De bouw van Skadar (Scoetari). [75]

De volgende gedichten zijn overgenomen uit Sir John Bowrings "Servian

popular Poetry", London 1827. Deze vertalingen zijn in dien vorm

opgenomen, om eenig denkbeeld te geven van den vorm van het nationale

gedicht, waaraan de stof van dit boek voor het grootste gedeelte

ontleend is.

Drie broeders kwamen overeen een vesting te bouwen.

Het waren de gebroeders Mrnyavtchevitch,

Kraly Vukashin [76] was de oudste broeder;

En de tweede was voïvode-Uglesha;

En de derde, de jongste broeder, Goïko.

Volle drie jaren werkten zij aan de vesting,

De vesting Skadra, aan de rivier Boyana;

Volle drie jaren werkten ook drie honderd werklieden.

IJdel was de poging om de grondvesten voor den muur te leggen.

Nog ijdeler die om de vesting zelf op te trekken:

Wat des avonds door de werklieden was opgetrokken,

Werd voor de ochtendschemering door de veela geslecht.

Toen in 't vierde jaar opnieuw werd begonnen,

Hoor! de veela van den met bosch begroeiden berg

Riep--"Gij koning Vukashin! IJdel is uw pogen!

Nooit, nooit zult gij de vesting bouwen,

Indien gij niet twee gelijknamige wezens vindt,

Indien gij niet vindt Stoyan en Stoyana:

En deze beiden,--die elkaar liefhebben,

Zij moeten onder het fundament worden ingemetseld.

Dan alleen zullen de fundamenten de vesting dragen,

Dan kunt gij de muren optrekken."

Toen Vukashin de woorden der veela hoorde,

Riep hij spoedig tot Dessimir, zijn dienstknecht:

"Luister Dessimir, mijn getrouwe dienstknecht,

Gij waart mij steeds een trouw dienaar;

Van dezen dag af zult gij mijn zoon zijn;

Span mijn renpaarden voor mijn zegewagen,

Belaad dien met zes lasten gouden schatten,

Reis de geheele wijde wereld door, en breng mij,

Breng mij mede die twee wezens van één naam,

Breng mij die twee, die elkaar zoo liefhebben,

Breng mij Stoyan en Stoyana.

Steel hen, zoo ge hen met goud niet kunt koopen,

Breng hen hier naar Skadar aan de Boyana. [77]

Wij zullen hen begraven onder de fundamenten van den muur,

Dan zullen de fundamenten den muur kunnen dragen,

Dan zullen wij onze vesting Skadar kunnen bouwen."

Dessimir gehoorzaamde aan het bevel van zijn meester.

Hij spande onmiddellijk de paarden voor den wagen,

Vulde dien met zes lasten gouden schatten.

Door de geheele wijde wereld reed de getrouwe dienstknecht

En rondzwervend vroeg hij overal naar de gelijknamige

schepsels,

Naar de tweelingen--naar Stoyan en Stoyana;--

Volle drie jaren zocht hij hen--zocht hen te vergeefs:

Nergens vond hij Stoyan en Stoyana.

Toen spoedde hij zich huiswaarts naar zijn meester;

Hij bracht den koning zijn paarden en zijn wagen en

Gaf hem zijn zes lasten gouden schatten.

"Hier, mijn vorst, zijn uw paarden en wagen:

Hier hebt gij uw gouden schatten--

Vergeefs zocht ik deze gelijknamige wezens:

Nergens vond ik Stoyan en Stoyana."

Toen Vukashin zijn dienaar had ontslagen,

Riep hij onmiddellijk zijn bouwmeester Rado.

En Rado riep zijn driehonderd werklieden;

En zij vingen weer aan de vesting Skadar te bouwen;

Maar 's avonds slechtte de veela hun werk weer.

Vergeefs trachtten zij de fundamenten van den muur te leggen;

Vergeefsch was hun poging de vesting Skadar te bouwen.

En de veela van het bergwoud riep:

"Vukashin, luister, luister naar mij!

Gij verkwist uw rijkdom en verspilt uw kracht.

Vergeefs tracht gij het fundament voor den muur te leggen,

Vergeefs poogt gij de vestingmuren op te richten!

Luister nu naar mij: gij zijt met drie broeders.

Ieder heeft tehuis een getrouwe gade.

