HOOFDSTUK XIV. FOLKLORE.

De ram met de gouden vacht.

Eens ging een jager naar de bergen om te jagen, en daar kwam hem

een ram met een gouden vacht tegemoet. De jager nam zijn geweer om

hem te schieten, maar de ram snelde op hem toe en voordat de jager

kon schieten, stootte de ram hem met zijn horens en hij viel dood

neer. Eenige dagen later vonden zijn vrienden zijn lijk; zij wisten

niet, wie hem gedood had; zij namen het lijk mee naar huis en begroeven

het. De vrouw van den jager hing het geweer tegen den muur van haar

hut. Toen haar zoon opgroeide, vroeg hij haar verlof om het te nemen

en ermee op jacht te gaan. Zij wilde het echter niet toestaan, en zei:

"Nooit mag je mij weer om dit geweer vragen. Het redde het leven van

je vader niet en ik zou niet willen, dat het ook de oorzaak van jou

dood werd!"

Op zekeren dag nam de jongeling het geweer stilletjes weg en ging

ermee het bosch in om te jagen. Heel spoedig kwam dezelfde ram uit

het dichte kreupelhout aansnellen en zei: "Ik heb uw vader gedood; nu

is het uw beurt!" Dit verschrikte den jongeman en onder den uitroep:

"God helpe mij!" haalde hij den haan van zijn geweer over en zie! de

ram viel dood neer.

De jongeling was buitengewoon blij, dat hij den ram met de gouden

vacht gedood had, zoo was er geen tweede in het geheele land. Hij

ontdeed den ram van zijn huid en droeg de vacht naar huis,--zeer prat

ging hij op zijn dapperheid. Gaandeweg verspreidde het nieuws zich

over het land, totdat het 't hof bereikte en de koning den jeugdigen

jager beval hem de vacht van den ram te brengen, opdat hij er zich

van overtuigen kon welke soorten van beesten er in zijn bosschen

werden gevonden. Toen de jongeling de vacht bij den koning bracht,

zei deze tot hem: "Vraag wat gij wilt voor deze vacht, en ik zal u

geven, wat gij vraagt!" Maar de jongeling antwoordde: "ik zou haar

voor niets ter wereld willen verkoopen."

Toevallig was de eerste minister een oom van den jeugdigen jager,

maar hij was zijn vriend niet; integendeel hij was zijn grootste

vijand. Daarom zei hij tegen den koning: "Daar hij u de huid niet wil

verkoopen, moet gij hem iets opdragen, wat bepaald onmogelijk is!" De

koning riep den jongeman weer bij zich en beval hem een wijngaard te

planten en over zeven dagen den nieuwen wijn van den eersten oogst

te brengen.

De jongeling begon te schreien en smeekte om ontheven te worden

van deze onmogelijk te vervullen opdracht; maar de koning bleef bij

hetgeen hij bevolen had en zei:

"Indien gij over zeven dagen mijn bevel niet hebt uitgevoerd, dan

zal uw hoofd worden afgeslagen!"

De jongeling vindt hulp.

Nog steeds schreiende begaf de jongeling zich naar huis en vertelde

zijn moeder alles, wat bij zijn bezoek aan den koning was voorgevallen

en zij antwoordde: "Heb ik je niet gezegd, mijn zoon, dat het geweer

je het leven zou kosten?"

In diepe smart en verwarring verliet de jongeman het dorp en liep een

heel eind het bosch in. Eensklaps stond een meisje voor hem, dat hem

vroeg: "Waarom weent gij, mijn broeder?" En hij antwoordde boos:

"Vervolg uw weg! Gij kunt mij niet helpen!" Daarom liep hij verder,

maar het meisje volgde hem en verzocht hem nogmaals haar de oorzaak

van zijn tranen te zeggen, "want misschien," voegde zij er aan toe,

"is het mogelijk, dat ik u helpen kan."

