HOOFDSTUK IX. TSAAR LAZARUS EN DE TSARINA MILITZA.

Het voorgevoel van de tsarina.

Toen zij op zekeren avond samen aan het avondeten zaten, sprak tsarina

Militza aldus tot tsaar Lazarus:

"O Lazarus, gij gouden kroon van Servië! Gij zult morgen naar de

vlakte van Kossovo gaan met uw hertogen en dienaren, maar helaas,

gij zult niemand in het paleis achterlaten om mijn brieven aan u te

bezorgen, en de uwe van Kossovo naar mij te brengen. Gij neemt ook

mijn negen broeders Yougovitchs met u mede; ik verzoek u althans een

van mijn broeders bij mij te laten, op wien ik kan vertrouwen en bij

wien ik kan zweren!" [53]

En de tsaar antwoordde: "O, mijn vrouwe, gij tsarina Militza! Welken

van uw broeders zoudt gij het liefst thuis houden." Daarop sprak de

tsarina: "Het liefst zou ik Boshko Yougovitch bij mij houden!"

Hierin stemde de tsaar toe. "O, mijn vrouwe, tsarina Militza! Als de

ochtend daagt en de zon boven de kim rijst en de poorten van de vesting

geopend worden, dan kunt gij naar de hoofdpoort gaan, waardoor het

geheele leger, voorafgegaan door zijn standaards, zal uittrekken--de

ridders met krijgsmanslansen worden aangevoerd door Boshko Yougovitch,

die de vlag met het gouden kruis zal dragen. Groet hem uit mijn naam

en zeg hem uit mijn naam, dat ik hem verlof geef met u in ons witte

kasteel te blijven en zijn vlag over te dragen aan wien hij wil!"

Toen de morgen daagde en de zon scheen, werden de poorten van de

vesting geopend en tsarina Militza verscheen aan de hoofdpoort der

stad, en zie! het machtige leger maakte zich gereed uit te trekken;

aan het hoofd reden de roemruchtige ridders, aangevoerd door Boshko

Yougovitch. Boshko stond op het punt zijn bruin paard te bestijgen,

een heerlijk met gouden harnachement opgetuigd dier. Op den vlaggestok

was een gouden appel bevestigd en van het groote kruis hingen gouden

kwasten neer, die zachtjes tegen de schouders van Boshko tikten.

Tsarina Militza naderde haar broer en haar teedere armen om zijn

hals slaande sprak zij hem met haar lieve stem aldus toe: "O, mijn

lieve broeder, onze tsaar heeft u aan mij gegeven en wenscht, dat

gij niet ten oorlog trekt naar Kossovo. Hij draagt u op uw vlag over

te geven aan wien gij wenscht en in Kroushavatz te blijven, opdat ik

een broeder heb op wien ik kan vertrouwen!"

Maar Boshko Yougovitch antwoordde: "Ga terug, o lieve zuster, naar uw

witte kasteel! Ik wil niet terugkeeren, noch deze vlag uit mijn handen

geven, al kreeg ik Kroushavatz [54] zelf als belooning. Hoe zou ik

kunnen verdragen dat mijn makkers zeiden: 'Ziet naar den lafaard Boshko

Yougovitch! Hij durft niet naar Kossovo gaan, om zijn bloed te storten

voor de zaak van het Heilige Kruis en zijn geloof!'" Hierna maakte

hij zich los uit de omhelzing zijner zuster en sprong in het zadel.

Ziet! Daar komt de bejaarde Youg-Bogdan aan het hoofd van een rij van

zijn zeven andere zoons! De tsarina beproefde achtereenvolgens ieder

hunner tegen te houden, maar te vergeefs. Voïn Yougovitch, de achtste

broer, was de laatste in de rij; hij wilde evenmin als zijn broeders

luisteren en toen hij verder ging viel de arme tsarina voor de voeten

der paarden in zwijm. De doorluchtige Lazarus zag zijn geliefde gade

neervallen en daar hij de oorzaak van haar verdriet begreep, stortte

hij tranen. Na snel rechts en links een blik geworpen te hebben,

ontwaardde hij zijn vertrouwden dienstknecht Golouban en riep hem

toe: "O Golouban, mijn getrouwe knecht! Stijg van uw ros en breng de

tsarina in uw heldhaftige armen zacht naar haar slanken toren. God

en ik stellen u vrij van den dienst in den oorlog, blijf in ons witte

kasteel in de nabijheid van de tsarina!"