Zij, die morgen naar de Boyana komt,

Zij, die de rantsoenen aan de werklieden brengt,

Sluit haar diep in der muren fundamenten

Zoodoende zullen de fundamenten stevigheid erlangen.

Dan zult gij de sterkte aan de Boyana bouwen.

Toen de koning de veela hoorde,

Riep hij terstond zijn beide broeders tot zich:

"Hoort mijn woorden, hoort nu mijn woorden, broeders!

Aldus sprak de veela van het woud op den berg:

Verspil niet langer uw schatten en uw kracht

Met uw vergeefsche pogingen om de vesting te bouwen

Op een wrak en ondeugdelijk fundament.

Voorts zei de veela van het woud op den berg:

Ieder uwer bezit een getrouwe gade;

Ieder een getrouwe bruid, die uw woning bestiert;

Zij, die morgen naar de vesting komt,

Zij, die de werklieden hun rantsoen brengt,

Worde onder de fundamenten van den muur ingemetseld;

Dan zullen de fundamenten de vesting dragen,

Dan kan de vesting aan de Boyana verrijzen.

Nu dan broeders! In Gods heilige tegenwoordigheid

Laat ieder zweren het vreeselijke geheim te bewaren;

Dat het noodlot beslisse, wie de eerste zal zijn,

Die haar weg neemt naar de rivier van Skadar."

En elk der broers zwoer in Gods heilige tegenwoordigheid

Het vreeselijke geheim voor zijn vrouw te bewaren.

Toen de nacht op de aarde was neergedaald,

Spoedde zich ieder naar zijn eigen witte woning;

Ieder nam deel aan het liefelijk avondmaal,

Ieder zocht zijn bed voor den verkwikkenden slaap.

Zie! Toen gebeurde er een verbazingwekkend wonder.

Het eerst brak Vukashin zelf zijn eed,

Toen hij zijn vrouw het vreeselijk geheim toefluisterde:

"Verschuil u! mijn getrouwe gade, houd u verborgen!

Ga morgen niet naar de Boyana!

Breng den werklieden morgen geen voedsel!

Anders, mijn schoone! zal het u uw jonge leven kosten

En onder de muren zal men u insluiten!"

Ook Uglesha brak zijn eed!

En hij gaf zijn vrouw met deze woorden raad:

"Begeef u niet noodeloos in gevaar, liefste lief!

Ga morgen niet naar de Boyana!

Breng den werklieden hun rantsoen niet!

Anders kon het zijn, dat gij van uw vriend nu reeds gescheiden

werdt,

Het kon zijn, dat gij ingesloten werdt onder het fundament!"

Getrouw aan zijn eed, fluisterde de jonge Goïko

Geen woord ter waarschuwing aan zijn lieftallige gade.

Toen de ochtend begon te grauwen,

Stonden al de broeders bij het aanbreken van den dag op,

En ieder spoedde zich naar de Boyana:

Aanschouwt nu! twee edele jonge vrouwen:

Ze zijn half-zusters, de oudste zusters--

De een brengt haar door de sneeuw gebleekt linnen

Om het nog eens in de zomerzon te bleeken.

Zie! zij komt naar de bleekvelden--

Daar blijft zij staan--zij doet geen stap nader.

Zie! de tweede, met de kruik van roode klei;

Zie! zij komt--zij vult ze in het stroompje;

Daar praat zij met andere vrouwen--draalt--

Ja! zij draalt--doch komt geen schrede nader.

De jeugdige vrouw van Goïko draalt thuis;

Want zij heeft een kindje in de wieg.

Geen volle maand oud is de kleine lieveling:

Maar de tijd van het maal nadert;

En haar bejaarde moeder zet haar aan tot arbeid;

Liefst zou zij de dienstmaagd roepen om haar te bevelen

Het middagmaal naar de Boyana te brengen.

"Niet zoo!" zei de jonge gade van Goïko;

"Blijf, zit rustig neer, ik bid u moeder!

Wieg het kindje in zijn wieg:

Ik zelf zal het voedsel naar Skadar brengen.

In het aangezicht van God zou het een schande zijn.

Een beleediging en schande voor het geheele volk,

Indien geen van ons drieën bereid zou zijn om het te dragen."

Zoo bleef zij thuis, de bejaarde moeder.

En zij wiegde de kleine lieveling in de wieg.

