Dieren als vrienden en als vijanden. [87]

Eens, heel lang geleden, leefde er in een ver verwijderd land een

jong edelman, die zoo buitengewoon arm was, dat zijn geheele bezitting

bestond in een oud kasteel, een fraai paard, een trouwen hond en een

goed geweer.

Deze edelman besteedde al zijn tijd met jagen en schieten en leefde

uitsluitend van de opbrengst van de jacht.

Op zekeren dag besteeg hij zijn welverzorgd paard en reed naar het

naburige woud, als gewoonlijk vergezeld van zijn trouwen hond. Toen

hij in het bosch kwam, steeg hij af, maakte zijn paard stevig vast

aan een jongen boom en ging toen diep het struikgewas in om het

wild op te sporen. De hond rende een eind voor zijn meester uit,

en het paard bleef geheel alleen rustig staan grazen. Nu gebeurde

het, dat een hongerige vos voorbij kwam, en toen hij zag, hoe goed

gevoed en verzorgd het paard er uit zag, bleef hij staan om hem te

bewonderen. Langzamerhand kwam hij zoo onder de bekoring van het

prachtige paard, dat hij zich in het gras neerlegde om het gezelschap

te houden.

Eenigen tijd daarna kwam de jongeman uit het bosch terug en droeg

een hert, dat hij gedood had. Hij was buitengewoon verbaasd een vos

naast zijn paard te zien liggen. Hij hief dus zijn geweer op met

het plan hem te dooden; maar de vos rende recht op hem toe en zei:

"Dood mij niet! Neem mij mee; ik zal u trouw dienen. Ik zal op uw

mooi paard passen, als gij in het bosch zijt."

De vos zag er zoo deerniswaardig uit, dat de edelman medelijden met

hem kreeg en op zijn voorstel inging. Daarop steeg hij te paard,

legde het hert, dat hij geschoten had, voor zich en reed naar zijn

oude kasteel, op de hielen gevolgd door zijn hond en zijn nieuwen

dienstknecht, den vos.

Toen de jonge edelman zijn avondeten gereed maakte vergat hij niet den

vos een behoorlijk aandeel te geven en deze wenschte zich zelf geluk,

wijl hij waarschijnlijk nooit meer hongerig zou zijn, tenminste niet,

zoolang hij zulk een ervaren jager diende.

Den volgenden morgen ging de edelman weer op de jacht; de vos

vergezelde hem ook nu. Toen de jongeman afsteeg en als gewoonlijk

zijn paard aan een boom vastbond, legde de vos zich dicht bij het

paard neer om het gezelschap te houden.

Nu kwam er, terwijl de jager diep het bosch in was om naar wild

te zoeken, een hongerige beer naar de plaats, waar het paard was

vastgebonden en ziende hoe heerlijk vet het was, rende hij er heen om

het te dooden. Daarop sprong de vos op en verzocht den beer het paard

geen kwaad te doen. Hij voegde er aan toe, dat hij, als hij honger had,

slechts behoefde te wachten, totdat zijn meester terugkwam uit het

bosch en dan, hij was er zeker van, zou zijn heer hem ook meenemen

naar zijn kasteel en voedsel geven en voor hem zorgen, zooals hij

voor zijn paard, zijn hond en voor hemzelf zorgde.

De beer dacht er eenigen tijd over na, heel wijs en diep, en besloot

eindelijk den raad van den vos op te volgen. Hij ging daarom rustig

naast het paard liggen en wachtte op den terugkeer van den jager. Toen

de jonge edelman uit het bosch kwam, was hij ten zeerste verbaasd een

grooten beer bij zijn paard te zien en na het hert, dat hij geschoten

had, van zijn schouders te hebben laten vallen, hief hij zijn geweer

op en was op het punt het beest te schieten. Maar de vos liep hard

naar den jager toe en smeekte hem het leven van den beer te sparen

en hem ook in zijn dienst te nemen. Daartoe besloot de edelman; en

nadat hij zijn paard had bestegen, reed hij terug naar zijn kasteel,

gevolgd door den hond, den vos en den beer.

Den volgenden morgen, toen de jongeman weer met zijn hond naar het

bosch was gegaan, en de vos en de beer rustig bij het paard lagen,

sprong een hongerige wolf, die het paard zag, uit het kreupelhout om

het te dooden. Maar de vos en de beer snelden op hem toe en verzochten

hem het dier geen kwaad te doen. Zij vertelden hem aan welk een goeden

meester het behoorde en dat hij er zeker van kon zijn, als hij maar

wilde wachten, dat ook hij in dienst genomen en goed verzorgd zou

worden. De wolf, hoe hongerig hij ook was, meende, dat 't het best

was hun raad op te volgen en hij ging bij hen in het gras liggen,

totdat hun meester uit het bosch kwam.

Gij kunt u voorstellen, hoe verbaasd de jonge edelman was, toen hij

een afschuwelijken, grooten wolf bij zijn paard zag liggen!

Maar toen de vos hem het geval had verklaard, stemde hij er in toe

den wolf ook in zijn dienst te nemen. Zoo gebeurde het, dat hij dien

dag naar huis reed, gevolgd door den hond, den vos, den beer en den

wolf. Daar zij allen hongerig waren, was het hert, dat hij geschoten

had, niet te veel voor het avondeten van dien avond en het ontbijt voor

den volgenden morgen. Niet veel dagen later voegde zich een muis bij

het gezelschap en daarna verzocht een mol zoo nederig om opgenomen te

worden, dat de goede edelman het niet over zijn hart kon verkrijgen

zijn verzoek af te slaan. Eindelijk kwam ook de groote vogel, de

Kumrekusha--een vogel, die zoo sterk is, dat hij in zijn klauwen een

paard met zijn ruiter kan dragen! Spoedig daarop voegde een haas zich

bij het gezelschap. De edelman droeg groote zorg voor zijn dieren en

voedde ze geregeld en goed, zoodat zij allen buitengewoon veel van

hem hielden.

De raad der dieren.

Op zekeren dag zei de vos tegen den beer: "Mijn beste Bruintje, ga

alsjeblieft naar het bosch en haal mij een mooi groot blok, waarop ik

plaats kan nemen, terwijl ik de zeer gewichtige vergadering presideer,

die wij zullen houden."

Bruin, die een grooten eerbied koesterde voor het scherpe vernuft

en het goede beleid van den vos, ging er dadelijk op uit om een blok

te zoeken en kwam spoedig met een heel zwaar terug, waarmede de vos

zich zeer ingenomen betoonde. Daarna riep hij al de dieren om zich

heen en na op het blok hout te zijn geklommen, sprak hij hen aldus aan:

"Gij allen, mijn vrienden, weet welk een goeden, vriendelijken

meester wij hebben. Maar hij is niet alleen heel vriendelijk, hij is

ook zeer eenzaam. Ik stel dus voor, dat wij een geschikte vrouw voor

hem gaan zoeken."

De vergadering was blijkbaar zeer ingenomen met dit denkbeeld en

antwoordde eenstemmig: "Dit zou werkelijk heel goed zijn, indien wij

slechts een meisje kenden, waardig de vrouw van onzen heer te zijn;

maar dat is niet het geval."

Toen sprak de vos: "Ik weet, dat de koning een zeer mooie dochter

heeft, en ik vind haar zoo geschikt voor onzen heer, dat ik voorstel

haar te nemen. Verder stel ik voor, dat onze vriend de Kumrekusha

dadelijk naar het paleis van den koning vliegt, en daarboven blijft

zweven, totdat de prinses naar buiten komt om te wandelen." Daar de

Kumrekusha blij was iets voor zijn goeden meester te kunnen doen,

vloog hij onmiddellijk weg zonder zelfs de beslissing af te wachten,

die de vergadering over het voorstel zou nemen.

