Nu riep de koning zijn bedienden en gaf hun bevel de oude vrouw tien
kronen te geven, wat zij deden. Nadat zij dit geld had gekregen, dankte
zij Zijne Majesteit en keerde naar huis terug, bij zich zelf zeggende:
"Ik wed, dat mijn zoon, als hij dit geld ziet, er niet meer over zal
spreken van ons heen te gaan."
Maar hierin had zij zich schromelijk vergist, want nauwelijks was
zij de hut binnen gegaan of haar zoon kwam en vroeg ongeduldig:
"Wel, moeder, heeft u gedaan, wat ik u heb gevraagd?"
Nu riep zij uit: "Geef dat dwaze denkbeeld nu eens en voor goed op,
mijn zoon. Hoe kon je verwachten, dat ik den koning zijn dochter voor
jou ten huwelijk zou vragen? Dat zou voor een rijk edelman nog een
stoutmoedige daad zijn; hoe zouden _wij_ dan aan zoo iets kunnen
denken? Doch zie eens, wat een massa geld ik heb meegebracht. Nu
kunt gij zelf naar een passende vrouw uitzien en zul je de dochter
van den koning vergeten."
Toen de jonge man zijn moeder zoo hoorde spreken, werd hij zeer boos
en zei tegen haar: "Wat kan mij het geld van den koning schelen? Ik
verlang zijn geld niet, maar ik eisch zijn dochter! Ik zie, dat u
mij voor den gek houdt; ik ga u dus verlaten, ik zal gaan--waar mijn
oogen mij heenleiden."
De arme oude ouders baden en smeekten hem hen op hun ouden dag niet
te verlaten, maar hij bezweek eerst voor hun aandrang, toen zij hem
oprecht beloofden, dat de moeder den volgenden dag weer naar den
koning zou gaan en hem nu werkelijk zou vragen zijn dochter aan hun
zoon uit te huwelijken.
Daarop ging de oude vrouw den, volgenden morgen weer naar het paleis
en de bedienden lieten haar in dezelfde hal, waar zij den vorigen
keer was geweest. Toen de koning haar daar zag staan, vroeg hij:
"Wat verlangt gij nu, moedertje?" Maar zij voelde zich zoo beschaamd,
dat zij ternauwernood kon stamelen: "Niets, Uwe Majesteit."
De koning, die veronderstelde, dat zij weer kwam bedelen, beval zijn
bedienden haar ook dezen keer tien kronen te geven.
Met dit geld keerde de arme vrouw naar haar hut terug; baar zoon
kwam haar reeds tegemoet en vroeg: "Wel moeder, _dezen_ keer hoop
ik, dat gij gedaan hebt, wat ik heb gevraagd?" Maar zij antwoordde:
"Ach, mijn lieve zoon, laat 's konings dochter met rust. Hoe kun je in
ernst aan een huwelijk met haar denken? Zelfs al wilde zij je trouwen,
waar is het huis, waarheen je haar zoudt brengen? Zwijg er dus over
en neem dit geld, dat ik je heb meegebracht."
Op het hooren van deze woorden was de zoon nog boozer dan te voren
en hij zei scherp: "Daar ik zie, dat u mij met de dochter van den
koning niet wilt laten trouwen, ga ik op staanden voet heen om nooit
meer terug te keeren," en hij snelde de hut uit. Zijn ouders liepen
hem hard achterna en haalden hem eindelijk over om terug te keeren,
door hem te bezweren, dat zijn moeder den volgenden morgen weer naar
den koning zou gaan--en waarlijk en oprecht dezen keer Zijne Majesteit
om zijn dochter zou vragen.
De jonge man stemde er dus in toe terug te keeren en tot den volgenden
dag te wachten.
's Morgens ging de moeder met een bezwaard hart naar het paleis en werd
evenals te voren in tegenwoordigheid van den koning gebracht. Nu hij
haar hier voor den derden keer zag, vroeg Zijne Majesteit ongeduldig:
"Wat verlangt gij nu weer, oude vrouw?" En over het geheele lichaam
bevende zei zij: "Om u te dienen, Uwe Majesteit--niets." Toen riep
de koning uit:
"Maar dat is onmogelijk. Iets moet gij verlangen. Zeg mij dadelijk de
waarheid, indien gij aan uw leven gehecht zijt." Daarop was de oude
vrouw wel genoodzaakt het geheele verhaal aan den koning te doen;
dat haar zoon den wensch koesterde de prinses te trouwen en haar
had gedwongen den koning te gaan vragen hem zijn dochter tot vrouw
te geven.
Toen de koning alles had gehoord, zei hij: "Wel, indien mijn dochter
haar toestemming geeft, zal ik er niets tegen inbrengen." Hij zei
daarop tot zijn bedienden, dat zij de prinses moesten gaan halen. Toen
zij kwam, vertelde hij haar alles en vroeg haar: "Zijt gij bereid
den zoon van deze oude vrouw te trouwen?"
De voorwaarde.
