Een paviljoen noch in den hemel noch op aarde. [81]

Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en een dochter had. De

laatste werd in een kooi bewaakt, want hij had haar lief, zooals hij

zijn eigen oogen lief had. Toen het meisje opgroeide, verzocht zij

haar vader een avond te mogen uitgaan met haar broeders, en de tsaar

stond haar verzoek toe.

Nauwelijks had zij het paleis verlaten of een draak vloog naar omlaag,

greep de prinses en verdween, ondanks het verweer van haar broeders,

in de wolken. De prinsen haastten zich hun vader te vertellen, wat

er was gebeurd, en zij smeekten hem hun zuster te mogen gaan zoeken.

Daarop gaf hun ongelukkige vader elk hunner een paard en een volledige

uitrusting voor een lange reis, en zij begaven zich op weg om haar

te zoeken. Toen zij lang gereisd hadden, zagen zij in de verte een

paviljoen, dat noch in den hemel, noch op aarde was, maar dat er

midden tusschenin hing. Toen zij er vlak onder waren, kwamen zij op het

denkbeeld, dat hun zuster zich daar wel kon bevinden en zij begonnen

te overwegen, hoe zij het 't best zouden kunnen bereiken. Eindelijk

besloten zij, dat een hunner zijn paard zou dooden, de huid in reepen

snijden, daarvan een riem maken, en na het eene eind aan een pijl

te hebben bevestigd, den riem met den pijl omhoog te schieten, en

dat wel zóó krachtig, dat de pijlspits diep in het geraamte van het

paviljoen zou boren, waarna zij in de gelegenheid zouden zijn om naar

boven te klimmen. De twee jongere broers stelden den oudsten voor,

dat hij zijn paard zou dooden, maar hij weigerde. De tweede wilde het

zijne evenmin ten offer brengen; toen doodde de jongste, ziende dat er

niets anders op zat, zijn paard, sneed de huid tot een langen riem,

bevestigde een eind aan zijn pijl en schoot regelrecht omhoog naar

het paviljoen, waar de pijl stevig bleef zitten.

Den volgenden dag moesten zij uitmaken, wie langs den riem omhoog

zou klimmen; weer weigerden de twee oudste broers en zoo viel het

den jongsten ten deel dit waagstuk te ondernemen. Daar hij zeer vlug

was, bereikte hij weldra het paviljoen; hij dwaalde van de eene kamer

naar de andere en kwam eindelijk in een vertrek, waar hij zijn zuster

zag zitten met den kop van den slapenden draak op haar knie. Toen de

prinses haar broer zag, was zij buitengewoon bang voor zijn leven en

zij smeekte hem te vluchten, voordat de draak zou ontwaken.

De prins doodt den draak.

Maar de moedige jongeman kon niet doen, wat zijn zuster van hem

verlangde. Hij greep zijn knots en sloeg den draak op den kop. Het

monster wees met een van zijn klauwen, naar de plek waar hij geraakt

was en zei tegen het meisje: "Hier heeft mij iets gebeten!" Weer

hief de prins zijn knots op en hij gaf weer een slag op het hoofd

van den draak; maar blijkbaar had dit op den draak niet den minsten

invloed, want hij wees weer onverschillig naar de plek, zeggende:

"Weer heeft mij iets gebeten!"

De jonge prins was op het punt voor den derden keer toe te slaan,

toen zijn zuster op een plek wees, waar de draak een doodelijke wond

kon krijgen en zijn knots op de aangewezen plek richtende, sloeg hij

toe en de draak bezweek onmiddellijk. De prinses maakte zich dadelijk

vrij van het hoofd van den draak, snelde vlug naar haar broer om hem

een kus te geven en verlangde er toen naar hem de verschillende kamers

te toonen.

Eerst bracht zij hem naar een kamer, waar een zwart paard stond,

vastgebonden in een stal en gedekt met een zadel en een harnas met

zilveren versierselen. Daarna bracht zij hem naar een tweede kamer,

waar zij een wit paard vonden, ook geheel opgetuigd, maar zijn

harnachement was van zuiver goud. Daarna bracht zij hem in een derde

kamer, waar een mooi Arabisch paard stond, welks zadel, stijgbeugels

en teugels bezet waren met kostbare steenen.

Vervolgens bracht de prinses haar broer naar een kamer, waar op een

gouden tabouret een meisje zat, dat bezig was te borduren met gouden

draden. Vandaar bracht zij hem in een tweede vertrek, waar een meisje

gouden draden spon. Tenlaatste gingen zij een derde kamer binnen,

waar een meisje parelen zat te rijgen, en voor haar op een gouden

schaal zat een gouden hen met haar kuikens de parelen te sorteeren.

Nadat hij zijn nieuwsgierigheid had bevredigd, ging de prins weer

terug naar de kamer, waar hij den dooden draak had achter gelaten en

wierp het lijk op de aarde; alleen reeds op het zien van het lijk

van den draak, geraakten de twee oudste broeders buiten zich zelf

van schrik. Daarna liet de prins zijn zuster langzaam omlaag en op

haar volgden de drie meisjes met haar werk. Terwijl hij daarmee bezig

was, riep hij iets tegen zijn broers en hij maakte gebaren--om hun te

beduiden, aan wien ieder der meisjes zou behooren. Hij behield voor

zich zelf haar, die bezig was geweest met het rijgen der parelen en

hij vergat ook de gouden hen en de kuikens niet.

De trouweloosheid van de broeders.

Zijn broeders, die den jeugdigen prins zijn heldenmoed benijdden

en jaloersch waren op zijn gelukkig geslaagde heldenfeiten, maakten

zich nu schuldig aan een laaghartige daad. Zij sneden den riem door,

opdat hij de aarde niet zou kunnen bereiken, en haastig braken zij op,

waarbij zij hun zuster en de geheele buit meenamen.

Op hun weg naar huis ontmoetten zij een schaapherder, die zijn schapen

hoedde en hem haalden zij over zich te vermommen en zich voor hun

jongsten broeder uit te geven, terwijl zij aan hun zuster en haar

drie maagden bevel gaven het geheim strikt te bewaren.

Er verliep eenige tijd; toen vernam de jongste prins, dat zijn

broeders en de vermomde herder op het punt stonden de drie meisjes

te trouwen. Deze mededeeling scheen letterlijk juist te zijn, want

op den dag, waarop zijn oudste broer zou trouwen, besteeg hij het

zwarte paard, vloog omlaag en steeg af vlak voor de kerk. Daar wachtte

hij het oogenblik af, waarop de stoet naar buiten zou komen en toen

zijn broer te paard zou stijgen, naderde hij snel, hief zijn knots

op en gaf hem een hevigen slag, zoodat hij op hetzelfde oogenblik

neerviel. Toen besteeg de jonge prins het zwarte paard weer en werd

onmiddellijk weer naar het geheimzinnige paviljoen teruggevoerd.

Op den trouwdag van zijn tweeden broer werd het heldenfeit nu op het

witte paard herhaald, zonder dat iemand er eenig vermoeden van had,

wie die vreemde aanvaller was.

Nu kwam de beurt aan den herder. Op den dag van diens huwelijk met het

derde meisje besteeg de jonge prins het Arabische ros, stapte af op

het kerkplein, juist op het oogenblik, dat de trouwstoet op het punt

stond terug te keeren. Dezen keer sloeg hij den bruidegom zoo hevig

op zijn hoofd, dat hij dood neerviel. De gasten stegen gezwind van hun

paard en omringden den prins, die geen poging deed te ontsnappen, maar

zich bekend maakte als de derde zoon van hun tsaar. Hij vertelde hun,

dat de voorgewende prins, die hij naar de andere wereld had gezonden,

slechts een gewoon herder was, en dat zijn broeders hem uit naijver in

het betooverde paviljoen hadden gelaten, waar hij zijn zuster gevonden

en den draak gedood had. Alles, wat hij zei, werd dadelijk bevestigd

door zijn zuster en de drie meisjes. Toen de tsaar dit vernam, was

hij zeer vertoornd op zijn twee oudste zoons en hij verbande hen voor

altijd uit zijn paleis. En wat zijn dapperen jongsten zoon betrof, hij

liet hem met het derde meisje huwen en wees hem aan als de erfgenaam

van den troon en van alles, wat hij bezat.

Pepelyouga.

Op een hooggelegen weiland, bij een onmetelijk diepen afgrond waren

eenige meisjes bezig met spinnen, terwijl zij haar vee hoedden, toen

een oude, vreemd uitziende man met een witten baard, die hem tot aan

den gordel reikte, naderde en tot haar sprak: "O, schoone meisjes,

neemt u in acht voor den afgrond, want indien een uwer haar spoel van

de klip zou laten vallen, dan zou haar moeder op hetzelfde oogenblik

in een koe veranderen!"

Na dit gezegd te hebben, verdween de oude man en de meisjes, die

onthutst waren door zijn woorden, naderden, terwijl zij het vreemde

geval bespraken, het ravijn tot dicht bij den rand; eensklaps was hun

belangstelling voor de diepe kloof gewekt. Zij gluurden nieuwsgierig

over den rand, als verwachtten zij iets ongewoons te zullen zien,

totdat eensklaps de mooiste van haar allen haar spoel uit haar hand

liet vallen, en voor dat zij die weer kon grijpen, viel zij van rots

tot rots in de diepte onder haar. Toen zij dien avond thuis kwam,

bevond zij, wat zij reeds gevreesd had, dat de voorspelling bewaarheid

was, want haar moeder stond, veranderd in een koe, voor de deur.

Korten tijd daarna hertrouwde haar vader. Zijn nieuwe vrouw was

een weduwe en bracht een eigen dochter in haar nieuw tehuis. Dit

meisje was door de natuur allesbehalve begunstigd, en de moeder begon

onmiddellijk haat te koesteren tegen haar stiefdochter om haar goed

uiterlijk. Zij verbood haar voortaan haar gelaat te wasschen, haar

haar te kammen of van kleeren te verwisselen en op alle mogelijke

manieren trachtte zij haar ongelukkig te maken.

Op zekeren dag gaf zij haar een zak vol hennep, zeggende: "Indien

gij dit niet spint, en zorgt dat het van avond tot een mooi kluwen

geworden is, behoeft gij niet thuis te komen, want dan ben ik van

plan u te dooden."

Het arme meisje was diep terneergeslagen; zij liep achter het vee,

onderwijl met ijver spinnende, maar op het middaguur, toen het vee

zich neerlegde om te rusten, zag zij, dat zij nog slechts heel weinig

gevorderd was en zij begon bitter te weenen.

Nu werd haar moeder dagelijks met het andere vee naar de weide gedreven

en toen zij de tranen van haar dochter zag, kwam zij nader en vroeg,

waarom zij schreide, waarop het meisje haar alles vertelde. Toen

troostte de koe haar dochter met de woorden: "Mijn lief kind, wees

getroost! Laat mij de hennep in mijn mond nemen en ze kauwen; ze zal

als een draad uit mijn oor komen. Je hebt niets anders te doen dan

het einde te nemen en het op een klos te winden."