Juist voordat de avond inviel, kwam de prinses naar buiten om voor

het paleis van haar vader te wandelen, waarop de groote vogel haar

greep en zacht op zijn groote, uitgespreide vleugels zette en zoo

bracht hij haar vlug naar het kasteel van den jongen edelman.

De koning was buitengewoon bedroefd, toen hij hoorde, dat zijn dochter

was weggevoerd; hij liet overal proclamaties voorlezen, waarin groote

belooningen werden beloofd aan ieder, die haar terug zou brengen of

zelfs maar de mededeeling deed, waar men haar zou kunnen vinden. Langen

tijd waren al zijn beloften vergeefsch; want niemand in het geheele

rijk wist iets van het verblijf van de prinses.

Maar eindelijk, toen de koning er reeds aan wanhoopte, of hij haar

ooit terug zou zien, kwam een oude zigeunervrouw naar het paleis

en vroeg aan den koning: "Wat zult u mij geven, als ik uw dochter,

de prinses, terugbreng?"

De koning antwoordde snel: "Ik zal u graag alles geven, wat gij vraagt,

indien gij mijn dochter maar terugbrengt!"

De oude zigeunervrouw ging terug naar haar hut in het bosch en

beproefde alle tooverkunsten om uit te vinden, waar de prinses

was. Eindelijk ontdekte zij, dat de prinses in een oud kasteel woonde,

in een ver afgelegen land, met een jongen edelman, die haar getrouwd

had.

Het toovertapijt.

De zigeunervrouw was zeer verheugd, toen zij dit wist en, nadat zij

een zweep in haar hand had genomen, ging zij dadelijk midden op een

klein tapijt zitten en sloeg er met haar zweep op. Toen verhief het

tapijt zich van den grond en droeg haar snel door de lucht naar het

verre land, waar de jonge edelman in een eenzaam, oud kasteel met

zijn mooie vrouw en zijn trouw gezelschap van dieren leefde.

Toen de zigeuner vrouw bij het kasteel kwam, liet zij het tapijt

neerdalen op het gras onder de boomen; zij liet het daar liggen en

ging rond om te zien, of zij de prinses op haar wandeling in het park

ook zou kunnen ontmoeten.

Weldra kwam de schoone vrouw uit het kasteel en dadelijk liep de oude,

leelijke vrouw op haar toe, begon haar te vleien en allerhande vreemde

verhalen te doen. Ja, zij was zoo'n goede vertelster, dat de prinses

al lang moe van het wandelen was, voordat zij vermoeid was van het

luisteren. Toen zij het zachte tapijt dus op het groene gras zag

liggen, zette zij er zich op neer om wat te rusten. Zoodra zij plaats

had genomen, ging de sluwe, oude zigeunervrouw naast haar zitten:

en nadat zij naar zweep had gegrepen, sloeg zij er verwoed mede

op het tapijt. Het volgend oogenblik bemerkte de prinses, dat zij

op het tapijt werd weggedragen van het kasteel van haar echtgenoot

en na korten tijd liet de vrouw haar neerdalen in den tuin van het

koninklijk paleis.

Gij kunt u gemakkelijk indenken, hoe blij de koning was, toen hij zijn

geliefde dochter terug zag en hoe edelmoedig hij de oude zigeunervrouw

behandelde; hij gaf haar zelfs meer dan zij vroeg. Van nu af aan

liet de koning de prinses in een afgezonderden toren wonen. Slechts

twee kameniers mochten haar gezelschap houden, zoo bevreesd was hij,

dat zij hem weer ontstolen zou worden.

Ondertusschen riep de vos, die zag, hoe rampzalig en neerslachtig

zijn jonge meester er uitzag, nadat zijn vrouw op onverklaarbare wijze

ontvoerd was en nadat hij gehoord had, welke voorzorgsmaatregelen de

koning genomen had, om te voorkomen, dat de prinses weer weggevoerd

zou worden, nog eens de dieren samen tot een algemeene beraadslaging.

Toen allen vereenigd waren, sprak de vos hen aldus aan: "Gij allen,

mijn vrienden, weet, hoe gelukkig onze vriendelijke heer getrouwd

was; maar gij weet ook, dat zijn vrouw hem ontstolen is en dat hij

er nu veel erger aan toe is, dan hij was, voordat wij de prinses voor

hem vonden.

"_Toen_ was hij eenzaam; _nu_ is hij meer dan eenzaam--hij voelt zich

verlaten! Zoo staat de zaak en daarom is het onze plicht, die van zijn

getrouwe dienaren, om haar op de een of andere manier naar hem terug

te voeren. Maar gemakkelijk zal dat niet gaan, daar de koning zijn

dochter voor alle zekerheid in een sterken toren gevangen houdt. Ik

wanhoop echter niet; luistert naar mijn plan; ik zal mij in een mooie

kat veranderen en gaan spelen in den tuin van het paleis onder de

ramen van den toren, die door de prinses wordt bewoond. Ik durf wedden,

dat zij zal verlangen mij te bezitten, zoodra zij mij ziet en zij zal

haar kameniers naar beneden zenden om mij te vangen en bij haar te

brengen. Maar ik zal er wel voor oppassen, dat de kameniers mij niet

vangen, zoodat de prinses eindelijk de bevelen van haar vader om den

toren niet te verlaten zal vergeten en zelf in den tuin zal komen,

om te zien, of zij zelf niet meer succes heeft. Ik zal doen, of ik

mij laat vangen, en op dat oogenblik moet onze vriend de Kumrekusha,

die in de omgeving van het paleis blijft zweven, snel naar beneden

schieten, de prinses grijpen en evenals den vorigen keer wegvoeren. Op

deze wijze hoop ik, beste vrienden, dat wij in staat zullen zijn onzen

goeden meester zijn vrouw terug te geven. Keurt gij mijn plan goed?"

De vergadering was natuurlijk maar al te blij zulk een wijs raadgever

te hebben, die hen in staat stelde hun dankbaarheid te toonen aan hun

heer. De Kumrekusha nam den vos onder zijn vleugels en vloog met hem

weg; beiden waren even verlangend het plan uit te voeren en den ouden,

opgeruimden trek weer terug te brengen op het gelaat van hun heer.

Toen de Kumrekusha bij den toren kwam, waarin de prinses woonde,

zette hij den vos stilletjes neer onder de boomen, waar deze dadelijk

in een mooie kat veranderde, die allerhande bevallige sprongen maakte

onder het raam, waarvoor de prinses zat. Het vel van de kat was in

de meest verschillende tinten gekleurd en het duurde niet lang, of

de prinses merkte haar op en zond haar beide vrouwen naar beneden om

haar te vangen en bij zich te brengen in den toren.

De twee kameniers kwamen in den tuin en riepen: "poesje, poesje!" met

haar liefste stem; zij hielden haar brood en melk voor, maar boden

het tevergeefs aan. De kat sprong vroolijk den tuin rond en wilde

zich niet laten vangen.

Eindelijk werd de prinses, die er voor haar raam naar had staan kijken,

ongeduldig. Zij ging zelf naar beneden den tuin in en zei bestraffend:

"Ge maakt de kat bang; laat mij eens beproeven haar te vangen!" Toen

zij de kat naderde, die zich nu gewillig scheen te laten pakken,

daalde de Kumrekusha snel neer, greep de prinses bij het middel en

droeg haar hoog in de lucht.

De verschrikte kameniers liepen naar den koning om hem te vertellen,

wat er met de prinses was gebeurd; waarop de koning onmiddellijk

al zijn hazewinden losliet om de kat te grijpen, die de oorzaak was

geweest, dat de prinses ten tweede male werd weggevoerd. De honden

volgden de kat kort op de hielen en waren op het punt haar te vangen,

toen zij nog juist bijtijds een hol zag met een heel nauwe opening,

dat een goede schuilplaats bood. Wel beproefden de honden haar te

volgen en zij verwijdden de opening met hun pooten, maar alles was

vergeefsch; na geruimen tijd verwoed te hebben geblaft, werden zij

eindelijk moe en slopen beschaamd terug naar de stallen van den koning.

