HOOFDSTUK VIII. HET HUWELIJK VAN TSAAR DOUSHAN DEN MACHTIGEN.

Doushan zendt Theodoor naar Ledyen.

Koning Michael van Ledyen had een schoone dochter, Roksanda, en

toen tsaar Doushan haar ten huwelijk vroeg, stemde de koning daar

dadelijk in toe. De verloving kwam door tusschenpersonen tot stand,

zonder dat Doushan de prinses gezien had; hij riep daarom Theodoor,

zijn kanselier, bij zich en zei: "Luister naar mij, mijn trouwe

Theodoor! Gij moet naar koning Michael in de witte stad Ledyen gaan

en gij moet hem vragen den datum voor de huwelijksfeestelijkheden te

bepalen. Gij moet ook de andere gebruikelijke voorbereidselen met

hem regelen en er u van overtuigen, of de weergalooze Roksanda een

geschikte tsarina is voor onze Servische landen."

Theodoor beloofde zijn zending trouw te vervullen en nadat hij de

noodige toebereidselen gemaakt had, begaf hij zich op weg naar de

Venetiaansche provincie.

Toen hij aan de witte stad Ledyen kwam, ontving de koning hem hoffelijk

en schonk hem gedurende een geheele week gastvrijheid.

Toen sprak Theodoor aldus tot den koning: "O, vriend van mijn heer,

gij ridderlijke koning Michael! Mijn tsaar heeft mij niet alleen

naar hier gezonden om uw wijn te drinken; hij wenscht, dat ik de

noodige afspraken maak voor zijn huwelijk; zeg mij dus, wanneer mijn

heer kan komen? Welken tijd van het jaar schikt het u het best om

hem te ontvangen? Hoeveel svats zal hij meebrengen, als hij komt,

om de schoone maagd Roksanda te komen halen? Mijn heer heeft mij ook

opgedragen u als zijn wensch kenbaar te maken, dat mij het geluk ten

deel valle de schoone prinses te zien."

Hierop antwoordde de koning: "O, mijn vriend Theodoor! Breng mijn

groeten over aan den tsaar en zeg hem, dat hij zooveel svats mede kan

brengen als hij wil; zeg hem ook, dat hij mag komen om het meisje,

wanneer hij maar wil; maar verzoek hem uit mijn naam in geen geval zijn

neven mede te brengen, de beide Voïnovitchs, Voukashin en Petrashin,

want ik heb vernomen, dat zij zeer twistziek zijn, als zij te veel

gedronken hebben en ik vrees, dat zij de eensgezindheid gedurende

de feestelijkheden zullen verstoren. Wat de prinses betreft, zij zal

te gelegener tijd bij u komen en uit uw handen den ring van uw heer

ontvangen, gelijk de goede, oude gewoonte meebrengt."

Prinses Roksanda.

Bij het vallen van den avond werd Theodoor in een niet verlichte kamer

geleid, en terwijl hij zich afvroeg, wanneer de kandelaren gebracht

zouden worden, zie, daar stond de prinses voor hem, gehuld in een

dichte duisternis.

Theodoor voelde zich beleedigd door de poets, die hem gespeeld was;

maar hij wanhoopte niet. Hij had den prachtigen ring van zijn heer

bij zich; die was zoo rijk bezet met kostbare steenen, dat, toen hij

hem te voorschijn haalde, de geheele kamer verlicht was en de stralen

het meisje beschenen, die, naar het den gezant toescheen, schooner

was dan de witte veela zelf. Theodoor bood den verlovingsring aan en

gaf de prinses tevens duizend dukaten. Daarna geleidden haar broeders

haar terug naar haar vertrekken.

Den volgenden morgen nam Theodoor afscheid van den koning en aanvaardde

de thuisreis; toen hij te Prisrend aankwam, vroeg de tsaar levendig:

"O, mijn getrouwe Theodoor! Hebt gij het meisje Roksanda gezien en

hebt gij haar den ring gegeven! Welk nieuws brengt gij mij mee van

koning Michael?"

