De boodschap aan Vidossava.
Koning Voukashin [65] van Skadar aan de Boyana [66] schreef een boek
[67] en zond dat naar Herzegovina, naar de witte stad Pirlitor [68]
tegenover den berg Dourmitor. Hij schreef het in het geheim, en in
het geheim zond hij het aan de schoone Vidossava, de eenzame gade
van den voïvode Momtchilo. Aldus was de inhoud van het boek:
"Heil u, Vidossava, echtgenoote van Momtchilo! Waarom woont gij
te midden van ijs en sneeuw? Indien gij opziet van de muren van uw
kasteel, dan ziet gij den berg Dourmitor met sneeuw en ijs, niet alleen
in den winter, maar ook midden in den zomer; indien gij naar beneden
kijkt, zie, daar stroomt uw onstuimige rivier, de Tarra, die op haar
golven hout en steenen draagt. Er zijn geen doorwaadbare plaatsen, noch
bruggen die haar overspannen; ze is slechts omgeven door pijnboomen en
stukken rots. Waarom zoudt gij geen vergif toedienen aan uw echtgenoot
of hem aan mij verraden? Dan zoudt gij naar mij kunnen vlieden, naar
de vlakke zeekust in mijn witte stad aan de Boyana. Ik zal u gaarne
trouwen en gij zult mijn koningin worden. Gij zult zijde spinnen
op een gouden spoel, zitten op gouden kussens en fluweel dragen,
geborduurd met goud. En hoe prachtig is deze stad Skadar aan de
Boyana! Als gij neerziet op de vruchtbare hellingen boven de muren,
dan rust uw blik op ontelbare vijgen en olijvenboomen en wijngaarden
vol druiventrossen; als gij omlaag kijkt, zie! hoe wit de vlakten zijn
van nijgende tarwevelden en groen van de sappige weiden. Door de weiden
stroomt de heldergroene Boyana; haar wateren worden bevolkt door alle
soorten van visschen, die gij versch opgediend op tafel zult hebben,
indien gij dat wenscht."
Het verraad van Vidossava.
Toen Vidossava het boek had gelezen, schreef zij haar antwoord in fijne
letters: "Mijn heer, gij koning Voukashin! Het is geen gemakkelijke
taak den voïvode Momtchilo te verraden, nog minder gemakkelijk is het
hem te vergiftigen. Momtchilo heeft een zuster, Yevrossima genaamd,
die zijn gerechten gereed maakt en voor hem van elk gerecht iets
gebruikt. Hij heeft negen broers en twaalf volle neven, die wijn
schenken in zijn gouden beker; zij drinken altijd vóór hem, eer hij
een teug neemt! Ook, o koning! bezit de voïvode Momtchilo een paard,
Yaboutchilo genaamd, dat vleugels heeft en vliegen kan, zoo ver als
zijn meester maar wil. Dit is nog niet alles. Mijn echtgenoot heeft een
zwaard, versierd met diamanten, zoo groot als de oogen van een meisje;
hiermede gewapend vreest hij niemand dan God. Maar luister naar mij,
o koning Voukashin! Verzamel een ontzaglijk groot leger! Voer uw helden
naar het meer, en verberg u daar in de bosschen. Het is de gewoonte
van Momtchilo elken Zondagmorgen op de jacht te gaan; dan rijdt hij
uit met zijn negen broeders en twaalf neven, en wordt daarbij vergezeld
door een wacht van veertig mannen uit zijn kasteel. Op den avond, die
aan den volgenden Zondag vooraf gaat, zal ik Yaboutchilo de vleugels
afbranden; het met juweelen bezette zwaard zal ik in gezouten bloed
doopen, zoodat het Momtchilo onmogelijk zal zijn het uit de scheede
te trekken: aldus zult gij in staat zijn hem te overwinnen."
Toen dit boek in handen kwam van koning Voukashin, werd zijn hart
verheugd, en hij verzamelde een groote strijdmacht en trok op naar
Herzegovina. Hij trok naar het meer bij het kasteel van Momtchilo,
waar hij zich in de naburige bosschen verborg.
Aan den vooravond van den Zondag trok Momtchilo zich in zijn slaapkamer
terug om te rusten op de zijden kussens, toen, zie! zijn gade tot hem
kwam. Zij legde zich niet neer op de zijden kussens, maar bleef naast
haar echtgenoot staan en haar tranen vielen op zijn hoofd. Toen hij
de warme tranen op zijn ridderlijke wangen voelde, keek de voïvode
op en zei:
"O, Vidossava, mijn getrouwe gade! Welk groot verdriet heeft u
getroffen, dat gij tranen op mijn hoofd stort?"
