En zij antwoordde: "Mijn echtgenoot is de koning der arenden." Toen

de koning terugkeerde, verwelkomde zijn liefhebbende vrouw hem,

maar hij riep dadelijk uit: "Wie is de vermetele man, die nu

in mijn kasteel is? Zeg het mij onmiddellijk!" Zij loog en zei:

"Niemand!" Toen begonnen zij aan het avondeten en de prinses vroeg

aan haar echtgenoot: "Zeg mij naar waarheid: zoudt gij mijn broers

kwaad doen, indien een van hen hier zou durven komen, om mij te

bezoeken?" En de koning der arenden antwoordde: "Wat uw oudsten en

uw tweeden broer betreft, ik verzeker u, dat ik hen zou dooden;

maar uw derden broer zou ik welkom heeten en helpen zooveel ik

kon." Toen vatte zij moed en vertelde hem: "Mijn jongste broer, uw

schoonbroeder, is hier om mij te bezoeken!" Daarop beval de koning

aan zijn bedienden den prins bij hem te brengen en toen de bedienden

gehoorzaamden en de prins verscheen, stond hij op en omhelsde en kuste

zijn schoonbroeder en zei: "Welkom, mijn lieve schoonbroeder!" En de

prins, getroffen door zijn vriendelijkheid, sprak zeer hoffelijk:

"Dank u, mijn broeder! Ik hoop, dat het u goed gaat!" De koning

verzocht hem dadelijk plaats te nemen aan tafel en na het avondeten

vertelde de prins zijn wonderlijke avonturen en eindigde met te

vertellen, dat hij Bash Tchelik zocht. Toen hij dit hoorde, raadde

de koning der arenden hem zoo ernstig mogelijk zijn gewaagd plan af

en voegde er aan toe: "Laat dien duivel met rust! Ik zou u aanraden

hier te blijven; gij zult alles, wat gij verlangt, in mijn kasteel

vinden." Maar de vermetele prins wilde geen oogenblik naar dezen raad

luisteren en den volgenden morgen maakte hij zich gereed om zijn reis

te vervolgen en Bash Tchelik te zoeken. Toen plukte de koning, ziende

dat het besluit van zijn schoonbroeder onwankelbaar was, een mooie

veer uit zijn gewaad, overhandigde die aan zijn schoonbroer en zei:

"Neem deze veer, o broeder, en indien gij ooit hulp noodig hebt,

hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal u dadelijk te hulp

komen met mijn geheele leger."

De prins aanvaardde zeer dankbaar de veer, nam afscheid en vertrok

om zijn vijand te zoeken.

De derde zuster.

Na eenigen tijd kwam hij in een derde stad, waar hij op dezelfde wijze

zijn derde zuster vond. Zij was getrouwd met den koning der valken,

die hem ook vriendschappelijk welkom heette, en hem een veer gaf voor

het geval, dat hij in nood mocht verkeeren.

De prins vindt zijn vrouw.

Na van de eene plaats naar de andere te zijn getrokken, vond hij

eindelijk zijn vrouw in een hol. Toen zijn vrouw hem zag, riep zij

uit: "Hoe ter wereld komt gij hier, beste man?" Hij vertelde haar,

welke avonturen hij had beleefd en zei: "Laat ons samen vluchten,

vrouw!" Maar zij antwoordde: "Hoe zouden wij kunnen vluchten; Bash

Tchelik zal ons zeker inhalen: hij zou u dooden en en mij terug halen

en straffen." Toch overreedde de prins, die wist, dat hij drie levens

had, zijn vrouw met hem te gaan.

Nauwelijks hadden zij den ingang van het hol bereikt, of Bash Tchelik

hoorde hen vertrekken en snelde hen achterna. Na korten tijd bereikte

hij hen, nam de prinses terug en zei verwijtend tegen den prins: "O

prins, gij hebt uw vrouw gestolen! Dezen keer vergeef ik u, omdat ik

mij herinner u drie levens te hebben toegestaan. Dus kunt gij gaan,

maar als gij nog eens om uw vrouw hier durft komen, dan zal ik u

dooden!" Daarop verdween Bash Tchelik met de prinses en liet haar

echtgenoot in diep gepeins achter. Wat hij nu zou doen? Eindelijk

besloot hij zijn geluk nog eens te proeven en toen hij weer bij het

hol kwam, koos hij een oogenblik, waarop Bash Tchelik afwezig was en

nam zijn vrouw weer mee. Maar weer bemerkte Bash Tchelik spoedig, dat

zij vluchtten, en weer haalde hij hen na korten tijd in. Nu richtte hij

zijn boog op den prins en zei: "Wat verkiest gij: geschoten te worden

door dezen pijl of onthoofd door mijn zwaard?" De prins verzocht nog

eens vergiffenis en Bash Tchelik schonk ze hem, waarbij hij zei: "Dezen

keer vergeef ik u ook, maar wees ervan verzekerd, als gij nog eens

durft te komen om uw vrouw te halen, dat ik u dan zonder genade dood."

Toch beproefde de prins zijn geluk nog eens en na weer gegrepen te

zijn door Bash Tchelik, verzocht hij nog eens om vergiffenis. Omdat

hij hem uit eigen vrijen wil drie levens had gegeven luisterde Bash

Tchelik naar zijn smeekbede, maar zei: "Wees gewaarschuwd, stel

het eene leven, dat God u heeft gegeven, niet in de waagschaal!" Nu

de prins inzag, dat hij tegen zulk een macht niets kon uitrichten,

aanvaardde hij de terugreis, waarbij hij er voortdurend over peinsde,

hoe hij ooit zijn vrouw uit de macht van Bash Tchelik zou kunnen

bevrijden. Eensklaps schoot hem wat te binnen: hij herinnerde zich,

wat zijn schoonbroers gezegd hadden, toen zij hem een veer uit hun

gewaad hadden gegeven. Daarop besloot hij nog eens te gaan en te

beproeven zijn vrouw te redden. "Indien ik in ongelegenheid kom,"

dacht hij, "zal ik de veeren verbranden en mijn schoonbroers zullen

mij te hulp komen."

Daarop keerde de prins naar het hol van Bash Tchelik terug. Zijn

vrouw was ten hoogste verbaasd hem te zien en riep uit: "Gij zijt

uw leven dus moe, dat gij ten vierde male komt om mij!" Maar de

prins liet zijn vrouw de veeren zien en verklaarde haar het nut er

van en hij kreeg van haar gedaan, dat zij nog eens wilde beproeven

met hem te vluchten. Nauwelijks hadden zij echter het hol verlaten,

of Bash Tchelik stormde hen achterna roepende: "Sta stil, prins, gij

kunt mij niet ontkomen!" De prins, die zag, dat zij in het grootste

gevaar verkeerden, verbrandde haastig alle drie de veeren en toen Bash

Tchelik met getrokken zwaard naderde om hem te dooden, o, welk een

machtig wonder! Op datzelfde oogenblik kwam tot zijn hulp aanvliegen

de drakenkoning met zijn leger draken, de koning der arenden met

zijn wreede arenden en de valkenkoning met al zijn valken. Allen

vielen verwoed op Bash Tchelik aan, maar ondanks de stroomen

bloed, die vergoten werden, scheen Bash Tchelik onoverwinnelijk en

eindelijk greep hij de prinses en vluchtte. Na den slag vonden de drie

schoonbroeders den prins dood; zij besloten dadelijk hem tot het leven

terug te roepen. Zij vroegen aan drie draken, wie van hen in den kortst

mogelijken tijd eenig water uit den Jordaan kon brengen. De eerste zei:

"Ik zou het in een half uur kunnen brengen!" De tweede verklaarde:

"Ik zal het in tien minuten brengen!" De derde verzekerde: "Ik breng

het in negen seconden!" Daarop zond de koning den derden draak en

werkelijk hij gebruikte zijn vurige macht ten volle en keerde in

negen seconden terug. De koning nam het genezende water, goot het

op de gapende wonden van zijn schoonbroer en terwijl dit geschiedde,

genazen de wonden en de prins sprong levend overeind.

De koningen gaven hem den volgenden raad: "Keer, nu gij van den

dood zijt gered in vrede huiswaarts." Maar de prins verzekerde,

dat hij nog eens wilde beproeven zijn geliefde vrouw te redden. De

koningen beproefden er hem van terug te houden; zeggende: "Ga niet,

want gij zult verloren zijn, als gij het doet! Gij weet heel goed,

dat gij nu slechts het eene leven hebt, dat God u gegeven heeft." Maar

de prins wilde niet luisteren. Daarop zeiden de koningen: "Als gij

niet anders wilt, ga dan! Maar doe geen vergeefsche pogingen meer

om met uw vrouw te vluchten! Laat uw vrouw aan Bash Tchelik vragen,

waar zijn kracht schuilt. Kom ons dat vertellen, opdat wij u helpen

kunnen hem te overwinnen."

Het geheim van de kracht.

Dezen keer sloop de prins stil naar het hol en zei, zooals de koningen

hem hadden aangeraden, tot zijn vrouw, dat zij Bash Tchelik moest

vragen, waarin zijn kracht school. Toen Bash Tchelik dien avond thuis

kwam, vroeg de prinses: "Ik bid u, vertel mij, waarin schuilt toch het

geheim van uw kracht?" Toen Bash Tchelik dit hoorde, lachte hij en zei:

"Mijn kracht ligt in mijn sabel!" De prinses knielde voor het zwaard

en begon te bidden. Daarop barstte Bash Tchelik in nog luider gelach

uit en riep: "O, dwaze vrouw! Mijn kracht ligt niet in mijn zwaard,

maar in mijn pijl en boog!" Toen knielde de prinses voor den boog en

de pijlen, doch Bash Tchelik schaterde van het lachen en riep uit:

"O, dwaze vrouw! Mijn kracht schuilt noch in mijn boog noch in mijn

pijlen! Maar vertel mij, wie heeft u gezegd mij te vragen, waarin mijn

kracht schuilt? Indien uw echtgenoot leefde, zou ik kunnen vermoeden,

dat hij het was, die het weten wilde!" Maar de prinses verzekerde, dat

niemand haar had aangezet het te vragen en hij geloofde, wat zij zei.

Na eenigen tijd kwam de prins, en toen zijn vrouw hem zei, dat zij

niets van Bash Tchelik te weten kon komen, zei hij: "Beproef het nog

eens!" en ging heen.

Toen Bash Tchelik thuis kwam, vroeg de prinses weer naar het geheim

van zijn kracht. Toen antwoordde hij: "Daar gij zooveel belang stelt

in mijn kracht, zal ik u de waarheid vertellen." En hij begon: "Ver

van hier bevindt zich een hooge berg en in dien berg woont een vos;

in de vos is een hart en in dat hart leeft een vogel; in dien vogel

ligt al mijn kracht. Maar het is heel moeilijk den vos te vangen,

want hij kan zich veranderen in alles, wat hij wil!"

Toen Bash Tchelik den volgenden morgen het hol verliet, kwam de

prins en vernam het geheim van zijn vrouw. Toen ging hij regelrecht

naar zijn schoonbroers, die, nadat zij het verhaal hadden gehoord,

dadelijk met hem meegingen om den berg te vinden. Dit gelukte hen

spoedig; zij lieten arenden los om den vos na te jagen, waarop de

vos snel naar het meer liep en zich daar in een zes-vleugelige eend

veranderde. Toen de valken de eend nazetten, vloog hij de wolken

in. Hierop vervolgden de draken hem; de eend veranderde weer in een

vos; de andere arenden omringden hem, en eindelijk werd hij gevangen.