En Theodoor antwoordde: "Ja, mijn heer, ik zag uw bruid en schonk haar

uw ring; maar de woorden ontbreken mij om de betooverende schoonheid

van Prinses Roksanda te beschrijven! Vergeefs zou men haarsgelijke

in Servië zoeken! En koning Michael gaf mij deze boodschap mee:

gij kunt het meisje halen, wanneer gij wilt, en gij kunt zooveel

svats meenemen, als gij verkiest. Maar de koning verzoekt u dit eene:

dat gij onder geen enkele voorwaarde de Voïnovitchs, uw beide neven

meeneemt, want zij zijn minnaars van den wijnbeker en zijn spoedig

beleedigd; zij zouden dronkemanstwisten kunnen teweeg brengen en het

zou misschien moeilijk zijn hun geschillen op een vredelievende manier

te beslechten."

Toen hij dit hoorde, sloeg de tsaar met zijn rechterhand op zijn

knie en riep uit: "Helaas! Dat God mij helpe! Is de slechte naam

van mijn neven reeds zoover verbreid! Bij mijn onwankelbaar geloof,

ik zal beiden onmiddellijk na de huwelijksfeestelijkheden aan de

poorten van hun kasteel Voutchitrn laten ophangen, opdat zij niet

langer over de heele wereld mijn naam te schande maken!"

De processie begeeft zich op weg.

Spoedig daarop riep de tsaar zijn svats bijeen en toen zij allen

verzameld waren, leverden zij een schitterend schouwspel op. De

huwelijksprocessie nam haar weg over de vlakte van Kossovo en toen

zij voorbij de muren van het kasteel Voutchitrn kwam, keken de twee

jeugdige Voïnovitchs neer op den ruiterstoet en zeiden treurig tegen

elkaar: "Onze oom moet boos op ons zijn, anders zou hij ons zeker

hebben uitgenoodigd om deel te nemen aan zijn huwelijksfeest! De een

of andere schurk moet kwaad over ons hebben gesproken. Dat honderd

onheilen komen over hem, die ons dit heeft aangedaan! Onze tsaar gaat

naar het Venetiaansche land en heeft geen enkelen held in zijn gevolg,

noch een naasten bloedverwant op wien hij, als gevaar hem dreigt,

rekenen kan. De Venetianen zijn reeds van oudsher bekend als zeer sluw

en geslepen, en zij kunnen onzen doorluchtigen tsaar dooden! En toch,

hem te vergezellen zonder dat wij zijn uitgenoodigd, is meer dan wij

durven doen".

Daarop sprak hun bejaarde moeder: "O, mijn kinderen, gij

Voïnovitchs! Gij hebt een broeder in de bergen, Milosh, den

schaapherder; ofschoon de jongste, is hij de grootste held van u allen

en hij zal een middel vinden om onze eer hoog te houden. De tsaar

heeft nooit van hem gehoord. Ik raad u hem een boodschap te zenden

en hem te verzoeken naar het kasteel Voutchitrn te komen; meld hem

de ware reden niet, maar zeg hem, dat zijn moeder, die oud is, elk

oogenblik kan sterven, en dat zij hem haar zegen wenscht te geven. Zeg

hem haast te maken, indien hij zijn moeder nog levend wil vinden!"

Deze raad scheen den beiden broeders goed. Zij schreven een brief

en zonden dien met spoed naar den berg Shar, waar Milosh met zijn

kudde vertoefde.

Toen Milosh den brief las, veranderde zijn gelaat en hij stortte

bittere tranen. Zijn smart werd opgemerkt door dertig herders, die hem

omringden: "O, Milosh, dapper hoofdman!" riepen zij. "Vele berichten

hebben u bereikt, maar nooit hebben wij u tranen zien storten, als

gij ze laast. Van waar kwam deze brief, en welk slecht nieuws brengt

hij? Vertel het ons gauw, wij smeeken het u!"