Toen al de hazewinden uit het gezicht waren, veranderde de kat zich

weer in een vos, en rende rechtstreeks naar het kasteel, waar hij zijn

jongen meester in de gelukkigste stemming aantrof, want de Kumrekusha

had zijn mooie vrouw reeds teruggebracht.

De koning verklaart den oorlog aan de dieren.

De koning was buitengewoon boos, toen hij bemerkte, dat hij zijn

dochter weer verloren had en wat vooral zijn woede opwekte, dat was

het feit, dat zulke armzalige dieren als een vogel en een kat er

ondanks al zijn voorzorgen in geslaagd waren haar weg te voeren. In

zijn groote woede besloot hij dus een algemeenen oorlog aan de dieren

te verklaren en hen geheel uit te roeien. Voor dit doel verzamelde

hij een groot leger, en besloot het zelf aan te voeren. De plannen

van den koning waren weldra door het geheele koninkrijk bekend. En 't

was naar aanleiding hiervan, dat de vos voor den derden keer al zijn

vrienden bijeen riep--den beer, den wolf, den Kumrekusha, de muis,

den mol en den haas--voor een groote vergadering.

Toen allen verzameld waren, sprak de vos hen aldus aan: "Mijn vrienden,

de koning heeft ons den oorlog verklaard, en is van plan ons geheel

uit te roeien. Het is nu onze plicht ons te verdedigen zoo goed als

wij kunnen. Laat elk onzer zien, hoeveel dieren hij in staat is aan

te monsteren. Hoeveel van uw broeders, beeroom, denkt _gij_ te kunnen

aanwerven om ons te helpen?"

De beer ging zoo snel hij kon op zijn achterpooten staan en riep uit:

"Ik ben er zeker van er honderd te kunnen verzamelen."

"En hoeveel van _uw_ vrienden kunt gij bijeenbrengen, mijn goede

wolf?" vroeg de vos nieuwsgierig.

"Ik kan op zijn minst vijfhonderd wolven meebrengen," zei de wolf

met een air van gewicht.

De vos knikte zeer voldaan, en vervolgde: "En wat kunt _gij_ voor

ons doen, beste meester haas?"

"Wel ik denk er ongeveer achthonderd te kunnen brengen," zei de

haas voorzichtig.

"En wat kunt _gij_ doen, mijn lieve kleine muis?"

"O, ik breng zeker drieduizend muizen mee."

"Dat is werkelijk heel goed!--En _gij_ mijnheer mol?"

"Ik ben er zeker van er achtduizend te kunnen verzamelen."

"En hoe groot is het aantal dat _gij_ denkt te kunnen brengen, mijn

groote vriend Kumrekusha?"

"Ik vrees niet meer dan twee of driehonderd op zijn hoogst," zei de

Kumrekusha treurig.

"Heel goed; gaat nu allen dadelijk uw vrienden verzamelen; indien gij

er zooveel hebt bijeengebracht, als maar mogelijk is, zullen wij kunnen

besluiten, hoe wij moeten handelen," zei de vos; waarna de vergadering

werd gesloten en de dieren zich in verschillende richtingen door het

woud verspreidden.

Niet lang daarna werden ongewone geluiden gehoord in de nabijheid van

het kasteel. De boomen schudden geweldig, en het gebrom der beren,

en het korte, scherpe geblaf der wolven verbrak de gewone rust van

het bosch. Het leger der dieren trok van alle kanten op de aangegeven

plaats samen. Toen allen verzameld waren, gaf de vos in de volgende

woorden een uiteenzetting van de plannen: "Als het leger van den

koning den eersten nacht na den grooten opmarsch halt houdt om te

rusten, dan moet gij, beren en wolven, u gereed houden om de paarden

te dooden. Indien het leger desondanks toch verder gaat, dan moet gij,

muizen, gereed zijn al de zadelriemen en gordels door te bijten, als

de soldaten den tweeden nacht rusten, en gij, hazen, moet de koorden

doorknagen waaraan de mannen het kanon voorttrekken. Indien de koning

den tocht toch voortzet, moet gij, mollen, gedurende den derden nacht

de aarde uitgraven onder den weg, dien zij den volgenden dag zullen

nemen--en een greppel maken volle vijftien meter breed en twintig

meter diep, rondom het kamp. Als het leger den volgenden morgen over

den grond marcheert, die ondergraven is, moet gij, Kumrekusha's zware

steenen neer werpen, terwijl de aarde onder hun voeten bezwijkt."

Het plan werd goedgekeurd en alle dieren gingen vlug heen, om de hun

aangewezen taak uit te voeren.

Toen het leger van den koning ontwaakte na den eersten nacht van rust

op den grooten marsch, merkten de soldaten tot hun groote ontsteltenis,

dat al de paarden gedood waren. Dit treurige nieuws werd dadelijk aan

den koning gemeld; maar hij zond eenvoudig om nieuwe paarden--en toen

deze laat op den dag kwamen, vervolgden zij hun weg.

Den tweeden nacht kropen de muizen stilletjes het kamp binnen en

knabbelden ijverig aan de zadels en aan de gordels der soldaten,

terwijl de hazen even vlijtig knaagden aan de koorden, waaraan de

manschappen het kanon voorttrokken.

Den volgenden morgen waren de soldaten hevig verschrikt, toen

zij zagen, welk onheil de dieren hadden aangericht. Maar de koning

kalmeerde hen en zond een boodschap naar de stad om nieuwe zadels en

gordels. Toen die eindelijk gebracht waren, vervolgde hij vastbesloten

zijn marsch, bezield met nog meer haat tegen deze aanmatigende en

verachtelijke vijanden.

Den derden nacht, terwijl de soldaten sliepen, groeven de

mollen onafgebroken door, teneinde een onderaardsche gracht te

graven. Omstreeks middernacht liet de vos de beren aanrukken om de

mollen te helpen en de ladingen zand weg te dragen.

Den volgenden morgen waren de soldaten opgetogen, toen zij merkten,

dat er dien nacht geen nieuwe onheilen gesticht schenen en zij

begaven zich met nieuwen moed op reis. Maar aan hun marsch kwam

spoedig een einde, want weldra zakten de ruiters en de artillerie

door den hollen bodem en toen de koning dit merkte, zei hij: "Laat

ons terugkeeren. Ik zie, dat God zelf tegen ons is in dezen oorlog,

die wij aan de dieren hebben verklaard. Ik geef alle pogingen op om

mij over mijn dochter te wreken."

Toen keerde het leger terug onder het gejuich der soldaten, maar de

manschappen bemerkten tot hun groote verbazing en vrees, dat zij,

onverschillig welke richting zij ook insloegen, steeds door den grond

zakten. Om hun ontsteltenis nog grooter te maken lieten de kumrekusha's

nu zware steenen op hen neervallen, die hen geheel verpletterden. Op

deze manier kwam de koning met zijn heele leger om.

Heel spoedig daarna ging de jonge edelman, die de dochter van den

koning had getrouwd, naar de hoofdstad van den vijand, en nam bezit

van het paleis van den koning; hij nam al zijn dieren mee; en daar

leefden zij allen lang en gelukkig met elkaar.

De drie vrijers.

In een ver verwijderd land leefde lang geleden een koning, die maar

een kind had--een buitengewoon mooie dochter. Velen dongen naar de

hand van de prinses en onder hen waren drie jonge edellieden, van wie

de koning veel hield. Daar de koning echter van alle drie evenveel

hield, kon hij niet besluiten aan wien hij zijn dochter tot vrouw zou

geven.--Op zekeren dag riep hij de drie jonge edellieden bij zich en

sprak als volgt: "Gaat alle drie een reis door de wereld maken. Hij,

die mij het merkwaardigste van zijn reis mee terugbrengt, zal mijn

schoonzoon worden."