Dit gebeurde; de hennep was weldra gesponnen en toen het meisje ze

's avonds aan haar stiefmoeder gaf, was deze ten hoogste verbaasd.

Den volgenden morgen beval de vrouw het meisje op ruwen toon een

nog grooteren zak hennep te spinnen en toen het meisje, dank zij

haar moeders hulp alles spon en opwond, gaf haar stiefmoeder haar

den volgenden dag tweemaal zooveel om te Spinnen. Desondanks bracht

het meisje 's avonds zelfs die ongewone hoeveelheid goed gesponnen

thuis, waaruit de stiefmoeder opmaakte, dat zij niet alleen spon,

maar dat andere meisjes, haar vriendinnen, haar hielpen. Daarom zond

zij den volgenden morgen haar eigen dochter om het meisje te bespieden

en haar te vertellen, wat zij zou zien. Het meisje merkte spoedig,

dat de koe de arme wees hielp door de hennep te kauwen, terwijl deze

niets anders te doen had, dan de draad op een klos te winden. Zij

snelde naar huis en vertelde haar moeder, wat zij had gezien. Deze

drong er toen op aan, dat haar man bevel zou geven die bijzondere

koe te slachten. Eerst aarzelde haar echtgenoot, maar daar zijn vrouw

meer en meer aandrong, besloot hij te doen, wat zij verlangde.

De belofte.

Toen zij hoorde, wat besloten was, schreide de stiefdochter meer dan

ooit en toen haar moeder vroeg, wat er aan scheelde, vertelde zij haar

onder tranen wat er zou gebeuren. Daarop zei de koe tot haar dochter:

"Wisch uw tranen af en schrei niet meer. Indien zij mij slachten, moet

gij er alleen maar voor zorgen, dat ge niets van mijn vleesch eet,

en na den maaltijd zorgvuldig mijn beenderen verzamelt. Begraaf die

achter het huis onder een steen; mocht gij ooit hulp noodig hebben,

kom dan naar mijn graf en daar zult gij vinden, wat gij zoekt."

De koe werd gedood, en toen het vleesch werd opgediend, weigerde het

arme meisje er van te eten; zij wendde voor, dat zij geen honger had;

na den maaltijd verzamelde zij met groote zorg de beenderen en begroef

die op de plek, die door haar moeder was aangewezen.

De naam van het meisje was Marra, maar daar zij het ruwste huiswerk

moest doen, zooals waterdragen, wasschen en vegen werd zij door haar

stiefmoeder en stiefzuster "Pepelyouga" (asschepoester) genoemd.

Op zekeren Zondag, toen de stiefmoeder en stiefzuster zich gekleed

hadden om naar de kerk te gaan, strooide de vrouw door het huis een

mandvol gierst en zei: "Luister, Pepelyouga; zoo gij al de gierst

niet hebt opgeraapt en zoo het eten niet gereed is, als wij uit de

kerk komen, dan zal ik je dooden!"

Toen zij vertrokken waren, begon het arme meisje te schreien. Zij

dacht: "wat het eten betreft, dat kan ik gemakkelijk gereed maken,

maar hoe zou het mogelijk zijn, al de gierst op te rapen?" Maar op

hetzelfde oogenblik dacht zij aan de woorden van de koe: indien ge ooit

hulp noodig hebt, kom dan slechts naar mijn graf achter het huis en

daar zult gij onmiddellijk vinden, wat gij zoekt. Dadelijk snelde zij

naar buiten, en toen zij het graf naderde, zie! een koffer lag wijd

geopend op het graf, en daarin waren prachtige gewaden en alles wat

noodig was voor het toilet eener dame. Twee duiven zaten op het deksel

van den koffer, en toen het meisje nader kwam, zeiden zij tegen haar:

"Marra, neem het gewaad, dat ge het mooist vindt, uit den koffer,

kleed je en ga naar de kerk; en wat de gierst en het werk betreft,

daar zullen wij op toezien en zorgen, dat alles in orde is!"

Marra gaat naar de kerk.

Marra had geen tweede uitnoodiging noodig; zij nam het eerste zijden

kleed, dat haar hand aanraakte, kleedde zich en ging naar de kerk, waar

haar komst groot opzien baarde. Iedereen, mannen zoowel als vrouwen,

bewonderden haar schoonheid en de dure kleeren, maar zij vroegen

elkaar vergeefs, wie zij was en van waar zij kwam. Er was toevallig

dien dag een prins in de kerk en ook hij bewonderde het schoone meisje.

Juist voor de dienst was afgeloopen, sloop het meisje de kerk uit en

snelde naar huis, deed haar kleeren uit en legde ze weer in den koffer,

die zich onmiddellijk sloot en onzichtbaar werd. Daarna spoedde zij

zich naar de keuken en bemerkte, dat het middagmaal gereed was en

de gierst verzameld in de mand. Spoedig daarop kwam haar stiefmoeder

met haar dochter terug en zij waren er verbaasd over, dat de gierst

opgeraapt en de maaltijd gereed en al het overige werk ook klaar

was. De wensch om het geheim te kennen, kwelde de stiefmoeder nu

geweldig.

Den volgenden Zondag gebeurde alles als te voren, behalve, dat het

meisje een zilveren kleed in de koffer vond en de prins haar nog

meer bewonderde, zoozeer, dat hij niet in staat was ook maar een

oogenblik zijn oogen van haar af te wenden. Op den derden Zondag

maakten moeder en dochter zich weer gereed naar de kerk te gaan en

nadat zij de gierst weer had neergestrooid, herhaalde zij haar vorige

bedreigingen. Zoodra zij vertrokken waren, liep het meisje regelrecht

naar het graf harer moeder, waar zij evenals bij de vorige gelegenheid

de open koffer en dezelfde twee duiven vond. Dezen keer vond zij een

gewaad van gouden kant. Zij kleedde er zich haastig in en ging naar de

kerk, waar zij nog meer dan te voren door allen werd bewonderd. Wat

de zoon van den tsaar betrof, hij was dezen keer gekomen met het

voornemen haar niet uit het oog te verliezen, maar haar te volgen

en te zien, waar zij heenging. Toen de dienst dus ten einde liep,

en het meisje stil als te voren vertrok, volgde de verliefde prins

haar. Marra spoedde zich voort, want zij had niet al te veel tijd

en onder het loopen, verloor zij een van haar gouden muiltjes. Zij

was te gehaast om stil te staan en het op te rapen. Maar de prins,

die het meisje uit het oog had verloren, zag het muiltje en stak het

in zijn zak. Marra deed haar gouden gewaad uit, toen zij thuis kwam,

borg het op in den koffer en spoedde zich naar het huis.

De Prins zoekt het mooie meisje.

De prins besloot nu van huis tot huis te gaan, het geheele rijk van

zijn vader door, om de eigenares van het muiltje te vinden, en alle

mooie meisjes uit te noodigen het gouden muiltje aan te passen. Maar

helaas, zijn pogingen schenen tot mislukking gedoemd; voor eenige

meisjes was het muiltje te lang, voor anderen te kort en voor weer

anderen te nauw. Er was er niet een, wien het paste.

Op zijn tocht van de eene deur naar de andere kwam de prins eindelijk

aan het huis van Marra's vader. De stiefmoeder had hem verwacht

en had haar stiefdochter onder een grooten voedertrog op het erf

verborgen. Toen de prins haar vroeg, of zij dochters had, antwoordde

zij, dat zij er maar een had en zij bracht haar dochter bij hem. De

prins verzocht het meisje het muiltje te passen, maar hoe zij ook

wrong, er was zelfs geen ruimte genoeg voor haar teenen! Daarop vroeg

de prins, of het waar was, dat er geen ander meisje in het huis was,

en de stiefmoeder antwoordde, dat dit werkelijk waar was.

Op hetzelfde oogenblik vloog een haan op den voedertrog en kraaide

krachtig: "_Kook-oo-ryeh-koooo!_ Hier is zij onder dezen trog!"

De stiefmoeder riep woedend uit: "Sst--! Ga heen! Dat een arend je

grijpe en met je wegvliege!" De nieuwsgierigheid van den prins was

gewekt; hij liep naar den trog, tilde dien op, en, tot zijn groote

verbazing zag hij daar het meisje, dat hij driemaal in de kerk had

gezien, gekleed in hetzelfde gouden gewaad, dat zij den laatsten keer

had gedragen, en met slechts een muiltje aan.

Toen de prins het meisje herkende, was hij buiten zich zelf van

vreugde. Snel paste hij het muiltje aan haar sierlijken voet; het

paste haar niet alleen uitstekend, maar vormde een paar met dat,

hetwelk zij reeds aan haar linkervoet had. Hij tilde haar teeder op

en geleidde haar naar zijn paleis. Later verwierf hij haar liefde en

zij leefden gelukkig samen.

De taal der dieren.

Hoeveel overeenstemming er is in de folklore van verschillende volken

wordt op zeldzame wijze geïllustreerd door het volgend verhaal, dat een

treffende gelijkenis vertoont met een verhaal, dat ook bij de negers

van West-Afrika algemeen bekend is. Daarin wordt door den Koning

der Dieren aan den held als gunst toegestaan de taal der dieren te

verstaan; hij ontvangt daarbij de waarschuwing, dat hij zal sterven,

zoodra hij aan iemand het bezit van deze gave openbaart. De gave,

die hem verleend is, maakt hem tot een rijk man; hij lacht om een

gesprek tusschen dieren, die hij beluistert; zijn vrouw vraagt hem,

waarom hij lacht. Tot op dit punt zijn de beide verhalen aan elkaar

gelijk, maar in het West-Afrikaansche verhaal openbaart de man het

geheim en boet zijn overtreding met den dood; terwijl het Servische

slot veel minder tragisch is, zooals wij zullen zien.

Een rijk landbouwer had een schaapherder, die hem een groot aantal

jaren trouw en eerlijk had gediend. Op zekeren dag, toen hij zijn

schapen door een bosch naar de weide leidde, hoorde hij een sissend

geluid en hij vroeg zich verbaasd af, wat het kon zijn. Aandachtig

luisterend liep hij steeds dichter naar de plaats, van waar het geluid

kwam; en nu zag hij, dat het bosch in brand stond en dat het gesis

werd uitgestooten door een slang, die door vlammen was omringd. De

herder keek toe, wat het arme schepsel zou doen in haar nood en toen

de slang den schaapherder zag, riep ze te midden der vlammen uit:

"O, herder, ik smeek u, red mij uit dit vuur!" De herder stak haar

zijn staf toe en de slang kronkelde zich snel om den stok, om zijn

arm en verder tot zijn schouders en rondom zijn hals.