En Vidossava antwoordde: "Mijn heer, gij voïvode Momtchilo. Ik heb
geen ander verdriet dan over u. Ik heb van een wonder gehoord, dat
mijn eigen oogen niet hebben gezien. Men heeft mij gezegd, dat gij
een gevleugeld paard hebt, maar ik kan het verhaal niet gelooven. Het
zal u het een of ander machtig kwaad brengen en ik vrees, dat gij
zult omkomen!"
Het gevleugelde paard.
Momtchilo was gewoonlijk voorzichtig, maar dezen keer liep hij in den
val: "Vidossava, mijn dierbare gade," zei hij teeder, "indien dat de
oorzaak van uw verdriet is, dan kan ik u gemakkelijk troosten. Gij
zult de vleugels van mijn ros Tchile [69] zien; als de eerste hanen
kraaien, ga dan naar beneden, naar de stallen; dan zult gij zien,
hoe Tchile zijn vleugels ontplooit."
Na dit gezegd te hebben, legde hij zich weer neer om te slapen. Maar
niet alzoo Vidossava. Zij bleef waken om het eerste hanengekraai te
hooren en toen zij het geluid vernam, sprong zij op, stak een lantaarn
en een kaars aan, nam wat kalfsvet en teer en spoedde zich naar de
stallen. En zie! Zij zag, hoe Yaboutchilo zijn vleugels ontplooide,
die tot aan zijn hoeven reikten. Vidossava smeerde de vleugels met vet
en teer in en stak ze met haar kaars in brand. Wat niet verbrandde,
bond zij stevig onder den buik van het paard vast. Hierna ging zij
naar het arsenaal en doopte het lievelingszwaard van Momtchilo in
gezouten bloed. Daarna keerde zij naar de kamer van haar gade terug.
De droom van Momtchilo.
Bij het aanbreken van den dag ontwaakte Momtchilo en sprak tot
Vidossava: "Mijn geliefde gade! Heden nacht heb ik een vreemden droom
gehad: plotseling verscheen een nevel wolk van het vervloekte land
Vassoye, die den berg Dourmitor omhulde. Ik reed door de wolk met
mijn negen geliefde broeders en twaalf volle neven, vergezeld van mijn
veertig wachten. In dien nevel, o, mijn geliefde Vidossava! verloren
wij elkaar uit het oog; en nooit ontmoetten wij elkaar meer! God
alleen weet, wat deze droom beteekent; maar ik heb een voorgevoel,
dat het een of ander onheil ons weldra zal treffen!"
Vidossava beproefde haar heer gerust te stellen. "Vrees niet, mijn
geliefde heer!" zei zij; "droomen zijn bedrog, God verlaat u niet!"
De hinderlaag.
Momtchilo kleedde zich voor de jacht en wandelde uit zijn witten toren
naar het plein, waar zijn negen broeders, twaalf neven en veertig
wachten reeds op hem wachtten. Zijn gade leidde zijn Yaboutchilo
naar hem toe; hij sprong in het zadel en als gewoonlijk reed hij
met zijn gevolg ter jacht. Zonder dat een hunner iets vermoedde,
bereikten zij het meer, waar eensklaps een groote strijdmacht hen
omringde. Momtchilo greep naar zijn zwaard, maar helaas, hij was niet
in staat het uit de scheede te trekken. Toen riep hij bitter uit:
"Luistert, mijn geliefde broeders! Mijn gade Vidossava heeft mij
verraden, geeft mij een zwaard?"
Haastig gehoorzaamden zijn broeders; zij gaven hem het beste zwaard,
dat zij hadden! Toen zei Momtchilo weer: "Luistert, mijn geliefde
broeders: gij zult de vleugels van het leger aanvallen en ik zal
tegen het midden den strijd aanbinden."
Machtig God, welk een heerlijk wonder! "Hoe gelukkig zoudt gij
u achten, als gij, mijn broeders [70], dat wonder hadt gezien:
hoe voïvode Momtchilo zijn zwaard zwaaide, en zich een weg baande
door den muur van vijanden!" Echter werden er meer verpletterd door
Yaboutchilo dan door het zwaard van den held! Maar helaas een droevig
ongeluk wachtte hem ten slotte. Toen hij zich door den vijand had
heengeslagen, volgden de negen zwarte paarden van zijn broeders hem;
maar de zadels waren leeg!