Toen gaven de drie koningen bevel den vos open te snijden en zijn

hart uit zijn lichaam te nemen. Toen dit gedaan was, werd er een

groot vuur gemaakt en uit het hart van den vos namen zij een vogel,

dien zij in het vuur wierpen en verbrandden.

Zoo kwam Bash Tchelik om; en zoo herkreeg de prins eindelijk zijn

geliefde en trouwe gade.

De gouden appelboom en de negen pauwinnen.

Er was eens een koning, die drie zoons had. In den tuin van het paleis

groeide een gouden appelboom, die in een en denzelfden nacht bloeide

en rijpe vruchten droeg. Maar gedurende den nacht kwam een dief en

plukte de gouden appelen, en niemand wist hem te ontdekken. Op zekeren

dag overlegde de koning met zijn zoons en zei: "Het was mij heel

wat waard, als ik wist, wat er met de vruchten van onzen appelboom

gebeurt!" Daarop antwoordde de oudste zoon: "Ik zal vannacht onder

den appelboom de wacht houden en zien, wie de vruchten plukt."

Toen de avond daalde, legde de prins zich onder den appelboom om de

wacht te houden; maar terwijl de appels rijpten, viel hij in slaap en

ontwaakte niet voor den volgenden morgen, toen de appels verdwenen

waren. Hij vertelde zijn vader, wat er was gebeurd, waarop zijn

broeder, de tweede zoon, aanbood dien nacht de wacht te houden. Maar

hij had niet meer succes dan zijn oudste broer.

Het was nu de beurt van zijn jongsten zoon om zijn geluk te beproeven

en toen de nacht kwam, plaatste deze een bed onder den boom en legde

zich neer om te slapen. Ongeveer middernacht werd hij wakker en keek op

naar den boom. En zie! de appels rijpten juist en het geheele kasteel

was verlicht door hun glans. Op dat oogenblik vlogen negen pauwinnen

naar den boom en streken neer op de takken, waar acht harer gingen

zitten om de vruchten te plukken. Maar de negende streek dadelijk op

den grond neer, waar ze in een meisje veranderde. Zoo mooi was zij, dat

men vergeefs naar haar gelijke zou zoeken door het geheele koninkrijk.

De prins werd onmiddellijk doodelijk verliefd op zijn bezoekster en

het mooie meisje was volstrekt niet onwillig om te blijven en met den

jongeman te praten. Zoo verstreken een paar uren. Ten laatste zei

het meisje, dat zij niet langer mocht blijven. Zij dankte de prins

voor de appels, die haar zusters hadden geplukt; maar hij vroeg,

of zij hem er althans een wilde geven om mee naar huis te nemen.

Het meisje glimlachte lieftallig en overhandigde hem twee appels,

een voor hem zelf, den anderen voor zijn vader, den koning. Toen

veranderde zij weer in een pauwin, voegde zich bij haar zusters en

allen vlogen heen.

Den volgenden morgen bracht de prins de twee appels naar zijn

vader. De koning, die zeer tevreden was, prees zijn zoon, en den

volgenden nacht begaf de gelukkige prins zich evenals den vorigen

keer naar den boom en 's morgens bracht hij weer twee appels bij

zijn vader. Toen dit verscheidene nachten gebeurd was, werden zijn

twee broers jaloersch, omdat zij niet instaat waren geweest te doen,

wat hij had gedaan. Toen bood een slechte, oude vrouw den ontevreden

prinsen aan hun het geheim te openbaren. Den volgenden avond sloop

de oude vrouw zachtjes onder het bed van den jongen prins en verborg

zich daar. Spoedig daarop verscheen de prins en viel dadelijk evenals

de vorige keeren in slaap. Toen het middernacht was, zie! streken

de pauwinnen als gewoonlijk neer; acht gingen er op de takken van

den appelboom zitten, maar de negende daalde neer op het bed van den

prins en veranderde dadelijk in een meisje. Toen de oude vrouw deze

vreemde gedaanteverwisseling zag, kroop zij zachtjes nader en sneed

een lok van het haar van het meisje af, waarop dit dadelijk opstond

en weer in een pauwin veranderde en met haar zusters verdween. Toen

sprong de jonge prins op, verwonderd over het plotseling vertrek van

zijn geliefde, en keek overal rond. Hij zag de oude vrouw, sleurde

haar onder het bed vandaan en beval zijn knechts haar vast te binden

aan de staarten van vier paarden en haar zoo te dooden.

Maar de pauwinnen kwamen nooit terug, tot groot verdriet van den prins,

die luid weenend uiting gaf aan zijn smart.

Weenen beweegt geen enkelen berg, en eindelijk besloot de prins de

wijde wereld in te gaan, om zijn liefste te vinden en niet terug

te keeren, voordat hij haar had gevonden. Als een goed zoon vroeg

hij toestemming aan zijn vader, die al zijn best deed, hem van dit

gewaagde plan af te brengen en hem een veel mooiere bruid beloofde

uit zijn uitgestrekt koninkrijk--want hij was er zeker van, dat elk

meisje blij zou zijn zulk een dapperen prins te trouwen.

De prins gaat op onderzoek uit.

Maar al zijn vaderlijke raad was vergeefsch, zoodat de koning den

prins tenslotte toestond te doen, wat zijn hart verlangde en de

bedroefde prins vertrok slechts van een bediende vergezeld, om zijn

liefste te zoeken. Nadat hij een langen tijd had gereisd, kwam hij

eindelijk aan den oever van een groot meer, waarbij een prachtig

kasteel stond, waarin een heel oude vrouw woonde, een koningin met

haar eenige dochter. De prins vroeg de bejaarde koningin smeekend:

"Ik bid u, grootmoeder, vertel mij, wat u weet van de negen gouden

pauwinnen?" De koningin antwoordde: "O, mijn zoon, ik ken deze

pauwinnen heel goed, want zij komen elken dag om twaalf uur naar

dit meer om te baden. Maar deedt gij niet beter deze pauwinnen te

vergeten en zoudt gij niet liever naar dit mooie meisje zien. Zij is

mijn eenige dochter en zal mijn rijkdommen en schatten erven en gij

kunt dan alles met haar deelen." Maar de prins, die ongeduldig was

om de pauwinnen te vinden, luisterde niet eens naar de koningin. Toen

de oude dame zijn onverschilligheid zag, kocht zij zijn knecht om en

gaf hem een blaasbalg, zeggende: "Ziet gij dit? Indien gij morgen naar

het meer gaat, blaas dan stilletjes achter in den hals van uw meester,

hij zal in slaap vallen en niet tegen de pauwinnen kunnen spreken."

De ontrouwe knecht stemde er in toe om precies te doen, wat de koningin

hem beval, en toen zij naar het meer gingen, maakte hij van de eerste

gunstige gelegenheid gebruik om met den blaasbalg achter den hals van

zijn armen heer te blazen, waarop de prins in een zoo diepen slaap

viel, dat hij wel een doode geleek. Spoedig daarna vlogen de acht

pauwinnen naar het meer, en de negende streek neer op het paard van

den prins, omhelsde hem en sprak: "Ontwaak lieveling! Word wakker,

geliefde! O, doe het!" Helaas, de arme prins bleef als dood. Toen

verdwenen al de pauwinnen, nadat zij hadden gebaad.

Kort na haar vertrek ontwaakte de prins en vroeg aan zijn knecht:

"Wat is er gebeurd? Zijn zij hier geweest?" De knecht antwoordde,

dat zij er werkelijk waren geweest; dat acht harer in het meer hadden

gebaad, terwijl de negende hem geliefkoosd en gekust had en beproefd

had hem uit den slaap te wekken. Toen hij dit hoorde, was de prins

zoo boos, dat hij er bijna toe gekomen was om zich zelf te dooden.

Den volgenden morgen gebeurde hetzelfde. Maar bij deze gelegenheid

verzocht de pauwin aan den knecht den prins te zeggen, dat zij den

volgenden dag voor het laatst zou terugkeeren. Toen de derde dag

daagde, ging de prins weer naar het meer, en uit vrees weer in te

slapen, galoppeerde hij langs den oever, in plaats van langzaam

stapvoets te gaan. Maar zijn bedriegelijke knecht volgde hem dicht

op de hielen en vond weer gelegenheid den blaasbalg te gebruiken,

en weer viel de prins in slaap.

Kort daarna verschenen de pauwinnen; acht gingen zich als gewoonlijk

baden, en de negende streek neer op het paard van den prins, en

beproefde hem te wekken. Zij omhelsde hem en sprak aldus: "Word wakker,

lieveling. Liefste, sta op! O, mijn ziel!" Maar haar pogingen waren

vruchteloos; de prins sliep, alsof hij dood was. Toen sprak zij tot

den knecht: "Als uw heer wakker wordt, zeg hem dan, dat hij den kop

van den spijker moet afslaan; dan alleen zal hij in staat zijn mij

weer te vinden."

Na dit gezegd te hebben, verdween de pauwin met haar zusters en

nauwelijks waren zij verdwenen, of de prins ontwaakte en vroeg aan zijn

knecht: "Zijn zij er geweest?" En de boosaardige man antwoordde: "Ja;

zij, die neerstreek op uw paard, gaf mij bevel u te zeggen, dat gij,

indien gij haar terug wenscht te vinden, eerst den kop van den spijker

af moet slaan." Toen de prins dit hoorde, haalde hij zijn zwaard uit

de scheede en sloeg zijn ontrouwen dienstknecht het hoofd af.

De prins zet zijn tocht voort.

Nu hervatte de prins zijn pelgrimstocht alleen en na lang reizen kwam

hij aan een berg, waar hij een kluizenaar ontmoette, die hem gastvrij

ontving. In den loop van het gesprek vroeg de prins aan zijn gastheer,

of hij iets wist omtrent de negen pauwinnen. De kluizenaar antwoordde:

"O, mijn zoon, gij zijt werkelijk gelukkig. God zelf heeft u den

rechten weg gewezen. Van hier tot haar woning is het maar een halve

dagreis; morgen zal ik u den weg wijzen."

De prins stond den volgenden morgen heel vroeg op, maakte zich

gereed voor de reis, dankte den kluizenaar voor het onderdak, dat

hij hem gegeven had en vervolgde zijn weg volgens de aanwijzingen,

die hem verstrekt werden. Hij kwam aan een groote poort en toen hij

er door gegaan was, richtte hij zich naar rechts; tegen den middag

zag hij eenige witte muren. Dat verheugde hem buitengewoon. Toen

hij aan het kasteel kwam, vroeg hij den weg naar het paleis van de

negen pauwinnen en voortgaande bereikte hij het spoedig. Hij werd

natuurlijk aangeroepen door de wacht, zijn naam werd gevraagd en

vanwaar hij kwam. Toen de koningin hoorde, dat hij gekomen was, was

zij overstelpt van vreugde en in een meisje veranderend, snelde zij

naar de poort en bracht den prins in het paleis.

Er werd feest gevierd, en een groote vreugde heerschte, toen later

hun huwelijksvoltrekking werd gevierd, en na de bruiloft bleef de

prins in het paleis en leefde daar in vrede.

