IV.

Nog echter had het kaarsemannetje niet voor altijd afscheid van het

meisje genomen en het was maar goed, dat hij het niet deed, want er

kwam weer een heel treurige tijd voor Milly. Haar vader stierf in een

vreemd land en in denzelfden tijd, dat de droevige tijding Milly

geschreven werd, gebeurde er iets in het gezin van tante Ada, dat

vroolijk en treurig tegelijk was. Er werd een kindje geboren, een

meisje. Dat was een heel vroolijke gebeurtenis. Maar tante Ada werd

ziek en was zoo zwak, dat de kinderen nauwelijks bij haar mochten

komen.

Dat was héél droevig, vooral voor Milly, want nu was zij alleen met

haar groote verdriet. Oom Frank was wel heel vriendelijk voor haar,

maar tante zou toch anders geweest zijn en als hij maar even zich vrij

kon maken, was hij bij zijn zieke vrouw, al was er ook nog zulk een

zorgzame verpleegster voor haar en het teere kleine kindje.

Het leek de arme Milly of zij nog nooit zóó alleen was geweest.

Truus mocht meer dan zij in de ziekenkamer komen, want oom was bang,

dat Milly spreken zou over haar gestorven vader. Tante had het treurige

nieuws nog niet mogen hooren, want de dokter had gezegd, dat alles

vermeden moest worden, wat de ziekte verergeren kon. Heel verstandig

had oom met Milly gesproken en haar gezegd, dat zij nu bewijzen moest

van tante werkelijk te houden. En het meisje begreep heel goed wat oom

bedoelde, maar zij voelde er zich niet minder ongelukkig en eenzaam

door. Het is dan ook heel hard voor een klein meisje om niemand te

hebben, die troost in een groot verdriet!

Bop was plagerig, al nam Truus ook haar nichtje in bescherming. Hoe kon

nu een gezonde, dikke jongen ook begrijpen, waarom Milly zoo stil was!

Hansje zeurde, want het kleine, kreupele ventje verlangde naar zijn

moeder.

Waarom had zij alleen geen moeder! Waarom was nu ook haar vader

gestorven! Waarom had zij geen broertjes en zusjes!

Niemand, niemand hield echt veel van haar. Zij was maar het nichtje!

Zij was maar uit medelijden opgenomen! En zoo dikwijls zeide het kind

dat tot zichzelf, dat zij stil en schuw werd. Truus, Bop en Hansje

vonden haar vreemd en betrokken haar niet in hun spelletjes.

Toen gebeurde er weer iets droevigs. Milly viel, kwetste zich de knie

en moest stil liggen. Oom richtte een gezellig ligplaatsje voor haar in

op een langen stoel in de huiskamer, zoo, dat zij kijken kon naar het

haardvuur. En allen waren wel vriendelijk en lief voor haar, maar

niemand kon het helpen, dat het meisje lange uren alleen lag, nu tante,

heel zwak, nog altijd in haar slaapkamer was. Als Truus en Bop naar

school waren, en Hansje, die soms lastig werd, naar een tante gestuurd

was, dan lag Milly heel alleen te kijken en te denken in de groote

huiskamer, en het meisje voelde zich treurig gestemd.

Eens op een donkeren middag, toen de sneeuw in groote vlokken heel stil

langs de ruiten viel, was Milly ongelukkiger dan ooit. Het zou zoo

heerlijk zijn, dacht het meisje, als tante haar oppaste of de vroolijke

stem van vader zich plotseling zou laten hooren gelijk vroeger, wanneer

hij haar kwam halen om samen een dag van pret te hebben buiten de

kostschool. Als het nu eens niet waar bleek te zijn, dat vader voor

altijd heengegaan was! Als er nu eens gebeld werd en vader naar zijn

dochtertje kwam kijken, die moest blijven liggen, wie de boeken

verveelden, die nergens lust in had. Zij verlangde alleen naar een

mensch, die haar koesterde, naar iemand, die voor haar alleen was als

oom en tante voor Truus, Bop en Hansje.

Toen plotseling klonk de bel. Het bloed vloog Milly naar het gezicht.

Zij richtte zich op om te luisteren.... Was het de stem van vader?

Neen, neen, een heel gewone boodschap was het.

Heete tranen liepen er langs Milly’s wangen. Door een mist zag zij het

spelen der vlammen in het vuur. Het was nu of zij soezen ging. Toen

echter werd zij helder wakker, want zij hoorde een zacht stemmetje, dat

riep: „Milly.”

Haar vriendje, het kaarsemannetje, zat op het boek, dat zij lusteloos

uit haar hand had laten glijden.

„Ik heb zoo’n groot verdriet,” klaagde zij. „Waarom ben je zoo lang

weggebleven?”

„Jij bent niet de enige, Milly, die me noodig heeft. Is boven tante Ada

niet, zwak en ziek? En ligt zij niet te tobben over al haar kinderen,

die haar zoo noodig hebben? Zijn er dan niet andere menschen met

verdriet, voor wie ik schijnen moet?”

„Ik heb geen moeder meer en geen vader,” schreide Milly. „Ik lig hier

alleen, heel alleen. Ik ben een heel ongelukkig meisje.”

Het mannetje rimpelde zijn voorhoofd, zoodat het scheen of hij boos

werd.

„Niet boos zijn,” smeekte Milly met een bedroefd stemmetje, „ik ben zoo

heel, zoo heel alleen.”

„Ja maar,” zei het mannetje, „ik heb je al zoo dikwijls geholpen en je

zooveel licht gegeven. Je vader is gestorven, dat is heel akelig voor

je. Je tante is ziek, dat is héél naar. En toch kijk je niet! Wie heeft

je hier zoo gezellig gelegd.”

„Oom!”

„Van wie kreeg je al die boeken?

„Van wie dat lekkers?”

„Van tante, die het brengen liet door de zuster.”

„En wat geef jij,” zei het mannetje en hij fronste zijn wenkbrauwen.

„Een treurig bleek gezichtje, en tranen, en treurige woorden.”

„Ik heb ook zoo’n groot verdriet,” klaagde Milly en weer liepen er

heete tranen langs haar gezichtje.

„Daarom heb ik medelijden met je,” zei het mannetje, „daarom wil ik je

helpen.” Toen werd zijn gestalte grooter en het was of er iets van

vaders vroolijke gezicht in zijn gelaat kwam. Hij boog zich over haar

heen en kuste haar zacht op beide oogen.

„Nu ga ik heen voor goed, Milly. Mijn licht gaf ik je. Het brandt in

je. Kijk nu goed, zie nu goed.”

„Laat me niet alleen,” smeekte Milly.

„Je zult het niet meer zijn.”

„Je was zoo heel alleen, omdat niets in je scheen.”

„Nu brandt het in je hoofd, nu brandt het in je hart. Vaarwel, mijn

kind.”

Weer boog het mannetje zich over Milly heen en kuste haar oogen. Toen

keek hij haar aan met een blik als van vader, met een gelaat, dat niets

dan licht was.

Toen verdween hij.

Zoo mooi als zonneschijn. Het Kaarsemannetje · 第 15 / 17 题