V.

Sliep Milly een oogenblik later? Was zij wakker? Droomde zij? Zij heeft

het nooit zeker geweten, maar wel zag en hoorde zij het wonderlijke,

dat nu gebeuren ging, heel duidelijk.

Er kwam een geroes uit den haard of daar getwist werd. Er klonken

stemmetjes, die over haar spraken.

„Och,” zei er een, „wat ligt die arme Milly alleen in het donkere

winterweer. Het kind heeft pijn en verdriet. Dat is treurig voor een

klein meisje.”

„Ja, ja,” riep er een stem, die iemand moed gaf, als men maar luisterde

naar den klank. Milly keerde zich naar het hoekje van waar het geluid

kwam. Het was de kolenschop, die sprak en hij leek, toen hij aan het

praten was, op den goeden ouden dokter. „Ik heb met haar te doen.”

Toen klonk het uit den haard: „Ik brand voor haar wat ik kan.

Wie warmte heeft,

Die warmte geeft.

Ik heb aan al de kolen gezegd om lekker voor haar te gloeien en aan de

vlammen om te schijnen en te schitteren en te dansen net of het feest

is. Kon zij nog maar dichter bij ons komen! Het is zoo heerlijk warm te

zijn, warm te maken, niet, kolen?”

Het knetterde en schitterde in den haard.

„Ik brand nog niet genoeg,” bromde een groot zwart stuk kool. „Ik wil

branden, ik wil warmen.”

„Doe je plicht,

Maak het licht.”

zei toen de flinke stem van de kolenschop en daar stapte de pook van

zijn plaats en hij hielp, en lustig snorde het in den haard, en de

vlammen dansten en het groote stuk kool bromde net als een spinnende

poes:

„Ik brand en schijn.

Kan er iets schooners zijn?

Het vuur in me zingt een lied:

Iets schooners dan branden, dat is er niet.”

Maar nog wonderlijker dingen gingen er gebeuren.

Uit het lucifersdoosje, dat in den hoek van den schoorsteen stond,

wipte een wezentje. Het leek een margrietje, maar in plaats van een

kroontje van blaadjes droeg het een kransje van fijne lichtstraaltjes.

Toen wipte er nog een te voorschijn, en nog een, en nog een! Een heel

troep je bij elkaar.

„We zijn de broertjes uit het doosje,

We leven niet lang, maar toch een poosje.”

„Daar zijn onze vriendjes,” riepen de stemmen uit den haard.

„Zonder ons zouden jullie niet branden, hè, groote, zwarte kolen, die

je bent,” zei een stemmetje zoo fijn, dat het was of een speld sprak.

„Denk je soms, dat jullie alleen voor Milly brandt.”

„Maak het voor haar licht,

Doet allen goed je plicht,”

riep de kolenschop weer met het gezicht van den ouden dokter.

Toen dansten de kleine lichtjes naar Milly toe. Het was heel mooi: dat

bewegen van die lichtkransjes op het donkere tapijt.

„Milly,” zei er een, „hier is de naald, waar je gisteren naar zocht.

Hij lag in een hoekje achter je stoel.”

„Milly,” riep een ander, „hier is de postzegel, die je niet kon vinden.

Hij was weggewaaid achter het gordijn.”

„Milly, daar ligt het potlood, dat je verloor.”

„Milly, daar is de speld met de glazen knop, die je niet meer vinden

kon.”

Zoo klonk het door elkander.—Kijk daar wipte het lucifersdoosje van den

schoorsteen. Het leek wel een moedertje, dat haar kinderen zocht.

„Goed zoo kinderen,” zei ze vriendelijk.

„Al is de hulp klein,

Toch kan ze nuttig zijn.”

„Of—het, òf—het,” klonk er diep en plechtig. Het leek of de klok het

zei, maar dat was toch niet zoo. De oude man, die op de pendule stond

en naar wien Milly zoo dikwijls had liggen kijken, stapte van zijn

plaats en liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.

„Of—het, òf—het,” herhaalde hij. „Branden is heerlijk, schijnen is

heerlijk, helpen is heerlijk. Tik, tak, de kolen branden. Tik, tak, de

lucifers helpen. Ja, ja, zoo is het.” En plechtig liep de bronzen oude

man op den schoorsteen heen en weer op de maat van de klok, die tikte.

Toen kwamen al de wezentjes van warmte en licht naar het meisje toe:

het vuurvrouwtje uit den haard, het lichtvrouwtje uit het

lucifersdoosje.

„Wie warmte heeft,

Die warmte geeft,”

zei het vuurvrouwtje en zij drukte haar warme gezichtje tegen dat van

Milly.

„Het kleine is mijn plicht,

In het kleine geef ik licht,”

zei het moedertje uit het doosje en zij nam Milly’s rechterhand en

kuste elken vinger.

De kolenschop met het goede oude gezicht bleef staan voor het meisje en

zijn klinkende stem riep:

„Ik werk voor het vuur,

Ik help uur aan uur.”

En de pook riep:

„Ik por aan,

Ik laat het lekker snorren gaan.”

„Zoo is het, zoo was het, menschen komen, menschen gaan; blijft

branden, blijft schijnen,” zei plechtig de bronzen man van de klok en

langzaam stapte hij heen en weer op den schoorsteen.

Toen begon het in de klok te ratelen.

„Een, twee, drie, vier,” telde de bronzen man. „De kinderen komen van

school. Wij wezen aan, wij spraken uit. Tik, tak, tik, tak!”

Al het wonderlijke verdween nu. De oude, bronzen man klom voorzichtig

op de pendule. Het oude vrouwtje wipte in het vuur. Het lucifersdoosje

stond op zijn plaats. De kleine lichtjes doofden.

In den haard flikkerden de vlammen en knetterden de kolen.

Tik, tak, klonk het rustig van den schoorsteen.

Zoo mooi als zonneschijn. Het Kaarsemannetje · 第 16 / 17 题