Toen Momtchilo dit zag, barstte zijn moedig hart haast van verdriet
over het verlies van zijn negen geliefde broeders; de arm, waarin
hij zijn zwaard hield, viel slap langs zijn zijde; en wetende, dat
hij niet langer zou kunnen vechten, gaf hij Yaboutchilo de sporen,
opdat deze zijn vleugels zou uitspreiden en naar zijn kasteel vliegen.
Maar helaas! Voor het eerst gehoorzaamde zijn paard niet aan de
sporen. Toen sprak Momtchilo verwijtend:
"O, Yaboutchilo, dat de wolven u verslinden! Menig keer hebt gij van
hier gevlogen, alleen uit tijdverdrijf en nu ik in gevaar verkeer,
wilt gij niet vliegen!"
En het ros antwoordde hinnikend: "Mijn heer, machtige voïvode
Momtchilo! Vloek mij niet, en beproef niet mij verder te dwingen! Heden
kan ik niet vliegen! Dat God uw Vidossava straffe! Dezen nacht
heeft zij de punten van mijn beide vleugels verbrand. Wat zij niet
verbrandde, heeft zij stevig onder mijn buikriem vastgebonden. O, mijn
geliefde meester; gij deedt beter te trachten alleen te ontsnappen. Ik
kan u niet helpen!"
Toen Momtchilo dit hoorde, biggelden de tranen langs zijn heldhaftig
gelaat. Het kostte hem moeite van zijn geliefde Yaboutchilo af te
stijgen; na een laatste liefkozing vermande hij zich en met drie
sprongen bevond hij zich voor den ingang van zijn kasteel. En zie! de
massieve poorten waren gesloten en gegrendeld.
Broeder en zuster.
Toen hij dit zag, riep Momtchilo luid zijn zuster toe: "O Yevrossima,
mijn geliefde zuster! Laat een rol linnen naar beneden, opdat ik
tegen den muur van het kasteel kan opklimmen en ontkomen, voordat
mijn vervolgers mij hebben ingehaald!"
Yevrossima hoorde de smeekbede en antwoordde onder een vloed van
tranen: "Helaas, mijn geliefde broeder, gij voïvode Momtchilo! Hoe
kan ik een linnen band naar beneden laten, nu mijn schoonzuster,
uw ontrouwe Vidossava, mijn haren aan een balk heeft vastgebonden?"
Maar zusters hebben een week hart voor broers [71] en Yevrossima
rukte, terwille van haar eenigen broer, zoo hevig met haar hoofd,
dat zij los kwam, maar haar haren aan den balk liet; toen nam zij een
rol linnen, maakte het eene eind vast en wierp het ander eind over den
muur van af den wal. Momtchilo greep het linnen en klom snel op naar
den rand van den wal. Hij was op het punt in de vesting te springen,
toen zijn trouwelooze gade snel kwam aanloopen, en met een scherp
zwaard het linnen boven de handen van Momtchilo doorsneed.
Terzelfder tijd was de strijdmacht van Voukashin genaderd en Momtchilo
stortte neer op hun lansen en zwaarden. Toen de koning den held zag
vallen, spoedde hij zich naar de plek en doorstak hem het hart met
een hevigen stoot. Hij stiet zoo heftig, dat het zwaard door den
muur drong.
De dood van Momtchilo.
Voïvode Momtchilo was een buitengewoon held, en hij was in staat deze
laatste woorden tegen koning Voukashin te spreken: "Mijn laatste
verzoek aan u, o koning Voukashin, is, dat gij mijn trouwelooze
Vidossava niet huwt, want zij zal ook u verraden. Heden heeft zij
mij aan u verraden, morgen zal zij u hetzelfde aandoen! Veel beter
zou het zijn mijn lieve zuster Yevrossima te huwen, de lieftalligste
van alle meisjes. Zij zal u altijd trouw zijn en u een held schenken,
even groot als gij zelf zijt!"
Dit zei voïvode Momtchilo, toen hij worstelde met den bleeken
dood. Toen hij het gezegd had, vloog zijn ziel hemelwaarts.