De drie begaven zich dadelijk op weg, waarbij elk hunner een

verschillende richting insloeg; elk der drie koos een ander land om

merkwaardige dingen te zoeken.

Niet lang duurde het, of een der jonge edelen vond een prachtig tapijt,

dat, wie er ook op ging zitten, snel door de lucht droeg.

Een der anderen vond een bewonderingswaardigen verrekijker, waardoor

hij iedereen en alles op de wereld kon zien en zelfs het veelkleurige

zand op den bodem van de groote, diepe zee.

De derde vond een wonderdadige zalf, die elke ziekte in de wereld

kon genezen, en zelfs dooden tot het leven kon terugroepen.

Nu waren de edele reizigers ver van elkaar af, toen zij deze

wonderlijke dingen vonden. Maar toen de jongeman, die den verrekijker

had gevonden, er door keek, zag hij een van zijn vroegere vrienden

en tegenwoordige medeminnaars met een tapijt op zijn schouder loopen

en daarom begaf hij zich op weg om zich bij hem te voegen. Daar hij

door zijn wonderlijken verrekijker altijd kon zien, waar de andere

edelman was, kostte het hem niet veel moeite den ander te vinden en

toen de twee elkaar hadden getroffen, gingen zij naast elkaar op het

tapijt zitten en het droeg hen door de lucht, totdat ook de derde

reiziger zich bij hen voegde. Op zekeren dag, toen ieder had verteld,

welke merkwaardige dingen hij op reis had ontmoet, riep een hunner

plotseling: "Laat ons nu eens zien, wat de mooie prinses doet en waar

zij is." Toen keek de edelman, die den verrekijker had gevonden,

er doorheen, en zag tot zijn groote ontsteltenis en verslagenheid,

dat de dochter des konings heel ziek lag en op het punt was te sterven.

Hij vertelde dit aan zijn twee vrienden en medeminnaars en ook zij

stonden als van den donder getroffen door het slechte nieuws--totdat

hij, die de zalf had gevonden, zich eensklaps de wonderdadige kracht

van zijn middel herinnerde en uitriep: "Ik ben er zeker van, dat

ik haar zou kunnen genezen, als ik het paleis maar spoedig genoeg

bereikte!" Toen de edelman, die het merkwaardige tapijt had gevonden,

dit hoorde, riep hij uit: "Laten we op mijn tapijt gaan zitten,

en het zal ons snel naar het paleis van den koning brengen!"

Daarop gingen de drie edellieden op het tapijt zitten, dat zich

onmiddellijk in de lucht verhief, en hen regelrecht naar het paleis

droeg.

De koning ontving hen dadelijk, maar zei treurig: "Het spijt mij

voor u, want uw reizen zijn vergeefsch geweest. De prinses is helaas

stervende; zij kan dus geen uwer trouwen!"

Maar de edelman, die de wonderdadige zalf bezat, zei eerbiedig:

"Vrees niet, sire, de prinses zal niet sterven!" En na toestemming

te hebben gekregen om het vertrek binnen te gaan, waar zij ziek lag,

legde hij de zalf zoo, dat zij ze kon ruiken. Na enkele oogenblikken

leefde de prinses weer op en toen haar kamenier een weinig van de

zalf in haar hand had gewreven, herstelde zij zoo snel, dat zij zich

na enkele dagen reeds beter voelde, dan voor haar ziekte.

De koning was zoo blij, dat zijn dochter hem uit den dood was

teruggegeven, dat hij verzekerde, dat niemand haar zou trouwen dan

de jonge edelman, wiens wonderdadige zalf haar had genezen.

De twist.

Maar nu ontstond er een groote twist tusschen de drie jonge edelen;

hij, die de zalf had gevonden, verzekerde, dat de prinses gestorven

zou zijn, als hij haar niet genezen had, en dat zij dan niemand zou

hebben kunnen trouwen; de edelman, die den wonderbaren verrekijker had

gevonden, verzekerde, dat zij zonder hem nooit zouden hebben geweten,

dat de prinses stervende was en zijn vriend dan ook niet de zalf

zou hebben gebracht om haar te genezen, terwijl de derde edelman hun

bewees, dat zonder medewerking van zijn tapijt noch de zalf noch de

verrekijker de prinses iets zou hebben geholpen, daar zij zulk een

afstand op andere wijze niet intijds zouden hebben afgelegd om haar

te redden.

Toen de koning van dezen twist hoorde, sprak hij tot hen: "Mijne

heeren, uit hetgeen gij gezegd hebt, merk ik, dat het niet billijk

zou zijn mijn dochter aan een uwer te geven; daarom verzoek ik u het

denkbeeld om haar te trouwen geheel op te geven en weer vrienden te

worden, zooals gij waart, voordat gij medeminnaars werdt."

De drie jonge edelen zagen in, dat de koning geen beter besluit had

kunnen nemen; daarom verlieten zij allen hun vaderland en begaven

zich naar een verwijderde woestijn, waar zij als kluizenaars gingen

leven. En de koning gaf de prinses aan een ander edelman.

Vele, vele jaren waren voorbij gegaan, sinds het huwelijk van de

prinses, toen haar echtgenoot door haar vader naar een ver verwijderd

land werd gezonden, waarmede hij in oorlog was gewikkeld. De edelman

nam zijn vrouw, de prinses, met zich mee, daar het mogelijk was,

dat hij genoodzaakt zou zijn heel lang weg te blijven. Nu gebeurde

het, dat een hevige storm opstak, juist toen het schip, waarop de

prinses en haar echtgenoot zich bevonden, een vreemde kust naderde,

en toen de orkaan op zijn hevigst was, sloeg het schip tegen rotsen,

en ging dadelijk onder. Allen aan boord kwamen in de golven om,

uitgenomen de prinses, die zich stevig vasthield aan een boot en door

wind en getij naar de kust werd gedreven. Dit was, naar het scheen,

een onbewoond land, en toen zij een klein hol in een rots ontdekte,

bleef zij daar en leefde er gedurende drie jaren; zij voedde zich

met wilde grassen en vruchten. Elken dag zocht zij naar een weg om

door het bosch, dat het hol omgaf, te ontkomen, maar zij kon er geen

vinden. Op zekeren dag echter, toen zij zich verder dan gewoonlijk

van het hol had verwijderd, kwam zij eensklaps bij een ander hol,

dat tot haar groote verbazing door een kleine deur was afgesloten. Zij

beproefde herhaaldelijk de deur te openen, want zij was voornemens daar

den nacht door te brengen; maar al haar pogingen waren vruchteloos,

zoo stevig was de deur gesloten.

Eindelijk echter riep een diepe stem van uit het hol: "Wie is daar

aan de deur?"

Op het hooren van een menschelijke stem was de prinses zoo ontsteld,

dat zij gedurende enkele oogenblikken niet kon antwoorden; toen

zij zich hersteld had, zei zij: "Ik smeek u de deur voor mij te

openen!" Onmiddellijk werd de deur van binnen geopend en zij zag

tot haar schrik een ouden man met een dikken, grijzen baard, die tot

aan zijn middel reikte en lange witte haren, die over zijn schouders

golfden.

Wat de prinses het meest beangst maakte, was, dat zij hier, in dezelfde

woestijn, waar zij drie jaar had gewoond zonder een levende ziel te

ontmoeten, nu een man aantrof.

De kluizenaar en de prinses keken elkaar lang en ernstig aan zonder

een woord te spreken. Eindelijk echter zei de oude man: "Zeg mij:

zijt gij een engel of een dochter van deze wereld?"