De prinses antwoordde: "Waarom niet? Indien hij alleen maar eerst
het beroep leert, dat niemand kent!" Daarop beval de koning aan zijn
bedienden de arme vrouw geld te geven, die nu met een verlicht hart
naar haar hut terugkeerde.
Zoodra zij binnen kwam, vroeg haar zoon: "Hebt u de toestemming?" En
zij antwoordde: "Laat mij eerst wat op adem komen. _Nu_ heb ik het
werkelijk aan den koning gevraagd: maar het heeft je niet veel verder
gebracht, want de prinses verzekert, dat zij je niet wil trouwen,
tenzij je het beroep hebt geleerd, dat niemand kent!"
"O, dat doet er niets toe!" riep de zoon uit. "Nu ik de voorwaarde
ken, komt alles in orde!" Den volgenden dag begaf de jongeman zich
op reis. Hij trok de wereld in om den man te zoeken, die hem het
beroep zou kunnen leeren, dat niemand kende. Op zekeren dag, toen hij
heel moe was van het loopen en heel terneergeslagen ging hij op een
gevallen boomstronk aan den kant van den weg zitten. Nadat hij zoo
een poosje had gezeten, kwam er een vrouw naar hem toe, die vroeg:
"waarom zijt gij zoo treurig, mijn vriend?" En hij antwoordde:
"Waarom vraagt gij mij dat, als gij mij niet kunt helpen?" Maar zij
vervolgde: "Vertel mij maar, wat er aan scheelt en misschien kan ik
u helpen." Daarop zei hij: "Nu, als gij het dan bepaald weten wilt,
ik reis al geruimen tijd de wereld door om den meester te vinden,
die mij het ambacht kan leeren, dat niemand kent."
"O, is het anders niet," riep de oude vrouw, "luister dan maar naar
mij! Wees niet bang, ga recht het bosch in, dat voor u ligt en daar
zult gij vinden, wat gij noodig hebt."
De jonge man was heel blij, toen hij dit hoorde, stond dadelijk op en
ging naar het bosch. Toen hij vrij ver het bosch in was gegaan, zag
hij een groot kasteel en terwijl hij er naar stond te kijken en zich
afvroeg, wie daar wel kon wonen, kwamen er vier reuzen uit naar buiten
rennen, die hem met donderende stem vroegen: "Wenscht gij het ambacht
te leeren, dat niemand kent?" Hij antwoordde: "Ja, dat is precies de
reden, waarom ik hier kom." Daarop namen zij hem mee in het kasteel.
Den volgenden morgen maakten de reuzen zich gereed om op de jacht
te gaan en voordat zij vertrokken, zeiden zij tot hem: "Gij moogt
in geen geval de eerste kamer bij de eetzaal binnengaan." Nauwelijks
echter waren de reuzen goed en wel uit het gezicht, of de jonge man
begon aldus bij zich zelf te overleggen: "Ik zie heel goed in, dat ik
ergens terecht ben gekomen, waar ik nooit levend vandaan raak; daarom
kan ik even goed in de kamer gaan; voor mij blijft het hetzelfde,
wat er ook van komt." Daarom ging hij er heen, deed de deur een
eindje open en gluurde naar binnen. Daar stond een gouden ezel,
gebonden aan een gouden voederbak. Hij keek er een poosje naar en
was juist op het punt de deur te sluiten, toen de ezel zei: "Kom
binnen, neem den halster van mijn hoofd en steek hem stilletjes bij
je. Hij zal je goede diensten kunnen bewijzen, als je hem maar weet te
gebruiken." Hij nam den halster dus en na de deur gesloten te hebben,
verborg hij hem vlug onder zijn kleeren. Hij zat nog niet heel lang,
of de reuzen kwamen terug. Zij vroegen hem dadelijk, of hij in de
eerste kamer was geweest en hij antwoordde allesbehalve op zijn gemak:
"Neen, ik ben er niet in geweest." "Maar wij weten, dat gij er wel in
zijt geweest," zeiden de reuzen zeer vertoornd en zij namen groote
stokken en sloegen hem zoo geweldig, dat hij ternauwernood op zijn
voeten kon staan. Het was zijn geluk, dat hij den halster onder zijn
kleeren om zijn middel had gewonden, anders zouden zij hem zeker
doodgeslagen hebben.
Den volgenden dag maakten de reuzen zich weer gereed om op de jacht
te gaan, maar voordat zij vertrokken, gaven zij hem opnieuw bevel in
geen geval de tweede kamer binnen te gaan.