Op het hooren van deze woorden verbleekte Golouban en tranen stroomden

langs zijn wangen, toen hij afsteeg van zijn Laboud. [55] Hij nam

de tsarina in zijn armen en droeg haar in den slanken, hoogen toren,

zooals de tsaar bevolen had; maar nadat hij dit gedaan had, kon hij

niet langer weerstand bieden aan den wensch van zijn hart om naar

Kossovo te gaan; daarom snelde hij terug naar zijn ros, gaf het de

sporen en reed snel zijn makkers achterna.

Nieuws van den veldslag.

Zie, den volgenden morgen, toen het daagde, streken twee

onheilspellende raven van het slagveld van Kossovo neer op den witten

toren van den doorluchtigen tsaar Lazarus. De een zei tegen den ander:

"Is dit het kasteel van den beroemden vorst Lazarus? Is er geen

levende ziel in?"

Slechts een in het kasteel hoorde het. Tsarina Militza trad op het

balkon van haar toren en smeekend sprak zij de twee raven aldus

aan: "Ter wille van alles, wat u dierbaar is, o gij twee donkere

raven! Vanwaar komt gij? Komt gij niet aangevlogen van het slagveld

van Kossovo? Hebt gij daar twee machtige legers gezien? O, zeg het

mij. Hebben zij elkander ontmoet? Welke van de twee zal overwinnen?"

Daarop antwoordden de beide raven: "Dat onheil ons treffe, indien wij

de waarheid niet tot u spreken, o schoone keizerin Militza! Wij komen

werkelijk aanvliegen van de vlakte van Kossovo. Ja! Daar hebben wij

twee machtige legers gezien; twee tsaren zijn omgekomen. [56] Van de

Turken zijn er maar weinigen in leven gebleven, de overlevenden van

de Serviërs zijn bedekt met wonden en bloed!"

De trouwe Miloutin.

Nauwelijks hadden de raven uitgesproken, of de tsarina zag een

ruiter naderen, dien zij herkende. Zijn linkerarm hing hulpeloos

neer; hij was overdekt met zeventien wonden; bloed liep langs zijn

paard. De tsarina riep hem toe op een toon van ontzetting: "Helaas,

helaas! Zijt gij het, mijn getrouwe Miloutin? Hebt gij dan uw tsaar

verraderlijk achtergelaten op de vlakte van Kossovo?"

Maar Miloutin antwoordde langzaam en pijnlijk: "Help mij, o vrouwe,

bij het afstijgen van mijn paard! Bet mijn gelaat met koel water en

verfrisch mij met rozekleurigen wijn, want met zware wonden is mijn

lichaam overdekt!"

De tsarina liep naar hem toe en hielp hem bij het afstijgen van zijn

met bloed bedekt paard, bette zijn gelaat met koel water en bracht

wijn aan zijn verdroogde lippen. Toen zij hem aldus had verkwikt,

sprak zij: "Wat voor vreeselijke dingen zijn er gebeurd, o gij trouwe

dienstknecht, te Kossovo, op de vlakte? Waar is de roemruchte prins

Lazarus omgekomen? Waar kwam de bejaarde Youg-Bogdan om? Waar vielen

de negen broeders Yougovitch? Waar Voïvode Milosh? Waar kwam Vouk

Brankovitch om? Waar Ban Strahiyna?"

Daarop bracht de krijgsman er met moeite en kreunend uit:

"Allen bleven te Kossovo, o vrouwe! Waar de doorluchtige Prins Lazarus

omkwam, daar zijn vele, vele lansen gebroken, zoowel Turksche als

Servische, maar minder Turksche dan Servische, die daar, o vrouwe,

werden opgeheven bij de verdediging van onzen geliefden heer, den

roemruchtigen Prins Lazarus. En uw vader, o vrouwe, kwam bij den

eersten aanval om. Ook uw negen broeders vielen--getrouw bleven zij bij

elkaar. Totdat hij stierf, hadt gij daar den dapperen Boshko kunnen

zien, zijn vlag wapperend in den wind, terwijl hij her en derwaarts

snelde en de Turken verspreidde als een valk, die onder een vlucht

bedeesde duiven neerstrijkt. Daar bij het riviertje de Sitnitza, waar

het bloed den helden tot boven de knieën reikte, kwam Ban Strahiyna om.