Op zekeren dag ging de koningin vergezeld van een bediende in het park

van het paleis wandelen; de prins bleef in het paleis. Vóór zij ging,

gaf de koningin aan haar echtgenoot de sleutels van twaalf kelders,

waarbij zij sprak: "gij moogt in al de kelders gaan op een na;

ga onder geen voorwaarde in den twaalfden; ge moogt de deur zelfs

niet openen." De vraag, wat er toch wel in den twaalfden kelder zou

kunnen zijn, begon den prins al spoedig te kwellen; en na den eenen

kelder na den anderen te hebben geopend, stond hij aarzelend voor den

twaalfden. Wie aarzelt, is verloren, en zoo stak de prins eindelijk

den sleutel in het slot en het volgend oogenblik trad hij de verboden

ruimte binnen. In het midden van den vloer stond een reusachtig vat met

drie sterke ijzeren hoepels er omheen. Het spongat was open en daaruit

klonk een gedempte stem, die zei: "Ik bid u, broeder, geef mij een

dronk water, anders sterf ik van dorst!" De prins nam een glas water

en goot het door het spongat; dadelijk daarop sprong een hoepel. Daarna

sprak de stem weer: "O, broeder, geef mij meer water, opdat ik niet van

dorst omkom!" De goedhartige prins ledigde een tweede glas in het vat

en een tweede hoepel sprong onmiddellijk stuk. Weer smeekte de stem:

"O, broeder, geef mij nog een derde glas! Ik verga nog van dorst!" De

prins haastte zich aan den wensch van den onzichtbaren spreker te

voldoen, en nadat hij voor den derden keer water gegeven had, barstte

de derde hoepel. Het vat viel in stukken en een groote draak werkte

er zich uit, stormde door de deur en vloog de lucht in. Spoedig daarna

ontmoette hij de koningin, die op den terugweg naar het paleis was en

hij voerde haar met zich mee. Vreeselijk ontdaan deelde de bediende den

prins mee, wat gebeurd was en het nieuws trof hem als een donderslag.

Een oogenblik was de prins als waanzinnig, maar daarna werd hij kalmer

en besloot zich opnieuw op weg te begeven, om zijn geliefde koningin

te zoeken. Op zijn tochten kwam hij aan een rivier, en liep langs

den oever; in een kleine holte zag hij een kleinen visch springen en

moeite doen om er uit te komen.

Toen de visch den prins zag, smeekte hij met deerniswekkende stem:

"Wees mijn broeder-in-God! Werp mij weer in de rivier; het kan zijn,

dat de dag komt, waarop ik u van dienst kan zijn! Maar zorg er voor

een schubbe van mij te nemen en als gij in nood verkeert, wrijf die

dan zacht." De prins nam den visch op, trok hem een schubbe uit en

wierp het arme dier in het water; daarna wikkelde hij de schubbe

zorgvuldig in zijn zakdoek.

Toen hij zijn weg vervolgde, zag hij een vos, die gevangen zat in een

klem; het dier sprak hem aan en zei: "Wees mijn broeder-in-God! Bevrijd

mij, bid ik u uit dezen wreeden klem, en ik zal u misschien nog

eens van dienst zijn. Maar neem een haar van mijn staart en als

gij in nood verkeert, wrijf dat dan zacht!" De prins nam een haar

uit den staart van den vos en liet hem vrij. Hij trok verder en

zag een wolf in een klem. En de wolf smeekte hem met deze woorden:

"Wees mijn broeder-in-God en verlos mij! Het kan zijn, dat gij op

zekeren dag mijn hulp noodig hebt; neem daarom een haar van mijn

vacht en mocht gij ooit mijn hulp noodig hebben, dan hebt gij maar

zacht te wrijven!" Ook dat deed de prins.

Hoe vermoeid hij ook was, de prins vervolgde zijn weg. Eenige dagen

later bevond hij zich in de bergen. Daar ontmoette hij een man, tot

wien hij zei: "O, mijn broeder-in-God! Kunt gij mij den weg wijzen

naar het kasteel van den koning der draken?" Gelukkig had de man

van dit kasteel gehoord en hij was instaat hem den weg te wijzen;

hij lichtte den prins ook nauwkeurig in over den duur van de reis.

De prins vindt zijn vrouw.

De prins dankte den vreemdeling en vervolgde zijn weg met nieuwen moed,

totdat hij aan de plaats kwam, waar de koning der draken woonde. Hij

trad het kasteel stoutmoedig binnen en vond er zijn vrouw; nadat zij

aan hun vreugde over de ontmoeting uiting hadden gegeven, overlegden

zij, hoe zij zouden ontsnappen. Ten slotte namen zij vlugge paarden

uit de stallen, maar nauwelijks waren zij op weg, of de draak kwam

terug. Toen hij zag, dat de koningin ontsnapt was, overlegde hij met

zijn strijdros: "Wat raad je mij aan? Zullen wij eerst eten en drinken,

of zullen wij hen dadelijk achtervolgen!" Het paard antwoordde: "Laten

we ons eerst verfrisschen, want we zullen hen stellig vangen." Na den

maaltijd steeg de draak te paard en binnen enkele minuten bereikten

zij de vluchtelingen. Hij greep de koningin en sprak tot den prins:

"Ga in vrede! Voor dezen keer vergeef ik u, omdat gij mij bevrijd

hebt uit den kelder: maar waag het niet mijn pad nog eens te kruisen,

want een tweeden keer zal ik u geen vergiffenis schenken."

De arme prins aanvaardde treurig den terugweg, maar spoedig bemerkte

hij, dat hij zonder zijn vrouw niet zou kunnen leven. Wat het ook

kosten mocht, hij moest een tweede poging wagen om haar te redden. Hij

keerde dus op zijn schreden terug en ging den tweeden dag het kasteel

weer binnen en vond zijn vrouw badende in tranen. Het was duidelijk,

dat zij een list te baat moesten nemen, indien zij wilden ontkomen aan

de magische macht van den drakenkoning, en nadat zij over de vraag

hadden nagedacht, zei de prins: "Als de draak vanavond thuis komt,

vraag hem dan, vanwaar hij zijn paard kreeg; mogelijk ben ik in staat

mij een paard te verschaffen, dat even vlug is: dan alleen zouden

wij met kans op slagen een nieuwe poging om te ontvluchten kunnen

wagen." Met deze woorden verliet hij zijn vrouw. Toen de drakenkoning

terugkeerde, begon de koningin hem te liefkoozen en genoegelijk met

hem te babbelen; eindelijk zei zij: "Wat bewonder ik uw prachtig

paard! Het is stellig geen gewoon ras! Waar hebt gij zulk een vlug

ros gevonden?" En de drakenkoning antwoordde: "O, zijns gelijke kan

niemand krijgen. In een zekeren berg woont een oude vrouw, die twaalf

wonderpaarden in haar stallen heeft; het zou niemand gemakkelijk vallen

uit te maken, welk het edelste is! In een hoek staat er echter een,

dat oogenschijnlijk melaatsch is; maar het is feitelijk het beste

van den geheelen stal en hij, die zich zijn meester mag noemen,

kan hooger rijden zelfs dan de wolken. Mijn paard is een van die

paarden. Eer iemand een er van kan krijgen, moet hij de oude vrouw

drie dagen dienen. Zij heeft een merrie en een veulen, en wie haar

knecht is, moet ze drie dagen en drie nachten verzorgen; indien hij

erin slaagt ze te bewaken en ze aan de oude vrouw terug te brengen,

mag hij een paard uit den stal kiezen. Maar indien de knecht niet goed

op de merrie en het veulen past, dan schiet hij er het leven bij in."

De oude vrouw en haar paarden.

Den volgenden morgen, toen de draak het kasteel had verlaten,

kwam de prins en de koningin vertelde, wat zij had vernomen. Na

een haastig afscheid van zijn vrouw begaf de prins zich met allen

spoed naar den berg en nadat hij de vrouw had gevonden, sprak hij:

"God helpe u, grootmoeder!"

En zij beantwoordde den groet: "Dat God ook u helpe, mijn zoon! Welke

goede wind voerde u hierheen, en wat verlangt gij?" Hij antwoordde:

"Ik zou u graag dienen!" Waarop de oude vrouw sprak: "Zeer goed,

mijn zoon! Indien gij met goed gevolg drie dagen en drie nachten waakt

over mijn merrie en haar veulen, dan zal ik u beloonen met een paard,

dat gij zelf uit mijn stallen moogt kiezen; maar indien gij ze niet

zorgvuldig bewaakt, dan moet ge sterven."

Toen bracht zij den prins op het binnenplein, waar hij dicht bij

elkaar vele staken in het rond zag staan en op elk der staken op een

na zag hij een menschelijk hoofd. De eene staak riep voortdurend:

"Geef mij een hoofd, o grootmoeder! Geef mij een hoofd!" De oude

vrouw zei: "Dit zijn alle hoofden van hen, die mij hebben gediend;

zij slaagden er niet in mijn merrie en haar veulen goed te bewaken;

daarom moesten zij met hun hoofd betalen!" Maar de prins werd niet bang

door hetgeen hij zag en hij nam de voorwaarde van de oude vrouw aan.

Toen de avond daalde, steeg hij op de merrie en reed op haar naar

het weiland; het veulen volgde. Hij bleef op de merrie zitten, maar

tegen middernacht dommelde hij wat in en viel eindelijk vast in

slaap. Toen hij wakker werd, zag hij tot zijn groote ontsteltenis,

dat hij op een boomstronk zat en den teugel van de merrie in zijn

hand hield. Hij sprong er af en begon dadelijk naar het bedriegelijke

dier te zoeken. Spoedig kwam hij aan een rivier; die herinnerde hem

aan den kleinen visch en nadat hij de schubbe uit zijn zakdoek had

genomen, begon hij haar zacht tusschen zijn vingers te wrijven en

zie, onmiddellijk verscheen de visch en vroeg: "Wat scheelt er aan,

mijn broeder-in-God?" De prins antwoordde: "Mijn merrie is gevlucht

en ik weet niet, waar ik haar moet zoeken!" En de visch antwoordde:

"Zie, hier is zij; zij heeft zich veranderd in een visch en haar veulen

in een kleinen visch! Sla eens met den teugel op het water en roep:

'Doora! Merrie van de oude vrouw!'"

De prins deed, wat hem werd gezegd en dadelijk kwamen de merrie en

het veulen uit het water; hij deed de merrie den teugel weer aan,

steeg te paard en reed naar huis; het jonge veulen draafde zijn moeder

achterna. De oude vrouw bracht zonder een woord te spreken wat voedsel

voor den prins en nam de merrie mee naar den stal, sloeg haar met een

pook en zei: "Heb ik je niet gezegd je bij de visschen te voegen." De

merrie antwoordde: "Ik ben bij de visschen geweest, maar de visschen

zijn zijn vrienden en zij hebben mij aan hem verraden." Daarop zei

de oude vrouw: "Vannacht gaat gij bij de vossen!"

Toen de avond daalde, steeg de prins weer op de merrie en reed naar

het veld; het veulen volgde zijn moeder. Weer besloot hij in het zadel

te blijven zitten en de wacht te houden, maar tegen middernacht werd

hij weer overvallen door den slaap en weer merkte hij niet, wat er

om hem gebeurde. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zie! Hij

zat op een boomstronk en hield den teugel vast. Dit verontrustte hem

zeer, en hij keek overal rond. Maar hoe hij ook zocht, hij kon geen

spoor van de merrie en haar veulen vinden. Toen herinnerde hij zich

zijn vriend den vos, en hij nam het haar van den vossestaart uit zijn

zakdoek en hij wreef dat zacht tusschen zijn vingers.