Toen de herder besefte, wat er gebeurde, werd hij aangegrepen door

afschuw, en riep uit: "Wat zijt gij van plan te doen, gij ondankbaar

schepsel! Heb ik je leven gered, om het mijne te verliezen?" En de

slang antwoordde hem: "Wees niet bang, mijn redder! Maar breng mij naar

het huis van mijn vader! Mijn vader is de koning van de slangenwereld."

De herder beproefde de slang te bewegen medelijden met hem te hebben

en smeekte hem te willen verontschuldigen; want hij kon zijn schapen

niet verlaten.

Daarop zei de slang tot hem: "Wees gerust, mijn vriend! Maak u niet

bezorgd over uw schapen; er zal niets met ze gebeuren, maar haast u

nu naar het huis van mijn vader!" De herder ging dus met de slang om

zijn hals door het bosch, totdat zij aan een grot kwamen, waarvan de

ingang door slangenlichamen werd bedekt. Toen zij bij de poort kwamen,

siste de gids van den herder tegen haar dienaressen, waarop al de

slangen onmiddellijk uit elkaar gingen, en een weg voor den herder

open lieten, die er zonder eenig letsel te bekomen doorging. Toen

zei de slang tegen haar redder: "Als wij voor mijn vader verschijnen,

zal hij u zeker als belooning voor uw vriendelijkheid jegens mij alles

geven, wat gij wenscht: goud, zilver en kostbare steenen; maar niets

van dat alles moet gij aannemen. Ik zou u aanraden te vragen de taal

der dieren te leeren verstaan. Hij zal zich ongetwijfeld tegen uw

wensch verzetten, maar eindelijk zal hij toegeven."

Zij traden nu de vertrekken van den koning binnen, die blijkbaar

aanmerkelijk verlicht vroeg: "Mijn dochter, waar zijt gij al dien

tijd geweest?"

Het reptiel vertelde toen alles van den brand in het bosch en

van de vriendelijkheid van den schaapherder, die zijn leven had

gered. Nu richtte de slangenkoning zich aangedaan tot den herder:

"Welke belooning mag ik u geven, omdat gij het leven van mijn dochter

hebt gered?"

De herder antwoordde: "Ik wensch niets dan de macht om de taal der

dieren te kunnen spreken en te begrijpen." Maar de vorst zei: "Dat is

niets voor u, want indien ik u die macht gaf, en gij zoudt het geheim

aan een ander mededeelen, dan zoudt gij onmiddellijk sterven. Kies

daarom iets anders."

Maar de herder bleef volhouden. "Indien gij mij wilt beloonen, schenk

mij dan de gave om de taal der dieren te verstaan; indien gij mijn

wensch niet wilt vervullen, dan hebben wij niets meer met elkaar te

bespreken; ik zeg u vaarwel!"

En werkelijk wendde hij zich om teneinde weg te gaan. Maar de koning,

die zag, dat hij volharden zou bij zijn besluit, hield hem terug

en riep uit: "Kom hier, mijn vriend! Daar gij zoo vurig verlangt de

taal der dieren te begrijpen, zal die gave u niet onthouden worden;

open uw mond!"

De herder gehoorzaamde, en de slangenkoning blies in zijn mond en zei:

"Blaas nu in mijn mond!" De herder deed wat hem gezegd werd, en de

slangenkoning blies een tweeden keer in den mond van den herder. Toen

sprak hij: "Nu bezit gij de taal der dieren. Ga in vrede; maar zorg

er goed voor, dat gij uw geheim niet aan een ander meedeelt, anders

zult gij op hetzelfde oogenblik sterven!"

De herder nam afscheid van zijn vrienden en toen hij door het bosch

terugging, hoorde en verstond hij alles, wat de vogels en planten

en andere levende schepsels tegen elkaar zeiden. Toen hij zijn kudde

bereikte en al zijn schapen in veiligheid vond, zooals hem was beloofd,

legde hij zich neer op het gras om te rusten.

De begraven Schat.

Ternauwernood had hij zich neergevlijd, of twee raven streken neer

op een boom en begonnen samen te praten. "Indien deze schaapherder

wist, wat er zich op de plek bevindt, waar dat zwarte schaap ligt,

dan zou hij zeker de aarde opgraven, en hij zou het hol ontdekken,

dat vol zilver en goud is."

De herder ging dadelijk naar zijn heer en vertelde hem, wat hij wist

van den begraven schat. Deze reed met een kar naar de aangegeven

plaats, groef diep in de aarde en zie! hij vond een hol vol zilver

en goud. Dat alles laadde hij op zijn kar en bracht den schat naar

huis. Deze heer was een eerlijk en edelmoedig man en hij gaf den

geheelen schat aan zijn herder, zeggende: "Neem dit, mijn zoon; het

was aan u, dat God het gaf! Ik zou je aanraden, een huis te bouwen,

te trouwen en met dit geld de een of andere goede zaak te beginnen."

De herder deed, zooals zijn vriendelijke heer hem had aangeraden en

gaandeweg verdubbelde zijn rijkdom en hij werd de rijkste man niet

alleen in zijn dorp, maar in het geheele gewest. Nu nam hij zelf

schaapherders in dienst en vee- en zwijnenhoeders om zijn groote

kudden te verzorgen. Op zekeren dag, juist voor Kerstmis, zei hij

tegen zijn vrouw: "Maak wijn en eetwaren gereed, want morgen zullen

wij naar onze hoeven gaan en onze knechts onthalen." Zijn vrouw deed

gelijk hij bevolen had en den volgenden dag gingen zij naar hun hoeven

en de heer sprak tot zijn mannen: "Komt nu allen, en eet en drinkt

te zamen; wat de schapen betreft, ik zelf zal vannacht voor ze zorgen."

Zoo ging de vriendelijke man zijn schapen hoeden. Omstreeks middernacht

begonnen de wolven te huilen en zijn honden blaften uitdagend. De

wolven zeiden in hun eigen taal tegen de honden: "Kunnen wij komen en

de schapen dooden? Er zal genoeg zijn ook voor u." Daarop antwoordden

de honden in hun eigen taal: "O zeker, kom toch, wij wenschen ook

een feestmaal!" Maar onder de honden was een heel oude, die maar twee

tanden over had. Dat trouwe dier blafte verwoed tegen de wolven: "Naar

den duivel met jelui allemaal! Zoolang ik deze twee tanden heb, zult

gij de schapen van mijn heer niet aanraken!" En hun meester hoorde

en begreep alles, wat zij zeiden. Den volgenden morgen beval hij

zijn knechts al de honden, behalve den ouden, te dooden. De knechts

smeekten hun meester dit niet te doen. Zij zeiden: "Beste meester,

het is zonde hen te dooden!"

Maar de heer gedoogde geen tegenspraak en beval streng: "Doet,

zooals ik bevolen heb!" Daarna stegen hij en zijn vrouw te paard

en zij begaven zich op weg naar huis; hij op een hengst en zij op

een merrie. Op de reis bleef de merrie wat achter den hengst. Deze

hinnikte en zei: "Haast je wat, waarom treuzel je zoo?" En de merrie

antwoordde: "Voor jou is het niet moeilijk--jij draagt alleen je

heer, en ik draag een tirannieke vrouw, wier bevelen een last voor

het geheele huishouden zijn!"

De lastige vrouw.

Toen hij dit hoorde, keerde de heer zich om en barstte in lachen

uit. Zijn vrouw merkte zijn plotselinge vroolijkheid op, gaf haar

merrie de sporen en toen zij haar echtgenoot had bereikt, vroeg zij

hem, waarom hij had gelachen. Hij antwoordde: "Er was geen bepaalde

reden voor; ik lachte maar zoo--" Maar de vrouw was niet tevreden met

dit antwoord, en liet haar man niet met rust. Tevergeefs beproefde

hij er zich af te maken met de woorden:

"Vraag mij niet langer; als ik je de ware reden zeg, waarom ik heb

gelachen, dan moet ik dadelijk sterven!"

Maar zij geloofde haar man niet, en hoe vaker hij weigerde het haar

te vertellen, des te hardnekkiger drong zij er op aan, dat hij het

zou doen, totdat de arme man eindelijk ten einde raad was door haar

aandringen.

Zoodra zij thuis waren, beval de man een doodkist gereed te maken en

toen die gereed en voor de huisdeur was geplaatst, zei hij tegen zijn

vrouw: "Ik zal in deze kist gaan liggen, want op hetzelfde oogenblik,

waarop ik je vertel, waarom ik lachte, zal ik sterven." Hij ging dus in

de kist liggen, en toen hij nog een laatsten blik in het rond wierp,

zag hij zijn getrouwe hond van de akkers komen. Het arme dier liep op

de doodkist van zijn meester toe en ging huilende van verdriet naast

zijn hoofd zitten. Toen zijn heer dit zag, vroeg hij zijn vrouw den

hond eten te geven. De vrouw bracht brood en gaf het aan den hond,

die er niet naar taalde, nog minder er van at. Het stuk brood trok

echter een haan aan, die naderbij kwam en er van begon te pikken. De

hond verweet hem dit en zei: "Jij onverzadigbaar schepsel! Je denkt

aan niets dan aan eten en je ziet niet, dat onze beste heer op het

punt staat te sterven!"

Op deze bestraffing antwoordde de haan: "Laat hem dood gaan, als hij

zoo'n dwaas man is! Ik heb een honderdtal vrouwen en ik verzamel haar

allen rondom een graankorrel, dien ik gevonden heb, en als zij allen

bijeen zijn, eet ik hem zelf op! Mocht een harer daar geen genoegen

mee nemen, dan pik ik naar haar; maar hij, de dwaas, is niet in staat

een vrouw te regeeren."

Hierop sprong de man uit de kist, nam een stok en riep tot zijn vrouw:

"Kom in huis, vrouw, en ik zal je vertellen, waarom ik heb gelachen!"

Toen zij zag, wat de bedoeling van haar man was, verzocht zijn vrouw

hem van zijn voornemen af te zien en beloofde nooit meer nieuwsgierig

te zijn of te beproeven zich in zijn zaken te mengen.

De stiefmoeder en haar stiefdochter.

Er was eens een meisje, dat met haar stiefmoeder samen woonde. De

vrouw haatte haar stiefdochter buitengewoon, daar zij mooier was dan

haar eigen dochter, die zij mee had gebracht naar het huis. Zij deed

haar uiterste best de eigen vader van het arme meisje tegen haar op

te zetten en dit deed zij met zulk een goeden uitslag, dat hij weldra

zijn eigen kind begon uit te schelden, ja zelfs te haten.

Op zekeren dag zei de vrouw tegen haar echtgenoot: "Wij moeten je

dochter wegsturen. Zij moet de wereld ingaan om zelf haar fortuin

te zoeken!" En hij antwoordde: "Hoe kunnen wij het arme meisje

wegzenden? Waar zou zij alleen heen moeten?" Maar de slechte

stiefmoeder antwoordde: "Morgen moet je ver met haar de bosschen

ingaan, haar daar achter laten, en je dan naar huis spoeden--anders

wil ik niet langer bij je wonen."