Toen antwoordde de prinses: "Oude man, laat mij een oogenblik

uitrusten en dan zal ik u mijn geheele geschiedenis vertellen, ook

wat de oorzaak is, dat ik hier ben."

De kluizenaar haalde eenige wilde peren te voorschijn, en toen de

prinses er een paar van gebruikt had, begon zij hem te vertellen,

wie zij was en hoe zij in deze woestijn kwam. Zij zei: "Ik ben de

dochter van een koning, en eens, vele jaren geleden, hebben drie

jonge edellieden van mijns vaders hof mij aan den koning ten huwelijk

gevraagd. Nu was de koning dezen drie jongen mannen allen even genegen,

zoodat hij niet graag een hunner leed deed; daarom zond hij ze heen om

verre landen te doorreizen en beloofde hun, dat hij bij hun terugkomst

een beslissing zou nemen.

"De drie edellieden bleven langen tijd weg; en terwijl zij nog ergens

buitenslands waren, werd ik gevaarlijk ziek. Ik was op het punt

te sterven, toen zij alle drie plotseling terugkeerden; een hunner

bracht een wonderdadige zalf mee, die mij onmiddellijk genas; de twee

anderen brachten even merkwaardige dingen mede--een tapijt, dat elk,

die er zich op neerzette, door de lucht kon dragen, een verrekijker,

waarmede men iedereen en alles in de wereld tot zelfs het zand op

den bodem van de zee kon zien."

De herkenning.

Zoover was de prinses met haar verhaal gekomen, toen de kluizenaar

haar plotseling in de rede viel met de woorden: "Alles, wat daarna

gebeurde, weet ik even goed als gij. Zie mij aan, dochter! Ik was een

dier edellieden, die dongen naar uw hand en hier is de wonderbare

verrekijker." En de kluizenaar haalde, voordat hij verder ging,

het instrument uit een nis in den wand van het hol te voorschijn.

"Mijn twee vrienden en medeminnaars kwamen met mij naar deze

woestijn. Wij gingen echter dadelijk van elkaar en hebben elkaar

nooit meer ontmoet. Ik weet niet, of zij nog leven of dood zijn,

maar ik wil naar hen uitzien."

De kluizenaar keek toen door zijn verrekijker en zag, dat de beide

andere edellieden evenals hij leefden in holen in verschillende deelen

van de woestijn. Nadat hij dit had ontdekt, nam hij de prinses bij de

hand en voerde haar naar de andere kluizenaars. Toen allen hereend

waren, vertelde de prinses haar avonturen, die zij had beleefd,

sinds het vergaan van het schip, waarin haar echtgenoot omgekomen

was en waarvan zij alleen werd gered.

Het deed de drie edele kluizenaars genoegen haar nog eens levend te

zien; maar zij waren het er dadelijk over eens, dat zij haar naar

den koning, haar vader, moesten terugzenden.

Zij gaven de prinses toen den wonderbaren verrekijker en de

wonderdoende zalf en zetten haar op het wonderdadige tapijt, dat

haar en haar schatten snel en veilig naar het paleis van haar vader

bracht. En wat de drie edellieden betrof, zij bleven, steeds als

kluizenaars levende, in de woestijn, met dit verschil echter, dat

zij elkaar nu en dan bezochten, zoodat de jaren hen niet zoo lang en

eentonig leken. Want zij hadden elkaar nog vele avonturen te vertellen.

De koning was buitengewoon blij, dat hij zijn eenig kind weer veilig

terugzag en de prinses leefde vele jaren met haar vader; maar noch

de koning noch de prinses konden de drie edelen geheel vergeten,

die terwille van haar als kluizenaars leefden in de woestijn van een

ver verwijderd land.

De droom van den koningszoon.

Er was eens een koning, die drie zoons had. Op zekeren avond, toen

de jonge prinsen zich te slapen legden, zeide de koning tot hen,

dat zij goed acht moesten geven op 't geen zij droomden en dat zij

hem den volgenden morgen hun droom moesten vertellen. Den volgenden

morgen gingen de prinsen, zoodra zij ontwaakten, naar hun vader en

toen de koning hen zag, vroeg hij den oudste:

"Nu, wat hebt gij gedroomd?"

De prins antwoordde: "Ik heb gedroomd, dat ik de erfgenaam van den

troon was."

En de tweede zei: "Ik droomde, dat ik de eerste onderdaan in het

koninkrijk zou zijn."

Toen sprak de jongste: "Ik droomde, dat ik mijn handen waschte en dat

de prinsen, mijn broeders, de kom vasthielden, terwijl de koningin,

mijn moeder, fijne handdoeken ophield, waaraan ik mijn handen zou

kunnen afdrogen en Uwe Majesteit zelf schonk er water over heen uit

een gouden emmer."

De koning werd, toen hij dit hoorde, zeer vertoornd en riep uit:

"Wat! ik--de koning--zou water schenken over de handen van mijn

eigen zoon! Verwijder u onmiddellijk uit mijn paleis en uit mijn

koninkrijk! Gij zijt niet langer mijn zoon."

De arme, jonge prins deed al zijn best vrede met zijn vader te sluiten,

en zei, dat hij toch werkelijk niet te laken was om hetgeen hij had

gedroomd; maar de koning werd steeds woedender, en wierp eindelijk

eigenhandig de prins uit het paleis.

Zoo was de prins genoodzaakt verschillende landen door te trekken,

totdat hij op zekeren dag in een groot bosch een hol ontdekte, dat hij

binnen ging om er in te rusten. Daar vond hij tot zijn groote verbazing

en vreugde een grooten ketel vol maïs, die op het vuur stond te koken

en daar hij buitengewoon hongerig was, bediende hij zich zelf van de

maïs. Hij ging daarmede door, tot hij tot zijn ontsteltenis bemerkte,

dat hij bijna al de maïs had opgegeten. Bevreesd, dat er onheil uit zou

kunnen voortkomen, keek hij rond naar een plaats, waar hij zich zou

kunnen verbergen. Op dat oogenblik ontstond een groot geraas aan den

ingang van het hol, en hij had zich nauwelijks in een donkeren hoek

teruggetrokken, of een blinde, oude man kwam binnen. Hij zat op een

groote geit, terwijl hij een groot aantal geiten voor zich uitdreef.

De oude man reed regelrecht naar den ketel; toen hij bemerkte, dat

bijna al de maïs er uit verdwenen was, vermoedde hij, dat er iemand

in het hol moest zijn en tastend ging hij het hol rond, totdat hij

den prins greep,

"Wie zijt gij?" vroeg hij boos en de prins antwoordde:

"Ik ben een arme zwerver, die de wereld doortrekt, een dak heb ik

niet en ik smeek u mij gastvrijheid te verleenen."

"Wel," sprak de oude man, "waarom niet? Ik zal tenminste iemand

hebben, die toezicht op mijn maïs houdt, als ik met mijn geiten in

het bosch ben."

Zoo leefden zij eenigen tijd te zamen; de prins bleef in het hol,

om de maïs te koken, terwijl de oude man zijn geiten elken morgen

het woud indreef.

Op zekeren dag zei de oude man echter tot den prins: "Ik vind, dat gij

heden met de geiten moest uitgaan; ik zal thuis blijven bij de maïs."

Hierin stemde de prins toe, daar hij er genoeg van had altijd rustig

in het hol te blijven. Maar de oude man voegde er aan toe: "Vergeet

een ding niet! Er zijn negen verschillende heuvels; gij kunt de geiten

vrij op acht er van laten grazen, maar in geen geval moet gij naar

den negenden gaan. Daar verblijven de veele en zij zullen u zeker de

oogen uitsteken, evenals zij het mij hebben gedaan, indien gij het

waagt op haar heuvel te komen."

