De oude man trad bevend naar voren en vroeg: "Wat verlangt gij?"

"Niets anders, dan wat gij mij hebt beloofd!" antwoordde de zwarte

reus.

Daar hij zijn belofte niet mocht breken, was de oude man, hoezeer

't hem ook smartte, genoodzaakt zijn oudsten zoon aan den reus over

te geven, die daarop sprak: "Nu neem ik uw zoon mee, maar over drie

jaren kunt gij naar de Ongelukkige rivier komen en hem weer meenemen."

Na dit gezegd te hebben, verdween de zwarte reus, en voerde den

jongeman met zich mee. Deze werd zijn leerjongen in zijn werkplaats,

waar de reus het beroep van toovenaar uitoefende.

Vanaf dat oogenblik had de arme, oude man geen gelukkig oogenblik

meer. Hij was altijd bedroefd en angstig en telde elk jaar en elke

maand, en elke week en zelfs iederen dag, tot het ochtendgrauwen

van den laatsten dag verkondigde, dat de drie jaren om waren. Toen

nam hij een staf in zijn hand en haastte zich naar den oever van de

Ongelukkige rivier. Zoodra hij de rivier bereikte, kwam de zwarte

reus hem tegemoet en vroeg hem: "Waarvoor komt gij?"

De oude man antwoordde, dat hij kwam om zijn zoon mee naar huis te

nemen, zooals zij overeengekomen waren. Daarop hield de reus hem een

blad voor, waarop een musch, een tortelduif en een kwartel zaten

en zei tegen den ouden man: "Als gij kunt zeggen, wie uw zoon is,

dan kunt gij hem meenemen."

De oude man keek aandachtig naar de drie vogels, en keek telkens weer,

maar eindelijk was hij genoodzaakt te bekennen, dat hij niet wist,

wie zijn zoon was. Zoo was hij genoodzaakt alleen terug te gaan en

hij voelde zich nog veel rampzaliger dan te voren. Nauwelijks was

hij echter halverwege zijn huis, of hij bedacht zich en ging terug

naar de rivier met het voornemen om een van de vogels aan te wijzen,

die hem, gelijk hij zich nu herinnerde strak had aangezien.

Toen hij de Ongelukkige rivier bereikte, kwam de reus hem weer tegemoet

en weer hield hij hem een blad voor, waarop dezen keer een patrijs,

een mees en een zanglijster zaten en hij sprak: "Nu, oude man, vertel,

wie uw zoon is!"

De bezorgde vader keek elken vogel op de rij af oplettend aan, maar

hij voelde zich nog onzekerder dan den vorigen keer en daarop ging

hij bitter schreiend weer heen.

De oude vrouw.

Juist toen de oude man door een woud ging, dat zich tusschen de rivier

de Ongelukkige en zijn huis uitstrekte, kwam een oude vrouw hem tegen

en zei: "Wacht een oogenblik! Waar gaat gij zoo haastig heen? En

waarom zijt gij zoo bedroefd?" De man was zoo diep in gedachten

verzonken, dat hij in het eerst geen acht sloeg op de oude vrouw,

maar zij volgde hem, en riep nog eens en herhaalde haar vraag met nog

meer aandrang dan den eersten keer. Toen stond hij eindelijk stil en

vertelde haar, welk een ontzettend ongeluk hem had getroffen. Toen

de oude vrouw het geheele verhaal had gehoord, zei zij opgeruimd:

"Wees niet terneergeslagen. Wees niet bang! Ga weer terug naar de

rivier en als de reus de drie vogels weer brengt, kijk ze dan scherp

in de oogen. Als gij ziet, dat een der vogels een traan in een zijner

oogen heeft, grijp hem dan en houd dien vast; want dan heeft hij een

menschelijke ziel."

De oude man dankte haar hartelijk voor haar raad en ging voor

den derden keer terug naar de Ongelukkige rivier. Weer verscheen

de zwarte reus en hij keek heel vroolijk, toen hij een musch, een

duif en een specht op zijn blad bracht en zei: "Vooruit, oude man,

zeg maar, wie uw zoon is!" Toen keek de vader de vogels scherp in

de oogen en hij zag, dat in het rechteroog van de duif een traan

biggelde. Oogenblikkelijk greep hij den vogel stevig vast en sprak:

"Dit is mijn zoon!" Het volgende oogenblik merkte hij, dat hij zijn

oudsten zoon stevig bij den schouder hield en hij nam hem zingende

en roepende van vreugde gauw mee naar huis, en gaf hem daar over aan

zijn oudste schoondochter, de vrouw van zijn zoon.