Bijna onmiddellijk na hun vertrek, werd hij zoo vreeselijk
nieuwsgierig, wat er wel in de tweede kamer zou zijn, dat hij geen
weerstand kon bieden aan de verzoeking om de deur te openen. Hij stond
nog een oogenblik aarzelend voor de deur stil, maar bedacht toen:
"Ik ben toch al meer dood dan levend; veel erger kan het toch niet
worden!" Daarop opende hij de deur en keek naar binnen. Hij was zeer
verbaasd, toen hij daar een heel mooi meisje zag, in louter goud en
zilver gekleed, dat bezig was haar haar te kammen; in elke vlecht
hechtte zij een grooten diamant. Hij bleef haar eenige oogenblikken
bewonderen en stond juist op het punt de deur weer te sluiten, toen zij
sprak: "Wacht even, jonge man. Neem dezen sleutel en zorg er voor hem
goed te bewaren. Hij zal u eens te pas komen, als gij slechts weet,
hoe gij hem gebruiken moet." Toen kwam hij binnen om den sleutel
van het meisje aan te nemen, waarna hij het vertrek verliet, de deur
achter zich sloot en ging zitten op de plaats, waar hij gezeten had.
Hij had daar niet lang gezeten, of de reuzen kwamen terug van de
jacht. Zoodra zij het huis binnen kwamen, namen zij groote stokken
om hem te slaan, terwijl zij vroegen, of hij in de tweede kamer was
geweest. Bevend van angst antwoordde hij: "Neen, dat ben ik niet!"
"Maar wij weten, dat het wel zoo is," schreeuwden de reuzen hevig
vertoornd en sloegen hem nog erger dan den eersten keer.
De derde kamer.
Den volgenden morgen, toen de reuzen als gewoonlijk ter jacht gingen,
zeiden zij tegen hem: "Ga niet in de derde kamer, voor niets ter
wereld; want als gij dat doet, dan zullen wij niet als de vorige
keeren barmhartigheid met je betrachten! Dan kunt gij er op rekenen,
dat wij je doodslaan!" Maar ternauwernood waren de reuzen uit het
gezicht, of de jongeman zei tot zich zelf: "Het is waarschijnlijk,
dat zij mij zullen dooden, of ik er binnenga of niet. Bovendien,
al dooden zij mij niet, zij hebben mij toch al zoo erg geslagen,
dat ik meer dood dan levend ben; ik zal dus in elk geval de derde
kamer binnengaan." Hij stond op en opende de derde kamer. Maar hoe
ontstelde hij, toen hij zag, dat de kamer vol menschenhoofden was! Deze
hoofden behoorden aan jonge mannen, die evenals hij gekomen waren om
het beroep te leeren, dat niemand kent en die, na zich stipt aan de
bevelen van de reuzen te hebben gehouden, toch door hen gedood waren.
De jongeman wendde zich snel om, teneinde zich te verwijderen, toen
een der hoofden riep: "Wees niet bang, maar kom binnen!" Daarop ging
hij de kamer in. Toen gaf het hoofd hem een ijzeren ketting en zei:
"Pas goed op dezen ketting, want hij zal u van dienst zijn, indien
gij er een goed gebruik van weet te maken!" Hij nam den ketting dus
en toen hij de kamer verlaten had, sloot hij de deur.
Hij ging op zijn gewone plaats zitten om de komst der reuzen af te
wachten. Onderwijl werd hij zeer bevreesd, want hij was er volkomen
op voorbereid, dat zij hem zouden dooden.
Zoodra de reuzen thuis kwamen, namen zij hun stokken op en begonnen
zij hem te slaan zonder zich zelfs een oogenblik den tijd te gunnen om
hem een vraag te stellen. Zij sloegen hem zoo heftig, dat hij zoo goed
als dood liggen bleef, daarna wierpen zij hem het huis uit en zeiden:
"Ga nu heen, nu gij het beroep geleerd hebt, dat niemand kent."
Nadat hij geruimen tijd gelegen had op de plek, waar zij hem hadden
neergeworpen, en zich zeer pijnlijk en ellendig gevoelde, beproefde
hij eindelijk zich te bewegen, waarbij hij tot zich zelf zei: "Nu,
als zij mij werkelijk het ambacht geleerd hebben, dat niemand kent,
dan kan ik terwille van 's konings dochter met vreugde alle pijnen
lijden--als ik haar maar win."
