St. Petrus en het zand.
Een stedeling ging op zekeren dag naar buiten om te jagen en kwam om
twaalf uur aan het huis van een boer, dien hij kende. De man noodigde
hem uit het middagmaal te blijven gebruiken. Onder het eten keek de
stadsbewoner rond en bemerkte, dat er maar weinig bouwgrond om de
hoeve lag. Maar rotsen en steenen waren er in overvloed. Hierover
verbaasd riep de stedeling uit: "In naam van alles, wat bestaat,
mijn vriend, hoe ter wereld kunt gij, goede lieden, in dit dorp leven
zonder vruchtbaren grond! En vanwaar deze massa rotsen en steenen!"
"Het is werkelijk een groot ongeluk!" antwoordde de boer. "De menschen
zeggen, dat onze voorouders van hun voorvaders gehoord hebben, dat,
toen Onze Lieve Heer op deze aarde rondwandelde, de heilige Petrus
Hem vergezelde en op zijn rug een zak vol zand droeg. Nu en dan
moet Onze Lieve Heer een zandkorrel genomen en neergeworpen hebben
om een berg te maken, waarbij hij telkens zei: 'Dat deze korrel zich
vermenigvuldige!' Toen zij hier aankwamen, barstte de zak van Petrus
en de helft van den inhoud werd om dit dorp uitgestrooid".
Waarom het Servische volk arm is.
De volkeren der wereld ontmoetten elkaar eens op het midden
van de aarde, om de goede dingen van het leven onder elkaar te
verdeelen. Eerst overlegden zij, hoe zij het zouden aanleggen. Eenigen
raadden aan er om te loten, maar de Christenen, die wel wisten, dat
zij als de verstandigsten in staat zouden zijn de meest gewenschte
gaven te verkrijgen en die dus allerminst verlangden dit door het lot
uitgemaakt te zien, sloegen voor (en het denkbeeld werd dadelijk door
allen aanvaard) dat ieder om de beurt iets goeds zou wenschen en dit
dan ook zou worden gegeven. De mannen van Italië mochten het eerst
kiezen en zij verlangden wijsheid. De Britten zeiden: "Wij willen
de zee hebben." De Turken: "En wij willen akkers hebben." De Russen:
"Wij willen bosschen en mijnen hebben". De Franschen: "En wij willen
geld en oorlog hebben". En wat wilt gij Serviërs? "Wachten, totdat
wij tot een besluit zijn gekomen!" antwoordden de Serviërs. En zij
zijn het nog altijd niet met elkaar eens over het antwoord!
De zigeuners en de edelman.
Een heel rijk en machtig edelman reed eens zijn uitgestrekte
bezittingen rond. Van verre zagen vier Tziganen [88] dat hij alleen
was. Zij sloegen een begeerig oog op de mooie paarden voor zijn rijtuig
en namen zich voor er hem van te berooven. Toen het rijtuig naderde,
snelden zij er heen, namen eerbiedig hun muts af, knielden voor hem
neer en een hunner begon te spreken: "O hoe gelukkig zijn wij een
gelegenheid te hebben U, zeer genadig heer, onze diepe dankbaarheid
te betoonen voor de edele daden en de vele giften, waarmede uw
gestorven en edelmoedige vader ons overstelpt heeft! Sta ons, daar
wij geen geschenken van waarde bij ons hebben, toe, dat wij ons voor
uw rijtuig spannen en u naar huis trekken". De hooghartige edelman,
trotsch op de goede daden van zijn vader, stemde er gaarne in toe
zich dezen ongewonen vorm van hoffelijkheid te laten welgevallen. Twee
zigeuners spanden daarop de paarden uit, gingen zelf voor het rijtuig
loopen en trokken het een eind. Maar eensklaps sneden zij zich los
en liepen hard terug naar de andere schavuiten, die zich al met de
paarden uit de voeten hadden gemaakt.
Waarom de priester verdronk.
Eenige boeren en een priester gingen eens een rivier over. Plotseling
kwam er storm op en de boot kantelde. Allen waren goede zwemmers
behalve de arme priester, en toen de boeren hun boot bereikt en die
weer recht in het water hadden geplaatst, wat hun heel spoedig gelukte,
zagen zij, dat de priester nog in de golven worstelde. Zij riepen
hem toe hun de hand te reiken, opdat zij hem konden redden, maar hij
aarzelde en verdronk. De boeren gingen het droevig nieuws aan zijn
weduwe vertellen, die, toen zij het hoorde, uitriep: "Hoe jammer! Maar
indien gij _uw_ hand hadt uitgestoken, dan zou hij die zeker hebben
gegrepen en dan zou zijn kostbaar leven gespaard zijn gebleven--want
het was zijn gewoonte altijd te ontvangen en nooit iets te _geven!_"
De Era [89] van de andere wereld.
Een Turk en zijn vrouw rustten in de schaduw van een boom. De Turk
ging naar de rivier om zijn paard water te geven en zijn vrouw bleef
zijn terugkomst afwachten. Juist op dat oogenblik kwam een Era voorbij
en groette de Turksche vrouw: "Allah helpe u, edele vrouwe!"