Nu leefden zij allen eenigen tijd heel gelukkig met elkaar. Op zekeren

dag zei de jonge man echter tegen zijn vader: "Als leerling in de

werkplaats van den zwarten reus heb ik een groot aantal tooverkunsten

geleerd. Nu ben ik van plan mij in een mooi paard te veranderen,

en u moet mij naar de markt brengen en voor een goede som geld

verkoopen. Maar denk er aan, dat u den halster niet erbij geeft."

De vader deed gelijk zijn zoon hem had gezegd. Den volgenden marktdag

ging hij naar de stad met een mooi paard, dat hij te koop aanbood. Veel

koopers kwamen om hem heen staan om het paard te bewonderen en steeds

grooter sommen geld boden zij er voor, zoodat de oude man eindelijk

in staat was het dier voor twee duizend dukaten te verkoopen.

Toen hij het geld ontving, zorgde hij er goed voor den halster niet

te verliezen en hij keerde naar huis terug, veel rijker dan hij ooit

gedroomd had te zullen worden.

Eenige dagen later zond de man, die het paard gekocht had, het met

een knecht naar de rivier om het te laten baden en terwijl het in het

water was, rukte het paard zich los van den knecht en galloppeerde

naar een naburig bosch. Daar nam het zijn ware gedaante weer aan en

keerde terug naar het huis van zijn vader.

Na eenigen tijd zei de jonge man tot zijn vader: "Nu zal ik mij in

een os veranderen; u kunt mij weer naar de markt brengen om mij te

verkoopen; zorg er echter voor het koord, waaraan gij mij leidt,

niet af te geven."

Den volgenden marktdag ging de oude man dus naar de markt, en voerde

een fraaien os aan een touw met zich mee. Spoedig vond hij een kooper,

die tienmaal den gewonen prijs voor den os betaalde. De kooper vroeg

ook om het touw om den os naar huis te leiden, maar de oude man zei:

"Wat hebt gij aan zoo'n oud ding? Gij deedt beter een nieuw te

koopen!" en toen hij heenging, nam hij het touw mee.

Dien avond, toen de knechts van den kooper den os naar de weide

dreven, liep hij weg, vluchtte naar het naaste bosch en na weer zijn

menschelijke gedaante te hebben aangenomen, keerde hij terug naar

het huis zijns vaders.

Aan den vooravond van den volgenden marktdag zei de jongeman tegen

zijn vader: "Nu zal ik mij in een koe met gouden horens veranderen,

en u kunt mij evenals de vorige keeren verkoopen, maar zorg er voor

het koord niet af te geven."

Den volgenden morgen veranderde hij zich in een koe; de oude man

bracht ze naar de markt en kreeg er drie honderd kronen voor.

Maar de zwarte reus had gehoord, dat zijn vorige leerling veel geld

maakte door het vak te beoefenen, dat hij hem had geleerd, en daar

hij naijverig op hem was, maakte hij een einde aan de winsten van

den jongeman.

De reus koopt de koe.

Daarom kwam hij den derden keer zelf naar de markt als kooper,

en zoodra hij de mooie koe met de gouden horens zag, wist hij, dat

dit niemand anders kon zijn dan zijn oud-leerling. Hij naderde dus

den ouden man, en na hooger geboden te hebben dan de andere koopers,

betaalde hij den prijs, dien hij geboden had. Dadelijk daarop greep

hij het koord en trachtte het den verschrikten ouden man te ontrukken,

die uitriep: "Ik heb u het touw niet verkocht, maar de koe!" en hij

hield het touw met beide handen vast.

"O, neen!" zei de kooper, "volgens de wet en het gewoonterecht is het

touw in den koop inbegrepen! Wie een koe koopt, koopt ook het koord,

waaraan zij wordt geleid!" Eenige toeschouwers, die zich verbaasden

en pret hadden, zeiden, dat dit volkomen juist was; daarom was de

oude man wel verplicht het koord te geven.

De zwarte reus, die zeer voldaan was over zijn koop, nam de koe mee

naar zijn kasteel, en nadat hij zware ijzers aan haar pooten had

bevestigd, maakte hij haar vast in den kelder. Elken morgen gaf de

reus wat water en hooi aan de koe, maar de ijzers maakte hij niet los.