Na geruimen tijd gereisd te hebben, kwam de jongeman aan het paleis van
den koning, wiens dochter hij wenschte te trouwen. Toen hij het paleis
zag, was hij buitengewoon treurig; hij herinnerde zich de woorden van
de prinses, want ondanks al zijn rondreizen en lijden had hij geen
ambacht geleerd, laat staan het beroep, "dat niemand kent." Terwijl
hij nog nadacht, wat hij het best zou kunnen doen, herinnerde hij zich
eensklaps den halster, den sleutel en den ijzeren ketting, die hij,
verborgen onder zijn kleeren, steeds mee had gedragen, sinds hij het
kasteel van de vier reuzen had verlaten. Toen zei hij tot zich zelf:
"Laat ik eens zien, wat deze dingen kunnen doen!" Hij nam den halster
en sloeg er mee op den grond en onmiddellijk stond een mooi paard,
fraai opgetuigd voor hem. Daarna sloeg hij de aarde met den ijzeren
ketting en dadelijk verschenen een haas en een hazewind. De haas begon
hard te loopen en de hazewind achtervolgde hem. Een oogenblik later
herkende de jongeman zich zelf nauwelijks, want hij zag zich gekleed
in een fraai jachtcostuum en hij zat op het paard en vervolgde den
haas, die een richting insloeg, welke hem vlak onder het raam van
's konings paleis moest voeren. Nu wilde het toeval, dat de koning
juist voor een venster stond en naar buiten keek. Dadelijk zag hij
den mooien hazewind, die den haas nazat, en het zeer mooie paard
met een jager in schitterend jachtcostuum er op. De koning was zoo
ingenomen met het voorkomen van het paard en den hazewind, dat hij
eenige bedienden riep en hen den vreemdeling nazond om dezen uit te
noodigen in het kasteel te komen. Maar toen de jongeman een aantal
menschen roepende en schreeuwende achter zich hoorde, reed hij snel
achter een dikken struik, waar hij even den halster en den ijzeren
ketting schudde. In een ommezien waren het paard, de hazewind en de
haas verdwenen en hij zat weer op den grond onder de boomen, gekleed
in zijn oude, versleten kleeren. Intusschen waren de knechts van den
koning naderbij gekomen en toen zij hem daar zagen zitten, vroegen zij
hem, of hij een knappen jager op een mooi paard voorbij had zien komen.
Hij gaf hun ruw ten antwoord: "Neen: ik heb niemand voorbij zien komen,
ik stel er ook geen belang in, wie er voorbij gaat!"
Toen vervolgden de dienaren van den koning hun weg en doorzochten
het bosch, waarbij zij zoo hard riepen als zij konden, maar het was
alles vergeefsch, zij zagen noch hoorden iets van den jager. Eindelijk
gingen zij terug naar den koning en vertelden hem, dat het paard en
de jager zoo buitengewoon hard reden, dat zij niets van hem bespeurd
hadden in het bosch.
De zoon keert terug.
Nu besloot de jongeman naar de hut te gaan, waar zijn ouders
woonden. Zij waren blij, toen zij hem terugzagen.
Den volgenden dag zei de zoon tegen zijn vader: "Nu vader, zal
ik u toonen, wat ik heb geleerd. Ik zal mij zelf veranderen in
een mooi paard en u moet mij naar de stad brengen en verkoopen,
maar zorg er voor, dat u den halster niet weggeeft, anders moet ik
altijd een paard blijven!" Hij veranderde zich onmiddellijk in een
paard van buitengewone schoonheid, en heel hooge prijzen werden voor
hem geboden; maar de oude man zette den prijs hooger en hooger bij
elk bod. Het nieuws verspreidde zich snel door de stad, dat er een
prachtig paard op de markt te koop was en eindelijk hoorde de koning
zelf er van. Hij zond eenige bedienden om het paard voor hem te halen,
zoodat hij het zou kunnen zien.
De oude man bracht het paard dadelijk voor het paleis en de koning kon,
nadat hij het een poos bewonderd had, niet nalaten uit te roepen:
"Op mijn woord, ofschoon ik een koning ben, heb ik nog nooit zoo'n
mooi paard gezien, noch minder ooit op zoo'n beest gezeten!"
Toen vroeg hij den ouden man, of hij het hem wilde verkoopen. "Ik wil
het heel graag aan Uwe Majesteit verkoopen", zei de oude man, "maar
alleen het paard, den halster niet." Daarop lachte de koning en zei:
"Wat zou ik met uw vuilen halster moeten doen? Voor zulk een paard
wil ik een halster van goud laten maken!" Het paard werd nu voor zeer
hoogen prijs aan den koning verkocht en de oude man keerde met het
geld terug.
Den volgenden morgen heerschte er groote beweging en ontsteltenis in
de koninklijke stallen, want het mooie paard was gedurende den nacht
verdwenen. En op hetzelfde oogenblik, dat het paard zich uit de voeten
had gemaakt, keerde de jongeman in de hut zijner ouders terug.
Een paar dagen later zei de jongeman tegen zijn vader: "Nu zal ik mij
in een mooie kerk veranderen en niet ver van het koninklijk paleis
gaan staan en als de koning het gebouw mocht willen koopen, dan kunt
gij het hem verkoopen, maar zorg er voor den sleutel niet af te geven,
anders moet ik altijd een kerk blijven!"
Toen de koning dien morgen opstond en naar zijn raam ging om uit te
kijken, zag hij een mooie kerk, die hij tevoren nooit had gezien. Hij
stuurde zijn knechts op onderzoek uit, en spoedig daarna kwamen zij
terug en vertelden, dat "de kerk aan een ouden pelgrim behoorde,
die zei, dat hij bereid was ze te verkoopen, indien de koning ze
wenschte te koopen".
Daarna liet de koning vragen voor welken prijs hij ze wilde verkoopen
en de pelgrim antwoordde: "Ze is heel veel geld waard."
Hooger geboden dan de koning.