"Dat God u helpe," antwoordde zij; "vanwaar komt gij?" "Ik kom van
de Andere Wereld, edele vrouw." "Indien gij in de Andere Wereld zijt
geweest, hebt gij dan misschien mijn zoon Mouyo gezien, die eenige
maanden geleden is gestorven?" "O, natuurlijk heb ik hem gezien;
hij is mijn naaste buurman." "Dat maakt mij werkelijk gelukkig! Hoe
maakt hij het?" "Het gaat hem goed, God zij geprezen! Maar hij zou wat
meer tabak kunnen gebruiken, en wat meer zakgeld om zwarte koffie te
betalen." "Gaat gij weer terug? Ja? Zoudt gij dan zoo goed willen zijn
hem deze beurs te overhandigen met de groeten van zijn ouders?" De
Era nam het geld, en verzekerde, dat hij zeer verheugd was zulk een
aangename verrassing aan den jongeman te kunnen bereiden en hij maakte,
dat hij weg kwam. Weldra keerde de Turk terug en zijn vrouw vertelde
hem, wat er was gebeurd. Hij begreep dadelijk, dat zij beet genomen
was, en zonder zich den tijd te gunnen om haar verwijten te maken,
steeg hij te paard en galoppeerde den Era na, die, toen hij bemerkte,
dat hij vervolgd werd, dadelijk vermoedde, dat de ruiter de echtgenoot
van de lichtgeloovige vrouw moest zijn, en zich zoo veel haastte,
als hij maar kon, om weg te komen. Dicht in de buurt stond een molen;
de Era stormde er binnen en sprak den molenaar aldus aan: "Om Godswil,
broeder, vlucht! Ginds komt een Turksch ruiter met getrokken zwaard
aan; hij zal u dooden. Ik heb het hem hooren zeggen en ik kom hard
hierheen loopen om u bijtijds te waarschuwen." De molenaar had geen
tijd om naar bijzonderheden te vragen; hij wist, hoe wreed de Turken
waren, en zonder een woord te verspillen, rende hij den molen uit en
vluchtte naar de naburige rotsen.
Intusschen zette de Era den hoed van den molenaar op zijn eigen hoofd
en strooide overvloedig meel over zijn kleeren, zoodat hij er als
een molenaar uitzag. Nauwelijks was dit gedaan, of de Turk kwam. Hij
steeg van zijn paard en haastig vroeg hij den Era, waar hij den dief
verborgen had. De Era wees onverschillig naar den vluchtenden molenaar
op de rots, waarop de Turk hem verzocht op zijn paard te willen passen,
terwijl hij den oplichter zou gaan grijpen. Toen de Turk een goed
eind den heuvel op was, borstelde onze Era zijn kleeren af, steeg
vlug te paard en galoppeerde weg. De Turk greep den echten molenaar
en vroeg: "Waar is het geld, dat gij van mijn vrouw hebt afgenomen,
jij oplichter?" De arme molenaar maakte het teeken des kruises [90]
en zei: "God beware me! Ik heb uw edele vrouw nooit gezien, nog veel
minder heb ik ooit geld aan haar ontnomen."
Na ongeveer een half uur gepraat was de Turk overtuigd van de onschuld
van den molenaar en hij keerde terug naar de plaats, waar hij zijn
paard had achtergelaten. Maar zie! Er was niets van een paard te
bespeuren! Hij wandelde treurig terug naar zijn vrouw en toen zij zag,
dat haar echtgenoot geen paard had, vroeg zij verbaasd: "Waar ben je
geweest, en wat is er van je paard geworden?" De Turk antwoordde:
"Jij hebt geld naar je lieven zoon gezonden, daarom dacht ik, dat
het goed was hem het paard er bij te zenden, opdat hij in de andere
wereld niet te voet behoeft te gaan!"
Ieder moet een ambacht verstaan.
Een koning ging eens varen in zijn weelderig ingericht pleizierjacht,
vergezeld van de koningin en een dochter. Zij hadden zich nog maar
even van de kust verwijderd, toen een krachtige wind de galei ver de
zee indreef, waar ze eindelijk tegen een kale rots stiet. Gelukkig
was er een klein bootje bij het jacht en de koning wist er zijn
vrouw en dochter mee te redden. Na geruimen tijd heen en weer
geslingerd te zijn, lachte het geluk de schipbreukelingen weer toe;
zij begonnen vogels en drijvende bladeren te zien, wat aantoonde
dat zij land naderden. En weldra kregen zij de kust in het gezicht;
daar de zee nu kalm was, waren zij instaat zonder verdere avonturen
te landen. De koning kende, echter geen ambacht, en hij had ook geen
geld bij zich. Hij was dus genoodzaakt zijn diensten als schaapherder
aan te bieden aan een rijken grondbezitter, die hem een hut gaf en
een kudde schapen om voor te zorgen.
In deze idyllische en eenvoudige omstandigheden leefden zij
verscheidene jaren tevreden, zonder spijt te gevoelen over het gemis
van de pracht en de praal, die hen vroeger omgeven hadden.
