geborduurd. Er waren ook lage
stoeltjes, vouwstoeltjes, allerlei soorten van elegante tabourets. Het
hout van deze meubelen was onzichtbaar, het satijn bedekte alles. De
rugleuningen weken terug en waren rond en zacht als veeren kussens. Het
leken wel bedden waarop men kon slapen en minnen in het dons, te
midden van de zinnenstreelende symphonie in geel mineur.
Renée vertoefde gaarne in dit kleine salon, dat door een der
openslaande glazen deuren in verbinding stond met de prachtige
oranjerie, die tegen den zijkant van het huis aangebouwd was. Overdag
bracht zij daar haar ledige uurtjes door. Het gele behangsel, in plaats
van haar lichtkleurig haar nog bleeker te maken, tintte het goudgeel
met een vreemden gloed; haar hoofd, te midden van een morgenroodglans,
vertoonde zich rose en blank, als van een blonde Diana, die in het
morgenlicht ontwaakt; daarom hield zij zeker van die kamer, die haar
schoonheid goed deed uitkomen.
Nu was zij daar met haar intieme vriendinnen. Haar zuster en haar tante
waren juist vertrokken. In het heiligdom bevonden zich nog slechts
dartele kopjes. Achterover geleund in een causeuse, luisterde Renée
naar de vertrouwelijke mededeelingen, die haar vriendin Adeline haar
in het oor fluisterde, met korte lachjes en poesachtige manieren.
Suzanne Haffner werd bestormd door een groepje jongelui die zich om
haar heen drongen, zonder dat zij iets verloor van haar Duitsche
kalmte, haar uittartende onbeschaamdheid, naakt en koud als haar
schouders. In een hoekje zat mevrouw Sidonie op zachten toon een
jong, onschuldig uitziend vrouwtje te onderrichten. Een eindje
verder stond Louise te praten met een langen jongen, die een kleur
van verlegenheid had, terwijl baron Gouraud in het volle licht zat
te dutten in zijn fauteuil, zijn slappe vleesch en olifanten-logheid
temidden der teere bevalligheden en de zijdeachtige fijnheid der
dames ten toon spreidende.
Een tooverachtig licht viel in dit vertrek als stofgoud op de satijnen
japonnen met haar zware, gladde plooien, op de blanke schouders die
schitterden van diamanten. Een zachte stem, een lach als het gekir
van een duif, klonk met de helderheid van kristal. Het was zeer
warm. De waaiers bewogen zich langzaam heen en weer, bij elk koeltje
de muskusgeuren van de keurslijven in de zwoele lucht verspreidende.
Toen Maxime op den drempel verscheen, stond Renée, die verstrooid
naar de markiezin luisterde, haastig op, voorgevende dat zij haar
plichten als gastvrouw moest vervullen. Zij ging het groote salon
in, waar de jonge man haar volgde. Daar deed zij een paar stappen,
glimlachend en handdrukken wisselend; toen wenkte zij Maxime ter zijde:
--Nu, zei zij fluisterend op ironischen toon, het baantje lijkt nog
zoo onpleizierig niet, het is niet meer al te vervelend haar het hof
te maken.
--Ik begrijp je niet, antwoordde de jonge man die gekomen was om de
zaak van mijnheer de Mussy te bepleiten.
--Wel, mij dunkt dat ik er goed aan gedaan heb je niet van Louise te
ontslaan. Jelui beiden laat er geen gras over groeien.
En met iets spijtigs ging zij voort:
--Het was zelfs onbetamelijk aan tafel.
Maxime begon te lachen.
--O ja, we hebben elkaar grapjes verteld. Ik kende het meisje niet. Ze
is grappig. Ze heeft veel van een jongen.
En daar Renée met een verontwaardigde preutschheid bleef kijken,
en de jonge man zoo iets niet van haar gewoon was, hernam hij met
zijn lachende vertrouwelijkheid:
--Denk je soms, maatje, dat ik haar onder de tafel in de knieën
geknepen heb? Wat drommel, ik weet toch wel hoe ik mij tegenover
mijn aanstaande moet gedragen!.... Ik heb je iets ernstigers te
zeggen. Luister eens.... Je luistert toch wel?
Hij sprak nog zachter.