"Maar onze helden stierven niet alleen! Twaalf duizend Turken liggen

neer op de vlakte. Sultan Mourat [57] werd verslagen door voïvode

Milosh. Dat God hem al zijn zonden vergeve! De held heeft aan het

Servische volk de herinnering aan vele edele daden nagelaten, welke

de barden zullen bezingen, zoolang menschen leven en Kossovo is,

wat het is. Wat den verrader Vouk betreft, vervloekt zij zij, die hem

het leven schonk! Hij bedroog onzen tsaar te Kossovo. Twaalf duizend

onzer beste en krachtigste ruiters misleidde hij en bracht hij op

een dwaalspoor, o, vrouwe! Vervloekt voor altijd zij zijn nageslacht!"

Historische aanteekening.

Onveranderlijk werpen de barden de verantwoordelijkheid voor

den grooten tegenspoed der Servische wapenen, die hen trof in

dien beroemden slag te Kossovo, op Vouk Brankovitch, die een der

schoonzoons was van tsaar Lazarus. Eenigen van onze historici zijn

er van overtuigd, dat er een groot deel waarheid schuilt in deze

_licencia poëtica_ en zij wijzen op het feit, dat de geschiedenis der

middeleeuwen van Servië vele voorbeelden bevat van ontevredenen als

Vouk Brankovitch, die verleid door mooie beloften van sluwe Turksche

staatslieden, naar Stamboel gingen om nuttige werktuigen te worden in

de handen der Ottomaansche krijgsoversten, die daardoor in staat waren

de Slaven van de Balkanstaten te onderwerpen. Maar de waarheid is, dat

onze tegenspoed voornamelijk te wijten was aan de ongehoorzaamheid der

Servische Heeren, die bijna onafhankelijk over Bosnië en Herzegovina

regeerden. Deze edelen hadden geen gevolg gegeven aan den oproep van

tsaar Lazarus om zich met al hun mannen bij zijn leger te voegen en

zoo kwam het, dat het Servische leger aanmerkelijk kleiner was dan

het Turksche.

Maar hoe het zij, de nederlaag, die de Serviërs leden in dien

gedenkwaardigen slag, maakte diepen indruk op het volk, en de

Serviërs hebben sinds dien steeds geloofd, dat alleen aan dit onheil

de verplettering van het Servische rijk door den Turk geweten moet

worden. Deze meening hield gedurende vier eeuwen stand in het hart

der onderdrukte Serviërs. Na dien stonden zij herhaaldelijk tegen

hun onderdrukkers op, onder anderen in het begin der vorige eeuw

onder leiding van twee Servische prinsen: George Petrovitch, den

grootvader van den tegenwoordigen koning Peter I Karageorgevitch

in het jaar 1804, en Milosh Obrenovitch in 1815. Maar nog een eeuw

moest verloopen eer de gelegenheid kwam voor een beslissenden slag,

waarbij de slag van Kossovo gewroken werd. Dat geschiedde in den

beroemden slag van Koumanova in 1913, waar meer Turken vielen dan

vijf eeuwen geleden Serviërs. Toen pas was Servië gelukkig!

Schrijver dezes maakte de Balkanveldtocht van 1912-1913 mee, en was

getuige van roemrijke daden en wapenfeiten van zijn landgenooten, die

vergelijkenderwijs gesproken in geen enkel opzicht onderdoen voor die

van hun voorouders uit de middeleeuwen, toen Milosh Obilitch, Marko

Kralyevitch, Ban Strahiyna en anderen de Serviërs aanvoerden. Het was

een indrukwekkend gezicht, toen het Servische leger na afloop van

den oorlog als overwinnaar in Belgrado terugkeerde. De intocht der

soldaten ging onder ontelbare triomf bogen door, waarboven reusachtige

opschriften prijkten:

"Voor Kossovo: Koumanovo" en "Voor Slivnitza: Bregalnitza."