De poorten van het kasteel werden nu geopend en de ontrouwe Vidossava
kwam naar buiten om koning Voukashin welkom te heeten. Nadat zij hem
begroet had, ging zij hem voor naar haar witten toren en wees hem een
plaats aan haar gouden tafel. Zij bood hem fijne wijnen aan en vele
kostbare gerechten. Daarna ging zij naar het arsenaal en bracht hem
de wapenrusting en de wapenen van Momtchilo. Maar merkwaardig! De
helm, die Momtchilo juist paste, viel koning Voukashin neer op de
schouders. Een van Momtchilo's kaplaarzen was groot genoeg voor de
twee voeten van koning Voukashin. Het zwaard van Momtchilo was een
armlengte te lang, toen koning Voukashin het aan zijn gordel paste!
De straf van Vidossava.
Toen hij dit alles zag, riep koning Voukashin uit: "Helaas! Wee
mij! Dat God mij vergeve! Welk een trouweloos monster moet deze
jeugdige Vidossava zijn om zulk een held te verraden, wiens gelijke
over de geheele wereld vergeefs gezocht moet worden! Hoe kon ik,
rampzalige, verwachten, dat zulk een vrouw mij trouw zou blijven?"
Na dit gezegd te hebben, riep hij luid zijn bedienden, die Vidossava
grepen en haar mooie ledematen aan de staarten van vier paarden bonden,
die ze toen voor het kasteel Pirlitor uiteen joegen.
Vreeselijk lot, aldus werd ze levend aan stukken gescheurd.
Daarna plunderde de koning het kasteel van Momtchilo en voerde
Yevrossima weg naar Skadar aan de Boyana. Later betoonde hij zich haar
liefde waardig trouwde haar en zij schonk hem Marko en Andreas. En
inderdaad, Marko erfde den heldenmoed van voïvode Momtchilo en zoo
werd de voorspelling van zijn oom vervuld.
Historische aanteekening.
Hoe ruw de gewoonten ook mogen zijn, waarvan in deze ballade uit de
veertiende eeuw een beeld gegeven wordt, in mijn verzameling is ze
toch ongetwijfeld een plaats waard. Ze werd neergeschreven door Vouk
St. Karadgitch, die ze opving van de lippen van een Servischen bard,
en ik kan niet genoeg mijn spijt uitdrukken over mijn onmacht om
in een andere taal de schoone en stoutmoedige vergelijkingen en de
even kernachtige als welsprekende uitdrukkingen tot haar recht te
laten komen.
De Fransche troubadours der middeleeuwen kozen zelden de ontrouw
van vrouwen als thema; waarschijnlijk omdat een geval als in onze
ballade beschreven werd hetzij onbekend was, hetzij te algemeen,
om als belangrijk te worden beschouwd. Indien Servische barden de
wispelturigheid en het verraad van het zwakkere geslacht niet dan
bij hooge uitzondering bezongen, dan kwam dat door den weerzin, die
in Servië door de ontrouw, zoowel van den echtgenoot als van zijn
gade wordt opgewekt. Ongetwijfeld heeft de bard in een klooster, dat
hij op een zijner reizen aandeed, een of andere kroniek opgedoken,
waaraan hij eenige feiten ontleende betreffende het huwelijk van
koning Voukashin en, evenals de Fransche troubadour, die uit het
sobere historische materiaal, dat hem ten dienste stond, het verhaal
van den slag bij Ronceval opbouwde, heeft zijn fantasie aangevuld,
wat hem aan feiten ontbrak.
Voor het algemeen oordeel over de ontrouw vindt men een aanwijzing in
de barbaarsche straf, die de bard Vidossava oplegt. Het mag zeker
als een groote merkwaardigheid gelden, dat ik bij mijn nasporingen
geen enkele ballade heb gevonden, waarin ontrouw van den kant van
een echtgenoot voorkomt.
In de balladen, die betrekking hebben op Prins Marko zien wij, dat
hij altijd ridderlijk jegens vrouwen was, vooral tegenover weduwen
en onderdrukte meisjes, onverschillig welke haar maatschappelijke
positie of godsdienst ook waren. Hij is bereid Turksche meisjes
bij te staan en zelfs zijn leven voor haar te wagen. In de ballade
getiteld: "De gevangenschap en het huwelijk van Stephanus Yakshitch"
verhaalt de bard, hoe hij de liefde opwekt van een hartstochtelijk
Turksch meisje, die hij echter afwijst; reeds de enkele gedachte aan
een verbintenis tusschen een Christen en een Mohammedaansche vrouw
wekt zijn verontwaardiging. Het kan zijn, dat koning Voukashin voor
Vidossava's huwelijk met voïvode Momtchilo omgang met haar had, maar
indien dat zoo was, dan moet het meer een politieke verbintenis zijn
geweest dan een zaak van het hart.