--Kijk.... Mijnheer de Mussy voelt zich heel ongelukkig, hij heeft
het me daareven gezegd. Je begrijpt wel, dat ik er de aangewezen
persoon niet voor ben om jelui te verzoenen, als je kwade vrienden
bent geworden. Maar je weet dat ik hem op het gymnasium gekend heb,
en toen hij er zoo echt wanhopig uitzag, heb ik hem beloofd een
woordje bij je te doen....
Hij hield op. Renée keek hem met een zonderlingen blik aan.
--Geef je geen antwoord?... ging hij voort. Om het even, ik heb mijn
boodschap gedaan, doe jelui maar zooals je zelf wilt.... Maar heusch,
ik vind je hardvochtig. Die arme jongen gaat me aan het hart. Als ik
jou was, zou ik hem ten minste een vriendelijk woordje sturen.
Renée, die al dien tijd Maxime had aangekeken met haar strakke blikken,
waarin een zonderling vuur gloeide, antwoordde toen:
--Ga aan mijnheer de Mussy zeggen dat hij me verveelt.
En zij ging weer bedaard tusschen de gasten door, glimlachjes, groeten
en handdrukken uitdeelend. Maxime bleef op dezelfde plek staan,
met een verbaasd gezicht; toen lachte hij stil in zichzelf.
Weinig verlangend zijn boodschap aan mijnheer de Mussy over te brengen,
liep hij het groote salon rond.
De partij liep teneinde, met al haar verrassingen toch even banaal
als alle andere partijen. Het was bijna twaalf uur, de gasten gingen
een voor een weg. Daar hij den dag niet graag met een hinderlijke
gedachte wilde besluiten, besloot hij Louise op te gaan zoeken. Hij
ging de deur voorbij die op de vestibule uitkwam, toen hij daar de
mooie mevrouw Michelin zag, die door haar man zorgvuldig in een blauw
en rose sortie gewikkeld werd.
--Hij is aller-, alleraardigst geweest, zei de jonge vrouw. Zoolang
het diner duurde hebben wij over jou gepraat. Hij zal er met den
minister over spreken, maar, eigenlijk heeft die er niet mee te maken.
En met een oogwenk naar baron Gouraud, die vlak naast hen door een
lakei in een groote pelsjas toegestopt werd:
--Die dikkerd zou het wel gedaan kunnen krijgen! fluisterde zij haar
man in het oor, terwijl hij haar den band van haar capuchon onder
de kin vastknoopte. Wat hij wil, gebeurt aan het ministerie. Morgen,
bij de Mareuils, moeten we eens probeeren....
Mijnheer Michelin glimlachte. Hij voerde zijn vrouw behoedzaam mee,
alsof hij een kostbaar, broos voorwerp aan den arm hield.
Nadat Maxime zich met een oogopslag vergewist had dat Louise niet
in de vestibule was, ging hij regelrecht naar het kleine salon. Daar
was zij ook werkelijk nog, bijna alleen; zij wachtte op haar vader,
die den heelen avond in de rookkamer had doorgebracht, met de mannen
van de politiek. De dames, de markiezin en mevrouw Haffner, waren
al vertrokken. Alleen mevrouw Sidonie was er nog, die aan een paar
ambtenaarsvrouwen vertelde, dat zij zooveel van dieren hield.
--Ha, daar is mijn mannetje, riep Louise. Ga daar nu zitten en zeg
mij eens in welken armstoel mijn vader in slaap is gevallen. Hij
dacht zeker dat hij al in de Kamer was.
Maxime antwoordde haar op denzelfden toon en de jongelui lachten
weer even hartelijk als aan het diner. Op een laag stoeltje voor
haar zittende, vatte hij haar handen en begon met haar te spelen,
als met een kameraad.
En inderdaad, in haar witte foulardzijden japon met roode moesjes,
haar hoog keurslijf, haar platte borst en haar leelijke, sluwe
jongensgezicht, leek zij een als meisje verkleede jongen. Maar nu en
dan nam zij met haar spichtige armen, haar ietwat kromme bovenlijf
een losse houding aan, dan kwam er gloed in die nog kinderlijke oogen,
zonder dat de speelschheid van Maxime haar eenigszins deed blozen. En
ze schaterden het beiden uit, in de meening dat zij alleen waren. Zij
merkten Renée niet op, die halfverborgen in het midden der serre hen
van verre begluurde.