De prins dankte den ouden man voor zijn waarschuwing, steeg daarna

op de groote geit en dreef de andere geiten voor zich uit naar buiten.

Voortdurend achter de geiten aanrijdend, deed hij achtereenvolgens

alle acht heuvels aan en toen hij den laatsten bereikte, kon hij

den negenden zien. Toen kon hij de verzoeking niet weerstaan dien

op te gaan. Daarom zei hij tegen zich zelf: "Ik wil het er op wagen,

wat er ook gebeure!"

De Prins en de veele.

Ternauwernood had hij zijn voet op den negenden heuvel gezet, of

de veele omringden hem, en maakten zich gereed hem de oogen uit te

steken. Op het laatste oogenblik viel hem echter een gelukkige gedachte

in en hij riep haastig: "Lieve veele, waarom zoudt gij deze zonde op

uw hoofd laden? Ik stel u voor de volgende afspraak te maken. Indien

gij over een boom springt, dien ik daar neer zal leggen, moogt gij

mij de oogen uitsteken, en ik zal er u niet om laken!"

De veele stemden hierin toe en de prins ging heen en haalde een grooten

boom, dien hij bijna tot aan den wortel doormidden hieuw. Toen hij

dit gedaan had, dreef hij er een wig in, om de twee helften van

elkaar te houden. Nadat hij den stam weer rechtop had geplaatst,

sprong hij er eerst over en zei toen tegen de veele: "Nu is het uw

beurt. Laat eens zien, of gij over den boom kunt springen!"

Een veela beproefde er over te springen, maar toen zij tusschen de

twee helften zweefde, sloeg de prins de wigge er uit, de stam sloot

zich en hield de veela vast. Toen werden al de anderen bang en zij

verzochten hem den stam te openen en haar zuster vrij te laten; op

haar beurt beloofden zij, dat zij hem alles zouden geven, wat hij mocht

vragen. Toen sprak de prins: "Ik verlang niets anders dan dat ik mijn

oogen mag behouden en dat gij het gezicht teruggeeft aan den armen,

ouden man." De veele gaven hem nu een bosje kruiden, zeiden hem, dat

hij dat op de oogen van den ouden man moest leggen, waarna hij het

gezicht terug zou krijgen. De prins nam het kruid, opende den boom

een weinig, zoodat de veela vrij kwam, en reed toen op de geit terug

naar het hol, waarbij hij weer al de andere geiten voor zich uit dreef.

Toen hij thuiskwam, legde hij dadelijk het kruid op de oogen van den

ouden man en oogenblikkelijk had deze tot zijn buitengewone verbazing

en vreugde zijn gezicht terug.

Den volgenden morgen gaf de oude man, voordat hij op zijn geit uitreed,

aan den prins de sleutels van acht kabinetjes, die in het hol waren;

hij waarschuwde hem in geen geval het negende kabinet te openen,

al hing de sleutel vlak tegenover de deur. Daarna vertrok hij, nadat

hij den prins nog had opgedragen er goed voor te zorgen, dat de maïs

voor het avondeten gereed kwam.

Toen hij alleen was gelaten in het hol, begon hij er over te peinzen,

wat er toch wel in het negende kabinet zou kunnen zijn en eindelijk

kon hij geen weerstand bieden aan de verzoeking den sleutel te nemen

en de deur te openen om er een blik in te werpen.

Het gouden paard.

Wat was hij verbaasd, toen hij een gouden paard met een gouden hazewind

naast zich zag en verder een gouden hen met gouden kuikens, die bezig

waren gouden gierstkorrels op te pikken.

De jonge prins staarde er eenigen tijd naar en bewonderde hun

schoonheid; toen sprak hij tot het gouden paard:

"Vriend, ik geloof, dat het beter is, dat wij deze plek verlaten,

voordat de oude man terugkomt."

"Heel best," antwoordde het gouden paard. "Ik ben volkomen bereid

heen te gaan, maar sla den goeden raad, dien ik u geven zal, niet in

den wind. Ga zooveel linnen halen, als ge krijgen kunt om over de

steenen bij den ingang van het hol te leggen; want als de oude man

het gekletter van mijn hoeven hoort, zal hij u zeker dooden. Verder

moet gij een kleinen steen meenemen, een druppel water en een schaar

en op het oogenblik, dat ik u zeg, dat ge ze neer moet werpen, moet

gij mij dadelijk gehoorzamen--anders zijt gij verloren."

De prins deed alles, wat het gouden paard had bevolen, en na de

gouden hen met de kuikens in den zak te hebben gedaan, nam hij dien

onder zijn arm, steeg te paard en reed snel het hol uit, waarbij

de gouden hazewind, dien hij aan een leeren riem meevoerde, hem

volgde. Maar zoodra zij in de open lucht waren, hoorde de oude man,

ofschoon hij ver weg op een verwijderden berg zijn geiten hoedde,

het gekletter van de gouden hoeven en hij riep tegen zijn groote geit:

"Zij zijn weggeloopen. Laten we hen dadelijk volgen."

In merkwaardig korten tijd zat de oude man op zijn groote geit

den prins dicht op de hielen. Toen zei het paard: "Werp uw kleinen

steen neer!"

Op hetzelfde oogenblik, waarop de prins het steentje had neergeworpen,

verhief zich een rotsige berg tusschen hem en den ouden man, en voordat

de geit er overgeklommen was, had het gouden paard een heel stuk op

de vervolgers gewonnen. Maar heel spoedig had de oude man hen weer

ingehaald en toen riep het paard: "Werp den druppel water neer!"

De prins gehoorzaamde onmiddellijk en zag toen tot zijn verbazing,

dat een breede rivier tusschen hem en zijn vervolger stroomde.

Het kostte den ouden man en zijn geit zooveel tijd om de rivier over

te steken, dat de prins op zijn gouden paard hem ver voor kwam; maar

desondanks duurde het niet lang, of het paard had de geit weer zoo

dicht achter zich, dat het riep: "Werp de schaar neer!" En toen de

geit er over liep, bezeerde zij ernstig haar pooten.

Toen de oude man dit zag, riep hij uit: "Nu ik merk, dat ik u niet

kan inhalen, moogt gij houden, wat gij genomen hebt. Maar gij zult

verstandig doen naar mijn raad te luisteren. De menschen zullen u

zeker dooden om uw gouden paard; daarom deedt gij beter dadelijk een

ezel te koopen, en met de huid uw paard te overdekken en doe hetzelfde

met uw gouden hazewind."

Toen hij dit gezegd had, wendde de oude man zich om en keerde terug

naar zijn hol; de prins volgde zijn raad onmiddellijk op en bedekte

zijn gouden paard met een ezelhuid en zijn gouden hazewind eveneens.

Na een lange reis kwam de prins onverwacht in het koninkrijk van zijn

vader. Daar hoorde hij, dat de koning een gracht had laten graven,

die driehonderd meter breed en vierhonderd meter diep was en dat hij

had laten bekend maken, dat hij, die zijn paard er over kon laten

springen, de prinses, zijn dochter, tot vrouw zou krijgen.

Bijna een geheel jaar was verloopen sedert de bekendmaking, maar

tot nu toe had zich niemand aan den sprong gewaagd. Toen de prins dit

hoorde, zei hij: "Ik zal er met mijn ezel en mijn hond over springen,"

en hij sprong er over.

De koning was echter zeer boos, toen hij vernam, dat een armoedig

gekleed man op een ezel den sprong over de breede gracht had durven

doen, die zijn dapperste ridders had afgeschrikt; daarom liet hij den

vermomden prins met zijn ezel en zijn hond in een van zijn diepste

kerkers werpen.