Terwijl de knechts met den vader onderhandelden, naderde er een
oude vrouw. Dit was dezelfde oude vrouw, die den jongeman naar het
kasteel van de vier reuzen had gezonden; zij zelf was er ook geweest
en had het ambacht geleerd, dat niemand kende. Daar zij dadelijk
begreep, wat er aan de hand was, en zij er allerminst op gesteld
was een mededinger in haar beroep toe te laten, besloot zij den
jongeman onschadelijk te maken. Daarom bood zij steeds hooger dan de
koning, en bood tenlaatste zulk een groote som baar geld, dat de man
verbaasd en verlegen werd op het zien van al het geld, dat zij hem
toonde. Hij nam haar bod dus aan, maar terwijl hij het geld telde,
vergat hij geheel en al den sleutel. Eindelijk herinnerde hij zich,
wat zijn zoon hem had gezegd, en, daar hij een onheil vreesde, liep
hij de oude vrouw hard achterna en vroeg den sleutel terug. Maar de
oude vrouw was niet te overreden den sleutel terug te geven. Ze zei,
dat die bij de kerk behoorde, die zij had gekocht en betaald. Toen
hij begon te merken, dat zij den sleutel in geen geval terug zou
willen geven, werd de oude man hoe langer hoe meer bevreesd, dat zijn
verzuim zijn zoon duur te staan zou komen. Daarom greep hij de oude
vrouw bij haar hals en dwong haar den sleutel te laten vallen. Zij
deed haar uiterste best hem weer terug te krijgen en terwijl zij en
de oude man worstelden veranderde de sleutel in een duif en vloog
weg hoog in de lucht over de tuinen van het paleis.
Toen de oude vrouw dat zag, veranderde zij zich in een havik en joeg
de duif na. Maar juist toen de havik op haar neer wilde schieten,
veranderde de duif in een mooi bouquet, dat in de handen van de dochter
des konings viel, die juist in den tuin wandelde. Toen veranderde
de havik weer in een oude vrouw, die naar de poort van het paleis
ging. Dringend verzocht zij de prinses haar het bouquet te geven of
althans een enkele bloem er uit.
Maar de prinses zei: "Neen! voor niets ter wereld! Deze bloemen vielen
uit den hemel op mij neer." Maar de oude vrouw was vast besloten een
der bloemen te krijgen en ging daarom regelrecht naar den koning en
smeekte hem zoo deerniswaardig, dat hij zijn dochter bevelen zou haar
een bloem te geven, dat de koning, die meende dat de vrouw een der
bloemen noodig had om van een ziekte te genezen, zijn dochter bij
zich riep en beval er een aan de bedelaarster te geven.
Maar juist, toen de koning dit zei, veranderde het bouquet in een
hoop gierst, die zich over den grond verspreidde. Toen veranderde de
oude vrouw vlug in een hen met kuikens en begon gretig de korrels op
te pikken. Maar eensklaps verdween de gierst en in de plaats er van
stond een vos, die op de hen toesprong en haar doodde.
Daarna veranderde de vos in een jongeman, die aan den verbaasden
koning en de prinses verklaarde, dat hij gekomen was om de hand van
de prinses te vragen en dat hij de wereld rond was getrokken, tot hij
iemand gevonden had, die hem het beroep, dat niemand kent, had geleerd.
Toen de koning en zijn dochter dit hoorden, verklaarden zij zich
bereid de belofte te houden, die zij gegeven hadden.
Kort daarop trouwde de dochter van den koning den zoon der arme
lieden. De koning liet voor de prinses en haar echtgenoot een paleis
vlak bij het zijne bouwen. Daar woonden zij lang en kregen er een
overvloed van kinderen en men zegt, dat eenige van hun afstammelingen
nog leven, en dat die dikwijls naar de kerk gaan bidden, die altijd
open moet blijven, omdat de sleutel er van veranderd is in een jonge
man, die de dochter van den koning trouwde, nadat hij bewezen had
aan de gestelde voorwaarden te kunnen voldoen en terwille van haar
het beroep had geleerd, "dat niemand kent."
De tweelingen met de gouden haren.
Lang, lang geleden leefde er een jonge koning, die heel graag zou
trouwen, maar niet wist, waar hij het best deed naar een vrouw
te zoeken.
Op zekeren avond, toen hij vermomd door de straten van zijn hoofdstad
liep, wat hij dikwijls deed, stond hij stil om te luisteren bij een
open raam, waar hij drie jonge meisjes vroolijk hoorde babbelen.
De meisjes spraken over het gerucht, dat den laatsten tijd de rondte
door de stad deed, dat de koning van plan was spoedig te trouwen.
Een der meisjes riep uit: "Indien de koning mij wilde trouwen, dan
zou ik hem een zoon geven, die de grootste held in de wereld zou zijn."
Het tweede meisje sprak: "En als ik zijn vrouw zou zijn, dan zou ik
hem twee zoons tegelijk geven--de tweelingen met het gouden haar."