Toen stond Goïko's jeugdige gade op,

Riep alle dienstmaagden om zich heen,

Gaf haar het voedsel, en gaf bevel haar te volgen.

Toen zij de stroomende rivier Boyana bereikten,

En Mrnyavtchevitch Goïko haar zag,

Omhelsde hij met verscheurd hart zijn jeugdige gade;

Kuste duizend keer haar sneeuwwit voorhoofd.

Brandende tranen vloeiden snel van zijn oogleden--

En hij sprak met van smart gebroken stem:

"O mijn gade, mijn eigen: hoe innig ben ik over u bekommerd.

Hebt gij geen oogenblik gedroomd, dat gij moest omkomen?

Waarom hebt gij onze kleine verlaten?

Wie zal onze kleine baden in uw afwezigheid?

Wie zal de borst ontblooten om de zuigeling te voeden?"

Meer en steeds meer zou hij nog willen spreken,

Maar de koning stond het niet toe. Vukashin

Grijpt haar blanke hand en roept

Meester Rado--hem, den bouwmeester;

En hij roept zijn driehonderd werklieden.

Maar de jonggehuwde glimlacht en waant het

Alles een grap--geen vrees overvalt haar.

Als de driehonderd werklieden zich om haar verzamelen,

De steenen opstapelen en de balken rondom haar.

Zij hebben haar nu ingesloten tot den gordel.

Hooger verheffen de muren en balken zich, steeds hooger;

Eindelijk begrijpt de rampzalige het lot dat haar wacht.

En zij gilt luid in haar wanhoop;

In haar smart smeekt zij haar echtgenoot en zijn broeders:

"Kunt gij aan God denken? hebt gij geen medelijden?

Kunt gij mij aldus insluiten, mij, jong en gezond?"

Maar te vergeefsch, tevergeefsch waren haar smeekingen;

En haar broeders verlieten haar, toen zij voortging met

smeeken.

Schaamte en vrees volgden toen op verwijten

En met deerniswekkende stem riep zij tot haar echtgenoot:

"Kan het, kan het zijn, mijn heer en echtgenoot,

Dat gij mij, zoo jong, meedoogenloos laat insluiten?

Laat ons gaan en mijn bejaarde moeder opzoeken:

Laat ons gaan--mijn moeder, zij is rijk:

Zij zal een slaaf koopen--een man of een vrouw,

Dien gij begraven kunt onder de fundamenten van den muur."

Toen de moeder-gade--de gade en moeder,

Zag, dat haar smeekbeden en klachten onverhoord verklonken,

Richtte zij zich tot Neimar Rado: [78]

"In Gods naam, mijn broeder Neimar Rado,

Laat een opening voor deze sneeuwwitte borst,

Laat mij deze sneeuwwitte borst vrij kunnen opheffen,

Als mijn sprakelooze Yovo tot mij komt.

Als hij komt, o laat hem mijn borst ledigen!"

Rado beval den werklieden aan haar verzoek te voldoen

En een venster te laten voor haar sneeuwwitte borst,

Zoodat zij haar vrij zou kunnen opheffen,

Als haar sprakelooze Yovo tot haar zou komen,

Als hij kwam om uit haar borst te drinken.

Nog eens riep zij tot Neimar Rado,

"Neimar Rado! In Gods naam, mijn broeder!

Laat ook voor mijn oogen een klein venster,

Opdat deze oogen onze witte woning zien kunnen,

Als mijn Yovo naar mij toe gebracht wordt,

Als mijn Yovo naar huis wordt gedragen."

Rado beval zijn werklieden haar te gehoorzamen.

En voor die heldere oogen een klein venster te laten,

Opdat haar oogen haar eigen witte woning zouden zien,

Als haar kindje Yovo tot haar gebracht werd,

Als zij het kindje Yovo naar huis zouden brengen.

Zoo bouwden zij den zwaren muur rondom haar.

En brachten toen het kindje in zijn wieg

Dat een lange poos door zijn moeder gezoogd werd

Toen werd haar stem zwak--toen zweeg zij geheel.

Nog vloeide de stroom en voedde het kind:

Ruim een jaar hing hij aan haar borst;

Nog vloeide de stroom--en hij vloeit nog steeds. [79]

Als de levensstroom in haar opdroogt,

Komen de vrouwen daarheen--de plaats behoudt haar kracht--

Komen ze daarheen om haar schreiende kinderen te stillen.

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 37 / 47 题