Toen ging de deur open en de stem van de zuster zei: „maar, vrouwtje,
wat lig jij alleen in het donker. Ik zal maar eens gauw de gordijnen
dicht trekken en het licht gezellig voor je opsteken.”
Soezerig keek Milly naar de zuster en knipte met de oogen, toen het gas
brandde.
„Je hebt geslapen,” plaagde de zuster.
„Ik weet het niet,” zei Milly droomerig.
„Je bent nog niet goed wakker,” babbelde de zuster. „En ik heb juist
een geheimpje voor je. Tante gaat goed vooruit. Je mag daarom van avond
dadelijk na het eten op een paar stoelen bij haar bed liggen. Tante
verlangt naar haar nichtje.”
„Hè,” zei Milly met een zucht en ze wendde haar gezichtje af, want ze
wilde niet laten zien, dat de tranen bijna komen wilden.
Toen werd er hard gebeld. Truus, Bop en Hansje kwamen thuis.
„Ik wil morgen niet meer naar tante,” zeurde Hansje. „Ik wil thuis
blijven. Het is niets prettig bij tante. Ik moet maar met mezelve
spelen.”
„Zuster,” zei Milly met een kleur, „laat Hansje morgen maar bij mij. Ik
zal wel schooltje met hem spelen en hem vertellen.”
„Ja, ja,” juichte Hansje.
„We zullen het Vader vragen,” besliste de zuster.
En toen, zonder dat iemand iets zei, gingen de kinderen rond het
rustbed van Milly zitten en zij vertelden van allerlei en het meisje
luisterde met een opgewekt gezichtje. En na het eten droegen oom en de
zuster Milly naar boven en legden haar heel voorzichtig op een paar
stoelen naast tante’s bed.
„Arm kind,” zei tante, „oom heeft me verteld, van je vader.”
Toen greep Milly tante’s hand, en legde er haar bedroefde gezichtje
tegen aan.
„Ik heb zoo vreeselijk naar U verlangd, tante, ik voelde me zoo heel
alleen.”
„Nu gaan we alle twee weer beter worden,” troostte tante met haar
lieven glimlach en zij streelde zachtjes Milly’s haar. „Zuster,” zei
zij toen, „geef Milly even zusje.”
Toen legde de zuster het kleine kindje in Milly’s armen.
„Wat een schatje,” bewonderde Milly, „wat een klein kopje, wat kleine
vingertjes. Tante, mag ik dikwijls voor haar zorgen?”
„Natuurlijk,” antwoordde tante. „Truus en jij zijn mijn oudste
dochters.”
En de zuster legde het kleine kindje weer in de wieg, en Milly kuste
tante’s handen, die lang en smal waren geworden.
Toen werd het meisje naar bed gebracht en het duurde lang, voor zij den
slaap vatten kon. Zij luisterde naar het rustige ademhalen van Truus,
zij keek in de kamer, waarin zij flauw de omtrekken van de meubelen
onderscheidde. Weer ving de knop van de kachel den lichtstraal op, die
door een kiertje naar binnen viel. Doch geen enkel wonder gebeurde er.
Het kaarsemannetje kwam niet.
Milly zag niets dan wat even zichtbaar was: de glimmende kachelknop,
het kastje met de beeldjes. Het was donker en stil om haar heen. Geen
zoldering week, zoodat zij de sterren niet kon zien schitteren; geen
muren werden doorzichtig, zoodat zij de lichtlijnen niet van uit haar
bed volgen kon. En toch was het licht, héél licht in Milly.
„Vader,” vroeg het kreupele Hansje den volgenden dag, „mag ik altijd
thuis blijven, zoolang Moes nog ziek is en Milly niet naar school gaat.
We hebben zoo gezellig samen gespeeld, niet Milly?”
„Ja,” knikte het meisje met een glunder gezichtje.
„En Milly heeft zoo leuk verteld,” ging het dankbare Hansje door, „van
een kaarsemannetje, vader, dat in een kaars zat, vader, hoor U wel,
vader?”
„Ja, Hansje.”
„En dat kaarsemannetje is heel klein, vader, en dat springt in je oogen
en dan is alles heelemaal licht, vader, ook als het donker is. Leuk,
hè, vader? Mag Milly me altijd vertellen en mag ik thuis blijven?”
„Wat zegt Milly ervan?” vroeg oom.
„Ik zal wel goed op Hansje passen,” zei Milly met hetzelfde glundere
gezichtje.
„Ik hou veel van Milly,” zei kreupele Hansje toen en hij wipte van zijn
stoel aan tafel, ging naar Milly toe en sloeg zijn armen om haar hals.
„Wat een kleine jongen,” plaagde Bop.
„Niet klein,” verdedigde het ventje zich, „is het wel, vader, zusje is
klein.”
„Zusje is klein, Hansje is groot, Bop is een flauwe jongen en Milly is
een lieve meid,” besliste vader.
Milly antwoordde niet, maar lachte zoo vriendelijk, alsof het
kaarsemannetje voor altijd in haar oogen gesprongen was.