Toen stond hij stil en zei: "Ik zal het u vertellen, maar ik weet,

dat God alleen mij kan helpen." Toen vertelde hij haar alles, wat er

met hem was gebeurd en welke taak hem was opgedragen. Toen zij het

verhaal had gehoord, zei zij: "Wees niet bevreesd, mijn broeder, maar

ga naar den koning en vraag hem, waar hij wenscht, dat de wijngaard

zal geplant worden en laat dien dan aanleggen in volkomen rechte

lijnen. Daarna moet gij een zak nemen met een takje thijm erin; leg

u dan te slapen op de plaats, waar de wijngaard zal moeten komen en

gij zult zien, dat hij binnen zeven dagen rijpe druiven zal dragen."

Hij keerde naar huis terug en vertelde zijn moeder, wat het meisje,

dat hij had ontmoet, gezegd had, en welke belachelijke dingen hij

zou moeten doen. Maar zijn moeder zei ernstig: "Ga, ga, mijn zoon,

doe zooals het meisje zegt; in elk geval kun je er niet slechter aan

toe worden dan je nu bent."

Hij ging dus naar den koning, gelijk het meisje hem had gezegd,

en de koning gaf hem de aanwijzing, die hij verlangde. Toch was hij

nog altijd treurig, toen hij zich met zijn tak thijm neerlegde op de

aangewezen plek.

Toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij, dat de wijnstokken

al geplant waren; den tweeden morgen waren zij bedekt met bladeren;

en op den zevenden dag droegen zij rijpe druiven. Niettegenstaande

de voorspelling van het meisje, was hij verbaasd rijpe druiven te

zien in een tijd van het jaar, waarin zij nergens te vinden waren;

maar hij plukte ze, perste wijn, en bovendien nam hij een mand vol

rijpe vruchten mede naar den koning.

De tweede taak.

Toen hij het paleis bereikte, stond de koning en zijn geheele

hofhouding verbaasd. De eerste minister zei: "Wij moeten hem iets

opdragen, dat absoluut onmogelijk is!" en hij gaf den koning den raad

den jongeling te bevelen--een kasteel te bouwen van de slagtanden

van olifanten.

Toen hij deze onvervulbare opdracht vernomen had, ging de jongeling

weenende naar huis, en vertelde zijn moeder, wat er gebeurd was en

voegde er aan toe: "Dit moeder, is volkomen onmogelijk!" Maar weer

gaf zijn moeder hem raad en zei: "Ga, mijn jongen, het dorp uit,

misschien ontmoet je het meisje weer!"

De jongeling gehoorzaamde, en werkelijk, zoodra hij de plaats bereikte,

waar hij den vorigen keer het meisje had ontmoet, stond zij weer voor

hem en zei: "Dit zal ook gemakkelijk gaan; maar ga eerst naar den

koning en vraag hem een schip met driehonderd vaten wijn en evenveel

kruiken brandewijn en ook twintig timmerlieden. Dan gaat ge naar

die en die plaats tusschen twee bergen; ge damt daar de beek af, en

giet er al den wijn en den brandewijn in. De olifanten zullen op die

plaats komen om water te drinken en zij zullen dronken op den grond

vallen. Dan moeten uw timmerlieden dadelijk de slagtanden afzagen en

die naar de plaats brengen, waar de koning zijn kasteel gebouwd wil

hebben. Daar moogt gij u te slapen leggen en binnen zeven dagen zal

het kasteel gereed zijn."

Toen de jongeman dit gehoord had, spoedde hij zich naar huis,

en vertelde zijn moeder alles, wat het meisje hem gezegd had. De

moeder was vol vertrouwen en raadde haar zoon aan te doen, wat

het meisje hem had voorgeschreven. Hij ging dus naar den koning en

verzocht hem om het schip, de driehonderd vaten wijn en brandewijn

en ook om de twintig timmerlieden; en de koning gaf hem alles, wat

hij verlangde. Daarna ging hij naar de plek, die het meisje hem had

aangewezen en deed alles, wat zij hem had aangeraden. En werkelijk,

de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht had, dronken en vielen daarna