En het derde meisje verzekerde, dat zij, als de koning _haar_ zou
trouwen, hem een dochter zou geven, wier schoonheid door niemand ter
wereld geëvenaard zou worden!
De jonge koning luisterde naar dit alles, dacht eenigen tijd na over
haar woorden en beproefde vast te stellen, wie van de meisjes hij het
best deed tot vrouw te nemen. Eindelijk besloot hij, dat zij het zijn
zou, die gezegd had hem een tweeling met gouden haren te schenken.
Toen hij hiertoe besloten had, gaf hij bevel dadelijk de
voorbereidselen tot zijn huwelijk te treffen en kort daarna, toen
alles gereed was, trouwde hij het tweede van de drie meisjes.
Verscheidene maanden na zijn huwelijk kreeg de koning, die in oorlog
was met naburige vorsten, bericht, dat zijn leger een nederlaag had
geleden en dat het wenschelijk was, dat hij zich onverwijld naar het
kamp spoedde. Hij verliet daarom zijn hoofdstad, liet de jonge koningin
in zijn paleis achter met zijn stiefmoeder, en ging naar het leger.
Nu haatte de stiefmoeder van den koning haar schoondochter. Toen
de jonge koningin haar bevalling voelde naderen, vertelde de oude
koningin haar, dat het de gewoonte in de koninklijke familie was,
dat de erfgenaam van den troon op een vliering geboren werd.
De jonge koningin, die niets wist van de gewoonten bij vorstelijke
families, (behalve dan hetgeen zij gehoord of gezien had sinds
haar huwelijk met den koning) geloofde onvoorwaardelijk, wat haar
schoonmoeder haar vertelde, ofschoon zij het wel erg jammer vond haar
mooie vertrekken te moeten verlaten voor een armoedige vlieringkamer.
Toen de tweelingen met de gouden haren geboren waren, beraamde de oude
koningin het plan hen uit de wieg te stelen en twee leelijke, kleine
honden in hun plaats te leggen. Zij liet de mooie tweelingjongetjes
met de gouden haren levend begraven op een afgelegen plek in de
tuinen van het paleis en zond daarna bericht aan den koning, dat de
jonge koningin hem twee kleine honden had geschonken inplaats van
de erfgenamen, waarop hij had gehoopt. De slechte stiefmoeder zei in
haar brief aan den koning, dat zij zelf hierover niet verbaasd was,
ofschoon zij zich zijn teleurstelling kon voorstellen en het haar
om zijnentwil veel leed deed. Zij zelf had echter de jonge koningin
er reeds lang van verdacht te groote vriendschap te koesteren voor
kabouters en feeën en allerhande soorten booze geesten.
Toen de koning dezen brief ontving, werd hij vreeselijk woedend,
omdat hij het jonge meisje alleen getrouwd had, daar zij hem beloofd
had tweelingen met gouden haren als erfgenaam voor zijn troon te
zullen schenken.
Hij zond bericht aan de oude koningin, dat zijn vrouw dadelijk in den
vochtigsten kelder van het kasteel geworpen moest worden, een bevel,
dat door de booze vrouw zonder verwijl werd uitgevoerd. Dientengevolge
werd de arme, jonge koningin in een ellendigen, donkeren kerker onder
het paleis op water en brood gevangen gezet.
De belofte van de jonge koningin.
Er was maar een heel klein gat in deze gevangenis--nauwelijks genoeg
om licht en lucht door te laten. Toch wist de oude koningin gedaan
te krijgen, dat een groot aantal menschen dit hol voorbij ging en
ieder, die voorbij kwam, kreeg het bevel er naar te spuwen en de
ongelukkige jonge koningin te beleedigen door haar toe te roepen:
"Zijt gij werkelijk de koningin? Zijt gij het meisje, dat den koning
bedroog teneinde koningin te worden? Waar zijn uw tweelingen met
de gouden haren? Gij hebt den koning en uw vrienden bedrogen en nu
hebben de heksen u misleid!"
Maar de jonge koning, ofschoon hij ontzettend boos was en gekweld
werd door zijn groote teleurstelling, was tegelijk te bedroefd om
naar zijn paleis te willen terugkeeren. Hij bleef dus negen jaren
weg. Toen hij er eindelijk in toestemde om terug te keeren, werd zijn
aandacht het eerst getrokken door twee mooie, jonge boomen in den tuin,
precies gelijk van vorm en even groot.
Deze boomen hadden beide gouden bladeren en gouden bloesems en waren
uit zich zelf gegroeid op de plaats, waar de stiefmoeder van den
koning de twee jongetjes met de gouden haren, die zij uit de wieg
gestolen had, had laten begraven.
De koning bewonderde deze boomen buitengewoon en hij kon er niet genoeg
naar kijken. Maar dit stond de oude koningin volstrekt niet aan, want
zij wist, dat de beide jonge prinsen begraven waren juist op de plaats,
waar de boomen groeiden en zij was altijd bang, dat op de een of andere
manier den koning ter oore zou komen, wat zij gedaan had. Zij hield
zich daarom ziek en zei, dat zij er zeker van was te zullen sterven,
tenzij haar stiefzoon bevel gaf de twee boomen met de gouden bladeren
om te houwen en een bed voor haar te laten maken uit hun hout.