Eindelijk gaf de ongelukkige vader toe en zei: "Maak tenminste wat

voor het meisje klaar, opdat zij niet van honger omkomt."

Daarom bakte de stiefmoeder een koek en gaf dien den volgenden morgen,

toen zij met haar vader het huis verliet, aan het meisje mee. De man

en zijn dochter stapten voort, totdat zij midden in het bosch waren,

en toen sloop de vader weg en keerde naar huis terug.

Den geheelen dag dwaalde het meisje in het bosch rond om een pad

te zoeken, maar zij kon er geen vinden. Het werd intusschen steeds

donkerder en eindelijk klom zij in een boom; zij vreesde door het een

of andere wilde dier verslonden te worden, indien zij gedurende den

nacht op den grond bleef. En werkelijk den ganschen nacht huilden de

wolven zoo bloeddorstig onder den boom, dat het arme meisje in haar

zenuwachtigen angst bijna was gevallen.

Den volgenden morgen klom zij weer naar beneden en dwaalde weer rond

om een weg te vinden, maar hoe verder zij liep, des te dichter werd

het bosch; er scheen geen einde aan te zijn. Toen het weer donker werd,

keek zij rond naar een anderen geschikten boom, waarin zij tusschen de

takken veilig den nacht zou kunnen doorbrengen. Maar eensklaps zag zij

een lichtglans door de duisternis. Zij meende, dat het misschien een

woning kon zijn en liep er heen. En werkelijk, zij kwam spoedig aan een

groot, mooi huis; de deuren stonden open. Zij ging binnen en zag veel

sierlijke kamers; in een er van stond een groote tafel met brandende

lichten er op. Zij dacht, dat dit een woning van roovers moest zijn,

maar zij was hoegenaamd niet bang. Want zij zei tegen zich zelf:

"Alleen rijke menschen behoeven bang voor roovers te zijn; ik, een arm,

eenvoudig meisje, behoef voor niets te vreezen; ik zal hun zeggen, dat

ik graag voor hen wil werken, als zij mij iets te eten willen geven."

Een vreemde woning.

Daarna nam zij den koek uit haar tasch, maakte het teeken des kruises

[82] en begon haar maal. Nauwelijks was zij begonnen te eten of een

haan verscheen en vloog naast haar, alsof hij om een deel er van

vroeg. Het goede meisje kruimelde een stukje van haar koek en voerde

het hem. Kort daarna kwam een kleine hond en begon op zijn wijze van

zijn vriendelijke gevoelens jegens haar blijk te geven. Het meisje

brak weer een stuk van haar koek af, nam het hondje voorzichtig op

haar schoot en begon het te voeren en te liefkoozen. Daarna kwam een

kat en daarmede deed zij hetzelfde.

Eensklaps hoorde zij een luid gebrul, en schrok geweldig, toen zij een

leeuw zag naderen. Het groote dier kwispelde echter zoo vriendelijk

met zijn staart, en het keek zoo goedaardig uit zijn oogen, dat haar

moed weer terugkeerde en zij hem een stuk koek gaf, wat de leeuw opat;

daarna lekte hij haar hand. Dit bewijs van dankbaarheid stelde het

meisje volkomen gerust; zij streelde den leeuw zacht en gaf hem nog

meer van haar koek.

Eensklaps hoorde het meisje een heftig gekletter van wapenen en

zij viel bijna flauw, toen zij een schepsel in een berenhuid de

kamer zag binnenkomen. De haan, de hond, de kat en de leeuw snelden

het tegemoet en sprongen er omheen, waarbij zij hun uiterste best

deden om te toonen, hoe verheugd zij waren. Zij, arm kind, kon niet

anders denken dan dat dit vreemde gedrocht een wreed schepsel was

en zij verwachtte niet anders dan dat het haar zou bespringen en

verslinden. Maar het monster wierp zijn berenhuid van zijn hoofd en

schouders en plotseling glinsterde de geheele kamer van de pracht van

zijn gouden gewaden. Het meisje verloor bijna haar bezinning, toen zij

een knap man met edel voorkomen voor zich zag. Hij naderde haar en zei:

"Wees niet bevreesd! Ik ben geen woestaard, ik ben de zoon van den

tsaar; en als ik op de jacht ga, dan kom ik gewoonlijk vermomd hier

in deze berenhuid, opdat de menschen mij niet herkennen. Behalve gij,

weet niemand, dat ik een man ben; de menschen denken, dat ik een

geest ben en ontvluchten mij. Niemand durft dit huis voorbij gaan,

nog minder er binnen treden, want het is bekend, dat ik er woon. Gij

zijt de eerste, die het gewaagd hebt, binnen te komen, waarschijnlijk

wist gij, dat ik geen geest ben?"

Daarop vertelde het meisje den prins alles van haar slechte stiefmoeder

en verzekerde, dat zij niets van deze woning wist, noch wie er in

woonde. Toen de jonge prins, bewogen van verontwaardiging en medelijden

haar verhaal had gehoord, zei hij: "Uw stiefmoeder haatte u, maar God

had u lief. Ik heb u ook zeer lief, en indien gij voelt, dat gij mijn

liefde zoudt kunnen beantwoorden, zou ik u willen trouwen--wilt gij

mijn vrouw zijn?" "Ja", antwoordde het meisje.

Den volgenden morgen nam de prins het meisje mee naar het paleis van

zijn vader en zij werden getrouwd. Na een poosje verzocht de vrouw

van den prins toestemming om haar vader te mogen bezoeken. De prins

stond het haar gaarne toe en gekleed in een mooie, met goud geborduurde

japon ging zij naar haar oude tehuis. Haar vader was afwezig en haar

moeder vreesde, zoodra zij haar zag komen, dat zij kwam om zich te

wreken. Daarom snelde zij haar tegemoet en zei: "Ziet gij nu, dat ik

u den weg van het geluk op gezonden heb?" De stiefdochter omhelsde

de vrouw en kuste haar; zij omhelsde haar stiefzuster ook. Daarna

nam zij plaats en wachtte op de terugkomst van haar vader. Daar hij

echter niet kwam, was zij eindelijk wel genoodzaakt, hoe ongaarne ook,

heen te gaan zonder hem te hebben gezien. Toen zij vertrok, gaf zij

veel geld aan haar stiefmoeder, maar toen zij op eenigen afstand bas,

balde de ondankbare vrouw toch haar vuist naar haar en mompelde:

"Wacht maar, jij vervloekt schepsel, je zult de eenige niet zijn,

die zoo sierlijk gekleed gaat; ik zal mijn eigen dochter denzelfden

weg opzenden!"

De naijver van de stiefmoeder.

De man kwam niet terug voor laat in den avond. Toen ging zijn vrouw hem

tegemoet en zei: "Luister man! Ik ben van plan ook mijn eigen dochter

de wereld in te zenden, opdat ook zij haar fortuin kan zoeken; want

jou dochter kwam heden terug om ons te bezoeken en zie! zij schitterde

van al het goud."

De man zuchtte en gaf zijn toestemming.

Den volgenden morgen bakte de vrouw voor haar dochter verscheidene

koeken, ook gaf zij haar wat gebraden vleesch mee en zond haar met

haar vader het bosch in. De ongelukkige vader geleidde haar--evenals

hij het zijn eigen dochter had gedaan--naar het diepst van het

bosch, sloop toen weg, en liet haar alleen. Toen het meisje zag,

dat haar vader verdwenen was, wandelde zij langzaam voort door het

woud, totdat zij de poort van hetzelfde huis bereikte, waarin haar

stiefzuster het geluk had gevonden. Zij trad binnen, sloot de deur

en besloot ze voor niemand te openen. Daarna nam zij een koek uit

haar tasch en begon haar maal. Intusschen kwamen de haan, de hond en

de kat binnen en begonnen om haar heen te springen, hopende dat zij

hun iets te eten zou geven; maar zij riep boos uit: "Maakt, dat je

weg komt, leelijke dieven! Ik heb ternauwernood genoeg voor mijzelf;

ik wil jelui niets geven!" En toen begon zij hen te slaan, waarop

de hond jankte. De leeuw, die het jammeren van zijn vriend hoorde,

sprong woedend toe en doodde het onvriendelijke meisje.

Den volgenden morgen reed de prins met zijn echtgenoote uit om te

gaan jagen. Zij kwamen aan het huis en zagen, wat er gebeurd was en

toen de prinses haar stiefzuster aan haar kleeren herkende, nam zij

het verscheurde gewaad bijeen en bracht het naar de woning van haar

vader. Dezen keer vond zij haar vader thuis en hij was werkelijk

heel gelukkig, toen hij vernam, dat zijn lieve dochter getrouwd

was met een knappen prins. Maar toen hij hoorde, wat de dochter van

zijn vrouw was overkomen, was hij werkelijk bedroefd en riep uit:

"Haar moeder heeft haar straf verdiend van Gods hand, omdat zij je

zonder reden haatte. Zij is bij de put, ik zal er heen gaan en haar

het droeve nieuws vertellen."

Toen zijn vrouw hoorde, wat er gebeurd was, zei zij: "O, man, ik kan

het niet verdragen je dochter te zien; laten wij haar en den zoon

van den tsaar dooden! Doe het, of ik zal dadelijk in de put springen!"

De man antwoordde verontwaardigd: "Nu, spring dan! Ik zal mijn eigen

kind niet vermoorden!"

En de slechte vrouw zei: "Als je haar niet kunt dooden, goed,--maar

het is mij onmogelijk haar weer te zien!" Daarop sprong zij in de

put en was dood.

Recht en onrecht.

Er was een koning, die twee zoons had; de een was sluw en

onrechtvaardig en de andere goed en rechtvaardig. Toen zijn tijd

gekomen was, stierf de koning en de onrechtvaardige zoon zei tegen

zijn broeder: "Daar gij jonger zijt dan ik, kunt gij niet verwachten,

dat ik den troon met u deel; gij deedt daarom beter het paleis te

verlaten. Neem deze driehonderd tzechins [83] en een paard mee;

dat is jou aandeel in de erfenis."

De jongere broer nam het goud en zijn paard en na een oogenblik

nagedacht te hebben zei hij: "God zij geprezen! Hoeveel van het

geheele koninkrijk is mijn deel geworden!"

Eenigen tijd later ontmoetten de beide broers elkaar bij toeval

op een weg, en de jongste begroette den oudste aldus: "God helpe u,

broeder!" En de oudste antwoordde: "Dat God u een ongeluk zende! Waarom

roept gij steeds Gods naam aan tegen mij? Onrecht is beter dan recht."

Daarop antwoordde de goede broeder: "Ik wed, dat onrecht niet beter

is dan recht!"