Onmiddellijk stond de vos voor hem. "Wat scheelt er aan, mijn

broeder-in-God?" vroeg hij. De prins klaagde over zijn ongeluk en

zei, dat hij zijn merrie kwijt was en niet wist, hoe hij haar weer

opvangen kon. De vos stelde hem spoedig gerust: "De merrie is bij

ons; zij heeft zich veranderd in een vos en haar veulen in een jongen

vos. Sla een keer met den teugel op den grond en roep: 'Doora! Merrie

van de oude vrouw!'" Hij deed aldus en zie! De merrie en het veulen

verschenen voor hem. Hij deed haar den teugel aan, steeg op en toen

hij thuiskwam, gaf de oude vrouw hem voedsel, bracht de merrie naar

den stal en sloeg haar met den pook, terwijl zij zei: "Waarom heb je

je niet in een vos veranderd, jij ongehoorzaam schepsel?" De merrie

verzette zich echter en zei: "Ik heb mij in een vos veranderd; maar

de vossen zijn zijn vrienden, daarom verraadden zij mij!" Hierop zei

de oude vrouw: "Den volgenden keer ga je naar de wolven!"

Toen de avond viel, ging de prins op weg met de merrie, en weer

herhaalde zich dezelfde geschiedenis. Den volgenden morgen zat hij

weer op een boomstronk en nu riep hij den wolf. Deze zei: "De merrie

van de oude vrouw is bij ons; zij heeft de gedaante van een wolvin

aangenomen en het veulen die van een jong wolfje; sla den grond eens

met den teugel en roep: 'Doora! Merrie van de oude vrouw!'" De prins

deed, wat de wolf hem aanried en de merrie verscheen weer voor hem

met het veulen achter zich.

Hij steeg weer op en ging naar het huis van de oude vrouw. Bij zijn

aankomst was zij bezig een maaltijd te bereiden. Nadat zij voedsel

voor hem had neergezet, bracht zij de merrie naar den stal en sloeg

haar met een pook. "Heb ik je niet gezegd naar de wolven te gaan, jij

ellendig schepsel?" schold zij. Maar weer verzette de merrie zich en

zei: "Ik ging naar de wolven, maar ook zij zijn zijn vrienden en zij

hebben mij verraden!" Toen ging de vrouw terug naar het huis en de

prins zei tegen haar: "Nu, grootmoeder, ik geloof, dat ik u eerlijk

heb gediend; nu hoop ik, dat gij mij zult geven, wat gij mij beloofd

hebt!" De oude vrouw antwoordde: "O, mijn zoon, waarlijk, een belofte

moet men houden! Kom mee naar den stal; daar staan twaalf paarden;

gij moogt daaruit het paard kiezen, dat u het best aanstaat."

De keus van den prins.

Daarop zei de prins vastbesloten: "Wel, waarom zou ik lastig in

mijn keus zijn? Geef mij het melaatsche paard, dat daar in den hoek

staat." De oude vrouw deed al haar best er hem van af te houden

dat leelijke paard te nemen. Zij sprak: "Waarom zijt gij zoo dwaas

een melaatschen knol te nemen, terwijl gij het mooiste paard kunt

hebben?" Maar de prins bleef bij zijn keus: "Geef mij liever dat,

hetwelk ik koos, zooals wij overeen gekomen zijn!"

Toen de oude vrouw zag, dat hij niet te overreden was, gaf zij toe, en

de prins nam afscheid en voerde zijn paard mee. Toen zij aan een bosch

kwamen, roskamde en verzorgde hij het paard en zijn huid glansde als

zuiver goud. Daarna steeg hij op en het paard, dat als een vogel vloog,

bracht hem in enkele seconden bij het kasteel van den drakenkoning.

De prins ging dadelijk binnen en begroette de koningin met de woorden:

"Haast u, alles is gereed voor onze vlucht!" De koningin was gereed,

en binnen enkele minuten spoedden zij zich heen, snel als de wind op

den rug van het wondervolle paard.

Kort nadat zij waren vertrokken, kwam de drakenkoning thuis en toen hij

bemerkte, dat de koningin weer verdwenen was, sprak hij de volgende

woorden tegen zijn paard: "Wat zullen wij doen? Zullen wij ons eerst

verfrisschen, of zullen wij de vluchtelingen dadelijk achtervolgen?"

Hierop antwoordde het paard: "Gij kunt doen, wat gij wilt, maar wij

zullen hen nooit inhalen!"

Toen hij dit hoorde, wierp de drakenkoning zich dadelijk op zijn paard

en in een oogenblik waren zij weg. Na een poosje keek de prins om en

zag den drakenkoning op eenigen afstand achter zich. Hij zette zijn

paard aan, maar dit zei: "Wees niet bevreesd. Het is volstrekt niet

noodig harder te loopen." De drakenkoning naderde meer en meer; zoo

dichtbij kwam hij, dat zijn paard in staat was met zijn broeder te

spreken. "O, lieve broeder, ga wat langzamer, ik smeek het u, anders

zal ik omkomen, zoo houd ik het niet uit!" Maar het paard van den

prins antwoordde: "Neen, waarom zijt gij ook zoo dwaas dat monster

te dragen? Werp uw hoeven in de hoogte en gooi hem tegen een rots,

en kom dan met mij mee!" Bij deze woorden schudde het paard van den

drakenkoning den kop, kromde den rug en sloeg de hoeven zoo verwoed

omhoog, dat zijn ruiter tegen een rots werd geworpen en dood liggen

bleef. Toen het dit zag, stond het paard van den prins stil. Zijn

broeder kwam aandraven en daar steeg de koningin toen op. Zoo kwamen

zij gelukkig in haar eigen land, waar zij in grooten voorspoed verder

leefden en regeerden.

Het vogelmeisje.

Er was eens een koning, die een eenigen zoon had, dien hij, toen hij

opgegroeid was, uitzond om een geschikte vrouw te zoeken. De prins

begaf zich op reis; maar ofschoon hij de geheele wereld rondreisde,

slaagde hij er niet in een bruid te vinden. Ten slotte, toen zijn

beurs en zijn geduld uitgeput waren, besloot hij te sterven en opdat

er geen spoor van hem zou achterblijven, klom hij op een hoogen berg

met het voornemen zich van den top naar beneden te werpen. Hij was

op het punt zich van den hoogsten top te storten, toen een stem deze

geheimzinnige woorden uitte: "Wacht! wacht! O man! Dood u zelf niet,

voor de driehonderdvijfenzestig in een jaar om zijn!"

De prins beproefde tevergeefs te ontdekken, vanwaar de stem kwam. Daar

hij niemand zag, vroeg hij: "Wie zijt gij, die tegen mij spreekt? Laat

u zien! Indien gij wist, hoe groot mijn verdriet is, dan zoudt gij

mij zeker niet trachten te weerhouden!" Daarop verscheen een oud

man, met haren zoo wit als sneeuw en hij zei tot den ongelukkigen

prins: "Ik weet heel goed, hoe gij lijdt; luister naar mij. Ziet

gij gindschen hoogen heuvel?" De zoon van den koning antwoordde:

"Ja stellig." "Heel goed," vervolgde de oude man, "daar zit dag en

nacht op een en dezelfde plek, op den top van dien heuvel, een oude

vrouw met gouden haren; zij houdt een vogel op haar schoot. Hij,

die dien vogel kan bemachtigen, is de gelukkigste man op aarde. Maar

indien gij uw geluk wilt beproeven, moet gij omzichtig te werk gaan;

gij moet de oude vrouw stilletjes naderen en voordat zij u ziet,

moet gij haar bij de haren vatten. Indien zij u ziet, voordat gij

haar gegrepen hebt, dan verandert gij oogenblikkelijk in een steen,

gelijk al met zoo vele jonge mannen gebeurd is, die gij daar in den

vorm van blokken marmer zult zien staan!"

De oude heks.

Toen de prins deze woorden hoorde, dacht hij na. "Het is mij alles

om het even; ik zal gaan en als ik er in slaag haar te grijpen, des

te beter voor mij; en mocht zij mij zien, voordat ik haar grijp, dan

kan ik toch niet meer dan sterven, wat ik toch reeds van plan was te

doen." Hij dankte dus den ouden man en ging opgeruimd verder om zijn

geluk te beproeven. Weldra beklom hij den anderen heuvel en zag de

oude vrouw, die hij van achteren heel behoedzaam naderde. Gelukkig

werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het spelen met den

vogel, dat de prins heel dicht bij kon komen zonder opgemerkt te

worden. Toen sprong hij plotseling naar voren en greep haar bij de

gouden haren. Hierop begon zij zoo hard te gillen, dat de berg, als

door een aardbeving bewogen, schudde. Maar de moedige prins hield haar

stevig vast. Toen riep de oude vrouw uit: "Laat mij los, en vraag,

wat gij maar wenscht!" En de prins antwoordde: "Ik zal u loslaten,

indien gij mij dien vogel geeft, en indien gij dadelijk al de jonge

mannen weer in het leven terugroept, die gij hebt betooverd." De

oude vrouw was genoodzaakt zijn eisch in te willigen en zij gaf

den vogel. Daarna blies zij van haar lippen een blauwen wind naar

de versteende gestalten, waardoor zij onmiddellijk weer levende

menschen werden. De edele prins kuste den vogel in zijn handen van

blijdschap, waarop deze in een buitengewoon mooi meisje veranderde,

dat de toovenares naar het scheen behekst had, om jonge mannen tot

zich te lokken en een afschuwelijk lot te bereiden.

De prins was zoo ingenomen met zijn gezellin, dat hij onmiddellijk

verliefd op haar werd. Toen zij van de plaats weggingen, gaf het meisje

hem een stok, waarmee hij, naar zij zei, alles zou kunnen doen, wat

hij wenschte. Dadelijk verlangde de prins de middelen te bezitten

om te reizen, zooals het een prins en zijn verloofde betaamt; hij

sloeg met den stok op een rots en onmiddellijk stroomde er een vloed

van goudstukken uit, waarvan zij zooveel namen, als zij voor de reis

noodig hadden. Toen zij aan een rivier kwamen, raakte de prins het

water aan met zijn stok en een pad ontstond, waarover zij droogvoets

konden gaan. Een eindje verder werden zij aangevallen door een troep

wolven, maar de prins verdedigde zijn bruid met zijn stok en een voor

een veranderden de wolven in mieren.

En nog veel meer avonturen beleefden zij. Eindelijk bereikten zij

veilig het huis van den prins. Toen trouwden zij en leefden verder

gelukkig.

Liegen om een weddenschap.

Op zekeren dag zond een vader zijn zoon naar den molen met koren,

dat gemalen moest worden. Toen hij vertrok, waarschuwde zijn vader

hem het koren niet te malen in een molen, waar hij een baardeloos man

[86] mocht aantreffen.

Toen de jongen eindelijk aan een molen kwam, was hij dus teleurgesteld

daar een baardeloos man aan te treffen.

"God zegene u, Baardelooze!" groette de jongen.

"Dat God u helpe!" antwoordde de molenaar.

"Mag ik mijn koren hier malen?" vroeg de jongen.

"Ja, waarom niet?" antwoordde de man zonder baard, "mijn koren zal

spoedig gemalen zijn, dan kunt gij dat van u malen, zoolang gij wilt."