De onvermoeide Servische barden houden zich nu bezig met de

heldendaden in den tegenwoordigen tijd bedreven te Monastir, Koumanovo,

Periep (Prilip), Scoetari (Skadar) enz. en die zij zoodoende aan de

vergetelheid ontrukken. Elk der volgende geslachten zal zich opnieuw

verheugen over den triomf van den Serviër op den onderdrukker van

zijn ras, aan wien tenslotte het rijk van zijn dappere voorouders

ontworsteld werd--zooal niet in zijn geheele uitgestrektheid, gelijk

die onder de regeering van tsaar Doushan den Machtigen was, dan toch

voor zoover het zich uitstrekte in den tijd van tsaar Lazarus.

Wat tsaar Lazarus verloor, werd herwonnen door zijn dappere

landslieden, mede dank zij het wijs beleid van onzen tegenwoordigen

koning Peter I.

HOOFDSTUK X. DE GEVANGENSCHAP EN HET HUWELIJK VAN STEPHANUS

YAKSHITCH. [58]

De waarschuwing van de Veela.

De ochtendstond was nog niet aangebroken, nog had Danitza [59]

haar gelaat niet vertoond, toen een veela van den top van den berg

Avala bij Belgrado luid Demitrius en Stephanus, de twee gebroeders

Yakshitch riep: "O, gij broeders Yakshitch! Slechts ongunst verbergt

het lot dezen morgen voor u in zijn schoot! Ziet gij niet, dat de

machtige Turk zich heeft opgemaakt om de heerlijke stad Belgrado van

drie kanten aan te vallen? Luistert, ik zal u de Pasha's bij name

noemen. De vizier van Tyoopria is met veertigduizend man troepen

gekomen; de Pasha van Vidin leidt een leger van dertig duizend; en

de Pasha van Novi Bazar heeft twintigduizend woeste Janitsaren om

zich verzameld! Indien gij mij niet wilt gelooven, klim dan op den

top van een uwer torens en kijk over de breede vlakte van Belgrado!"

Op het hooren van deze plechtige verzekering keek Demitrius uit,

en zag werkelijk, wat de veela had gezegd. Indien er regen uit

den hemel ware gevallen, dan zou er geen druppel op den grond zijn

neergekomen, zoo dicht was de vlakte bedekt door de menigte Turken

met hun paarden! Bij den aanblik daarvan werd hij met schrik vervuld

en zonder zich een oogenblik te bedenken snelde hij naar zijn stal,

zadelde zijn paard en ontsloot de hoofdpoort van de vesting, rende

naar buiten en liet de sleutels in de poort steken. Hij haalde de

teugels niet in voordat hij een groot bosch bereikt had, en nu stond

de zon reeds hoog aan den hemel. Hij sprong uit het zadel, ging aan

de oevers van de verkoelende rivier Yahorika zitten en sprak aldus

bij zich zelf: "Helaas, Demitrius, gij verdient het om te komen! Hoe

hebt gij aldus uw eenigen broeder Stephanus kunnen achterlaten?"

Overstelpt door berouw over zijn lafheid, wilde hij naar Belgrado

terugkeeren, maar het was te laat. De Turken waren de stad reeds

door de geopende poort binnen getrokken. Er was niemand, die zich

tegen hen verzette en na de stad geplunderd te hebben trokken zij af,

waarbij zij verscheidene gevangenen mede voerden, onder wie zich ook

Stephanus Yakshitch bevond. Zij onthoofdden hem niet om zijn ongewone

schoonheid en omdat zij ook zeer goed bekend waren met zijn heldenmoed,

waarvan de faam wijd en zijd verbreid was. Zij brachten Stephanus in

tegenwoordigheid van den vizier van Tyoopria, die zoo aangenaam verrast

was, toen hij hem zag, dat hij beval zijn handen vrij te maken en hem

zijn paard en wapenen terug te geven. Hij gaf ook een groot feestmaal,

waarbij een groot aantal kanonnen werden afgeschoten. Hierna keerde

de vizier van Tyoopria met zijn geheele leger in triomf terug naar

Stamboel, waar hij zijn aanzienlijken gevangene voor den Sultan leidde.