Zij wedden om honderd tzechins en kwamen overeen de beslissing aan den

eersten voorbijganger, die zij zouden ontmoeten, over te laten. Na een

poosje gereden te hebben, ontmoetten zij Satan, die zich als een monnik

had verkleed en zij verzochten hem in hun geschil te beslissen. Satan

antwoordde onmiddellijk, dat onrecht beter was dan recht; daarmee

verloor de rechtvaardige broeder honderd tzechins. Toen gingen zij

opnieuw een weddenschap aan voor dezelfde som, en vervolgens een derde;

en telkens besliste de Duivel--elken keer verschillend vermomd--voor

het onrecht. Ten slotte verloor de goede broeder zelfs zijn paard;

maar hij was volstrekt niet overtuigd en dacht na. "Wel! ik heb al

mijn tzechins verloren, dat is waar, maar ik heb mijn oogen nog en

dezen keer zal ik om mijn oogen wedden." Zoo gingen zij de weddenschap

nog eens aan; de onrechtvaardige broer wachtte echter niet eens op de

uitspraak van een ander, maar nam zijn ponjaard, en stak zijn broer

de oogen uit, zeggende: "Laat het recht u nu maar helpen, nu gij geen

oogen meer hebt!"

De arme jongeling zei tegen zijn wreeden broeder: "Ik heb mijn oogen

verloren terwille van Gods rechtvaardigheid, maar ik verzoek u, mijn

broeder, mij wat water in een kom te geven, opdat ik mijn wonden kan

wasschen en mij onder een pijnboom bij de bron te brengen!"

De onrechtvaardige broer deed, wat hem werd verzocht en vertrok toen.

Het genezende water.

De ongelukkige jongeling bleef tot diep in den nacht onbewegelijk

zitten, toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden en hij een

harer tegen haar zusters hoorde zeggen: "Zusters, weet gij, dat de

prinses lijdende is aan melaatschheid en de koning, haar vader, al de

beroemde geneesheeren heeft geraadpleegd, maar geen enkele haar kan

redden? Maar als de koning de genezende kracht van dit water kende,

zou hij er zeker een weinig van nemen en zijn dochter er in baden. Dan

zou zij volkomen herstellen."

Toen de hanen begonnen te kraaien, verdwenen de veele; de prins

kroop naar de bron, om de wonderbare hoedanigheden van het water

te onderzoeken. Hij bette er zijn oogen mee en zie! Zijn gezicht

was onmiddellijk teruggekeerd. Daarna vulde hij zijn kom met het

water en spoedde zich naar den koning, wiens dochter lijdende was

aan melaatschheid. Toen hij aan het paleis kwam, zei hij tegen de

wachthebbende officieren, dat hij de prinses kon genezen in een

dag en een nacht. De officieren deelden het den koning mede, die

dadelijk toestond, dat hij zijn middel beproefde. En de prinses was

genezen. Dit stemde den koning zoo gelukkig, dat hij de helft van

zijn koninkrijk aan den jongen prins afstond en hem ook zijn dochter

tot vrouw gaf. Zoo werd de rechtvaardige broeder de schoonzoon van

den koning en zijn staatsraad.

Het nieuws van deze groote gebeurtenis verspreidde zich over het

koninkrijk en kwam ten slotte ook den onrechtvaardigen prins ter

oore. Hij dacht, dat zijn broer zijn geluk onder den pijnboom moest

hebben gevonden; hij ging daar dus ook zijn geluk beproeven. Daar

aangekomen doorstak hij zijn eigen oogen. Laat in den avond kwamen de

veele baden en de prins hoorde met verbazing, hoe zij spraken over het

herstel der prinses. "Iemand moet ons bespied hebben," zei een harer,

"toen wij spraken over de hoedanigheden, die dit water bezit. Misschien

slaat ook nu iemand ons gade. Laten we eens rond zien!" Toen zij

onder den pijnboom kwamen, vonden zij den jongeman, die zijn geluk

was komen zoeken en zij scheurden hem onmiddellijk in vieren.

En aldus kreeg de slechte prins de straf voor zijn onrechtvaardigheid.

Wie weinig vraagt, ontvangt veel.

Er leefden eens drie broers, die in plaats van groote bezittingen

slechts een pereboom hun eigendom konden noemen. Om de beurt zouden zij

bij den boom de wacht houden, terwijl de twee anderen zich verhuurden

om te werken. Op zekeren nacht zond God zijn engel om te zien, hoe

de broeders het maakten, en, indien zij in moeilijkheden verkeerden,

hun toestand te verbeteren. De engel kwam vermomd als een bedelaar en

toen hij een der broeders aantrof, die de wacht hield bij den boom,

verzocht hij om een peer. De jongeman nam een paar vruchten, die

tot zijn eigen deel van den boom benoorden, overhandigde ze aan den

bedelaar en zei: "Neem deze peren van mijn deel van den boom; die,

welke aan mijn broeders behooren, kan ik u niet geven." De engel nam

de vruchten, dankte den jongeman en verdween.

Den volgenden dag was het de beurt van den tweeden broeder om over

de vruchten te waken, en weer kwam de engel in de gedaante van een

bedelaar en vroeg om een peer. Deze broer gaf ook van zijn eigen deel

van den boom, zeggende: "Neem deze; zij zijn van mij, maar van die,

welke aan mijn broeders behooren, durf ik niet te geven."

De engel nam de vruchten dankbaar aan en verdween.

De derde broer had een gelijke ervaring.

Toen de vierde dag kwam, vermomde de engel zich als een monnik en

kwam heel vroeg, opdat hij de drie broers thuis zou kunnen vinden,

en zei tegen de jongelieden: "Komt met mij mede, ik zal u een beter

leven geven!" Zonder verdere vragen te stellen gehoorzaamden zij hem.

Weldra kwamen zij aan een rivier, waardoor het water hevig stroomde

en de engel vroeg aan den oudsten broer: "Wat wenscht gij te

bezitten?" Hij antwoordde: "Ik zou willen, dat al dit water in wijn

veranderde en dat het mij toebehoorde!" De engel maakte het teeken

des kruises met zijn stok en zie! Wijn stroomde in plaats van water

en op hetzelfde oogenblik werden op de oevers van het stroompje

verscheidene tonnen zichtbaar en er verschenen mannen, die ze met

wijn vulden; in een woord: er was een heel dorp ontstaan. Daarna

wendde de engel zich weer tot den jongeman en zei: "Hier is wat gij

verlangdet, vaarwel!" En hij vervolgde zijn reis met de anderen. De

drie liepen voort, totdat zij aan een veld kwamen, waarop een groot

aantal duiven rondliepen, en de engel vroeg aan den tweeden broer:

"Nu, en wat zoudt gij wenschen te bezitten?" En hij antwoordde:

"Ik zou wenschen, dat de duiven in schapen veranderden en dat die mij

toebehoorden!" Weer maakte de engel het teeken des kruises in de lucht,

en zie! Schapen in plaats van duiven bedekten het veld. Plotseling

verrezen er vele melkhuizen; meisjes waren bezig de schapen te melken,

anderen schonken de melk over en weer anderen maakten room. Er was ook

een slachthuis, waar mannen bezig waren; enkelen sneden het vleesch

in groote stukken, anderen wogen het en weer anderen verkochten

het en namen er het geld voor in ontvangst. Daarna sprak de engel:

"Hier is alles, wat gij verlangdet; vaarwel!"

Nu ging de engel verder met den jongsten broer, en nadat hij het

veld over was gegaan, vroeg hij: "Wat verlangt gij te bezitten?" De

jonge man antwoordde: "Ik zou mij tot den gelukkigsten man rekenen,

indien God zoo genadig was mij een vrouw te schenken van zuiver

christelijk bloed!"

Daarop antwoordde de engel: "O, dat is nog al moeilijk; er zijn

maar drie zulke vrouwen in de geheele wereld en twee van haar zijn

getrouwd. De jongste, dat is waar, is een jong meisje, maar reeds

dingen twee jonge mannen naar haar hand."

Zij reisden verder en kwamen in een stad, waar een machtig tsaar woonde

met zijn dochter. Zij was werkelijk van zuiver christelijk bloed. De

reizigers traden het paleis binnen en troffen er twee prinsen aan,

die daar reeds waren en hun huwelijksappels [84] op de tafel hadden

gelegd. De jonge man legde nu ook zijn appel op de tafel. Toen de

tsaar de nieuw aangekomenen zag, zei hij tot hen, die hem omringden:

"Wat zullen wij nu doen. Genen zijn vorstelijke prinsen, en dezen

zien er uit als bedelaars!" Daarop sprak de engel: "Laat het geschil

aldus beslist worden: de prinses moet drie wijnstokken in den tuin

planten, en elk der drie, die aanzoek deden, er een aanwijzen. Met

hem, aan wiens wijnstok den volgenden morgen druiven gevonden worden,

zal de prinses trouwen!" Dit plan had aller instemming en de prinses

plantte dus drie wijnstokken.

Toen de volgende morgen daagde, zie! hingen er druiven in groote

trossen aan den wijnstok, die aan den armen man was toegewezen. Daarom

kon de tsaar zijn dochter niet weigeren aan den jongsten broeder. Na

het huwelijk leidde de engel het jonge paar naar het bosch, waar hij

beiden een vol jaar alleen liet.

De Engel keert terug.

Toen zond God opnieuw zijn engel, zeggende: "Daal neer naar de aarde

en zie, hoe deze armen nu leven; indien zij in ellende verkeeren,

moet gij hen helpen en hun toestand verbeteren!"

De engel gehoorzaamde onmiddellijk en weer als bedelaar verkleed,

ging hij eerst naar den oudsten broer. Hij vroeg hem om een glas

wijn. Maar de rijke man weigerde: "Indien ik iedereen een glas wijn

zou moeten geven, zou er niets voor mij overblijven!"

Hierop maakte de engel het teeken des kruises met zijn stok en

onmiddellijk stroomde er weer water door de rivier evenals te

voren. Toen wendde hij zich tot den man en zei: "Dit was niet voor u,

keer terug naar den pereboom, en ga voort met dien te bewaken!"

Daarna ging de engel naar den tweeden broer, wiens velden bedekt waren

met schapen en vroeg hem om een plak kaas, maar de rijke man weigerde,

zeggende: "Indien ik iedereen een plak kaas zou moeten geven, dan zou

er geen voor mij overblijven!" Weer maakte de engel het teeken des

kruises met zijn stok en zie! Al de schapen veranderden onmiddellijk

in duiven, die weer wegvlogen. Toen sprak hij tot den tweeden broer:

"Dit was stellig niet voor u; ga naar den pereboom en houd daarbij

weer de wacht!"

Eindelijk ging de engel naar den jongsten broeder om te zien, hoe hij

het maakte en vond hem met zijn vrouw in het bosch, waar hij leefde

als een arm man in een hut. Hij verzocht de hut te mogen binnen komen

en daar den nacht te mogen doorbrengen. Zij heetten hem hartelijk

welkom, maar zeiden hem, dat zij hem niet zoo'n goed onderkomen

konden verschaffen, als zij zouden wenschen. "Wij zijn," zoo voegden

zij er aan toe, "heel arme menschen." Waarop de engel antwoordde:

"Spreek zoo niet; ik zal heel tevreden zijn met hetgeen gij hebt!"