Maar de jongen herinnerde zich de waarschuwing van zijn vader, verliet

dezen molen, en ging naar een anderen, verder de beek op. Baardeloos

nam echter wat graan, koos een korteren weg, zoodat hij den tweeden

molen het eerst bereikte en begon ook daar zijn koren te malen. Toen

de jongen er aankwam en zag, dat de molenaar weer een baardeloos

man was, haastte hij zich naar een derden molen; maar weer spoedde

Baardeloos er zich heen langs een korter pad en kwam er voor den jongen

aan. Hetzelfde herhaalde zich bij den vierden molen, zoodat de jongen

tot de gevolgtrekking kwam, dat alle molenaars mannen zonder baard

waren. Hij zette daarom zijn zak neer en wachtte tot het koren van

Baardeloos gemalen was op zijn beurt. Toen al zijn koren gemalen was,

zei Baardeloos: "Luister, mijn jongen! Laten wij een brood bakken

van uw koren."

De jongen had het bevel van zijn vader niet vergeten om zich niet in

te laten met molenaars zonder baard, maar toen hij geen voorwendsel

vond om het verzoek af te wijzen nam hij het voorstel aan. Nu nam

Baardeloos al het meel, vermengde het met water, dat de jongen hem

bracht, en maakte aldus een heel groot brood. Daarna stookten zij

den oven en bakten het brood, dat zij, toen het gereed was, tegen

den muur plaatsten.

Toen zei de molenaar: "Luister, mijn jongen! Indien wij dit brood nu

met ons tweeën deelden, zou er voor ieder van ons te weinig zijn. Laten

wij elkaar daarom verhalen vertellen en wie den grootsten leugen

vertelt, zal het geheele brood voor zich alleen hebben."

De jongen dacht een oogenblik na, en daar hij geen anderen uitweg zag,

nam hij den voorslag aan en zei: "Heel goed, maar gij moet beginnen."

Toen vertelde Baardeloos verschillende verhalen, totdat hij geheel

uitgeput was. Toen zei de jongen: "Wel, mijn waarde Baardeloos,

het is jammer, dat u in het geheel niets meer weet, want wat gij

gezegd hebt, is werkelijk niets; luister maar, en ik zal u de volle

waarheid vertellen."

Het verhaal van den jongen.

"In mijn jonge dagen, toen ik een oud man was, bezaten wij vele

bijenkorven; ik placht de bijen elken morgen te tellen; dat was

makkelijk genoeg, maar wat ik nooit kon klaar spelen, dat was het

tellen van de bijenkorven. Nu, op zekeren morgen, toen ik de bijen

telde, was ik ten hoogste verbaasd, toen ik merkte, dat de beste

bij ontbrak. Ik zadelde daarom een haan, steeg er op, en begaf mij

op weg om mijn bij te zoeken. Ik vond eindelijk haar spoor bij het

zeestrand en zag, dat zij de zee over gestoken was. Ik besloot haar

te volgen. Toen ik het water over was, bemerkte ik, dat een boer de

bij had gevangen; hij ploegde met haar zijn land en was voornemens

er gierst op te zaaien. Ik riep toen: 'Dat is mijn bij! Hoe komt gij

er aan?' En de ploeger antwoordde: 'Broeder, indien dit werkelijk uw

bij is, kom dan hier en neem haar!' Ik ging er dus heen en hij gaf

mij mijn bij terug en een zak vol gierst bovendien voor de diensten,

die mijn bij hem had bewezen. Ik nam den zak op mijn rug en legde

het zadel van den haan op de bij. Daarna steeg ik op en leidde den

haan achter mij aan, opdat die wat zou kunnen uitrusten. Toen ik de

zee weer overstak, ging een van de koorden van mijn zak los en al

de gierst stroomde in het water. Toen ik den overkant had bereikt,

was het reeds nacht. Daarom stapte ik af en liet de bij los om te

kunnen grazen; wat den haan betreft, hem maakte ik dicht bij mij

vast en gaf hem wat hooi. Daarna legde ik mij te slapen. Hoe groot

was mijn verbazing, toen ik den volgenden morgen opstond, en zag,

dat wolven gedurende den nacht mijn bij hadden verslonden, en de

honig over de vallei verspreid lag; het was een laag, die tot de

knieën reikte en tot aan de enkels op de heuvels. Ik wist me geen

raad om den honig te verzamelen. Toen herinnerde ik mij, dat ik een

kleinen bijl bij mij had. Ik ging dus naar de bosschen om een dier

te vangen, teneinde een zak van zijn huid te maken. Toen ik het bosch

bereikte, zag ik twee herten op een poot dansen; ik haalde mijn bijl

te voorschijn, kapte hun eenigen poot af en greep ze beiden. Van deze

twee herten stroopte ik drie huiden af, maakte van elk een zak en

verzamelde daar al den honig in. Daarna laadde ik de zakken op den

haan en begaf mij weer op weg om thuis te komen. Toen ik thuis kwam,

merkte ik, dat mijn vader pas geboren was en ik kreeg bevel naar den

hemel te gaan om wat heilig water te halen. Ik wist niet, hoe ik daar

komen moest, maar toen ik over het geval nadacht, herinnerde ik mij

de gierst, die in de zee was gevallen. Ik ging naar de plaats terug

en zag, dat het koren tot aan den hemel was gegroeid, want de plaats,

waar het gevallen was, was nogal vochtig. Ik klom dus langs een van

de stengels omhoog. Toen ik den hemel bereikt had, was de gierst

intusschen rijp geworden en een engel oogstte het graan, bakte er een

brood van en at dat op met wat warme melk. Ik groette hem en zei:

'God zegene u!' De engel antwoordde: 'Dat God u helpe!' en hij gaf

mij wat heilig water. Op mijn terugweg bemerkte ik, dat het hevig

had geregend en de zee zoo hoog was gestegen, dat ze mijn gierst

had meegevoerd! Ik maakte mij bezorgd en vroeg mezelf af, hoe ik nu

weer op de aarde terug zou komen. Eindelijk herinnerde ik mij, dat

ik lang haar had; het was zoo lang, dat het tot den grond reikte,

als ik rechtop stond; als ik zat, kwam het tot mijn ooren. Nu, ik

nam mijn mes en sneed het eene haar na het andere af en bond ze aan

elkaar, terwijl ik er langs naar beneden ging. De duisternis overviel

mij echter, voordat ik den grond bereikte en ik besloot daarom een

grooten knoop te leggen en daarop den nacht door te brengen! Maar

wat moest ik beginnen zonder vuur? De tondeldoos had ik bij mij,

maar ik had geen hout. Plotseling herinnerde ik mij, dat ik in mijn

vestjeszakje een naainaald had. Ik vond ze, spleet ze doormidden en

maakte een groot vuur, dat mij heerlijk verwarmde. Toen legde ik mij

te slapen. Terwijl ik sliep, zengde ongelukkigerwijs de vlam het haar,

en hals over kop viel ik op den grond, en daar zonk ik tot aan mijn

gordel in de aarde. Ik liep overal rond om te zien, hoe ik er uit

zou kunnen komen en toen ik merkte, dat ik stevig ingegraven zat,

liep ik hard naar huis om een spade te halen. Ik kwam terug en groef

mij zelf uit. Zoodra ik bevrijd was, nam ik het heilige water weer op

en ging naar huis. Toen ik aankwam, waren er maaiers aan het werk op

het veld. Het was zoo'n warme dag, dat ik vreesde, dat de menschen

zouden doodbranden en riep hen toe: 'Waarom brengt gij onze merrie

niet hier, die twee dagreizen lang is, en een halven dag breed en

op wier rug groote wilgenboomen groeien; zij zou wat schaduw kunnen

geven op de plaats, waar gij werkt?' Mijn vader, die dit hoorde, bracht

snel de merrie en de maaiers werkten nu in de schaduw voort. Toen nam

ik een kruik, om water te halen. Bij de put gekomen zag ik, dat het

water bevroren was. Daarom nam ik mijn hoofd af en brak het ijs stuk,

vulde de kruik en bracht het water bij de maaiers. Toen zij mij zagen,

vroegen zij mij: 'Waar is uw hoofd?' Ik hief mijn hand op, en tot mijn

groote verbazing zat mijn hoofd niet op mijn schouders. Toen eerst

bedacht ik, dat ik het bij de put had laten liggen. Ik ging dadelijk

terug, maar bemerkte, dat een vos mij voor was geweest en bezig was

mijn hoofd te verslinden. Ik naderde langzaam en gaf het beest een zoo

krachtigen schop, dat het van angst een klein boekje liet vallen. Dit

raapte ik op, opende het en vond er deze woorden in geschreven: 'Het

geheele brood is voor u, en Baardeloos zal er niets van meehebben!'"

Met deze woorden nam de jongen het brood en maakte zich uit de

voeten. Wat Baardeloos betreft, hij was sprakeloos van verbazing en

bleef den jongen met open mond nastaren.

Het meisje, dat wijzer is dan de tsaar.

Lang geleden leefde er een oude man, die in een armoedige hut

woonde. Hij bezat slechts een ding in de wereld en dat was een

dochter, die zoo verstandig was, dat zij zelfs haar ouden vader kon

onderrichten.

Op zekeren dag ging de man naar den tsaar om te bedelen en de tsaar,

verbaasd over zijn beschaafde manieren, vroeg hem, wie hem geleerd

had zoo goed te spreken. Hij vertelde den tsaar, waar hij woonde en

dat het zijn dochter was, die hem geleerd had zoo welsprekend te zijn.

"En van wie ontving uw dochter haar onderricht?" vroeg de tsaar.

"God en onze armoede hebben haar zoo wijsgemaakt," antwoordde de

arme man.

Daarop gaf de tsaar hem dertig eieren en zei: "Breng deze aan

uw dochter en beveel haar er kuikens uit te voorschijn te doen

komen. Indien zij dit met goed gevolg volbrengt, zal ik haar rijke

geschenken geven, maar indien zij faalt, zult gij gemarteld worden."

De arme man ging weenende terug naar zijn hut en vertelde alles aan

zijn dochter. Het meisje zag dadelijk, dat de eieren, die de tsaar

gezonden had, gekookt waren, en verzocht haar vader zich ter ruste te

leggen, terwijl zij overlegde, wat haar te doen stond. Toen de oude

man sliep, vulde het meisje een pot met water en kookte eenige boonen.

Den volgenden morgen wekte zij haar vader en verzocht hem een paar

ossen voor den ploeg te spannen en langs den weg te gaan ploegen,

waar de tsaar voorbij zou komen. "Als gij hem ziet komen", zei

zij, "neem dan een handvol boonen, en terwijl gij zaait moet gij

roepen: 'Gaat voort, ossen, en dat God geve, dat de gekookte boonen

ontkiemen!' Als de tsaar dan vraagt: 'Hoe kunt gij van gekookte boonen

vruchten verwachten?' Moet gij hem antwoorden: 'Evengoed als men van

gekookte eieren kuikens kan krijgen!'"

De oude man deed, zooals zijn dochter hem zei en ging heen om te

ploegen. Toen hij den tsaar zag, nam hij een handvol boonen en riep

uit: "Gaat voort, ossen! En dat God geve, dat de gekookte boonen

ontkiemen!"

Toen de tsaar dit hoorde, liet hij zijn rijtuig stilstaan en zei tegen

den man: "Maar arme man, hoe kunt gij verwachten, dat gekookte boonen

vrucht dragen?"