Stephanus en de Sultan.

De machtige Padisha zat op zijn sidjadé, [60] en nadat hij Stephanus

had voorgesteld, nam de vizier in zijn nabijheid plaats. Stephanus

maakte een diepe neiging en kuste de muil en de knie van den

sultan. Daarna noodigde de sultan hem uit een zetel te nemen dicht

bij hem en sprak aldus:

"O heldhaftige Stephanus Yakshitch! Indien gij een Turk wilt worden,

(Dat Allah u bescherme)! dan zal ik u tot mijn Groot-vizier van Bosnië

in de stad Travnik maken! Gij zult zeven andere viziers hebben, die

aan uw bevelen zullen gehoorzamen; ik zal u mijn eenige dochter ten

huwelijk geven en voor u zorgen als voor mijn eigen zoon!"

Hierop antwoordde Stephanus met vaste stem: "O, groote Padisha! Gij

machtige beheerscher der wereld! Ik zal nooit een Turk worden en het

Heilige Kruis verzaken, ja, al boodt gij mij uw eigen kroon aan! Ik

ben bereid mijn leven te geven voor het heilige, christelijke geloof!"

Op het hooren van deze stoutmoedige woorden werd de sultan

zeer verstoord en gaf bevel Stephanus terecht te stellen. Maar

Stephanus bezat een goed vriend in den vizier van Tyoopria, die

op dit kritieke oogenblik den sultan smeekte niet toe te geven aan

zijn toorn. "Laat, in den naam van Allah, o mijn Padisha," zei hij,

"een zoo onverschrokken jongeman niet onthoofden! Ik heb hem mijn

eerewoord gegeven, o sultan, dat gij zijn leven niet zoudt nemen! Stel

hem onder borgtocht in mijn handen! Ik zal u evenveel gouden dukaten

geven als hij op uw weegschaal weegt en zal hem bewaken in mijn kasteel

te Tyoopria, waar, ik beloof het u, ik hem het Mohammedaansche geloof

zal leeren liefhebben."

De sultan stond zijn vizier genadiglijk dit verzoek toe en Stephanus

vertrok met den Turk naar zijn provincie.

Stephanus te Tyoopria.

Toen de vizier te Tyoopria kwam, noodigde hij Stephanus uit om te

genieten van al de weelde van zijn kasteel en gedurende een geheel jaar

beproefde hij door voorkomendheid en vriendelijkheid den Servischen

prins tot het geloof van den Muzelman over te halen. Toen al zijn

pogingen mislukten, riep hij zijn hodja's [61] en kadi's [62] zoowel

als de edellieden van zijn district op en deze mannen spraken aldus

tegen Stephanus:

"O, Stephanus, de vizier heeft ons bevolen u tot het ware geloof te

bekeeren. Indien gij dit wilt omhelzen, dan zal hij u zijn eenige

dochter ten huwelijk geven--zij is mooier dan de witte veela zelf--en

hij zal u dan doen aanwijzen tot Groot-vizier van Novi Bazar. Maar

indien gij weigert een Turk te worden, dan zal zijn djelat [63]

uw hoofd doormidden splijten."

Hierop antwoordde Stephanus: "Ik dank u, eerwaardige hodja's en

kadi's! Maar ik zou liever mijn leven willen verliezen voor de zaak

van ons heilig geloof en de wet van onzen Heer Jezus, dan te leven

en een Turk te worden."

De vizier wendde zich treurig af, en beval zijn djelat prins Stephanus

te onthoofden. Maar weer stond Stephanus' goed gesternte hem bij. De

Groot-vizier van Novi Bazar kwam naar den vizier van Tyoopria en

smeekte hem den jongen man niet te onthoofden. "Herinnert gij u niet,"

zei hij, "dat gij beloofd hebt hem niet naar het leven te staan? Het

zou beter zijn hem aan mij onder borgstelling over te leveren. Ik

zal u tweemaal zijn gewicht in gouden dukaten geven, en ik beloof

plechtig dat ik, indien ik hem in mijn provincie Novi Bazar heb,

er zeker in slagen zal hem tot den Islam te bekeeren!"

