HOOFDSTUK XV. EENIGE SERVISCHE POPULAIRE ANECDOTEN.

St. Petrus en het zand.

Een stedeling ging op zekeren dag naar buiten om te jagen en kwam om

twaalf uur aan het huis van een boer, dien hij kende. De man noodigde

hem uit het middagmaal te blijven gebruiken. Onder het eten keek de

stadsbewoner rond en bemerkte, dat er maar weinig bouwgrond om de

hoeve lag. Maar rotsen en steenen waren er in overvloed. Hierover

verbaasd riep de stedeling uit: "In naam van alles, wat bestaat,

mijn vriend, hoe ter wereld kunt gij, goede lieden, in dit dorp leven

zonder vruchtbaren grond! En vanwaar deze massa rotsen en steenen!"

"Het is werkelijk een groot ongeluk!" antwoordde de boer. "De menschen

zeggen, dat onze voorouders van hun voorvaders gehoord hebben, dat,

toen Onze Lieve Heer op deze aarde rondwandelde, de heilige Petrus

Hem vergezelde en op zijn rug een zak vol zand droeg. Nu en dan

moet Onze Lieve Heer een zandkorrel genomen en neergeworpen hebben

om een berg te maken, waarbij hij telkens zei: 'Dat deze korrel zich

vermenigvuldige!' Toen zij hier aankwamen, barstte de zak van Petrus

en de helft van den inhoud werd om dit dorp uitgestrooid".

Waarom het Servische volk arm is.

De volkeren der wereld ontmoetten elkaar eens op het midden

van de aarde, om de goede dingen van het leven onder elkaar te

verdeelen. Eerst overlegden zij, hoe zij het zouden aanleggen. Eenigen

raadden aan er om te loten, maar de Christenen, die wel wisten, dat

zij als de verstandigsten in staat zouden zijn de meest gewenschte

gaven te verkrijgen en die dus allerminst verlangden dit door het lot

uitgemaakt te zien, sloegen voor (en het denkbeeld werd dadelijk door

allen aanvaard) dat ieder om de beurt iets goeds zou wenschen en dit

dan ook zou worden gegeven. De mannen van Italië mochten het eerst

kiezen en zij verlangden wijsheid. De Britten zeiden: "Wij willen

de zee hebben." De Turken: "En wij willen akkers hebben." De Russen:

"Wij willen bosschen en mijnen hebben". De Franschen: "En wij willen

geld en oorlog hebben". En wat wilt gij Serviërs? "Wachten, totdat

wij tot een besluit zijn gekomen!" antwoordden de Serviërs. En zij

zijn het nog altijd niet met elkaar eens over het antwoord!

De zigeuners en de edelman.

Een heel rijk en machtig edelman reed eens zijn uitgestrekte

bezittingen rond. Van verre zagen vier Tziganen [88] dat hij alleen

was. Zij sloegen een begeerig oog op de mooie paarden voor zijn rijtuig

en namen zich voor er hem van te berooven. Toen het rijtuig naderde,

snelden zij er heen, namen eerbiedig hun muts af, knielden voor hem

neer en een hunner begon te spreken: "O hoe gelukkig zijn wij een

gelegenheid te hebben U, zeer genadig heer, onze diepe dankbaarheid

te betoonen voor de edele daden en de vele giften, waarmede uw

gestorven en edelmoedige vader ons overstelpt heeft! Sta ons, daar

wij geen geschenken van waarde bij ons hebben, toe, dat wij ons voor

uw rijtuig spannen en u naar huis trekken". De hooghartige edelman,

trotsch op de goede daden van zijn vader, stemde er gaarne in toe

zich dezen ongewonen vorm van hoffelijkheid te laten welgevallen. Twee

zigeuners spanden daarop de paarden uit, gingen zelf voor het rijtuig

loopen en trokken het een eind. Maar eensklaps sneden zij zich los

en liepen hard terug naar de andere schavuiten, die zich al met de

paarden uit de voeten hadden gemaakt.

Waarom de priester verdronk.

Eenige boeren en een priester gingen eens een rivier over. Plotseling

kwam er storm op en de boot kantelde. Allen waren goede zwemmers

behalve de arme priester, en toen de boeren hun boot bereikt en die

weer recht in het water hadden geplaatst, wat hun heel spoedig gelukte,

zagen zij, dat de priester nog in de golven worstelde. Zij riepen

hem toe hun de hand te reiken, opdat zij hem konden redden, maar hij

aarzelde en verdronk. De boeren gingen het droevig nieuws aan zijn

weduwe vertellen, die, toen zij het hoorde, uitriep: "Hoe jammer! Maar

indien gij _uw_ hand hadt uitgestoken, dan zou hij die zeker hebben

gegrepen en dan zou zijn kostbaar leven gespaard zijn gebleven--want

het was zijn gewoonte altijd te ontvangen en nooit iets te _geven!_"

De Era [89] van de andere wereld.

Een Turk en zijn vrouw rustten in de schaduw van een boom. De Turk

ging naar de rivier om zijn paard water te geven en zijn vrouw bleef

zijn terugkomst afwachten. Juist op dat oogenblik kwam een Era voorbij

en groette de Turksche vrouw: "Allah helpe u, edele vrouwe!"