"Even goed als gekookte eieren kuikens kunnen voortbrengen," antwoordde

de op het oog eenvoudige, arme man.

De tsaar lachte en ging verder, maar hij had den ouden man

herkend en vermoedde, dat zijn dochter hem het antwoord in den

mond had gegeven. Hij zond daarom dienaren uit om den boer in zijn

tegenwoordigheid te brengen. Toen de oude man kwam, gaf de tsaar

hem een bos vlas en zei: "Neem dit en maak daarvan al de zeilen,

die noodig zijn voor een schip; indien gij het niet doet, zult gij

uw leven verliezen."

De arme man nam het vlas met de grootste vrees aan en ging in tranen

badende naar huis om zijn dochter te vertellen, welke nieuwe opdracht

hij gekregen had. Dit verstandige meisje stelde hem gerust en zei,

dat hij maar kalm moest zijn en dat zij wel een plan zou beramen. Den

volgenden morgen gaf zij haar vader een klein stukje hout en verzocht

hem er mede naar den tsaar te gaan met het verzoek daarvan al de

noodige werktuigen om te spinnen en te weven te laten maken, opdat hij

in staat zou zijn het bevel van Zijne Majesteit uit te voeren. De oude

man gehoorzaamde en toen de tsaar het buitengewone verzoek hoorde,

was hij ten hoogste verbaasd over de schranderheid van het meisje,

en om niet door haar overtroffen te worden, nam hij een klein glas,

zeggende: "Neem dit kleine glas mee naar uw dochter en zeg haar,

dat zij er de zee mee moet ledigen, zoodat er droog land komt, waar

nu zee is."

De oude man ging met een bezwaard hart naar huis, om dit aan zijn

dochter te vertellen. Maar het meisje stelde hem weer gerust, en den

volgenden morgen gaf zij hem een pond werk, zeggende: "Breng dit naar

den tsaar en zeg, dat ik de zee zal droog maken, indien hij met dit

werk de bronnen van alle rivieren verstopt."

De tsaar stuurt om het meisje.

De vader ging terug naar den tsaar en zei hem, wat zijn dochter had

voorgezegd en de tsaar, die nu inzag, dat het meisje verstandiger was

dan hij zelf, gaf bevel, dat zij voor hem gebracht zou worden. Toen

zij verscheen, vroeg de tsaar haar: "Kunt gij raden, wat op den

grootsten afstand gehoord kan worden?" En het meisje antwoordde:

"Uwe Majesteit, er zijn twee dingen: de donder en de leugen kunnen

op den grootsten afstand gehoord worden!"

De verbaasde tsaar greep naar zijn baard, en zich tot zijn hovelingen

wendende, riep hij uit: "Raadt eens, wat mijn baard waard is?" Eenigen

zeiden zooveel, weer anderen zooveel; maar het meisje zei tegen den

tsaar, dat geen van zijn hovelingen goed had geraden. "De baard van Uwe

Majesteit is evenveel waard als drie zomerregens," zei zij. De tsaar,

die verbaasder dan ooit was, zei: "Het meisje heeft goed geraden!"

Toen vroeg hij haar zijn vrouw te willen worden, want "ik heb u lief"

zei hij. Het meisje was verliefd geworden op den tsaar; zij neeg

diep voor hem en sprak: "Gij doorluchtige Majesteit! Laat het zijn,

gelijk gij verlangt! Maar ik verzoek Uwe Majesteit eigenhandig op een

stuk perkament te schrijven, dat zoo Uwe Majesteit zelf of een uwer

hovelingen ontevreden op mij is en ik dientengevolge uit uw paleis

verbannen zou worden, het mij toegestaan is dat mee te nemen, waar

ik het meest van houd."

De tsaar stemde daar met vreugde in toe, schreef de verklaring en

hechtte er zijn zegel aan.

Eenige jaren gingen gelukkig voorbij, maar er kwam eindelijk een dag,

waarop de tsaar zich beleedigd voelde door de tsarina en hij sprak

toornig: "Gij zult mijn vrouw niet langer zijn; ik beveel u het paleis

te verlaten!"

De tsarina antwoordde gehoorzaam: "O, zeer doorluchtige tsaar, ik zal

gehoorzamen; sta mij toe nog een nacht in het paleis te vertoeven en

morgen zal ik vertrekken."

Hierin stemde de tsaar toe.

Dien avond mengde de tsarina eenige kruiden in den wijn en gaf den

beker aan den tsaar, terwijl zij zei: "Drink, o zeer roemruchtige

tsaar! En wees vol moed! Ik zal heengaan, maar geloof mij, ik zal

gelukkiger zijn dan toen ik u den eersten keer ontmoette!"

Nadat de tsaar had gedronken, viel hij in slaap. Toen zette de tsarina,

die een koets in gereedheid had gehouden, den tsaar er in en voerde

hem weg naar de hut van haar vader.

Toen de tsaar den volgenden morgen wakker werd en zag, dat hij in

een hut was, riep hij uit: "Wie bracht mij hierheen?"

"Ik deed het," antwoordde de tsarina.

De tsaar werd boos en zei: "Hoe hebt gij dat durven doen? Heb ik u

niet gezegd, dat gij niet langer mijn vrouw zijt?"

In plaats van te antwoorden, haalde de tsarina het perkament te

voorschijn en hij stond met stomheid geslagen.

Toen sprak de tsarina: "Zooals gij ziet, gij hebt mij beloofd, dat

ik, indien ge mij uit het paleis bandet, mee mocht nemen, wat mij

het liefste was!"

Toen hij dit hoorde, keerde de liefde van den tsaar voor zijn gade

terug; hij nam haar in zijn armen en samen keerden zij naar het

paleis terug.

Goede daden zijn onvergankelijk.

Er leefden eens een man en een vrouw, die een zoon hadden. Toen de

jongen opgroeide, deden zijn ouders hun best hem een goede opvoeding

te geven, die hem van nut zou zijn in zijn verdere leven. Hij was een

goede, kalme jongen en bovenal vreesde hij God. Nadat hij zijn studiën

voltooid had, vertrouwde zijn vader hem een galei toe, die beladen

was met verschillende goederen, waarmee hij handel kon drijven in

verre landen. Zoodoende zou hij de steun van zijn ouders worden op

hun ouden dag.

De eerste reis.

Op zijn eerste reis ontmoette hij op zekeren dag een Turksch schip,

waarin hij hoorde schreien. Hij riep de zeelieden op het Turksche

schip toe: "Ik bid u, zeg mij, waarom er zoo'n verdriet aan boord

van uw schip is!" En zij antwoordden: "Wij hebben veel slaven, die

in verschillende deelen der wereld gevangen zijn genomen en die wij

geketend hebben. Zij zijn het, die schreien en jammeren." Daarop

zei de jongeman: "Ik verzoek u, o broeders, vraagt aan uw kapitein,

of hij mij wil toestaan de slaven te koopen voor een som geld?" De

zeelieden riepen hun kapitein, die bereid was te onderhandelen en ten

slotte gaf de jongeman zijn schip met de geheele lading aan den Turk

in ruil voor zijn schip met slaven.

De jongeman vroeg aan elken slaaf, vanwaar hij kwam; hij gaf aan

allen de vrijheid terug en zei, dat ieder naar zijn eigen land mocht

terugkeeren.

Onder de slaven was een oude vrouw, die een zeer mooi meisje aan den

arm hield. Toen hij vroeg, vanwaar zij kwamen, antwoordde de oude

vrouw schreiende: "Wij komen van een veraf gelegen land. Dit jonge

meisje is de eenige dochter van den tsaar; ik heb haar groot gebracht

van haar kindsheid af. Op een ongelukkigen dag wandelde zij in de

tuinen van het paleis en dwaalde af naar een eenzame plek, waar drie

vervloekte Turken haar zagen en grepen. Zij begon te gillen en ik,

die toevallig in de nabijheid was, snelde toe, om haar te helpen,

maar helaas, ik kon haar niet redden en de Turken voerden ons beiden

mee en brachten ons aan boord van deze galei." Toen smeekten de goede

verzorgster en het schoone meisje den jongeman, daar zij den weg naar

hun eigen land niet kenden en ook de middelen om terug te keeren niet

bezaten, haar met zich mee te nemen. En hiertoe was hij bereid; ja,

hij was dadelijk verliefd geworden op de prinses, en nu trouwde hij

het arme meisje, dat geen tehuis had, en keerde met haar en de oude

vrouw naar huis terug.

Bij hun aankomst vroeg zijn vader, waar zijn galei en de lading was

en hij vertelde hem, hoe hij de slaven had vrijgekocht en hun de

vrijheid had hergeven. "Dit meisje" zei hij, "is de dochter van een

tsaar, en deze oude vrouw is haar verzorgster; daar zij niet naar

haar land konden terugkeeren, nam ik haar mee en ik heb het meisje

getrouwd." Daarover was zijn vader zeer verstoord, en hij zei: "O,

dwaze zoon, wat hebt gij gedaan? Waarom hebt gij zoo dom zonder mijn

toestemming over mijn eigendom beschikt?" En hij joeg hem het huis uit.

Gelukkig voor den jongeman bood een goede buurman hem gastvrijheid

aan--en ook zijn vrouw en haar oude verzorgster; hij woonde langen

tijd in de buurt, en poogde telkens, geholpen door zijn moeder en

vele vrienden zijn vader te bewegen hem vergiffenis te schenken.

De tweede reis.

Na eenigen tijd liet zijn vader zich vermurwen en ontving zijn zoon

weer in zijn huis met zijn jonge vrouw en haar verzorgster. Spoedig

daarna kocht hij een tweede galei, grooter en mooier dan de eerste

en laadde die vol koopwaren, waarmede zijn zoon groote winsten zou

kunnen behalen, indien hij het tenminste verstandig aanlegde.

De jongeman zeilde weg met dit nieuwe schip; hij liet zijn vrouw

en haar verzorgster in de woning zijner ouders achter en spoedig

kwam hij aan een stad, waar hij een droevig schouwspel zag. Hij zag

soldaten bezig arme boeren te grijpen en in de gevangenis te werpen

en hij vroeg: "Waarom, broeders, zijt gij zoo wreed tegen deze

arme lieden?" En de soldaten antwoordden: "Omdat zij de belasting

aan den tsaar niet hebben betaald." De jongeman ging dadelijk naar

den officier en zei: "Zeg mij asjeblieft, hoeveel deze arme lieden

betalen moeten." De officier noemde hem de verschuldigde som en zonder

aarzeling verkocht de jongeman zijn schip met lading en al en voldeed

de schulden van al de gevangenen. Nu keerde hij naar huis terug,

en voor zijn vader neerknielende, verhaalde hij, wat er gebeurd was

en bad om zijn vergiffenis.

Maar dezen keer was de woede van zijn vader buitengewoon en hij joeg

hem zijn huis uit.

Wat kon de ongelukkige zoon doen in dit nieuwe verdriet? Hoe kon hij

bedelen, hij, wiens ouders zoo welgesteld waren? Weer wendden oude

vrienden der familie hun invloed bij zijn vader aan en drongen er op

aan, dat hij medelijden zou hebben met zijn zoon en hem weer ontvangen,

"want", zeiden zij, "het is zeker, dat zijn lijden hem verstandiger

heeft gemaakt en dat hij nooit meer zoo dwaas zal doen." Eindelijk

zwichtte zijn vader, nam hem weer in huis en rustte een derde galei

uit, veel grooter en mooier dan de eerste twee.

