II. De Stiefzusters.

Een hooge, slanke den stond tusschen twee groene lorkenboomen.

Lorkenboomen waren zij niet, deze twee,

En geen hooge, slanke den stond er tusschen.

Het waren broeders, kinderen van een moeder.

De een was Paul; de andere broeder Radool,

En middenin Yelitza, hun zuster.

Hartelijk was de liefde, die de broeders haar toedroegen;

Menig teeken van genegenheid gaven zij haar,

Soms een schitterend geschenk en dikwijls kleinigheden,

En ten laatste een mes met zilveren heft.

En versierd met goud; dat gaven zij hun zuster.

Toen Pauls jeugdige gade dit had gehoord,

Verhief haar boezem zich van jaloezie:

En zij riep verwoed tot de gade van Radool:

"Ach zuster! Mijn zuster in den Heer,

Kent gij een plant van demonische kracht,

Die verderf over onze zuster kan brengen?"

De gade van Radool antwoordde snel:

"In Godsnaam, zuster, wat bedoelt gij?

Van tooverkruiden weet ik niets--En wist ik het wel,

Nooit zou ik u ervan vertellen, nooit;

Want mijn broeders hebben mij lief; ja, ze hebben mij lief.

Van hun liefde geven zij mij menigmaal bewijs."

Toen Pauls jeugdige gade dit antwoord had vernomen,

Begaf zij zich naar het paard in de weide,

Bracht het een doodelijke wonde toe, en spoedde

Zich naar haar echtgenoot, dien zij aldus aansprak:--

"Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig,

Uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild;

Uw ros, dat in de weide liep, heeft zij doorstoken."

Toen wendde Paul zich tot Yelitza, zijne zuster

En vroeg: "Waarom deedt gij 't?--Dat God er u voor straffe!"

Doch toen de maagd ontkende en zwoer:

"Bij mijn leven en bij uw leven, ik deed het niet!"

Toen twijfelde hij niet meer aan zijn zuster.

Waarop Pauls jonge gade, toen zij dit merkte,

Zich 's avonds heimelijk spoedde naar den tuin,

Waar zij Pauls grijzen valk den nek omdraaide--

Toen spoedde zij zich naar haar echtgenoot en zei:

"Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig,

En uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild,

Zie! Zij doodde Uw lievelingsvalk."

Paul ondervroeg Yelitza, zijne zuster.

"Zeg mij waarom, en God moge u straffen!"

Maar hoog en luid bezwoer zijn zuster:

"Ik was het niet, bij mijn leven, broeder;

Bij mijn leven en het uwe, ik deed het niet!"

En de broer geloofde zijn zuster weer.

Toen Pauls jeugdige vrouw dit bemerkte,

Sloop zij 's avonds van den avondmaaltijd weg,

En stal het gouden mes en daarmede vermoordde,

Vermoordde zij haar arme kindje in de wieg!

En toen de ochtendstond den morgen bracht,

Wekte zij schreeuwend haar echtgenoot

"Wee!" schreeuwde zij en reet haar wangen open:

"Boos is de liefde, die gij uw zuster toedraagt.

En uw gaven zijn aan deze onwaardige verspild;

Ons kindje in de wieg heeft zij doorstoken!

Zult gij nog langer aan mijn woorden twijfelen?

Zie! het mes is in uw zusters gordel."

Paul sprong op, als door den waanzin overmeesterd,

Onstuimig stormde hij naar de verdieping boven,

Waar zijn zuster op haar matten sliep

Met het gouden mes onder haar kussen.

Snel greep hij het gouden mes,--en trok het--

Hij trok het nijgend uit de zilveren scheede;--

En zie, 't was vochtig van het bloed,--

't Was rood en met geronnen bloed bedekt!

Toen Paul, de edele, dit zag, greep hij haar vast,--

Hij knelde haar kleine, mooie hand en vloekte haar:

"Dat Gods vloek op u ruste, zuster!

Gij hebt mijn lievelingspaard vermoord;

Uw hand vermoordde ook mijn edele valk;

Maar gij hadt de hulpelooze zuigeling moeten sparen."

Nog luider en op hooger toon nog zwoer zijn zuster:

"Ik was het niet, bij mijn leven, mijn broeder,

Bij mijn leven en bij uw leven, ik zweer het u!

Maar indien gij op mijn eed geen acht wilt geven;

Voer mij dan naar de open vlakten der wildernis;

Bind uw zuster aan de staarten uwer paarden;

Laat vier paarden mijn ledematen vaneen scheuren."

En de broer vertrouwde zijn zuster niet!

Woest greep hij haar blanke armen--en droeg haar

Naar de verwijderde vlakten--de open wildernis;--

Aan de staarten van vier paarden bond hij haar

En hij joeg ze voort over de woestenij;--

En ziet! waar een druppel stortte van haar bloed,

Daar ontsproot een bloem,--een geurig bloempje;

Waar haar lichaam viel, toen het dood en verminkt was,

Daar rees een kerk op uit de wildernis.

Korte tijd verliep; een noodlottige ziekte

Overviel Pauls jeugdige gade;--de ziekte

Lag negen lange jaren op haar,--een zware ziekte!

Hondstarwegras schoot op tusschen haar beenderen

En daartusschen nestelden toornige slangen,

Die, ofschoon verborgen, de helderheid van het licht harer

oogen dronken.

Toen betreurde zij haar lot en toen zij wanhopend treurde,

Sprak zij aldus tot Paul, haar echtgenoot:

"O breng mij, Paul, mijn heer

En voer mij naar de kerk uwer zuster,

Want zoo er redding is, vind ik ze mooglijk daar."

Toen Paul de bede van zijn gade hoorde,

Droeg hij haar naar zijn zusters kerk

En nauwelijks had hun voet 't portaal der kerk betreden,

Of zij vernamen een geheimzinnige stem:

"Kom hier niet, jonge vrouw! kom hier niet!

Want deze kerk kan u noch redding, noch genezing geven."

Groot was haar zielesmart, toen zij dit hoorde;

En smeekend zei de vrouw tot Paul, haar heer:

"In Godsnaam, Paul, mijn echtgenoot, mijn heer!

Breng mij nooit, nooit naar onze woning terug!

Bind mij aan de staarten van de wilde paarden en jaag ze,

Jaag ze in de onmetelijke wildernis;

Laat hen mijn ellendige ledematen uiteen rukken."

En Paul verhoorde de bede van zijn gade.

Hij bond haar aan de staarten van vier wilde paarden;

Joeg ze voort over de groote vlakte der woestenij

En waar een druppel van haar bloed neerviel,

Daar sprongen stekelige doornen en distels op

En waar het lichaam viel, toen het dood was,

Stroomden de wateren toe en vormden een stilstaand meer.

Over het meer zwom een klein, zwart paard,

Naast hem dreef een gouden wieg,

Op de wieg zat een jonge, grijze valk,

In de wieg sluimerde een klein kindje,

Met de blanke hand zijner moeder om zijn keel:

En die hand omknelde een gouden mes.

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 38 / 47 题