III. De ontvoering van de schoone Iconia.

Gouden wijn drinkt Theodorus van Stalatch, [80]

In zijn kasteel Stalatch aan de Morava;

Zijn bejaarde moeder schenkt hem wijn in.

Terwijl de wijn-dampen naar zijn hoofd stijgen--

Spreekt de moeder aldus tot den held:

"Mijn zoon! Gij, Theodorus van Stalatch!

Zeg mij, waarom zijt gij niet gehuwd?

Gij zijt in de dagen van jeugd en schoonheid:

In uw woning zou uw bejaarde moeder

Nu graag uw kinderen rondom zich zien spelen."

En hij, Theodorus van Stalatch, antwoordde:

"God is mijn getuige, o mijn bejaarde moeder!

Ik heb door menig land en stad gezworven

Maar nooit vond ik het gezochte meisje;

Of, als ik het meisje vond, dan vond ik nooit

In uw hart vriendelijke gevoelens jegens haar;

En als gij u vriendelijk en voorkomend toondet,

Dan vond ik het meisje valsch en trouweloos.

Maar toen ik gisteren, bij zonsondergang,

Dwaalde bij de rivier de Ressava,

Zie: daar zag ik dertig liefelijke maagden

Bezig op de oevers haar garen en linnen te bleeken:

Onder haar bevond zich de schoone Iconia,

De schoonste dochter van vorst Miloutin;

Van hem, den vorstelijken heerscher over Resseva.

Zij zou waarlijk een bruid zijn om lief te hebben.

Zij zou waarlijk Uw genegenheid waard zijn:

Maar dat meisje is reeds verloofd;

Haar hand is beloofd aan George Irene--

Aan Irene, voor Sredoi, zijn bloedverwant.

Maar ik wil dat meisje winnen--ik wil haar winnen

Of de poging zal mij mijn leven kosten, moeder!"

Zijn moeder ontried hem dit en waarschuwde hem--

"Zeg dat niet, mijn zoon! het meisje is verloofd;

Het is geen grap! zij is verwant aan monarchen."

Maar de held sloeg geen acht op zijn moeder:

Luid riep hij tot Dobrivoy, zijn knecht--

"Dobrivoy! kom hier, trouwe dienstknecht!

Breng mijn bruine paard voor, en maak het gereed.

Leg het het zilveren zadel op den rug,

Tuig het op met de met goud geboorde teugels."

Toen het ros gereed was, ging hij er heen,

Hij wierp zich op zijn rug, gaf het de sporen,

En stuurde 't naar de kalme rivier de Morava,

Die door de vreedzame vlakte van Ressava stroomt.

En hij bereikte de kalme rivier Ressava;

Daar zag hij weer de dertig maagden--

Daar zag hij de schoone Iconia,

Toen veinsde de held een plotselinge ongesteldheid;

Vroeg om hulp; en begroette haar hoffelijk--

"God in den hooge zij met u, lieftallig meisje!"

En de lieftalligste beantwoordde zijn woorden,

"En u zij zaligheid, vreemdeling en krijgsman?"

"Lief meisje! in naam van de liefde des hemels,

Wilt gij mij een beker verkoelend water geven?

Want een hevige koorts gloeit in mij;

Ik durf niet van mijn paard te stijgen, schoon meisje!

Want mijn ros heeft een boozen trek--

Tweemaal wil hij zijn ruiter niet laten opstijgen."

Warm en ernstig was het medelijden van het meisje;

En met lieve stem sprak zij hem aldus aan:

"Neen! dat niet--dat niet, gij onbekende krijgsman!

Hard en zwaar is het water van de Ressava;

Hard en zwaar zelfs voor gezonde krijgslieden;

Hoe veel te meer voor hen, die door koorts aangetast en

vermoeid zijn!

Wacht, en ik zal U een beker wijn brengen."

Snel trippelde het meisje naar haar woning;

Zij keerde terug met een gouden beker met wijn,

Dien zij Theodorus van Stalatch toereikte.

Hij strekte zijn hand uit; echter niet den beker wijn,

Maar de hand van het meisje greep hij

En met een zwaai wierp hij haar op zijn kastanjebruin paard

achter zich:

Driemaal omwond hij haar met zijn lederen gordel,

En ten slotte bond hij haar ook met zijn degenriem;

En hij bracht haar naar zijn eigen witte woning.

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 39 / 47 题