bedwelmd neer. De timmerlieden hieuwen de ontelbare slagtanden af,

brachten die naar de aangewezen plaats en begonnen te bouwen en

binnen zeven dagen was het kasteel gereed. Toen de koning dit zag,

was hij weer verbaasd en zei tot zijn eersten minister: "Wat moet ik

nu met hem doen? Het is geen gewone jongeman! God alleen weet, wie

hij is!" Daarop antwoordde de ambtenaar: "Geef hem nog een opdracht

en als het hem gelukt ook die ten uitvoer te brengen, dan heeft hij

bewezen een bovennatuurlijk wezen te zijn."

De derde taak.

Opnieuw gaf hij den koning raad. Deze riep den jongeman en zei tot hem,

dat hij hem uit zeker koninkrijk een prinses moest brengen, die daar

in een zeker kasteel woonde. "Indien gij haar niet bij mij brengt,

zult gij zekerlijk uw leven verliezen!" Toen de jongeman dit hoorde,

ging hij regelrecht naar zijn moeder en noemde haar zijn nieuwe taak,

waarop zijn moeder hem den raad gaf zijne vriendin, het meisje, nog

eens op te zoeken. Hij spoedde zich naar de plek buiten het dorp,

naar de plaats, waar hij de vorige keeren haar ontmoet had en toen

hij er aankwam, verscheen zij weer. Zij luisterde aandachtig naar

het verhaal van het laatste bezoek, dat de jongeman aan het hof had

gebracht en zei toen: "Ga naar den koning en vraag hem om een galei; in

de galei moeten twintig winkels worden gemaakt, elk met verschillende

koopwaren; in elken winkel moet ook een knappe jongeman zijn om de

waren te verkoopen. Op uw reis zult gij een man ontmoeten, die een

arend draagt; gij moet zijn arend koopen en er den prijs voor betalen,

dien hij vraagt. Dan zult gij een tweeden man ontmoeten, die in zijn

net een karper met gouden schubben draagt; gij moet, het koste wat

het kost, den karper koopen. De derde man, dien gij zult ontmoeten,

zal een duif dragen, die gij ook moet koopen. Dan moet gij een veer

uit den staart van den arend, een schub van den karper, en een veer

van den linkervleugel van de duif nemen--en dan de dieren hun vrijheid

geven. Indien gij het verre land bereikt en bij het kasteel zijt,

waar de prinses woont, dan moet gij alle winkels openen en elken

jongeman bevelen bij zijn deur te gaan staan. En de meisjes, die

naar den oever komen om water te halen, zullen zeker zeggen, dat zij

nooit te voren een schip gezien hebben, dat met zulke wonderbare en

mooie voorwerpen beladen was. Het nieuws zal ook de prinses bereiken,

die dadelijk aan haar vader toestemming zal vragen, om de galei te

gaan bekijken. Als zij aan boord komt met haar hofdames, moet gij

het gezelschap van den eenen winkel naar den anderen brengen, en de

mooiste koopwaren, die gij hebt, voor haar uitspreiden; aldus moet

gij haar afleiden en bezighouden en aan boord van uw galei houden,

tot het avond wordt. Dan moet gij plotseling onder zeil gaan; het zal

dan zoo donker zijn, dat uw vertrek niet opgemerkt wordt. De prinses

zal een lievelingsvogel op haar schouder hebben en als zij bemerkt,

dat de galei wegzeilt, zal zij de vogel loslaten en hij zal naar het

paleis vliegen met een bericht aan haar vader, waarin zij hem meldt,

wat haar is overkomen. Als gij ziet, dat de vogel is weggevlogen,

moet gij de veer van den arend verbranden; de arend zal verschijnen

en indien gij hem beveelt den vogel te vangen, dan zal hij dat

onmiddellijk doen. Daarna zal de prinses een kiezelsteen in de zee

werpen en oogenblikkelijk zal het schip stil liggen. Daarop moet

gij dadelijk de schubbe van den karper verbranden; de karper zal

naar u toekomen en gij moet hem bevelen den kiezelsteen te zoeken

en op te slikken. Zoodra dat gedaan is, zal de galei weer verder

zeilen. Dan zult gij eenigen tijd in vrede uw weg kunnen vervolgen;