Zij vroegen zich af, wat zij zouden doen, want er was geen koren in

de hut, waar zij goed brood van konden bakken. Gewoonlijk maalden

zij boomschors fijn en bakten dat in den oven. Zulk brood bereidde de

vrouw nu voor haar gast en zette het in den oven om te bakken. Even

later ging zij naar haar baksel kijken, en was aangenaam verrast,

toen zij een echt brood zag liggen.

Toen het paar dit wonder zag, hieven zij hun handen ten hemel en

zeiden: "Wij danken u, o God! dat wij nu in staat zijn onzen gast te

onthalen!" Nadat zij hun gast het brood hadden voorgezet, brachten zij

een kom water en zie! Toen zij dronken, zagen zij, dat het wijn was.

Toen maakte de engel nog eens het teeken des kruises met zijn stok over

de hut, en daarop verrees onmiddellijk op de plek een prachtig paleis,

dat een overvloed van alles bevatte. Daarop zegende de engel het paar

en verdween. De nederige en godvreezende man en vrouw leefden daar

verder gelukkig.

Bash Tchelik of echt staal.

Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en drie dochters had. Toen

ouderdom hem overviel en het stervensuur voor hem sloeg, riep hij zijn

kinderen tot zich en hij beval zijn zoons, dat zij hun zusters zouden

geven aan den eersten, die naar haar hand mochten dingen. "Doet,

zooals ik ulieden zeg," voegde de stervende tsaar er aan toe,

"of vreest mijn vloek!"

Kort nadat de tsaar gestorven was, werd er op zekeren nacht heftig op

de poort van het paleis geklopt, zoodat het geheele gebouw schudde;

een geweldig gebulder, gegil en geblaas werd vernomen; het scheen,

alsof het paleis gebeukt werd door een hevigen orkaan. Al de hovelingen

werden aangegrepen door een onuitsprekelijke vrees en eensklaps werd

een stem van buiten gehoord: "O, prinsen, opent de deur!" Daarop riep

de oudste broeder uit: "Doe niet open!" De tweede broer voegde er aan

toe: "Doe voor niets ter wereld open!" Maar de jongste broeder zei:

"Ik moet de deur openen!" En hij sprong naar de deur en wierp die

open. Toen hij het gedaan had, kwam er iets binnen, maar de broeders

konden slechts een helder licht zien, waaruit deze dringende woorden

hen toeklonken: "Ik ben gekomen om uw oudste zuster ten huwelijk

te vragen en haar terstond mee te nemen; want ik heb geen tijd te

verliezen; evenmin zal ik een tweeden keer kunnen komen om haar te

vragen! Antwoordt snel. Wilt gij haar geven of niet? Dat is het,

wat ik wil weten."

De oudste broeder antwoordde: "Ik wil haar niet geven. Ik kan u niet

zien, ik weet niet wie gij zijt, en evenmin vanwaar gij komt. Vanavond

is het voor het eerst, dat ik uw stem heb gehoord en gij dringt er

op aan mijn zuster dadelijk mede te nemen. Ik zou niet eens weten,

waar ik mijn zuster nu en dan zou kunnen bezoeken!"

De tweede broer zei eveneens: "Ik geef mijn toestemming niet, dat

gij mijn zuster vannacht met u meevoert!"

Maar de jongste broeder verzette zich en zei: "Indien gij haar niet

wilt geven, dan doe ik het. Hebt gij de woorden van onzen vader niet

onthouden?" Daarna nam hij zijn zuster bij haar hand [85] en gaf

haar aan den onzichtbaren gast, die aanzoek gedaan had, zeggende:

"Dat zij een getrouwe en gehoorzame echtgenoote zij!"

Op het oogenblik, waarop de prinses den drempel overging, viel ieder

in het paleis van ontsteltenis op den grond, zoo ontzettend waren

de bliksemschichten en zoo luid de donderslagen. Het geheele gebouw

schudde, alsof het zou instorten. Maar de storm ging voorbij en de

dag brak aan. Dien morgen werd er vlijtig gezocht, of er eenig spoor

gevonden kon worden van den vreemden bezoeker of van den weg, dien

hij was gegaan; maar helaas, alle pogingen waren vruchteloos.

Den volgenden nacht omstreeks denzelfden tijd werd een gelijk geraas

rondom het paleis vernomen en een stem aan de deur riep uit: "O,

prinsen, doet de deur open!"

Door vrees aangegrepen dorsten zij niet ongehoorzaam te zijn. Toen

sprak de meedoogenlooze stem weer: "Geef mij uw tweede zuster, ik

ben gekomen, om haar ten huwelijk te vragen!"

De oudste broer verzette zich: "Ik wil mijn toestemming niet geven!" De

tweede broer zei eveneens: "Ik wil mijn zuster niet weggeven!" Maar

de jongste was bereid. "Ik zal haar geven!" zei hij. "Zijt gij reeds

vergeten, wat onze vader bevolen heeft in het uur van zijn dood?"

Daarop nam de jongste prins zijn zuster bij de hand en gaf haar

aan den onzichtbaren bezoeker, zeggende: "Neem haar, dat zij trouw

en gehoorzaam zij!" Zoo vertrok de bezoeker met de prinses en den

volgenden dag was er geen spoor meer van haar te vinden.

Den derden nacht op hetzelfde uur trilde de aarde en het paleis schudde

op zijn grondvesten, zoo geweldig was de beroering in het rond. Weer

werd een geheimzinnige stem van buiten gehoord. De prinsen openden

de deur en weer trad een onzichtbare gast binnen en zei: "Ik kom uw

jongste zuster ten huwelijk vragen!" De twee oudste broers riepen

gelijktijdig uit: "Wij willen onze zuster niet in den nacht geven;

wij moeten weten, aan wien wij haar geven, zoodat wij haar kunnen

bezoeken, als wij het wenschen!" Maar weer riep de jongste broer uit:

"Ik zal haar geven, als gij het niet wilt! Zijt gij dan vergeten, wat

onze vader ons heeft gezegd? Zoolang is het nog niet geleden!" Met deze

woorden nam hij het meisje bij de hand en gaf haar aan den onzichtbaren

gast, zeggende: "Neem haar mee! En dat zij u vreugde en geluk geve!"

De prinsen begeven zich op weg.

Den volgenden morgen bespraken de broers het lot van hun zusters en

smart vervulde hun hart. "Groote God!" zeiden zij, "welk een geweldig

wonder! Wij weten niet, welk lot onze zusters te beurt is gevallen;

noch weten wij, waarheen zij zijn gegaan, noch met wien zij zijn

getrouwd!" Eindelijk besloten zij hun geliefde zusters te gaan zoeken

en na de noodige toebereidselen voor de reis te hebben getroffen,

begaven zij zich op weg voor het onderzoek.

Zij reisden enkele dagen en verdwaalden toen in een dicht woud, waar

zij een geheelen dag ronddoolden. Toen de duisternis viel, kwamen

zij overeen den nacht door te brengen op een plaats, waar zij water

konden vinden. Toen zij dus aan een meer kwamen, besloten zij daar

te overnachten en zij gingen zitten om wat te eten. Toen zij op het

punt stonden zich te slapen te leggen, stelde de oudste broer voor,

dat de anderen zouden slapen, en hij de wacht zou houden. De twee

jongere broers gingen dus slapen, terwijl hij de wacht hield.

Te middernacht kwam het water in hevige beroering en hij, die de

wacht hield, was vervuld van schrik, toen hij uit het midden van

het water iets naar zich toe zag bewegen. Toen het nader kwam, zag

hij, dat het een monsterachtige krokodil was met twee reusachtige

ooren. Het monster viel den prins met al zijn kracht aan, maar de

dappere prins ving het op de punt van zijn zwaard op en kliefde snel

zijn kop doormidden. Daarna hieuw hij het de ooren af en borg die in

zijn tasch; maar het lijk wierp hij terug in het meer. Spoedig daarop

brak de morgen aan, maar de twee jongere broeders sliepen rustig door,

onbewust van den heldenmoed van hun broer.

Op gepasten tijd wekte de prins de jongemannen en zonder te zeggen,

wat er gebeurd was, raadde hij aan de reis te vervolgen. Zij reisden

den geheelen dag en weer verdwaalden zij in een dicht bosch; zij

besloten den nacht bij een klein meer door te brengen en legden

snel een vuur aan. Nadat zij hadden gegeten, zeide de tweede broer:

"Vannacht zult gij beiden slapen en ik zal waken." En zoo sliepen de

oudste en de jongste broer, terwijl de tweede de wacht hield.

Eensklaps begon het water in het meer te bewegen en zie! Een krokodil

met twee koppen verscheen en snelde verwoed op de drie broeders

toe. Maar de tweede broeder was geen lafaard; hij gaf het monster

een ontzettenden slag met zijn glinsterend zwaard, en de krokodil

viel dood neer. Toen hieuw de prins het de vier ooren af, deed ze

in zijn tasch en wierp het afzichtelijke lijk in het meer. De twee

slapende broeders wisten van dit alles niets en sliepen, totdat de

zon opging. De dappere prins riep uit: "Staat op, broeders, het is

hoog tijd!" Zij stonden onmiddellijk op en maakten zich gereed verder

te gaan, zonder te weten waarheen.

Een groote vrees vervulde hun hart, toen zij bemerkten, dat zij zich in

een vreeselijke woestijn bevonden; hier dwaalden zij drie lange dagen

rond, en toen hun voedsel op was, dachten zij niet anders, dan dat zij

van honger zouden omkomen in dit vreemde land, dat van een onmetelijke

uitgestrektheid scheen te zijn. Toen richtten zij hun vurige gebeden

tot den Almachtige en baden Hem, dat het Hem mocht behagen hun uitkomst

te geven en zie! Eindelijk zagen zij een uitgestrekt watervlak. Groot

was nu hun vreugde; zij overlegden samen en kwamen overeen, dat zij

den nacht zouden doorbrengen aan den oever van dat meer.

Nadat zij hun dorst hadden gelescht, legden zij een helder vuur aan

en toen het uur voor slapen aanbrak, stelde de jongste broer voor:

"Heden nacht is het mijn beurt, gij beiden gaat slapen en ik zal

waken!" Zoo gingen de beide oudste broers slapen en de jongste bleef

wakker; scherp keek hij rond en dikwijls wierp hij een blik over het

meer. Tegen middernacht bemerkte hij beweging in het water, en terwijl

hij verbaasd toekeek, werd het meer zoo onstuimig, dat een golf over

den oever sloeg en het vuur bijna uitdoofde. Het volgend oogenblik

verscheen een afschuwelijke krokodil met drie koppen. Deze snelde

verwoed op de broeders toe, blijkbaar van plan hen te verslinden. Maar

de jongste prins was niet minder dapper dan zijn twee broers; hij trok

zijn zwaard uit de scheede en toen het monster met wijd opengesperde

kaken op hem toe kwam, gaf hij het achtereenvolgens drie ontzettende

slagen, waarmee hij de drie koppen afhieuw. Daarna sneed hij de zes

ooren af, deed die in zijn tasch en wierp het lijk en de koppen in

het meer.