Den volgenden morgen stuurde de koning een van zijn bedienden om te

zien, of de man nog leefde, doch deze snelde zeer ontsteld naar hem

terug en vertelde hem, dat hij in den kerker inplaats van een armen man

met een ezel, een jongen, fraai uitgedoschten ridder, een gouden paard,

een gouden hazewind en een gouden hen omringd door gouden kuikens, die

gouden gierstkorrels van den grond oppikten, had aangetroffen. Toen

sprak de koning: "Dat moet een machtig prins zijn." Daarom gaf hij

bevel aan de koningin en de prinsen, zijn zoons, om alles voor de

ontvangst van den vreemdeling gereed te maken en te zorgen, dat hij

zijn handen zou kunnen wasschen. Toen ging hij zelf naar beneden,

naar den kerker en bracht den prins met veel plichtplegingen naar

boven, waarmee hij de slechte behandeling, die de prins ondergaan had,

weer wilde goedmaken. De koning zelf nam een gouden emmer vol water,

en schonk het over de handen van den prins, terwijl de beide prinsen

de kom vasthielden en de koningin fijne handdoeken ophield, waaraan

hij zijn handen kon drogen.

Toen dit gedaan was, riep de jonge prins uit: "Nu is mijn droom

vervuld," en op eens herkenden zij hem en zij waren zeer blij hem

weer in hun midden te zien.

De bijter gebeten.

Er was eens een oud man, die telkens, als hij hoorde, dat iemand

zich er over beklaagde, dat hij zooveel zoons had, lachte en zei:

"Ik wilde, dat het God behaagde mij honderd zoons te geven!"

Dit zei hij voor de grap; maar in den loop van den tijd kreeg hij

inderdaad honderd zoons.

Hij had moeite genoeg om verschillende ambachten voor zijn zoons

te vinden, maar toen zij eenmaal allen gevestigd waren, werkten zij

ijverig en verdienden een overvloed van geld. Nu deed zich echter een

nieuwe moeielijkheid voor. Op zekeren dag kwam de oudste zoon naar

hem toe en zei: "Lieve vader, ik geloof, dat het meer dan tijd is,

dat ik trouw."

Ternauwernood had hij dit gezegd, of de tweede zoon kwam, en zei:

"Beste vader, ik geloof, dat het hoog tijd is, dat u eens naar een

vrouw voor mij uitziet."

Een oogenblik later kwam de derde zoon en vroeg: "Lieve vader, vindt

u niet, dat het hoog tijd is, dat u een vrouw voor mij zoekt?" Met

dezelfde boodschap kwamen ook de vierde en de vijfde, tot het geheele

honderdtal hetzelfde verzoek had gedaan. Allen wenschten te trouwen en

verzochten hun vader zoo spoedig mogelijk een vrouw voor hen te zoeken.

De oude man was niet weinig in verlegenheid gebracht door deze

verzoeken; hij zei evenwel tegen zijn zoons: "Heel goed, mijn zoons,

_ik_ heb er niets tegen, dat gij trouwt; ik vrees echter, dat het

niet gemakkelijk zal gaan. Gij vraagt alle honderd een vrouw, en ik

betwijfel, of er wel honderd huwbare meisjes in de vijftien dorpen

van onze omgeving te vinden zijn."

Maar hierop antwoordden de zoons: "Maak u daarover niet ongerust;

bestijg uw paard en neem in uw zak een voldoend aantal verlovingskoeken

mee. Gij moet ook een stok in uw hand nemen, waarin gij een inkerving

maakt, telkens als gij een meisje ziet. Het komt er niet op aan, of

zij mooi of leelijk, kreupel of blind is--maak een insnijding voor

elk meisje, dat u ontmoet."

De oude man zei: "Dat is heel verstandig gesproken, mijn zoons! Ik

zal precies doen, wat gij mij gezegd hebt."

Hij steeg dus te paard, nam een zak vol koeken op zijn schouders en

een langen stok in zijn hand en vertrok om de omgeving af te zoeken

naar meisjes, die zijn zoons zouden kunnen trouwen.

De oude man reisde van dorp tot dorp, een gansche maand lang en als

hij een meisje zag, maakte hij een insnijding in zijn stok. Maar het

verveelde hem toch en hij begon te tellen, hoeveel kerfjes hij reeds

had. Toen hij ze zorgvuldig had geteld, telkens en telkens weer, om er

zeker van te zijn, dat hij er geen had overgeslagen, kon hij het toch

niet verder dan vierenzeventig brengen, zoodat er nog zesentwintig

ontbraken om het honderdtal vol te maken. Maar hij was zoo afgemat

door zijn reis van een maand, dat hij besloot naar huis terug te

keeren. Onder het rijden zag hij een priester, die ossen voortdreef,

welke voor een ploeg waren gespannen. De priester was, naar het

scheen, over het een of ander zeer diep in gedachten verzonken. Nu

was de oude man een beetje verbaasd, toen hij zag, dat de priester

zijn eigen korenvelden ploegde, zonder dat hij zelfs een jongen had

om hem te helpen; daarom riep hij hem toe: "Waarom bestuurt ge zelf

uw ossen?" Maar de priester hief zelfs zijn hoofd niet op om te zien,

wie hem riep; zoo was zijn aandacht in beslag genomen door zijn werk,

het voortdrijven van zijn ossen en het sturen van zijn ploeg.

De oude man dacht, dat hij niet luid genoeg had gesproken, daarom

riep hij nog eens zoo hard als hij kon: "Laat uw ossen een oogenblik

stilstaan en vertel mij eens, waarom gij zelf bezig zijt met ploegen,

en waarom geen jongen u helpt--en dat nog wel op een heiligendag!"

Nu antwoordde de priester--wien het zweet langs het gelaat liep,

zoo hard werkte hij--knorrig: "Ik bezweer u bij uw ouden dag, laat

mij met rust! Ik kan u mijn ongeluk niet vertellen."

De honderd dochters.

Maar dit antwoord maakte den ouden man nog nieuwsgieriger en nog

sterker drong hij er op aan te mogen hooren, waarom de priester op een

heiligendag werkte. Eindelijk, toen het hem begon te vervelen, zuchtte

de priester diep en zei: "Nu, als gij het _wilt_ weten, ik ben de

eenige man in mijn gezin. God heeft mij gezegend met honderd dochters?"

De oude man was overgelukkig, toen hij dit hoorde en riep vroolijk uit:

"Dat komt goed uit! Het is precies, wat ik noodig heb, want _ik_

heb honderd zoons, en daar gij honderd dochters hebt, kunnen wij

vrienden worden!"

Zoodra de priester dit hoorde, werd hij vriendelijk en spraakzaam en

noodigde den ouden man uit den nacht in zijn huis door te brengen. Hij

liet zijn ploeg op den akker staan en dreef zijn ossen terug naar het

dorp. Juist voor zij het huis bereikten, zei hij tegen den ouden man:

"Ga zelf in huis, terwijl ik mijn ossen vastbind."

Maar nauwelijks had de oude man het erf betreden, of de vrouw van

den priester liep hard op hem toe met een dikken stok en riep:

"Wij nebben geen brood genoeg voor onze honderd dochters en daarom

kunnen wij geen bedelaars en ook geen bezoekers ontvangen," en met

deze woorden joeg ze hem weg.

Spoedig daarna kwam de priester uit de schuur en toen hij den ouden

man op den weg voor het hek zag zitten, vroeg hij hem, waarom hij

het huis niet was binnen gegaan, gelijk hij hem gezegd had.

Daarop antwoordde de oude man: "Ik ben naar binnen gegaan, maar uw

vrouw joeg mij weg!"

Toen sprak de priester: "Wacht een oogenblik, totdat ik u kom

halen." Toen ging hij gauw het huis in, en schold zijn vrouw flink

uit. Hij riep haar toe: "Wat hebt gij gedaan? Welk een mooie kans

hebt gij daar bedorven! De man, die naar binnen kwam, moeten wij te

vriend houden, want hij heeft honderd zoons, die onze dochters graag

willen trouwen!"