"Dat God u helpe," antwoordde zij; "vanwaar komt gij?" "Ik kom van

de Andere Wereld, edele vrouw." "Indien gij in de Andere Wereld zijt

geweest, hebt gij dan misschien mijn zoon Mouyo gezien, die eenige

maanden geleden is gestorven?" "O, natuurlijk heb ik hem gezien;

hij is mijn naaste buurman." "Dat maakt mij werkelijk gelukkig! Hoe

maakt hij het?" "Het gaat hem goed, God zij geprezen! Maar hij zou wat

meer tabak kunnen gebruiken, en wat meer zakgeld om zwarte koffie te

betalen." "Gaat gij weer terug? Ja? Zoudt gij dan zoo goed willen zijn

hem deze beurs te overhandigen met de groeten van zijn ouders?" De

Era nam het geld, en verzekerde, dat hij zeer verheugd was zulk een

aangename verrassing aan den jongeman te kunnen bereiden en hij maakte,

dat hij weg kwam. Weldra keerde de Turk terug en zijn vrouw vertelde

hem, wat er was gebeurd. Hij begreep dadelijk, dat zij beet genomen

was, en zonder zich den tijd te gunnen om haar verwijten te maken,

steeg hij te paard en galoppeerde den Era na, die, toen hij bemerkte,

dat hij vervolgd werd, dadelijk vermoedde, dat de ruiter de echtgenoot

van de lichtgeloovige vrouw moest zijn, en zich zoo veel haastte,

als hij maar kon, om weg te komen. Dicht in de buurt stond een molen;

de Era stormde er binnen en sprak den molenaar aldus aan: "Om Godswil,

broeder, vlucht! Ginds komt een Turksch ruiter met getrokken zwaard

aan; hij zal u dooden. Ik heb het hem hooren zeggen en ik kom hard

hierheen loopen om u bijtijds te waarschuwen." De molenaar had geen

tijd om naar bijzonderheden te vragen; hij wist, hoe wreed de Turken

waren, en zonder een woord te verspillen, rende hij den molen uit en

vluchtte naar de naburige rotsen.

Intusschen zette de Era den hoed van den molenaar op zijn eigen hoofd

en strooide overvloedig meel over zijn kleeren, zoodat hij er als

een molenaar uitzag. Nauwelijks was dit gedaan, of de Turk kwam. Hij

steeg van zijn paard en haastig vroeg hij den Era, waar hij den dief

verborgen had. De Era wees onverschillig naar den vluchtenden molenaar

op de rots, waarop de Turk hem verzocht op zijn paard te willen passen,

terwijl hij den oplichter zou gaan grijpen. Toen de Turk een goed

eind den heuvel op was, borstelde onze Era zijn kleeren af, steeg

vlug te paard en galoppeerde weg. De Turk greep den echten molenaar

en vroeg: "Waar is het geld, dat gij van mijn vrouw hebt afgenomen,

jij oplichter?" De arme molenaar maakte het teeken des kruises [90]

en zei: "God beware me! Ik heb uw edele vrouw nooit gezien, nog veel

minder heb ik ooit geld aan haar ontnomen."

Na ongeveer een half uur gepraat was de Turk overtuigd van de onschuld

van den molenaar en hij keerde terug naar de plaats, waar hij zijn

paard had achtergelaten. Maar zie! Er was niets van een paard te

bespeuren! Hij wandelde treurig terug naar zijn vrouw en toen zij zag,

dat haar echtgenoot geen paard had, vroeg zij verbaasd: "Waar ben je

geweest, en wat is er van je paard geworden?" De Turk antwoordde:

"Jij hebt geld naar je lieven zoon gezonden, daarom dacht ik, dat

het goed was hem het paard er bij te zenden, opdat hij in de andere

wereld niet te voet behoeft te gaan!"

Ieder moet een ambacht verstaan.

Een koning ging eens varen in zijn weelderig ingericht pleizierjacht,

vergezeld van de koningin en een dochter. Zij hadden zich nog maar

even van de kust verwijderd, toen een krachtige wind de galei ver de

zee indreef, waar ze eindelijk tegen een kale rots stiet. Gelukkig

was er een klein bootje bij het jacht en de koning wist er zijn

vrouw en dochter mee te redden. Na geruimen tijd heen en weer

geslingerd te zijn, lachte het geluk de schipbreukelingen weer toe;

zij begonnen vogels en drijvende bladeren te zien, wat aantoonde

dat zij land naderden. En weldra kregen zij de kust in het gezicht;

daar de zee nu kalm was, waren zij instaat zonder verdere avonturen

te landen. De koning kende, echter geen ambacht, en hij had ook geen

geld bij zich. Hij was dus genoodzaakt zijn diensten als schaapherder

aan te bieden aan een rijken grondbezitter, die hem een hut gaf en

een kudde schapen om voor te zorgen.