De vizier van Tyoopria nam het aanbod aan en Stephanus was dus voor

den tweeden keer gered van den dood.

Stephanus te Novi Bazar.

Toen de vizier te Novi Bazar aankwam, stuurde hij om zijn knecht

Hoossein.

"Luister, Hoossein, mijn getrouwe dienaar!" zei hij.

"Neem dezen duur gekochten gevangene en leid hem door de kerkers,

totdat gij aan den twaalfden komt; laat hem daarin en sluit de twaalf

deuren zorgvuldig achter u, zoodat hij noch zon noch maan kan zien. Mij

dunkt, dan zal hij spoedig bereid zijn een Mohammedaan te worden!"

Hoossein deed gelijk hem bevolen was en Stephanus werd voor een

half jaar gevangen gezet. Na verloop van dien tijd kreeg de vizier

medelijden met hem. Hij liet zijn eenige dochter Haykoona roepen en

sprak haar aldus aan: "Mijn liefste dochter, mijn hart van zuiver

goud! Luister naar de woorden van uw vader! Ga terug naar uw toren,

open uw gouden kasten en tooi u met uw rijksten opschik. Trek uw

mooiste gewaad van rose zijde aan, dat versierd is met fluweelen

lussen en gouden draden en sla over dat alles uw van goud geweven

mantel. Neem in uw rechter hand een gouden appel en onder uw arm

deze flesch; het is een drank, bereid van planten en bloemetjes uit

het bosch. Het wordt genoemd 'water der vergetelheid.' Men heeft mij

gezegd, dat hij, die zijn gezicht er mede wascht en er van drinkt, zijn

bloedverwanten moet haten en zijn godsdienst. Ga naar de diepste der

torengewelven en open de twaalf deuren; sluit ze weer alle zorgvuldig

achter u. Indien gij bij prins Stephanus komt, geef hem dan deze

flesch met haar wondervollen inhoud. Hij zal stellig zijn gelaat er

mede wasschen en er van drinken: dan zal hij zijn geloof vergeten,

den Islam omhelzen en u trouwen!"

Het Turksche meisje haakte naar geen grooter geluk, want sinds zij

den knappen Servischen prins gezien had, had een vreemd verlangen

haar gepijnigd. In haar droomen zag zij niemand dan hem; en overdag

werd zij verteerd van koorts.

Stephanus en de dochter van den vizier.

Daarom voldeed zij met groote levendigheid aan den wensch van haar

vader en toen zij Stephanus bereikte, begroette zij hem teeder:

"Heil u, o Servische held! Dat God met u zij!" En de ridderlijke prins

beantwoordde haar groet: "Dat God u helpe, o weergalooze Haykoona!"

Toen zei het mooie meisje: "O, prins Stephanus, ik schat u hooger dan

mijn zwarte oogen! Het smart mij, dat uw gelaat zoo donker geworden

is en gij een zoo ellendig leven moet leiden in de gevangenisgewelven

van mijn vader. Neem deze flesch verkoelend water; wasch uw heldhaftig

gelaat met het vocht en drink er van!"

De held nam de flesch uit de mooie handen; maar hij was

verstandig! Zonder aarzeling verbrijzelde hij haar tegen den steenen

muur, waarbij hij er wel zorg voor droeg, dat geen druppel hem

bespatte. Het Turksche meisje bloosde van toorn, maar een oogenblik

later beheerschte zij zich en een teederen blik op den prins werpende,

zei zij lieftallig: "Ik smeek u, word een Turk en trouw mij! Ik houd

meer van u dan van mijn zwarte oogen."

Maar Stephanus was tegen de verleiding bestand en hij antwoordde

streng: "O, Turksche jonkvrouwe, dat ongeluk u vergezelle! Gij weet,

dat mijn geloof een christen verbiedt een Turk te kussen! De hemelen

boven ons zouden vaneen scheuren en steenen zouden op ons hoofd

neervallen!"