De derde reis.

De jonge man was meer dan blij met zijn geluk en het portret van zijn

geliefde vrouw liet hij op het roer van zijn schip schilderen en dat

van de oude verzorgster op den achtersteven.

Nadat al de toebereidselen voor zijn reis getroffen waren, nam

hij afscheid van zijn ouders, zijn vrouw en de andere leden van de

familie en lichtte het anker. Nadat hij eenigen tijd gezeild had,

kwam hij aan een groote stad, waar een tsaar woonde; hij liet het

anker vallen en kanonschoten lossen, om de stad te begroeten. Tegen

den avond zond de tsaar een van zijn ministers uit, om te hooren,

wie de vreemdeling was en vanwaar hij kwam en hem mede te deelen,

dat zijn heer den volgenden morgen om negen uur een bezoek aan de

galei zou brengen. De minister was verbaasd op het roer het portret te

zien van de keizerlijke prinses, die hem, toen zij nog een kind was,

door den tsaar ten huwelijk was beloofd--en op den achtersteven dat

van de oude verzorgster; hij maakte echter geen opmerking en vertelde

niemand, wat hij had gezien. Om negen uur den volgenden morgen kwam

de tsaar aan boord van de galei in gezelschap van zijn ministers, en

toen hij al pratende met den kapitein op het dek heen en weer liep,

zag ook hij het portret van het meisje, dat op het roer geschilderd

was en dat van de oude vrouw op den achtersteven en hij herkende

dadelijk de trekken van zijn eenige dochter en haar verzorgster,

die door de Turken gevangen genomen waren. Dadelijk koesterde hij de

hoop, dat zijn geliefd kind nog leefde en gezond was, maar hij was zoo

aangedaan, dat hij er niet over spreken dorst. Hij beheerschte zich

zooveel mogelijk en noodigde den kapitein uit dien middag om twee uur

in zijn paleis te komen; hij was voornemens hem dan te ondervragen

en hoopte, dat zijn hartewensch vervuld zou worden.

Precies om twee uur verscheen de kapitein in het paleis en de tsaar

begon hem dadelijk op omslachtige manier te ondervragen over het

meisje, wier portret hij op het roer van zijn galei had gezien. Was

zij een van zijn bloedverwanten en zoo ja, in welken graad? Hij was

ook nieuwsgierig naar de oude vrouw, wier portret op den achtersteven

was geschilderd.

De jonge kapitein giste dadelijk, dat de tsaar de vader moest zijn van

zijn vrouw, en hij vertelde hem woord voor woord al zijn avonturen,

waarbij hij niet verzuimde mee te deelen, dat hij, toen hij hoorde,

dat het jonge meisje en haar verzorgster den weg naar haar land

vergeten waren, medelijden met haar had gehad en later het meisje had

getrouwd. Toen de tsaar dit hoorde, riep hij uit: "Dat meisje is mijn

eenig kind en de oude vrouw haar verzorgster; spoed u en breng mijn

dochter hier, opdat ik haar nog eens zie, voordat ik sterf. Breng uw

ouders en uw geheele familie ook hier; uw vader zal mijn broeder zijn

en uw moeder mijn zuster, want gij zijt mijn zoon en de erfgenaam van

mijn kroon. Ga en verkoop al uw bezittingen en kom, opdat wij gelukkig

samen in mijn paleis kunnen leven!" Toen riep hij de tsarina, zijn

vrouw, en al zijn ministers, opdat zij het heugelijk nieuws zouden

hooren, en er heerschte groote vreugde aan het hof.

Daarna gaf de tsaar den kapitein een prachtig schip en verzocht hem

zijn eigen galei achter te laten. De jongeman was natuurlijk heel

dankbaar, maar hij zei: "O, doorluchtige tsaar! Mijn ouders zullen mij

niet gelooven, indien gij mij niet een van uw ministers als getuige

meegeeft." Daarop gaf de tsaar als zijn metgezel voor de reis den

minister mee, wien hij zijn dochter ten huwelijk had beloofd.

De vader van den kapitein was zeer verbaasd zijn zoon zoo spoedig te

zien terugkeeren en met zulk een prachtig schip. Toen vertelde de

jongeman aan zijn vader en de anderen alles, wat hem was overkomen

en de keizerlijke minister bevestigde zijn woorden. Toen de prinses

den minister zag, riep zij blijde uit: "Ja waarlijk, alles wat hij

gezegd heeft, is waar; dit is de minister van mijn vader, die mijn

bruigom had moeten worden." Toen verkochten de man en zijn familie

al hun eigendommen en gingen aan boord van het schip.

De verraderlijke minister.

Nu was de minister een slecht man, en hij beraamde een plan om den

jongen echtgenoot der prinses te dooden, opdat hij haar zou kunnen

trouwen en eens tsaar worden. Op een avond, toen de jongeman zich

op het dek bevond, voegde hij zich bij hem om met hem te praten. De

kapitein had een rein geweten, en dacht aan geen kwaad, zoodat hij

geheel onvoorbereid was, toen de minister hem greep en over boord

wierp. Het schip zeilde snel; het was onmogelijk het in te halen en

hij bleef hoe langer hoe meer achter. Het was nog een geluk, dat het

dicht bij het land gebeurde en hij spoedig door de golven op het

strand geworpen werd. Maar helaas! Dit land was slechts een kale,

onbewoonde rots.

Intusschen was de minister terug geslopen naar zijn hut en toen den

volgenden morgen gemerkt werd, dat de kapitein verdwenen was, begonnen

allen te weenen en te jammeren, en vermoedden, dat hij in den nacht

over boord was gevallen en verdronken. Zijn familie was ontroostbaar,

vooral zijn vrouw, die hem zeer lief had. Toen zij aan het paleis

van den tsaar kwamen en vertelden, dat de jonge man verdronken was,

rouwde het geheele hof met hen.

Gedurende vijftien dagen was de ongelukkige schoonzoon van den tsaar

veroordeeld tot hongerlijden; hij kon zich alleen voeden met het

schaarsche gras, dat op het rotsige eilandje groeide. Zijn huid werd

gebruind door de felle zon, en zijn kleeren werden vuil en kwamen

vol scheuren, zoodat niemand hem herkend zou hebben. Op den ochtend

van den vijftienden dag had hij het geluk een ouden man op het strand

te zien, die op een stok leunde en bezig was met visschen. Hij riep

den ouden man dadelijk aan en smeekte hem hulp te verleenen om van de

rots af te komen. De oude visscher zei: "Ik zal u helpen, als gij mij

wilt betalen!" "Hoe kan ik u betalen; ik heb slechts deze havelooze

plunje en niets meer?"

"O, wat dat betreft," antwoordde de oude man, "gij kunt een

schuldbekentenis schrijven en onderteekenen, waarbij gij mij belooft

de helft te zullen geven van hetgeen gij ooit zult bezitten." Deze

belofte deed de jongeman met vreugde. Toen haalde de oude man

schrijfgereedschap te voorschijn en de jongeman onderteekende de

overeenkomst, waarna zij beiden in de visschersboot van den ouden

man wegzeilden naar het vasteland. Daarna trok de jongeman als een

bedelaar van huis tot huis en van dorp tot dorp op bloote voeten,

verbrand en hongerig.

De terugkomst van den jongeman.

Na een reis van dertig dagen, bracht zijn goed gesternte hem naar de

stad van den tsaar en hij zette zich met den staf in de hand bij de

poorten van het paleis neer; nog altijd droeg hij zijn trouwring aan

zijn vinger, waarop zijn naam en die van zijn vrouw gegraveerd was. De

bedienden van den tsaar hadden medelijden met hem; zij boden hem een

nachtverblijf in het paleis aan en gaven hem een deel van hun eigen

maal. Den volgenden morgen ging hij naar den tuin van het paleis,

maar de tuinman kwam en joeg hem weg, waarbij hij hem toevoegde, dat

de tsaar en zijn familie spoedig voorbij zouden komen. Hij verwijderde

zich en ging in een hoek op het gras zitten, tot hij plotseling de

tsaar met zijn eigen vader en moeder zag loopen en zijn geliefde

vrouw arm in arm met zijn vijand, den minister. Hij maakte zich niet

dadelijk bekend, en de tsaar en zijn gevolg gingen voorbij en gaven hem

aalmoezen. Hij strekte zijn hand uit om ze te ontvangen en toen trok de

trouwring aan zijn vinger de aandacht der prinses. Zij herkende dien

dadelijk, maar het was ongelooflijk, dat de bedelaar haar echtgenoot

kon zijn en zij zei tegen hem: "Geef mij uw hand, opdat ik uw ring

kan zien!" De minister trachtte dit te verhinderen, maar de prinses

sloeg geen acht op hem, en zij bekeek den ring en zag, dat haar eigen

naam en dien van haar echtgenoot er in gegraveerd waren. Haar hart

was zeer ontroerd, maar zij deed haar best om haar aandoening niet te

toonen en zei niets. Bij de terugkomst in het paleis ging zij naar haar

vader en vertelde hem, wat zij had gezien. "Laat u hem, alsjeblieft,

voor u komen; dan kunnen wij onderzoeken, hoe hij in het bezit van den

ring komt!" De tsaar zond onmiddellijk een bediende om den bedelaar

te halen. Het bevel werd dadelijk uitgevoerd, en toen de vreemdeling

verscheen, vroeg de tsaar hem zijn naam, van waar hij kwam en hoe hij

den ring had verkregen. De ongelukkige jonge man kon zijn vermomming

niet langer handhaven, hij vertelde dus aan den tsaar, wie hij was

en verder al de avonturen, die hij had beleefd, sedert de minister

hem verraderlijk in de zee geworpen had! "Zie!" zei hij ten laatste:

"de genade van onzen Heer heeft mij terug gebracht bij mijn ouders

en mijn vrouw."

Bijna buiten zich zelf van vreugde liet de tsaar de ouders van den

jongeman komen en deelde hun het goede nieuws mede. Wie is in staat

de vreugde uit te drukken van het bejaarde paar, toen zij hun zoon

herkenden. De woorden ontbreken ons de vreugde te beschrijven, die het

geheele hof vervulde. De bedienden maakten welriekende baden voor den

jongeman gereed en brachten hem prachtige gewaden. De tsaar beval,

dat hij als tsaar gekroond zou worden en gedurende verscheidene

dagen waren er schitterende feesten, waaraan heel de stad deelnam;

ieder zong, danste en richtte feestmalen aan. De oude tsaar beval den

slechten minister voor zijn schoonzoon te verschijnen, opdat deze

naar eigen goeddunken over hem zou beslissen. Maar de jonge tsaar

had een vriendelijk hart; hij vergaf hem dus op voorwaarde, dat hij

het rijk onmiddellijk zou verlaten en gedurende zijn regeering nooit

meer zou terugkeeren.

De nieuwe tsaar had ternauwernood het bewind aanvaard, of de oude

visscher, die hem van het rotsachtig eiland had gered, vroeg bij

hem toegelaten te worden. De tsaar ontving zijn bevrijder dadelijk,

die daarop zijn geschreven belofte te voorschijn haalde. "Heel goed,

oude man," zei de tsaar: "nu ben ik heerscher, maar ik zal even trouw

mijn woord houden, alsof ik een bedelaar was, die maar weinig te

deelen heeft; laten wij dus mijn bezittingen in twee gelijke deelen

verdeelen." De tsaar nam nu de boeken en begon de steden te verdeelen;

telkens, als hij een naam noemde, zei hij: "dit is voor u"--en dan

"dit is voor mij." Zoo teekende hij alles op een kaart aan, totdat het

geheele czarenrijk tusschen hen beiden was verdeeld, van de grootste

stad tot de kleinste hut.