Op zekeren dag verdwaalde de eenige zoon van den heerscher over dit
vreemde land, toen hij bezig was een vos na te jagen, en bij die
gelegenheid zag hij de schoone dochter van onzen herder. Nauwelijks
had hij zijn oogen op het meisje geslagen, of hij werd dol verliefd op
haar en zij was niet ongenegen de verzekeringen van onvergankelijke
genegenheid aan te hooren, die hij in haar ooren stamelde. Zij
ontmoetten elkaar telkens weer en het meisje stemde erin toe den
prins te trouwen, als haar ouders toestemming gaven tot de verbintenis.
Eerst deelde de prins zijn wensch aan zijn eigen ouders mee, die
natuurlijk zeer verbaasd waren over de schijnbaar dwaze keuze van hun
zoon en hun toestemming niet wilden geven. Maar de prins verzekerde
plechtig, dat zijn besluit onwrikbaar vast stond; hij zou òf het
meisje trouwen, dat hij lief had, òf zijn geheele leven ongetrouwd
blijven. Eindelijk kreeg zijn koninklijke vader medelijden met hem
en zond zijn eersten adjudant in het geheim naar den herder, om dezen
de hand van zijn dochter voor den prins te vragen.
De voorwaarde.
Toen de adjudant kwam en de koninklijke boodschap overbracht, vroeg
de herder hem: "Kent de koninklijke prins een beroep?" De adjudant
was verbaasd over zulk een vraag. "God verhoede het, dwaze man!" riep
hij uit, "hoe kunt gij verwachten, dat de troonopvolger een ambacht
kent? De menschen leeren een ambacht om in hun levensonderhoud
te voorzien, vorsten bezitten landen en steden en behoeven niet
te werken".
Maar de herder bleef volhouden en zei: "Indien de prins geen beroep
kent, dan zal hij mijn schoonzoon niet worden".
De boodschapper van den koning keerde in het paleis terug en deed
den koning verslag van zijn onderhoud met den herder. Iedereen in het
geheele paleis was verbaasd, toen het nieuws bekend werd, want allen
hadden verwacht, dat de herder zich buitengewoon gevleid zou gevoelen,
dat de koning de hand van zijn dochter voor zijn zoon vroeg en haar
bevoorrechtte boven de vele koninklijke en keizerlijke prinsessen,
die hij maar had behoeven te vragen om ze bereid te vinden den prins
te trouwen.
De koning zond weer een boodschapper naar den herder, maar de man bleef
op zijn stuk staan. "Zoolang de prins", zei hij, "geen ambacht kent,
zal ik hem de hand mijner dochter niet geven."
Toen de tweede onderhandelaar met hetzelfde antwoord naar het paleis
terugkeerde, deelde de koning zijn zoon de voorwaarde van den herder
mede en de koninklijke prins besloot dan maar te trachten er aan
te voldoen.
Hij begon met de geheele stad van huis tot huis langs te gaan,
om een eenvoudig en gemakkelijk ambacht uit te kiezen. Terwijl
hij door de straat liep, zag hij verschillende handwerkslieden aan
hun werk, maar hij bleef niet staan, voordat hij aan de werkplaats
kwam van een tapijt-maker en dit ambacht leek hem even gemakkelijk
als winstgevend. Hij bood daarom zijn diensten aan den baas aan,
die volgaarne op zich nam hem het ambacht te leeren. Na eenigen tijd
ontving de prins een bewijs van bekwaamheid, waarop hij naar den herder
ging en het hem met het proefstuk van zijn handenarbeid toonde. De
herder bekeek ze en vroeg den prins: "Hoeveel zoudt gij kunnen krijgen
voor dit tapijt?" De prins antwoordde: "Indien het van gras gemaakt
was, zou ik het voor drie stuivers kunnen verkoopen." "Wel, dat is
een prachtig bedrijf!" antwoordde de herder, "drie stuivers vandaag
en nog drie stuivers morgen, dat zou zes stuiver maken, en na nog
twee dagen zoudt gij een schelling hebben verdiend! Indien ik dit
ambacht eenige jaren vroeger had gekend, zou ik nu geen herder zijn."
Daarop deed hij den prins en zijn gevolg het verhaal van zijn vorig
leven en van het ongeluk, dat hem getroffen had, waarover allen ten
zeerste verbaasd waren. Gij kunt er zeker van zijn, dat het den prins
verheugde, dat zijn geliefde van hooge geboorte, en dus een waardig
gezellin voor een koningszoon was. En wat zijn vader betrof, die was
bijzonder blij, dat zijn zoon niet de dochter van een eenvoudigen
herder had liefgekregen, maar een koninklijke prinses. Het huwelijk
werd nu met groote pracht gevierd en toen de feestelijkheden waren
afgeloopen, gaf de koning aan den herder een mooi schip en een goed
bewapend geleide, waarmee hij naar zijn land terugkeerde en er zijn
koninklijken troon weer in bezit nam.
Einde.