Zij stond daar nog slechts kort, bij het oversteken van een der
gangpaden had zij Maxime en Louise opgemerkt, en dat gezicht had haar
plotseling achter een heester doen stilstaan.
Rondom haar spreidde de warme broeikas, die op een kerkschip geleek
en wier boogvormig glazen dak door dunne ijzeren pilaren, zonder
eenige versiering, gesteund werd, haar weelderigen plantengroei,
haar ontzaglijke bladeren en haar ontluikend groen ten tooi.
In het midden, in een ovaal bassin gelijk met den grond, leefde,
met dat geheimzinnige, zeegroene leven der waterplanten, de geheele
waterflora der tropische landen.
Cyclanthussen staken haar groene pluimen omhoog en vormden een
monumentalen kring om den waterval, die op het afgebroken kapiteel van
een zuil uit den cyclopentijd geleek. Aan weerszijden verhieven groote
tornelia's haar zonderlinge struiken boven het bassin; haar droge,
kale takken kronkelden zich als zieke slangen, en lieten luchtwortels
neerhangen, als vischnetten die in de open lucht te drogen hangen. Bij
den rand ontplooide een Javaansche pandanus zijn witgestreepte groene
bladeren, dun als degens, stekelig en getand als maleische dolken.
En op de oppervlakte van het water, in de lauwe warmte van den
onbewegelijken vijver, openden de nymphea's haar zachtroode sterren,
terwijl de euryales hun ronde, melaatsche bladeren lieten drijven,
als de met puisten bedekte ruggen van reusachtige padden.
Een breede rand selaginella's omzoomde het bassin. Dit lage varenkruid
vormde een dik, zachtgroen mostapijt. En langs het groote cirkelvormige
gangpad verhieven vier kolossale boomgroepen zich met krachtigen
groei tot aan het boogdak; de palmen, bevallig gebogen, spreidden hun
waaiers uit, toonden hun ronde kruinen, lieten hun takken hangen,
als roeiriemen die vermoeid zijn van hun eeuwigdurende reis in het
blauw der lucht; de groote Indische bamboes rezen kaarsrecht, broos
en hard omhoog, en deden van uit de hoogte een lichten bladerregen
neerdalen; een ravanela, de boom van den reiziger, verhief zijn
bos van kolossale chineesche schermen; en in een hoek breidde een
vruchtendragende banaan naar alle zijden zijn lange horizontale
bladeren uit, waarop twee gelieven gemakkelijk zouden kunnen liggen,
als zij zich dicht tegen elkander aan drukken.
In de hoeken stonden Abyssinische euphorbia's, die wanstaltige,
stekelige distels, vol leelijke bulten, een en al vergift. En onder de
boomen werd de grond bedekt door lage varens, adiantums en pteriden,
met hun fijn uitgesneden bladeren.
Alsophila's, een hoogere varensoort, stapelden hun zeshoekige rijen
takken zoo regelmatig boven elkander, dat men zou wanen groote stukken
aardewerk te zien, bestemd voor de vruchten van een reusachtig dessert.
Een rand begonia's en caladiums omringde de boomgroepen; de begonia's
met prachtig groen en rood gevlekte, omgekrulde bladeren; de caladiums,
wier witte, groengeribde bladeren op groote vlindervleugels gelijken;
zonderlinge planten, met vreemd gebladerte, met een donkeren of
bleeken tint van vergiftige bloemen.
Achter de dichte planten liep een smal pad langs de serre. Daar, op
planken, trapsgewijze boven elkander geplaatst om de verwarmingsbuizen
aan het oog te onttrekken, bloeiden de maranta's, fluweelzacht op
het gevoel, gloxinia's met paarse kelken, dracaena's die deden denken
aan bladen van oud lakvernis.
Maar een der grootste bekoorlijkheden van dezen wintertuin waren in
de vier hoeken grotten van levend groen, diepe priëelen, door dichte
gordijnen van slingerplanten bedekt. Stukjes maagdelijk bosch hadden
op deze plekjes hun bladermuren gebouwd, hun ondoordringbaar gewirwar
van twijgen en buigzame loten, die zich aan de takken vasthechtten,
met een koenen sprong de ruimte doorkliefden en van het gewelf
neerdaalden als de eikelvormige sieraden van kostbaar behangsel.