In deze idyllische en eenvoudige omstandigheden leefden zij

verscheidene jaren tevreden, zonder spijt te gevoelen over het gemis

van de pracht en de praal, die hen vroeger omgeven hadden.

Op zekeren dag verdwaalde de eenige zoon van den heerscher over dit

vreemde land, toen hij bezig was een vos na te jagen, en bij die

gelegenheid zag hij de schoone dochter van onzen herder. Nauwelijks

had hij zijn oogen op het meisje geslagen, of hij werd dol verliefd op

haar en zij was niet ongenegen de verzekeringen van onvergankelijke

genegenheid aan te hooren, die hij in haar ooren stamelde. Zij

ontmoetten elkaar telkens weer en het meisje stemde erin toe den

prins te trouwen, als haar ouders toestemming gaven tot de verbintenis.

Eerst deelde de prins zijn wensch aan zijn eigen ouders mee, die

natuurlijk zeer verbaasd waren over de schijnbaar dwaze keuze van hun

zoon en hun toestemming niet wilden geven. Maar de prins verzekerde

plechtig, dat zijn besluit onwrikbaar vast stond; hij zou òf het

meisje trouwen, dat hij lief had, òf zijn geheele leven ongetrouwd

blijven. Eindelijk kreeg zijn koninklijke vader medelijden met hem

en zond zijn eersten adjudant in het geheim naar den herder, om dezen

de hand van zijn dochter voor den prins te vragen.

De voorwaarde.

Toen de adjudant kwam en de koninklijke boodschap overbracht, vroeg

de herder hem: "Kent de koninklijke prins een beroep?" De adjudant

was verbaasd over zulk een vraag. "God verhoede het, dwaze man!" riep

hij uit, "hoe kunt gij verwachten, dat de troonopvolger een ambacht

kent? De menschen leeren een ambacht om in hun levensonderhoud

te voorzien, vorsten bezitten landen en steden en behoeven niet

te werken".

Maar de herder bleef volhouden en zei: "Indien de prins geen beroep

kent, dan zal hij mijn schoonzoon niet worden".

De boodschapper van den koning keerde in het paleis terug en deed

den koning verslag van zijn onderhoud met den herder. Iedereen in het

geheele paleis was verbaasd, toen het nieuws bekend werd, want allen

hadden verwacht, dat de herder zich buitengewoon gevleid zou gevoelen,

dat de koning de hand van zijn dochter voor zijn zoon vroeg en haar

bevoorrechtte boven de vele koninklijke en keizerlijke prinsessen,

die hij maar had behoeven te vragen om ze bereid te vinden den prins

te trouwen.

De koning zond weer een boodschapper naar den herder, maar de man bleef

op zijn stuk staan. "Zoolang de prins", zei hij, "geen ambacht kent,

zal ik hem de hand mijner dochter niet geven."

Toen de tweede onderhandelaar met hetzelfde antwoord naar het paleis

terugkeerde, deelde de koning zijn zoon de voorwaarde van den herder

mede en de koninklijke prins besloot dan maar te trachten er aan

te voldoen.

Hij begon met de geheele stad van huis tot huis langs te gaan,

om een eenvoudig en gemakkelijk ambacht uit te kiezen. Terwijl

hij door de straat liep, zag hij verschillende handwerkslieden aan

hun werk, maar hij bleef niet staan, voordat hij aan de werkplaats

kwam van een tapijt-maker en dit ambacht leek hem even gemakkelijk

als winstgevend. Hij bood daarom zijn diensten aan den baas aan,

die volgaarne op zich nam hem het ambacht te leeren. Na eenigen tijd

ontving de prins een bewijs van bekwaamheid, waarop hij naar den herder

ging en het hem met het proefstuk van zijn handenarbeid toonde. De

herder bekeek ze en vroeg den prins: "Hoeveel zoudt gij kunnen krijgen

voor dit tapijt?" De prins antwoordde: "Indien het van gras gemaakt

was, zou ik het voor drie stuivers kunnen verkoopen." "Wel, dat is

een prachtig bedrijf!" antwoordde de herder, "drie stuivers vandaag

en nog drie stuivers morgen, dat zou zes stuiver maken, en na nog

twee dagen zoudt gij een schelling hebben verdiend! Indien ik dit

ambacht eenige jaren vroeger had gekend, zou ik nu geen herder zijn."

Daarop deed hij den prins en zijn gevolg het verhaal van zijn vorig

leven en van het ongeluk, dat hem getroffen had, waarover allen ten

zeerste verbaasd waren. Gij kunt er zeker van zijn, dat het den prins

verheugde, dat zijn geliefde van hooge geboorte, en dus een waardig

gezellin voor een koningszoon was. En wat zijn vader betrof, die was

bijzonder blij, dat zijn zoon niet de dochter van een eenvoudigen

herder had liefgekregen, maar een koninklijke prinses. Het huwelijk

werd nu met groote pracht gevierd en toen de feestelijkheden waren

afgeloopen, gaf de koning aan den herder een mooi schip en een goed

bewapend geleide, waarmee hij naar zijn land terugkeerde en er zijn

koninklijken troon weer in bezit nam.

Einde.

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 46 / 47 题