Daar de koning niet de schuld van haar dood wilde dragen, gaf hij
bevel aan haar wensch gehoor te geven, ofschoon het hem zeer speet,
dat hij zijn lievelingsboomen zou moeten missen. .
Een bed werd spoedig gemaakt van het hout der twee boomen en de
oogenschijnlijk zieke, oude koningin werd er in gelegd, gelijk zij had
verlangd. Zij was overgelukkig, dat de boomen met de gouden bladeren
uit den tuin verdwenen waren, maar tegen middernacht werd zij wakker
en kon zij den slaap niet meer vatten. Want het scheen haar toe,
dat de planken, waarvan haar bed was gemaakt, met elkaar spraken!
"Hoe maakt gij het, mijn broeder?" En de andere plank antwoordde:
"Dank je, ik maak het het heel goed; hoe maakt gij het?"
"O, best," antwoordde de eerste plank; "maar ik zou wel willen weten,
hoe het met onze arme moeder gaat in haar donkeren kerker! Misschien
heeft zij honger en dorst!"
De booze, oude koningin kon den ganschen nacht geen oog meer dicht
doen, toen zij dit gesprek tusschen de planken van haar bed had
gehoord. Den volgenden morgen stond zij heel vroeg op en begaf zich
naar den koning. Zij dankte hem, dat hij haar wenschen vervuld had en
zei, dat zij zich al veel beter voelde, maar dat zij er zeker van was
nooit geheel te zullen herstellen, tenzij de planken van haar nieuwe
bed stuk gehakt werden en in het vuur werden geworpen. Het speet
den koning ook de planken te moeten verliezen, die uit zijn twee
lievelingsboomen waren gemaakt, maar hij kon niet weigeren alles te
doen, wat tot een volkomen herstel van zijn stiefmoeder kon leiden.
Het nieuwe bed werd dus in stukken gehouwen en in het vuur
geworpen. Maar terwijl de planken gloeiden en knetterden, vlogen
twee vonken van het vuur op het binnenplein en het volgend oogenblik
dartelden twee jonge lammeren met gouden vacht en gouden horens op
het plein rond.
De koning bewonderde hen zeer en vroeg, wie ze daar gebracht had en
aan wien ze behoorden. Hij stuurde zelfs een omroeper verscheidene
keeren door de stad om den eigenaar van lammeren met een gouden vacht
op te roepen voor den koning te verschijnen; maar niemand kwam,
zoodat hij ten slotte van oordeel was, dat hij ze gerust als zijn
eigendom kon beschouwen.
De koning droeg groote zorg voor deze twee mooie lammeren en gaf
elken dag aanwijzingen omtrent hun voeding en verzorging; maar dit
stond zijn stiefmoeder in het geheel niet aan. Zij kon zelfs niet
naar de lammeren met de gouden vacht en de gouden horens kijken,
zonder zich de tweelingen met de gouden haren te herinneren.
Na een poosje gaf zij dus weer voor gevaarlijk ziek te zijn en zei,
dat zij er zeker van was, spoedig te zullen sterven, tenzij de twee
lammeren gedood en hun vleesch voor haar gekookt zou worden.
De koning hield zelfs nog meer van zijn lammeren dan hij van zijn
boomen met de gouden bladeren had gehouden, maar hij kon niet lang
weerstand bieden aan de tranen en gebeden van de oude koningin, vooral
niet nu zij zeer ziek scheen te zijn. De lammeren werden dus gedood
en aan een knecht werd opgedragen hun gouden vacht naar de rivier te
dragen en het bloed er goed uit te wasschen. Maar terwijl de bediende
ze onder water hield, glipten zij op de een of andere manier uit zijn
vingers en dreven met den stroom mede, die op deze plaats juist heel
snel was. Nu gebeurde het, dat een eind stroomafwaarts een jager langs
de rivier liep, en toen hij toevallig op het water keek, zag hij iets
vreemds drijven. Hij stapte in de rivier en vischte er een doos uit,
die hij mee naar huis nam en daar opende. Tot zijn onuitsprekelijke
verbazing vond hij in de doos twee jongens met gouden haren. De
jager had zelf geen kinderen; hij nam daarom de tweelingen aan, die
hij uit het water had opgevischt, en bracht ze groot, alsof het zijn
eigen zoons waren geweest. Toen de tweelingen waren opgegroeid tot
knappe, jonge mannen, zei een hunner tot hun pleegvader: "Maak twee
bedelaarspakken voor ons en laat ons de wereld rondreizen!" Maar
de jager antwoordde: "Neen, ik zal een fijn pak kleeren voor ieder
van u laten maken, zooals past voor twee jonge mannen van zoo edel
voorkomen." Toen echter de beide tweelingen er op aandrongen toch niet
zooveel geld nutteloos uit te geven door mooie kleeren te koopen en
hem vertelden, dat zij er op stonden als bedelaars de wereld in te
gaan, deed de jager--die gewoon was zijn knappe pleegzoons hun zin te
geven--wat zij verlangden en bestelde twee stellen kleeren, gelijk de
bedelaars dragen. De twee zoons verkleedden zich toen als bedelaars,
verborgen zoo goed als het ging hun mooie gouden haren en begaven zich
toen op weg om in de wereld rond te zien. Zij namen een goussle mede en
een cimbaal en voorzagen in hun levensonderhoud door zingen en spelen.