Een vanillestruik, welks rijpe peulen een doordringenden
geur verspreidden, slingerde zich langs een bemoste ronde
portiek. Levantsche bessen bekleedden de pilaren met haar ronde
bladeren; roodgetroste bauhinia's en quisquallen, wier bloemen
neerhingen als kralensnoeren, sponnen, slingerden en knoopten zich
dooreen, als dunne slangetjes die spelend zich eindeloos uitrekken
in het donkere groen.
En onder de bogen, tusschen de boomgroepen, hier en daar, hingen
bloemkorven aan ijzeren kettinkjes, waarin orchideeën prijkten,
die grillig gevormde planten uit de open lucht, die allerwege
haar stevige loten uitschieten, knoestig en krom als gebrekkige
ledematen. Dan waren er ook venusmuiltjes, wier bloem veel gelijkt
op een verwonderlijk mooien pantoffel, aan den hak versierd met de
vleugels van een waterjuffer; de aeriden met haar zachte geuren;
de stanhopea's met haar bleeke, gestreepte bladeren, die een sterke,
scherpe lucht van zich geven, als herstellende zieken.
Maar wat bij alle bochten der gangpaden het oog trof, was een groote
Chineesche hibiscus, wiens kolossale rijkdom van groen en bloemen
de geheele muurvlakte besloeg, waartegen de serre was aangebouwd. De
groote purperen bloemen van deze reusachtige malve, bloeien telkens
opnieuw op, doch leven slechts enkele uren. Zij leken wel zinnelijke
vrouwenmonden die zich openen, de roode, zachte, vochtige lippen van
een reusachtige Messalina, die, door kussen gekneusd, telkens weer
opleefden met haar begeerigen, bloedigen glimlach.
Dicht bij het bassin stond Renée en rilde, te midden van dien
heerlijken plantengroei. Achter haar hurkte een groote zwartmarmeren
sphinx op een blok graniet, het hoofd naar het aquarium gekeerd, met
den glimlach van een sluiperige, wreede kat; het was als het ware de
sombere afgod, met zijn glanzende dijen, van dit land van vuur.
Matglazen ballons verlichtten nu het gebladerte met melkachtige
plekken. Standbeelden, vrouwenkoppen met achterover gebogen hals,
gezwollen door het lachen, schemerden wit door de dichte boomgroepen,
met schaduwplekken die hun lachend gelaat verwrongen. In het stille,
donkere water van het bassin speelden donkere stralen, die onduidelijke
vormen, zeegroene massa's verlichtten, die veel geleken op ruwe
omtrekken van monsters.
Op de gladde bladeren van de ravanela, op de glimmende waaiers van de
palmen stroomde een golf van wit licht, terwijl uit het korte weefsel
der varens een fijne regen van licht neerdrupte. Omhoog wierpen
de glasruiten hun weerschijn tusschen de sombere kruinen der hooge
palmen. Overigens was het overal donker in het rond; de priëelen,
met hun draperieën van slingerplanten, waren geheel in duisternis
gehuld, als nesten van slapende reptielen.
En onder het heldere licht stond Renée in gepeins, starende naar Louise
en Maxime. Het was nu niet meer de vage mijmering, de geheimzinnige
verlokking van het schemeruur, in de frissche lanen van het Bosch. Haar
gedachten werden niet meer in slaap gewiegd door den draf van haar
paarden, langs de drukbezochte grasvelden, langs het kreupelhout
waarin de burgerluidjes 's Zondags hun maaltijd houden. Nu was het
een duidelijk uitgedrukt, heftig verlangen dat haar gemoed vervulde.
Een oneindige liefde, een begeerte naar wellust, zweefde door die
ingesloten ruimte, waar de vurige sappen der tropen bruisten. De
jonge vrouw was onder den invloed gekomen van die machtige omhelzing
der aarde, die om haar heen dat donkere groen, die kolossale stammen
voortbracht; en de baring van die vuurzee, dat ontluiken van een
geheel woud van planten, nog warm van den schoot die ze voedde,
verwarden en bedwelmden haar door hun scherpe uitwasemingen.