De dochter van den vizier had den prins oprecht lief en ofschoon het

voor haar hooghartig gemoed niet gemakkelijk was zich over zulk een

afwijzing heen te zetten, sprak zij toch aldus: "O prins Stephanus,

waarlijk ik heb u meer lief dan mijn eigen oogen! Ik zou voor al den

rijkdom dezer wereld niet gedoopt willen zijn, maar indien gij mij

bezweert, dat gij mij lief zult hebben en belooft mij te trouwen,

dan wil ik zelfs het christelijk geloof omhelzen! Laat ons veel

goud nemen uit mijns vaders schatkamers en te zamen vluchten naar uw

heerlijk Belgrado."

Toen hij dit hoorde, sprong de jonge prins verheugd op en opende

zijn armen voor het mooie meisje. Hij was volstrekt niet ongevoelig

voor haar bekoorlijkheden en hij riep met vuur uit: "Gij hebt mijn

prinselijke belofte, dat ik u zal liefhebben en trouw blijven--gelijk

de plicht van een goed ridder is. Dat de Heere Jezus in den hemel

mijn getuige zij!"

Toen opende de jonge dochter van den vizier achtereenvolgens

de twaalf deuren en het jonge paar stond weldra in de heerlijke,

frissche lucht, onder het uitspansel, dat bezaaid was met sterren en

bestraald werd door het licht der maan. Zij namen drie tovars goud en

uit haar vaders stallen twee van zijn beste paarden. En het meisje

gaf Stephanus een sabel, bezet met groote diamanten--het was half

Novi Bazar waard--zeggende: "Neem dit zwaard, mijn geliefde heer,

opdat gij niet gedwongen wordt te zwichten voor mindere helden,

indien wij op onzen weg mochten aangevallen worden!"

Toen stegen zij op hun paarden en zetten ze tot snelle vaart aan:

in een nacht legden ze een afstand tusschen zich en het kasteel van

den vizier, waarover een karavaan niet minder dan drie dagen en drie

nachten zou gedaan hebben.

Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag bereikten zij

Belgrado en onmiddellijk liet prins Stephanus twaalf monniken komen,

die het mooie Turksche meisje doopten, waarna het jonge paar gelukkig

vereenigd werd.

Het slot van de ballade.

De bard eindigt zijn ballade met de volgende woorden, die dikwijls

het slot van een Montenegrijnsche ballade vormen: "Dit gebeurde op

zekeren tijd; laat ons, o broeders, God bidden, dat hij onzen heiligen

Vladika [64] een goede gezondheid schenke! Amen o God, tot Wien wij

altijd bidden!"

In den regel eindigen de Servische barden zoo niet; zij stellen er

zich mee tevreden hun toehoorders een goede gezondheid toe te wenschen.

Historische aanteekening.

Gedurende de lange periode van Ottomaansche overheersching over

de lijdende christelijke rassen van de Balkanstaten waren er aan

de hoven der christenvorsten altijd ontevredenen, die de sluwe

Turksche staatslieden maar al te gemakkelijk geneigd vonden hun

trouw aan hun rechtmatige heeren te breken. Zij vonden steeds

groote gastvrijheid te Constantinopel en werden vaak met rijkdom

en eerbewijzen overladen. Daarvoor bewezen zij dan zeer gewichtige

diensten aan de sultans in hun vele veldtochten, daar zij natuurlijk

goed bekend waren met den strategischen toestand van hun land en vaak

ook met gewichtige staatsgeheimen. Soms dienden deze verraders den Turk

door in hun eigen land voornamelijk onder de boeren ontevredenheid te

zaaien. Zij verzekerden dan, dat de bevolking het beter zou hebben

onder Ottomaansch bestuur. Onder den invloed van zulke afvalligen

kwam het landvolk in Bosnië en Herzegovina ten tijde van den slag van

Kossovo (1389) tegen zijn heerschers in opstand en nam het geen deel

aan den gedenkwaardigen veldslag.

Het aantal voorbeelden van een dergelijk verraad, dat Montenegro

oplevert, is echter zeer gering. Van de vroegste tijden af werd

het bewoond door de edelsten van de Servische aristocratie en

haar helden. Daar werd het aannemen van het geloof van den Islam,

onverschillig om welke reden of op welk motief ook als de grootste

lafhartigheid beschouwd, waaraan een christen zich schuldig kon maken.

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 33 / 47 题