maar als gij een bepaalde plek tusschen twee bergen bereikt, zal uw

galei plotseling versteenen en gij zult u zeer verontrusten. Dan zal

de prinses u bevelen haar wat levenswater te brengen, waarop gij de

veer van de duif moet verbranden, en als de vogel verschijnt moet

gij haar een klein fleschje geven, waarin zij u den levenselixer

zal brengen. Dan kan uw galei weer verder zeilen en gij zult zonder

verdere avonturen met de prinses thuis komen."

De jongeling keerde terug bij zijn moeder en zij raadde hem aan te

doen, zooals het meisje hem had voorgeschreven. Hij begaf zich dus

naar den koning en vroeg om de dingen, die hij noodig had voor zijn

onderneming, en weer gaf de koning hem alles, waarom hij vroeg.

Op zijn reis ging het juist, zooals het meisje voorspeld had en hij

slaagde er in de prinses in triomf thuis te brengen. De koning zag

vanaf het balkon, waar hij zich met zijn eersten minister bevond, de

galei terugkeeren en de eerste minister zei: "Nu moet u hem werkelijk

dooden, zoodra hij landt; anders zult u hem nooit weer kwijt raken!"

Toen de galei de haven bereikte, stapte de prinses met haar hofdames

het eerst aan land; daarna volgden de knappe jonge mannen, die de

waren te koop hadden aangeboden en eindelijk de jongeman zelf. De

koning had zijn beul bevolen zich gereed te houden, en zoodra de

jongeman aan land stapte, werd hij door de dienaren van den koning

gegrepen en zijn hoofd werd afgekapt.

De koning was van plan de schoone prinses te trouwen--en zoodra hij

haar zag, naderde hij haar met complimenten en vleierijen. Maar de

prinses wilde niet naar zijn honigzoete woorden luisteren; zij wendde

zich af en vroeg: "waar is de jongeman, die mij geschaakt heeft en

die zooveel deed om mij hier te brengen?"

En toen zij zag, dat zijn hoofd was afgeslagen, nam zij onmiddellijk

de kleine flesch en goot wat van den inhoud over het lichaam en zie! de

jongeman stond volmaakt gezond op. Toen de koning en zijn minister dit

wonder aanschouwden, zei de laatste: "Deze jongeman moet nu wijzer

zijn dan ooit, want was hij niet gestorven--en is hij niet tot het

leven teruggekeerd?" Waarop de koning, die verlangend was te weten,

of het inderdaad waar was, dat hij, die, na uit den dood weer verrezen

te zijn, alle dingen wist, den beul beval hem zelf het hoofd af te

houwen, waarbij hij er op rekende, dat de prinses hem tot het leven

zou terugroepen door de kracht van haar wonderdoend levenswater.

Maar toen het hoofd van den koning afgehouwen was, wilde de prinses

er niet van hooren hem het leven terug te schenken; integendeel: zij

schreef dadelijk aan haar vader, wien zij vertelde, dat zij een groote

liefde had opgevat voor den jongeman en dat het haar innigste wensch

was hem te trouwen. Zij verhaalde haar vader alles, wat er gebeurd

was. Haar vader antwoordde, dat hij de keuze zijner dochter goedkeurde

en hij deelde den eersten minister mee, dat hij hem en zijn volk den

oorlog zou verklaren, indien zij den jongeman niet tot hun vorst zouden

uitroepen. De mannen van dat land zagen onmiddellijk in, dat dit niet

anders dan rechtvaardig zou zijn en zoo werd de jongeman koning. Hij

huwde de schoone prinses en gaf groote landgoederen en titels aan al

de knappe jongelieden, die hem bij zijn expeditie hadden geholpen.

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 40 / 47 题