De negen reuzen.

Ondertusschen was het vuur uitgedoofd en daar er niets was om opnieuw

vuur, te maken en de prins zijn broers niet wilde wekken, ging hij een

eindje de woestijn in, in de hoop eenige brandstof te zullen vinden,

maar helaas hij zocht vergeefs. Hij klom op een rots en zag eindelijk

den gloed van een vuur. Daar het scheen, dat het vuur niet heel ver weg

was, besloot hij er heen te gaan, om brandende stukken hout te halen,

waarmee hij zijn eigen vuur weer zou kunnen aansteken. Hij daalde dus

van de rots af en spoedde zich een poos door de woestijn. Eindelijk

kwam hij aan een hol, waar hij negen reuzen rondom een groot vuur

zag zitten. Zij roosterden twee mannen aan het spit, een aan elken

kant. Op het vuur stond een ketel vol met ledematen van menschen.

Toen de prins dit zag, werd hij aangegrepen door afschuw, en graag

zou hij weer weggesneld zijn, maar het was te laat. Hij begroette

de reuzen dus met deze woorden: "Goeden avond, makkers, ik heb u al

geruimen tijd gezocht!" Zij heetten hem vriendschappelijk welkom en

beantwoordden zijn groet aldus: "Dat God u helpe, daar gij een onzer

zijt!" De slimme prins zei: "Wel, ik zal altijd een trouw vriend van

u blijven en zou mijn leven voor u willen geven!"

"Wel", riep een der reuzen, "daar gij van plan zijt u bij ons te

voegen, zijt gij ongetwijfeld bereid menschenvleesch te eten en met

ons mee te gaan, als wij uit gaan om buit te zoeken?"

Daarop antwoordde de zoon van den tsaar: "Zeer zeker! Ik ben bereid

alles te doen, wat gij doet." Toen de reuzen dit hoorden, zeiden zij:

"Dan is het goed! Kom bij ons zitten!" Toen nam het geheele gezelschap

plaats rondom het vuur en zij begonnen het vleesch uit den ketel te

halen en te eten. De zoon van den tsaar deed alsof hij at, maar hij

misleidde hen handig, want inplaats van het op te eten, wierp hij

het vleesch achter zich.

Na het avondeten riepen de reuzen: "Laat ons nu op de jacht gaan,

want wij moeten morgen ook wat te eten hebben!" Zij begaven zich dus

alle negen op weg; de prins was de tiende van het gezelschap. "Ga

met ons mee", zeiden de reuzen tegen den prins, "wij zullen naar een

naburige stad gaan, waar een tsaar woont: want uit die stad hebben

wij reeds verscheidene jaren ons voedsel gehaald!" Toen zij aan de

plaats kwamen, rooiden de reuzen twee pijnboomen. Bij den muur van

de stad gekomen, plaatsten zij een boom er tegenaan en bevalen den

prins: "Ga boven op den muur staan, dan zullen wij u den tweeden boom

aanreiken, dien gij aan den anderen kant tegen den muur moet zetten,

zoodat wij langs den stam in de stad kunnen neerdalen."

De prins gehoorzaamde, en, toen hij boven op den muur was, zei hij:

"Ik weet niet, hoe ik het moet doen, ik ben niet bekend in deze plaats

en zie geen kans den boom over den muur te werpen; laat alsjeblieft een

van allen naar boven komen en mij wijzen, hoe ik het moet doen!" Daarop

klom een der reuzen naar boven, greep den top van den boom en wierp

den stam over den muur, terwijl hij den hoogsten tak in zijn handen

hield. De prins benutte dit oogenblik om zijn zwaard te trekken, en

zonder dat zij, die beneden stonden, het merkten, sloeg hij met een

slag het hoofd van den reus af en wierp zijn lijk over den muur. Toen

zei hij tegen de anderen: "Komt nu een voor een naar boven, opdat ik

u in de stad kan neerlaten, zooals ik het onzen eersten makker heb

gedaan." De reuzen, die niets kwaads vermoedden, klommen den een na

den ander naar boven en de prins hieuw hen een voor een het hoofd af,

totdat hij ze alle negen had gedood. Daarna daalde hij langzaam neer

langs den pijnboom en bereikte den grond binnen den stadsmuur.

Toen hij door de straten liep, was hij verbaasd geen levende ziel

daar aan te treffen; de geheele stad scheen verlaten! Daarom zei hij

tot zich zelf: "Deze leelijke reuzen moeten al de inwoners van deze

stad hebben vernietigd!"

De slapende prinses.

Hij bleef doorloopen en zag eindelijk een zeer hoogen toren; door

een van de luchtgaten scheen licht. Hij opende de deur en liep recht

door naar de kamer, vanwaar hij meende, dat het licht kwam. Ze was

allerprachtigst versierd met goud en fluweel en op een luisterrijke

rustbank lag een meisje te slapen. Het meisje was buitengewoon mooi en

nadat de prins zich eenige oogenblikken in haar aanblik verlustigd had,

ontstelde hij hevig op het zien van een slang tegen den muur; ze bewoog

haar afschuwelijken kop, klaarblijkelijk met de bedoeling het meisje op

haar voorhoofd tusschen de oogen te raken. Maar de prins snelde vlug

naar voren met zijn getrokken ponjaard en doorboorde den kop van de

slang, zoodat die tegen den muur werd genageld, waarbij hij uitriep:

"Dat God geve, dat mijn ponjaard door niemand uit den muur getrokken

kan worden dan door mij!" Daarna snelde hij heen, klom den muur van den

stad weer over, juist zooals hij was gekomen. Hij nam een brandend stuk

hout uit het vuur en spoedde zich naar de plaats, waar hij zijn broers

had achtergelaten en waar hij hen nog slapende vond. Hij legde opnieuw

een vuur aan. Intusschen was de zon opgekomen; hij wekte zijn broers

en onmiddellijk zetten zij hun reis voort. Dienzelfden dag kwamen zij

aan den weg, die naar de stad voerde, waarvan wij gehoord hebben. Het

was de gewoonte van den tsaar, die in de stad woonde, elken morgen

naar buiten te wandelen, waarbij hij telkens de groote slachting

weer door de reuzen onder zijn volk aangericht, bejammerde. Zijn

grootste angst was, dat zijn eenige dochter hun eens ten prooi zou

vallen. Op dezen dag wandelde hij ongewoon vroeg door de straten,

die alle geheel verlaten waren. Na een poosje kwam hij aan een deel

van den stadsmuur, waartegen de pijnboom van de reuzen leunde. Hij

ging er heen en ontwaarde, dat de lijken van de negen reuzen, de

ontzettende vijanden van zijn volk, alle met afgehouwen hoofd op

den grond lagen. Toen de tsaar dit wonder zag, was hij buitengewoon

gelukkig en het volk verzamelde zich weldra om hem heen en bad God

een gelukkig en lang leven te geven aan den held, die de reuzen had

gedood. Op datzelfde oogenblik kwamen de bedienden van het kasteel

aansnellen en deelden den tsaar mede, dat een slang bijna den dood

van zijn dochter had veroorzaakt. Toen hij dit vernam, spoedde hij

zich naar zijn dochter en toen hij haar kamer binnen kwam, was hij

verbaasd een afschuwelijke groote slang tegen den muur genageld te

zien. Hij beproefde dadelijk den ponjaard er uit te trekken, maar

hij was er niet toe instaat.

Daarop vaardigde de tsaar een proclamatie uit door het geheele rijk,

waarin hij mededeelde, dat de held, die de negen reuzen gedood en de

slang doorstoken had, indien hij naar het vorstelijk paleis kwam,

kostbare geschenken en de dochter van den tsaar ten huwelijk zou

ontvangen. De inhoud van de proclamatie was snel door het geheele

rijk bekend en op bevel van den tsaar werd in elke herberg langs de

hoofdwegen een beambte op wacht geplaatst, die aan elken reiziger moest

vragen, of hij ook iets wist van den held, die de negen reuzen had

gedood. Indien iemand inlichtingen kon geven, moest hij onmiddellijk

voor den tsaar verschijnen en vertellen, wat hij wist, en dan zou hij

beloond worden. De bevelen van den tsaar werden letterlijk uitgevoerd.

De drie prinsen, die hun zusters zochten, brachten eens den nacht

door in een van de herbergen van dat land en na het avondeten

begonnen zij een levendig gesprek met den herbergier, in den loop

waarvan de snoevende waard pochte op zijn heldendaden en eindelijk

aan de prinsen vroeg: "Vertel mij nu eens, welke heldenfeiten gij,

jongemannen verricht hebt!"

Daarop begon de oudste broer aldus: "Toen mijn broeders en ik ons op

weg begaven om onze zusters te zoeken, besloten wij den eersten nacht

door te brengen aan de oevers van een meer midden in een uitgestrekt

bosch. Op mijn voorstel gingen mijn broers slapen, terwijl ik de wacht

hield. Zoodra zij ingeslapen waren, rees een ontzettende krokodil uit

het meer op om mijn broeders te verslinden, maar ik ontving hem met

de punt van mijn zwaard en hieuw zijn kop van zijn lichaam: indien

gij het niet gelooft, hier zijn de ooren van het monster!" Bij deze

woorden haalde de oudste broer de ooren van den krokodil uit zijn

tasch en legde ze op de tafel.

Toen de tweede broer dit hoorde, zei hij: "En ik hield den tweeden

nacht de wacht, mijn broeders, terwijl gij sliept; en uit het meer

verrees een krokodil met twee koppen. Ik snelde er met mijn zwaard

heen en hieuw de twee koppen af! Indien gij mij niet gelooft,

ziet! Hier zijn de vier ooren van het monster!" Bij deze woorden

haalde hij de ooren uit zijn tasch en lei ze voor hen op de tafel,

tot groote verbazing van zijn toehoorders.

De held gevonden.

Maar de jongste broeder zweeg. De waard zei tegen hem: "Op mijn woord,

jongeman, uw broeders zijn waarlijk helden. Laat eens hooren, of gij

ook het een of ander heldenfeit hebt verricht?"