Toen de tsaar gereed was, sprak de oude man: "Neem alles terug! Ik

ben geen man van deze wereld; ik ben een engel van God, die mij

zond om u te redden voor uw goede daden. Regeer nu en wees gelukkig,

en dat gij lang moogt leven in volkomen voorspoed!" Na deze woorden

verdween hij plotseling, en de jonge tsaar regeerde nog vele jaren

gelukkig en voorspoedig.

Hij, wien God helpt, kan niemand kwaad doen.

Er leefden eens een man en een vrouw en zij waren gezegend met drie

zoons. De jongste was de knapste en hij had een beter hart dan zijn

broers, die hem een dwaas vonden. Toen de drie broers den mannelijken

leeftijd hadden bereikt, gingen zij samen naar hun vader en vroegen

toestemming om te trouwen. De vader was verlegen met dien plotselingen

wensch van zijn zoons en zei, dat hij eerst met zijn vrouw over het

antwoord wilde overleggen.

De eerste tocht.

Eenige dagen later riep de man zijn zoons bij zich en zei hun, dat

zij naar de naburige stad moesten gaan om werk te zoeken. "Hij, die

mij de mooiste reisdeken brengt, krijgt van mij toestemming om het

eerst te trouwen," zei hij.

De broeders gingen op weg naar de naburige stad. Onderweg begonnen de

twee oudste broers den gek te steken met den jongsten; zij bespotten

zijn eenvoud en eindelijk noodzaakten zij hem een anderen weg te nemen.

Verlaten door zijn boosaardige broers, bad de jongeman tot God hem bij

te staan. Eindelijk kwam hij aan een meer, aan welks versten oever

een prachtig kasteel lag. Het kasteel behoorde aan een tiranniek en

wreed prins, die lang geleden was gestorven. De jonge prinses was

buitengewoon schoon, en menig aanzoek om haar hand had zij reeds

gehad. Zij, die aanzoek deden, werden steeds gastvrij ontvangen,

maar als zij naar hun kamers gingen, verscheen onveranderlijk de

gestorven heer van het kasteel als een vampier en worgde hen.

Toen de jongste broer aan het strand stond, en zich afvroeg, hoe hij

het meer zou oversteken, zag de prinses hem vanuit haar venster en

zij gaf een knecht dadelijk bevel de boot te nemen en den jongeman

bij haar te brengen. Toen hij verscheen, was hij wel wat verlegen,

maar het edele meisje stelde hem met eenige vriendelijke woorden

gerust--want hij maakte werkelijk een goeden indruk op haar en zij

hield van hem op het eerste gezicht. Zij vroeg hem, vanwaar hij

kwam en waarheen hij dacht te gaan, en de jonge man vertelde haar,

wat zijn vader hem en zijn broers had opgedragen.

Toen de prinses dit hoorde, zei zij tot den jongeman: "Gij zult

vannacht hier blijven en morgen zullen wij zien, wat wij kunnen doen

om u te helpen."

Nadat zij het avondeten hadden gebruikt, geleidde de prinses haar gast

naar een groene kamer en voor zij hem "goeden nacht" wenschte, zei zij:

"Dit is uw kamer. Word niet bang, als vannacht iets ongewoons mocht

gebeuren; verontrust u er niet over."

Daar hij een eenvoudige jongen was, kon hij niet eens zijn oogen

sluiten, zoo was hij onder den indruk van al het moois om hem heen.

Plotseling, tegen middernacht, hoorde hij een groot geraas. Onder het

rumoer door hoorde hij duidelijk een geheimzinnige stem fluisteren:

"Deze jongeling zal den prinselijken kroon erven; niemand kan hem

kwaad doen!" De jongen nam zijn toevlucht tot een ernstig gebed,

en toen de dag begon te grauwen, stond hij veilig en gezond op.

Toen de prinses wakker werd, zond zij een bediende om den jongeman

in haar tegenwoordigheid te leiden; deze was uiterst verbaasd hem

nog levend aan te treffen; dat was de prinses ook en iedereen in

het kasteel.

Na het ontbijt gaf de prinses aan haar gast een prachtige reisdeken

en zei: "Breng deze deken aan uw vader en indien hij nog wat anders

verlangt, hebt ge slechts terug te keeren." De jongeman dankte

zijn schoone gastvrouw en nam met een diepe buiging afscheid van

haar. Toen hij thuiskwam, vond hij zijn beide broeders daar reeds;

zij lieten hun vader de dekens zien, die zij hadden meegebracht. Toen

de jongste de zijne uitspreidde, waren zij verbaasd en riepen uit:

"Hoe zijt gij in het bezit gekomen van zulk een kostbare deken;

die moet ge gestolen hebben!"

De tweede tocht.

Eindelijk zei de vader om hen te kalmeeren: "Gaat nog eens de wereld

in en hij, die mij een ketting terug brengt, lang genoeg om er ons

huis negen keer mee te omspannen, zal mijn toestemming hebben om het

eerst te trouwen!" Aldus slaagde de vader er in zijn zoons tevreden

te stellen. De twee oudste broers gingen hun eigen weg en de jongste

haastte zich terug naar de prinses. Toen hij aankwam, vroeg zij hem:

"Wat heeft uw vader u nu bevolen te doen?" En hij antwoordde: "Ieder

onzer moet trachten een ketting mee te brengen, lang genoeg om ons

huis negen maal te omspannen." De prinses heette hem weer welkom en

na het souper wees zij hem een gele kamer en zei: "Er zal vannacht

weer iemand komen om u bang te maken; maar gij moet geen aandacht aan

hem schenken en morgen zullen wij zien, wat wij voor u kunnen doen."

En ja, omstreeks middernacht kwamen er een menigte geesten rond zijn

bed dansen en maakten een vreeselijk geraas, maar hij volgde den raad

der prinses en bleef kalm en rustig. Den volgenden morgen kwam er weer

een bediende, om hem voor de prinses te geleiden en na het ontbijt gaf

zij hem een mooie doos. Zij zei: "Neem deze doos mee naar uw vader en

als hij nog wat anders wenscht, dan hebt gij slechts terug te keeren."

De jongeman dankte haar en nam afscheid. Weer bemerkte hij, dat zijn

broers voor hem waren thuisgekomen met hun kettingen, maar de hunne

waren niet lang genoeg, zelfs niet om het huis een keer te omspannen,

en zij waren ten zeerste verbaasd, toen hun jongste broer uit de doos,

die de prinses hem had gegeven een reusachtigen gouden ketting haalde

van de vereischte lengte. Verteerd door jaloezie riepen zij uit:

"Gij zult den goeden naam van onze familie te schande maken, want

dezen ketting moet gij gestolen hebben!"

De derde tocht.

Eindelijk zond de vader, moe van hun gekrakeel, hen weer weg, zeggende:

"Gaat; laat ieder uwer zijn liefste meebrengen en ik zal u toestemming

geven te trouwen." Daarop gingen de twee oudste broers vroolijk naar

de meisjes, die zij liefhadden en de jongste spoedde zich weer naar

de prinses om haar den wensch van zijn vader over te brengen. Toen

zij hoorde, wat deze verlangde, zei de prinses: "Gij moet een derden

nacht hier doorbrengen en dan zullen wij zien, wat wij doen kunnen."

Na samen het souper gebruikt te hebben, bracht zij hem in een roode

kamer. Gedurende den nacht hoorde hij weer een geluid, waarbij

het bloed haast stolde van angst en in de duisternis fluisterde

een geheimzinnige stem: "Deze jongeman staat op het punt zich mijn

bezittingen en mijn kroon toe te eigenen!" Hij werd aangevallen door

spoken en vampiers en uit zijn bed gesleept; maar wat er ook gebeurde,

hij volhardde in het gebed en God redde hem.

Toen hij den volgenden morgen voor de prinses verscheen, wenschte

zij hem geluk met zijn dapperheid en zei hem, dat hij haar liefde

had gewonnen. De jongeman was overstelpt van geluk en ofschoon hij

het geheim van zijn liefde eigener beweging nooit geopenbaard zou

hebben, beminde ook hij de prinses. Een barbier werd geroepen om het

uiterlijk van den jongeman te verzorgen en een kleermaker om hem als

prins te kleeden. Toen dit gedaan was, ging het paar naar de kapel

van het kasteel en zij werden getrouwd.

Eenige dagen later reden zij naar het dorp van den jongeman en

toen zij voor zijn woning stil hielden, hoorden zij veel vreugde en

muziek, waaruit zij opmaakten, dat de beide broers hun huwelijksfeest

vierden. De jongere broer klopte aan de poort en toen de vader kwam,

herkende hij zijn zoon niet in den rijk uitgedosten prins, die voor hem

stond. Hij was verbaasd, dat zulke aanzienlijke gasten hem een bezoek

zouden brengen en nog meer, toen de prins zei: "Goede man, wilt ge

ons voor den nacht gastvrijheid verleenen?" De vader antwoordde: "Heel

graag, maar wij vieren juist feest in ons huis, en ik ben bang, de deze

eenvoudige lieden u met hun gezang en muziek zullen storen." Hierop

zei de jonge prins: "O, neen, ik zou het prettig vinden de boeren te

zien feestvieren, en mijn vrouw zal het nog prettiger vinden!"

Nu gingen zij het huis binnen en terwijl de gastvrouw diep voor hen

neeg, zei de prins tegen haar: "Wat moet u gelukkig zijn, dat ge uw

beide zoons op denzelfden dag getrouwd ziet!" De vrouw zuchtte. "Ach,"

zei zij, "aan den eenen kant beleef ik vreugde, aan den anderen kant

verdriet; ik had een derden zoon, die ook de wereld in is gegaan en

wie weet, welk onheil hem is overkomen."

Na een poos vond de prins gelegenheid zijn oude kamer binnen te gaan,

en een van zijn oude pakken kleeren over zijn prinselijk gewaad

aan te trekken. Daarna keerde, hij naar de kamer terug, waar het

feestmaal was gereed gezet en bleef achter de deur staan. Heel gauw

zagen zijn beide broers hem en zij riepen uit: "Zie eens hier, vader,

daar is u veel geprezen zoon, die heenging en stal als een dief!" De

vader wendde zich om en toen hij den jongeman zag, riep hij uit:

"Waar zijt gij zoo lang geweest en waar is uw liefste?"

Toen sprak de jongste zoon: "Maak mij geen verwijten, het gaat mij

even goed als u!" Onder het spreken legde hij zijn oude kleeren af

en zijn prinselijk gewaad kwam te voorschijn. Daarna deed hij zijn

verhaal en stelde zijn vrouw aan zijn ouders voor.

De broers drukten nu hun spijt uit over hun gedrag en de prins schonk

hun grootmoedig vergiffenis, waarna zij elkaar omhelsden; het feestmaal

werd voortgezet en gedurende dagen werd er feest gevierd. Ten slotte

verdeelde de jonge prins onder zijn vader en broeder groote stukken van

zijn nieuwe landen en zij leefden allen lang en gelukkig met elkaar.

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 42 / 47 题