Aan haar voeten dampte het bassin, de warme watermassa, verdicht door
de sappen der drijvende wortels, en legde haar om de schouders een
mantel van zware dampen, een wasem die haar huid verwarmde, als de
aanraking van een hand, klam van wellustige begeerte.
Boven haar hoofd voelde zij den nieuwen loot der palmen, het hooge
gebladerte dat zijn aroma afschudde. En meer nog dan de verstikkende
warmte van de lucht, meer dan de heldere schijnsels, dan de groote
schitterende bloemen, die als gezichten lachend of grijnzend door de
bladeren keken, matten de geuren haar af.
Een onbeschrijfelijke geur bleef daar hangen, sterk prikkelend, uit
duizenderlei geuren samengesteld, menschelijk zweet, vrouwenadems,
de geur die uit het haar opstijgt, en zachte flauwe luchtjes werden
afgewisseld door ruwe verpestende luchten, vol vergift.
Maar in die zonderlinge muziek der geuren, kwam steeds het hoofdthema
terug, dat de teederheid der vanille en de scherpte der orchideeën
overstemde en verstikte, dat was de doordringende, zinnelijke
menschenlucht, die geur van liefde die 's morgens uit de gesloten
kamer van jonggehuwden ontsnapt.
Renée was langzamerhand tegen het voetstuk van den sphinx gaan
leunen. Met haar groenzijden japon, haar rood verhitte hals en hoofd,
waarop de diamanten als dauwdroppels fonkelden, geleek zij op een
groote bloem, rozerood en groen, een der nymphea's uit het bassin,
door de warmte bevangen.
Nu zij haar droombeeld scherp omlijnd voor haar geestesoog zag,
verdwenen haar goede voornemens voor immer, de bedwelming van het
diner steeg haar weer naar het hoofd, overheerschend, zegevierend,
verdubbeld door de hitte der serre.
Zij dacht niet meer aan de frissche avondlucht die haar tot kalmte had
gebracht, aan die fluisterende schaduwen van het park, wier stemmen
haar hadden gesproken van vrede en geluk. De zinnelijke lusten eener
vurige natuur, de grillen eener oververzadigde vrouw ontwaakten
in haar. En boven haar lachte de zwartmarmeren sphinx met een
geheimzinnigen lach, alsof hij de, eindelijk onder woorden gebrachte,
begeerte gelezen had, die dit doode hart voor een wijle tot het leven
terugriep, de begeerte die lang duister bleef, dat "iets anders",
te vergeefs door Renée gezocht in de schommeling van haar kales,
in de fijne asch van den vallenden avond, dat haar zoo plotseling
ontsluierd werd onder het helle licht, in dien tuin vol vuur, op het
zien van Louise en Maxime, lachend en spelend, hand in hand.
Op dit oogenblik klonken stemmen uit een prieel dichtbij, waarin
Saccard de heeren Mignon en Charrier geleid had.
--Heusch niet, mijnheer Saccard, zeide laatstgenoemde met zijn lispende
stem, wij kunnen het voor niet meer dan tweehonderd francs den meter
van u terugkoopen.
En de scherpe stem van Saccard daartegen in:
--Maar in mijn aandeel hebt u mij tweehonderd vijftig francs voor
den meter gerekend.
--Nu, luister eens, dan zullen we het op tweehonderd vijf en twintig
stellen.
En de ruwe stemmen klonken voort, met een vreemden klank onder de
afhangende takken der palmboomen. Maar zij gingen als een ijl geluid
door den droom van Renée, die met een bedwelmende verlokking een
onbekend genot voor zich zag oprijzen, een genot warm van misdadigheid,
scherper dan al de genietingen die zij reeds gesmaakt had, de laatste
vreugde die haar nog te genieten over bleef. Zij was niet vermoeid
meer.
De heester waarachter zij halfverscholen stond, was een giftige plant,
een tanghinia uit Madagascar, met groote bladeren en witachtige
stengels, wier kleinste ribben een vergiftige melk uitdruppelen.
En op het oogenblik dat Louise en Maxime harder lachten, in den gelen
weerschijn, in den zonsondergang van het kleine salon, nam Renée,
die daar stond met een droge prikkeling in de keel, zonder zich recht
bewust te zijn van hetgeen zij deed, een tak van de tanghinia, die
haar tot aan den mond reikte, tusschen de lippen en beet in een dier
bittere bladeren.