Toen begon de jongste broer te vertellen: "Ik heb ook een kleinigheid

gedaan. Toen wij den derden nacht aan de oevers van een meer kwamen

in een woestijn, om daar den nacht door te brengen, gingt gij, mijn

broeders, rusten, en ik bleef wakker om de wacht te houden. Tegen

middernacht werd het meer zeer onstuimig, en een krokodil met drie

koppen stormde er uit met de bedoeling u te verslinden; maar ik ontving

hem op de punt van mijn zwaard en het gelukte mij het monster de koppen

af te slaan. Indien gij mij niet gelooft, ziet: hier zijn de zes ooren

van het monster!" Dit verbaasde zelfs zijn broeders en de jongeman

vervolgde: "Intusschen was ons vuur uitgedoofd en ging ik brandstof

zoeken. Door de woestijn dwalende ontmoette ik negen reuzen......" en

zoo ging hij voort hen zijn verwonderlijke daden te vertellen. Toen

het verhaal geëindigd was, haastte de herbergier zich naar den tsaar,

aan wien hij alles vertelde. Deze gaf hem geld en beval de broeders

voor te brengen. Toen zij verschenen, vroeg de tsaar aan den jongsten

prins: "Zijt gij het waarlijk, die al deze wonderen in mijn stad hebt

gedaan en het leven van mijn eenige dochter hebt gered?"

"Ja, o, koning!" antwoordde de prins. Daarop gaf de tsaar, vervuld

van groote vreugde en dankbaarheid zijn dochter ten huwelijk aan den

dapperen prins en benoemde hem tot zijn eersten minister. Wat zijn

broeders betrof, de tsaar sprak hen aldus aan: "Indien gij bij uw

broer verlangt te blijven, dan zal ik echtgenooten voor u zoeken,

en kasteelen voor u laten bouwen!"

Maar de twee broers dankten den koning en vertelden, dat zij reeds

getrouwd waren en dat zij het zoeken naar hun verloren zusters wilden

voortzetten.

De tsaar keurde dit besluit goed en nadat hij hun twee muilezels

beladen met goud had gegeven, namen de twee broers afscheid en

vertrokken zij. Spoedig begon de jongste broer aan zijn drie zusters te

denken. Het zou hem leed hebben gedaan zijn vrouw te moeten verlaten

om haar te gaan zoeken, en bovendien wilde de tsaar niet toestaan,

dat hij het hof verliet. Maar de prins kwijnde langzaam weg door het

verdriet over zijn zusters.

Op zekeren dag ging de tsaar op de jacht en zei tegen den prins:

"Blijf in het paleis en neem deze negen sleutels en houd ze in uw

zak. Gij kunt drie of vier kamers met deze sleutels openen; daar zult

gij onmetelijke schatten aan goud, zilver en edelgesteenten vinden. Ja,

indien ge het verlangt, kunt gij zelfs de acht kamers openen, maar

waag het niet de negende open te sluiten. Indien gij dat deedt,

dan zou het u slecht vergaan!"

Bash Tchelik.

Zoodra de tsaar het paleis had verlaten, begon de jonge prins de deuren

van al de acht kamers te openen, de een na de ander, en waarlijk,

hij vond veel goud, zilver en andere kostbare dingen. Eindelijk kwam

hij aan de negende kamer en redeneerde bij zich zelf: "Ik heb veel

buitengewone avonturen overleefd, nooit werd ik door iets verrast;

waarom zou ik bang zijn mij in deze kamer te wagen?"

Na deze woorden opende hij de deur, en wat denkt gij, dat hij daar

zag? In het midden van de kamer stond een vreemde man, wiens beenen

tot aan zijn knieën in het ijzer zaten en zijn armen tot aan zijn

ellebogen; in de vier hoeken der kamer waren kettingen bevestigd

aan dikke balken en al de kettingen kwamen samen in een ring, die

om den hals van den man zat, zoodat hij niet de minste beweging kon

maken. Voor hem was een fontein, waaruit het water door een gouden pijp

naar een gouden bassin stroomde. Naast hem stond een gouden kroes,

ingelegd met kostbare steenen. Hoe sterk de man ook verlangde om van

het water te drinken, hij kon zich niet ver genoeg bewegen om den kroes

te bereiken. Toen de prins dit alles zag, was hij werkelijk verbaasd

en ging terug; maar de man kreunde: "In 's hemelsnaam, kom bij mij!"

De prins naderde en de man zei: "Doe een goede daad! Geef mij nu een

beker water en wees er van verzekerd, dat ik u beloonen zal met nog

een leven!"

De prins dacht bij zich zelf: "Is er iets beters, dan twee levens

te bezitten?" Hij nam dus den kroes, vulde dien met water, en

overhandigde hem aan den man, die gretig dronk. Toen vroeg de prins

hem: "Zeg mij nu, hoe gij heet?" De man antwoordde: "Mijn naam is

Bash Tchelik (Echt Staal)." De prins maakte een beweging naar de

deur, maar weer smeekte de man hem: "Geef mij nog een kroes water

en ik zal er u een tweede leven bij geven!" De prins dacht: "Nu, als

hij mij een tweede leven geeft, dan zal ik er met het mijne mee drie

hebben! Dat zal wonderbaarlijk zijn!" Daarom vulde hij opnieuw den

kroes en overhandigde dien aan den vreemden gevangene, die hem gulzig

ledigde. De prins wendde zich naar de deur, maar de man riep uit:

"O, held, ga niet heen! Kom een oogenblik terug! Nu gij twee goede

daden hebt gedaan, doe nu ook een derde en als belooning zal ik u

een derde leven geven. Neem dezen kroes, vul dien met water en giet

het over mijn hoofd!"

De prins zag geen enkele reden om dit te weigeren; hij vulde den kom

met water, en goot het over het hoofd van den man. Nauwelijks had hij

dit gedaan, of Bash Tchelik verbrak den ijzeren band om zijn hals,

sprong snel als een bliksemschicht op en zie! hij had vleugels. Hij

stormde naar de deur, voordat de verbaasde prins een beweging kon

maken en nadat hij de dochter van den tsaar gegrepen had, de vrouw

van zijn bevrijder, vloog hij de lucht in en verdween.

Toen de tsaar van de jacht terug kwam, vertelde zijn schoonzoon hem

alles, wat er gebeurd was en de tsaar was werkelijk zeer bedroefd

en riep uit: "Waarom hebt gij dit gedaan? Heb ik u niet gezegd

de negende kamer niet te openen?" De prins antwoordde nederig:

"Wees niet boos, ik zal Bash Tchelik gaan opzoeken, want ik wil mijn

vrouw gaan halen." Maar de tsaar ontraadde het hem, en zei: "Ga niet,

voor niets ter wereld! Gij kent dezen man niet; het heeft mij menig

leger gekost, voordat het mij gelukte hem gevangen te nemen. Blijf

in vrede, waar gij zijt, en ik zal een nog betere vrouw voor u zoeken

dan mijn dochter was, en wees er van verzekerd, dat ik u zal blijven

liefhebben als mijn eigen zoon!" Maar de prins wilde niet luisteren

naar den raad van zijn schoonvader; hij nam geld voor de reis mee,

zadelde een paard en ging Bash Tchelik opzoeken.

De prins vindt zijn zuster.

Na eenigen tijd kwam de jonge man aan een stad. Voor het raam van

een kasteel riep een meisje: "O prins, stijg van uw paard en kom naar

onze binnenplaats!" De prins deed, wat hem verzocht werd; het meisje

ontmoette hem op het plein en hij was ten hoogste verbaasd in haar zijn

oudste zuster te herkennen. Zij omhelsden en kusten elkaar en zijn

zuster zei: "Kom binnen, mijn broer." Toen zij binnen waren, vroeg

de prins aan zijn zuster, wie haar echtgenoot was en zij antwoordde:

"Ik ben getrouwd met den koning der draken en hij heeft er een eed op

gedaan, dat hij mijn broers zal dooden, zoodra hij hen ontmoet. Daarom

zal ik je verbergen en hem eerst vragen, wat hij zou doen, indien je

voor hem verscheen. Mocht hij zeggen, dat hij je geen kwaad zal doen,

dan alleen zal ik hem van je tegenwoordigheid verwittigen." Toen

verborg zij haar broer en zijn paard. Tegen den avond vloog de draak

naar huis en het heele huis straalde van licht. Zoodra hij binnen was,

riep hij zijn vrouw. "Lieve, ik ruik menschenvleesch. Zeg mij dadelijk,

wie hier is!" Zij antwoordde: "Er is niemand!" Maar de draak zei:

"Dat is onmogelijk!" Toen vroeg zijn vrouw hem: "Antwoord mij naar

waarheid: zoudt gij mijn broeders kwaad doen, indien een van hen hier

zou komen, om mij te bezoeken?" En de koning der draken antwoordde:

"Uw oudsten en uw tweeden broer zou ik slachten en braden, maar uw

jongsten broer zou ik geen kwaad doen."

Toen zei zij: "Mijn jongste broer, uw schoonbroer, is hier." Daarop

sprak de koning: "Laat hem binnen komen." En toen de prins verscheen,

strekte de koning zijn armen uit, omhelsde zijn schoonbroer en sprak:

"Welkom, o broeder!" En de prins antwoordde: "Ik hoop, dat gij wel

vaart!" Daarna vertelden zij elkaar al hun avonturen van het begin

tot het einde en zetten zich aan het avondeten.

Eindelijk vertelde de prins zijn schoonbroer, dat hij Bash Tchelik

zocht. De draak gaf hem dezen raad: "Ga niet verder! Ik zal u een

en ander van hem vertellen; den dag, waarop hij uit zijn gevangenis

ontsnapte, had ik met vijf duizend van mijn draken een ontmoeting

met hem en na een hevig gevecht ontsnapte hij zegevierend. Gij

ziet dus, dat er al heel weinig hoop voor u alleen is om hem te

overmeesteren. Daarom raad ik u als vriend uw plan te laten varen en

in vrede naar huis te keeren; indien gij geld noodig hebt, zal ik u

geven, wat gij verlangt."

Maar de prins antwoordde: "Ik dank u zeer voor al uw goede wenken

en raadgevingen, maar ik kan niet anders doen dan Bash Tchelik gaan

zoeken!" En hij dacht, "waarom zou ik het niet doen, daar ik drie

levens te verliezen heb?"

Toen de koning der draken zag, dat hij hem niet kon overreden, gaf hij

hem een veer, die hij droeg en sprak: "Neem deze veer en als gij ooit

mijn hulp noodig hebt, hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal

dadelijk met mijn geheele strijdmacht tot u komen." De prins nam de

veer dankbaar aan, en begaf zich weer op weg om Bash Tchelik te zoeken.

De tweede zuster.

Na een tijd gereisd te hebben kwam hij weer aan een stad; hij reed

onder den toren van een prachtig kasteel, toen een raam werd geopend

en hij een stem hoorde roepen:

"Stijg van uw paard, o prins, en kom naar onze binnenplaats." De prins

gaf onmiddellijk gehoor aan de uitnoodiging en toen hij het paleis

binnenging, was hij ten hoogste verbaasd zijn tweede zuster te zien,

die zich in zijn armen wierp en tranen stortte van vreugde. Daarna

bracht zij haar broer in haar particulier vertrek en hij vroeg haar:

"Met wien zijt gij getrouwd, lieve zuster?"

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 41 / 47 题