Toen de vrouw dit hoorde, trok zij vlug een ander gewaad aan en

maakte snel haar en hoofdtooi op. Daarna glimlachte zij heel lief,

en heette met de grootst mogelijke voorkomendheid den ouden man

welkom, toen haar man hem binnen bracht. Ja ze deed, alsof zij

er zich niets meer van herinnerde, dat er iemand de deur uit was

gejaagd. En daar de oude man voor alles verlangde de echtgenooten

voor zijn zoons te vinden, deed hij ook, alsof hij niet wist, dat de

glimlachende vrouw des huizes dezelfde was, die hem met een stok had

weggejaagd. De oude man bracht dus den nacht in het huis door en den

volgenden morgen vroeg hij den priester in allen vorm hem zijn honderd

dochters voor zijn honderd zoons te geven. Daarop zei de priester,

dat hij daartoe gaarne bereid was en er reeds met zijn dochters over

gesproken had en dat ook zij bereid waren. Toen haalde de oude man

de verlovingskoeken te voorschijn en legde ze naast zich neer op

de tafel; en hij gaf elk meisje ook een stuk geld. Daarna gaf elk

der verloofde meisjes hem voor dien zoon, met wien zij verloofd was,

een klein geschenk mee. Deze geschenken deed de oude man in den zak,

waarin de "verlovingskoeken" waren geweest. Daarna steeg hij te paard

en reed vroolijk naar huis. Er heerschte groote vreugde in zijn gezin,

toen men hoorde, hoe goed hij was geslaagd en dat hij werkelijk honderd

meisjes had gevonden, die gereed en bereid waren uitgehuwelijkt te

worden en dat deze honderd de dochters van een priester waren.

De zoons drongen er op aan, dat zonder dralen een begin zou worden

gemaakt met de voorbereidselen tot het huwelijk en zij begonnen

dadelijk de gasten te noodigen, die deel uit zouden maken van de

huwelijksprocessie, welke zich naar het huis van den priester begeven

en de bruiden thuis zou brengen.

Maar hier deed zich een andere moeielijkheid voor. De oude vader moest

twee honderd geleiders voor de bruiden zoeken (voor elke bruid twee);

honderd kooms; honderd starisvats; honderd chaious (hardloopende

voetknechten, die voor de processie uitgaan) en drie honderd voïvodes

(vaandeldragers); en bovendien een behoorlijk aantal andere gasten. Om

deze allen te vinden, moest de vader drie jaar de omgeving afjagen;

doch eindelijk waren ze gevonden en er werd een dag bepaald, waarop

zij bij zijn huis zouden samenkomen om zich vandaar in processie naar

het huis van den priester te begeven.

De huwelijksprocessie.

Op den bepaalden dag verzamelden zich al de genoodigde gasten bij het

huis van den ouden man. Na veel geraas en verwarring, en na rijkelijk

genoten te hebben van het feestmaal, stelde de huwelijksprocessie

zich in beweging en begaf zich op weg naar het huis van den priester,

waar de honderd bruiden zich al gereed gemaakt hadden voor haar

vertrek naar haar nieuw tehuis.

Zoo groot was de verwarring bij het vertrek geweest, dat de oude

man niet eens merkte, dat een van de honderd zoons ontbrak en hem in

het geheel niet miste bij het groeten en praten en drinken, waartoe

hij als vader van de bruidegoms verplicht was. Nu had deze jonge man

zoo lang en hard gewerkt om zich gereed te maken voor den trouwdag,

dat hij eerst wakker werd lang nadat de processie was vertrokken;

iedereen scheen evenals zijn vader zooveel aan zijn hoofd te hebben,

dat niemand hem miste.

De huwelijksprocessie kwam in goede orde aan het huis van den priester,

waar reeds een feestmaal voor hen was aangericht. Na de noodige eer

bewezen te hebben aan de vele goede dingen en nadat al de ceremonies

vervuld waren, die bij zoo'n gelegenheid in acht genomen moeten worden,

werden de honderd bruiden aan haar geleiders gegeven en de processie

begaf zich op den terugweg naar het huis van den ouden man. Maar daar

zij eerst vertrokken, toen het al vrij laat in den middag was, werd

er besloten dat men den nacht ergens onderweg zou doorbrengen. Toen

zij daarom aan een rivier kwamen, "de Ongelukkige" genaamd, stelden

eenigen, daar het al donker was, voor aan den oever te overnachten

en niet eerst de rivier over te steken. Anderen, die deel uitmaakten

van de partij, bevalen echter met groote warmte aan de rivier over te

steken en te kampeeren aan den anderen kant. Daartoe werd eindelijk na

veel heen en weer praten besloten; de processie ging dus de brug over.

Maar juist toen de trouwpartij halverwege de brug was, bogen de

beide leuningen naar elkaar toe en daardoor werden de menschen zoo

dicht op elkaar gedrukt, dat zij nauwelijks ruimte hadden om adem te

halen--laat staan om zich voor- of achteruit te bewegen.

De zwarte reus.

Gedurende eenigen tijd bleven zij zoo op elkaar gepakt staan;

eenigen schreeuwden en scholden, anderen waren stil, omdat zij bang

waren. Eindelijk verscheen een zwarte reus, die hen met vreeselijke

stem toeschreeuwde:

"Wie zijt gij allen? Vanwaar komt gij? Waar gaat gij heen?"

De stoutmoedigsten onder hen antwoordden: "Wij gaan naar het huis

van onzen vriend en brengen de honderd bruiden thuis van zijn honderd

zoons; maar, helaas, wij hebben ons op deze brug gewaagd na het vallen

van den avond en nu worden wij zoo tegen elkaar gedrukt, dat wij noch

voor- noch achteruit kunnen."

"En waar is uw oude vriend?" vroeg de zwarte reus.

Nu richtten aller oogen zich op den ouden man. Deze keek den reus aan,

die onmiddellijk tegen hem zei: "Luister, oude man! Wilt gij mij geven,

wat gij thuis vergeten hebt, als ik uw vrienden over de brug laat?"

De oude man dacht een oogenblik na, wat hij thuis vergeten kon hebben,

maar hij kon zich niet voorstellen, dat dit iets bijzonders zou kunnen

zijn, en daarbij hoorde hij van alle kanten het gekreun en gekerm

van zijn gasten. Daarom antwoordde hij: "Nu, ik zal het u geven,

als gij den stoet maar laat doorgaan."

Toen zei de zwarte reus tot het gezelschap: "Gij hoort allen, wat hij

heeft beloofd en gij zijt allen mijn getuigen bij de overeenkomst. Over

drie dagen zal ik mijn prijs komen halen."

Nadat hij dit gezegd had, maakte de reus de brug ruimer en de geheele

processie ging er veilig over naar den anderen kant. De lust om den

nacht in de open lucht te vertoeven, was den menschen echter ontgaan

en zij gingen daarom zoo snel zij konden verder en vroeg in den morgen

bereikten zij het huis van den ouden man.

Toen hij van het vreemde avontuur hoorde, dat hen was overkomen,

begreep de oudste zoon, die thuis was gelaten, spoedig, hoe de zaak

stond en hij ging naar zijn vader en zei: "O, vader, u heeft _mij_

aan den zwarten reus verkocht!"

Toen was de oude man zeer bedroefd en verontrust; maar zijn vrienden

troostten hem en zeiden: "Wees niet bang! Er zal niets van komen."

De huwelijksplechtigheden zouden met grooten luister gevierd

worden. Maar juist, toen het feest zijn hoogtepunt had bereikt,

op den derden dag, verscheen de zwarte reus voor de deur en riep:

"Nu, geef mij dadelijk, wat gij mij beloofd hebt."

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 43 / 47 题