Op zekeren avond gelukte het de koe toch zich uit de ijzeren ketenen

te bevrijden; ze opende dadelijk de kelderdeur met haar horens en

rende weg.

Den volgenden morgen ging de zwarte reus als gewoonlijk met water

en hooi voor de koe den kelder in. Toen hij zag, dat de koe was

weggeloopen, wierp hij het hooi neer en snelde weg om haar te

achtervolgen.

Zoodra hij haar in het oog kreeg, veranderde hij zich in een wolf,

die onder woedend gehuil op haar toesnelde; maar zijn knappe leerling

veranderde zich dadelijk van een koe in een beer, waarop de reus de

gedaante van een leeuw aannam; toen veranderde de beer zich in een

tijger, en de leeuw veranderde in een krokodil, waarop de tijger

zich weer in een musch veranderde. Hierop veranderde de reus zich

van een krokodil in een havik en de leerling nam onmiddellijk de

gedaante van een haas aan; toen de havik dit zag, veranderde hij

in een hazewind. Toen veranderde de leerling van een haas in een

valk en de hazewind werd een arend, waarop de leerling in een visch

veranderde. Daarop veranderde de reus van een arend in een muis en

dadelijk daarna liep de leerling hem als een kat achterna; nu wist de

reus niets beters te doen dan zich in een hoop gierst te veranderen,

waarop de leerling een hen met kuikens werd, die gretig al de gierst

begonnen op te pikken, wat hun gelukte op een korrel na, juist die,

waarin de meester zat; deze veranderde zich nu in een eekhoorn, maar

onmiddellijk werd de leerling een havik; hij schoot op den eekhoorn

neer en doodde hem.

Op deze wijze versloeg de leerling zijn meester, den zwarten reus en

wreekte zich voor al het lijden, dat hij van hem had moeten verduren,

toen hij het vak van toovenaar leerde.

Nadat hij den eekhoorn had gedood, nam de havik zijn eigen gedaante

weer aan en de jonge man keerde vroolijk naar zijn vader terug,

dien hij in den loop des tijds onmetelijk rijk maakte.

Het beroep dat niemand kent.

Lang geleden leefde er een arm menschenpaar, dat een zoon had. De oude

man en zijn vrouw werkten heel hard om hun kind behoorlijk groot te

kunnen brengen, en hoopten, dat hij op zijn beurt voor hen zou zorgen

op hun ouden dag.

Maar toen de jongen volwassen was, zei hij tegen zijn ouders:

"Nu ben ik een man en ik ben van plan te trouwen, daarom wensch ik,

dat u dadelijk naar den koning gaat en hem vraagt mij zijn dochter

tot vrouw te geven." De verbaasde ouders berispten hem en zeiden:

"Waar denk je aan? Wij hebben niets dan deze armoedige hut om ons

te beschutten en ternauwernood genoeg brood om ons te voeden; wij

durven niet eens in de nabijheid van den koning komen--noch minder

hem te vragen je zijn dochter tot vrouw te geven."

De zoon drong er echter op aan, dat zij zouden doen, wat hij verlangde

en dreigde hen te zullen verlaten en de wereld in te gaan, indien

zij niet voldeden aan zijn wensch. Daar zij merkten, dat het hem

werkelijk ernst was met zijn verzoek, beloofden de ongelukkige ouders,

dat zij zouden gaan, en 's konings dochter voor hem als vrouw zouden

vragen. Daarop maakte de moeder in tegenwoordigheid van haar zoon

een huwelijkskoek en toen hij gereed was, deed zij hem in een zak,

nam een staf in haar hand en ging regelrecht naar het paleis, waar

de koning woonde. Daar verzochten de bedienden van den koning haar

binnen te komen; zij brachten haar in de hal, waar de koning gewoon

was arme lieden te ontvangen, die kwamen om aalmoezen te vragen en

verzoekschriften aan te bieden.

De arme, oude vrouw stond in de hal verlegen en beschaamd om haar

versleten, armoedige kleeren; zij zag er uit, of zij van steen was,

totdat de koning vriendelijk tegen haar zei: "Wat verlangt gij van

mij, moedertje?"

Maar zij dorst toch niet aan den koning te zeggen, waarom zij

was gekomen; daarom stamelde zij in haar verlegenheid: "Niets,

Uwe Majesteit."

Daar moest de koning even om glimlachen en hij zei: "Misschien komt

gij om een aalmoes te vragen?"

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 44 / 47 题