De zoons van den koning.
Zij hadden zoo eenigen tijd rondgereisd, toen zij aan het paleis van
den koning kwamen. Daar het vrij laat in den middag was geworden,
vroegen de jonge muzikanten verlof om den nacht in een van de
bijgebouwen te mogen doorbrengen, daar zij arm waren en niemand in
de stad kenden. De oude koningin, die juist op het binnenplein was,
zag hen en zei scherp, toen zij hun verzoek hoorde, dat bedelaars
niet toegelaten konden worden, in welk deel ook van het koninklijk
paleis. De beide reizigers zeiden, dat zij hadden gehoopt voor hun
logies te betalen met hun liederen en gezang, daar een hunner bij de
goussle zong en de andere bij de cimbaal.
Maar hierdoor werd de oude koningin niet verteederd. Zij bleef er
op aandringen, dat zij onmiddellijk heen zouden gaan. Gelukkig voor
de beide broeders kwam de koning zelf op het plein, juist op het
oogenblik, dat zijn stiefmoeder hen toornig gebood heen te gaan. Hij
beval zijn bedienden dadelijk een slaapplaats voor de muzikanten
in orde te brengen en de beide broers een goed avondmaal voor te
zetten. Nadat zij hun avondeten gebruikt hadden, beval de koning hen
in zijn tegenwoordigheid te brengen, opdat hij over hun bekwaamheden
zou kunnen oordeelen, en misschien met hun gezang hem den avond zouden
kunnen korten. Nadat de twee jonge mannen de ververschingen gebruikt
hadden, die voor hen waren gereed gemaakt, voerde de bediende hen
in tegenwoordigheid van den koning, en zij begonnen deze ballade
te zingen:
"De mooie vogel, de zwaluw, bouwde zorgvuldig haar nest in het paleis
van den koning. In het nest bracht zij twee van haar jongen groot. Een
leelijke, zwarte vogel kwam echter naar het nest van de zwaluw, om haar
geluk te verstoren en haar twee kleinen te dooden. En de leelijke,
zwarte vogel slaagde er in het geluk van de arme, kleine zwaluw te
vernietigen. Hoewel de kleinen nog jong en zwak waren en nog niet in
staat om te vliegen, werden zij echter gered en zoodra zij opgegroeid
waren en hun vleugels konden uitslaan, gingen zij naar het paleis,
waar hun moeder, de aardige zwaluw, haar nest had gebouwd."
Dit vreemde lied zongen de twee minstreelen zoo liefelijk, dat de
koning er zeer door was bekoord en hun naar den zin van het lied vroeg.
Hierop namen de twee armelijk gekleede jonge mannen hun hoeden af,
waardoor de prachtige lokken van hun gouden haar over hun schouders
neervielen en het schijnsel der lampen er in weerkaatsten kon, zoodat
de geheele zaal verlicht werd door hun glans. Toen traden zij naar
voren en vertelden den koning, wat hen en hun moeder was gebeurd en
zij overtuigden hem, dat zij werkelijk zijn eigen zoons waren.
De koning geraakte buiten zich zelf van woede, toen hij al de wreede
dingen hoorde, die zijn stiefmoeder had bedreven en hij gaf bevel haar
te verbranden. Daarna ging hij met de beide prinsen met de gouden
haren naar den ellendigen kerker, waarin zijn ongelukkige vrouw
zooveel jaren had gevangen gezeten en hij bracht haar terug in haar
prachtig paleis. Toen zij daar haar zoons met de gouden haren terug
zag en merkte hoeveel hun vader van hen hield, vergat zij spoedig
haar lange jaren van ellende. Wat den koning betreft, hij voelde,
dat hij nooit genoeg kon doen, om al het onrecht goed te maken, dat
de koningin had geleden en een vergoeding te geven voor al de gevaren,
waaraan zijn tweelingzoons blootgesteld waren geweest. Hij voelde, dat
hij te gereedelijk al de verhalen van de oude koningin had geloofd,
omdat hij nooit de moeite had genomen zich te overtuigen, of al de
vreemde dingen, die zij verteld had, waarheid of leugen waren.
Na al deze zelfkwelling en verdriet en ellende kwam alles ten laatste
weer goed. Nog lang mochten de koning met zijn vrouw en hun tweelingen
met de gouden haren gelukkig samen leven.