Milosh sprong op en sprak zijn herders aldus aan: "Luistert, o herders,

mijn dierbaarste broeders! Dit bericht komt van het kasteel. Mijn

moeder ligt op haar doodsbed en zij roept mij, om mij haar zegen

te geven, opdat mijn ziel niet gevloekt zij. Ik moet mij tot haar

spoeden, en ik draag u op tijdens mijn afwezigheid goed op de schapen

te passen."

Toen Milosh het witte kasteel naderde, zagen zijn broeders hem vanaf

een toren en zij trokken uit om hem tegemoet te gaan; hun bejaarde

moeder volgde ook. Milosh was verbaasd haar te zien en zei verwijtend:

"Waarom, waarde broeders, meldt gij ongeluk, als er geen grond voor

is en als alles goed met u is! Dat de Almachtige u deze misleiding

vergeve."

En zijn broeders antwoordden: "Kom binnen, waarde broeder, er _is_

toch een groot ongeluk!"

De jonge mannen omhelsden elkaar en Milosh kuste de hand zijner

moeder. Toen deden de broers het verhaal van de verloving van hun oom

en hoe hij naar het Venetiaansche land trok zonder zijn beide neven

te hebben uitgenoodigd in den huwelijksstoet mede te rijden en zij

besloten hun verhaal met deze smeekbede: "O, lieve broeder Milosh! Gij

moet den tsaar vergezellen, ja, al zijt gij niet genoodigd. Zoo hij

door eenig ongeluk bedreigd werd, zoudt gij uw oom kunnen bijstaan. Gij

kunt gaan en terugkeeren--zonder u aan iemand bekend te maken!"

Milosh was daartoe dadelijk bereid en hij antwoordde verheugd: "Ik

zal gaan, o, mijn broeders. Ja, hoe zou ik anders kunnen? Indien ik

niet bereid was onzen dierbaren oom bij te staan, wien anders zou ik

het dan willen doen?"

Daarop begonnen zijn broers de noodige toebereidselen te maken. Peter

ging naar den stal om zijn paard, Koulash, te zadelen, terwijl

Vankashin bleef om toe te zien, dat Milosh van een passende uitrusting

werd voorzien. Eerst trok hij hem een fijn hemd aan, dat van den hals

tot het middel met goud geborduurd was; van daaraf was het geweven van

witte zijde. Op het hemd waren drie dunne, sierlijke linten bevestigd;

dan een vest, versierd met dertig gouden knoopen; daarover een gouden

borstharnas, dat ongeveer vijftien pond woog. En ook in onderdeelen

werd zijn uitrusting verzorgd als ware hij een prins; tenslotte hing

hij over zijn breede schouders een ruwen Bulgaarschen herdersmantel,

die hem geheel omhulde en zette hem een Bulgaarschen bonten muts met

een hoogen punt op het hoofd, zoodat hij zoo volkomen op een zwarten

Bulgaar geleek, dat zelfs zijn eigen moeder hem niet herkend zou

hebben. Nu brachten de broeders hem een krijgslans en een knots en

het betrouwbare zwaard van hun ouden vader Voïn. Toen leidde Peter

Koulash voor, waarop hij een berenhuid had gelegd, opdat de tsaar

het welbekende paard niet zou herkennen.

Milosh voegt zich bij den stoet.

Milosh was nu gereed om te vertrekken en toen hij afscheid van

zijn broeders nam, gaven zij hem dezen raad: "Indien gij bij de

bruiloftsgasten komt, zullen zij u vragen, wie gij zijt en vanwaar gij

komt. Gij moet antwoorden, dat gij van het land Karavallahia komt,

waar gij een Turksch heer hebt gediend, Radoul-bey, die u uw loon

niet wilde uitbetalen, waarom gij nu uitziet naar een milddadiger

heer. Zeg daarbij, dat, daar gij toevallig bericht hebt ontvangen

van het huwelijk van den tsaar, gij zijt komen aanrijden om u bij

de bedienden van het gezelschap te voegen, niet om eenig loon te

ontvangen, maar dat gij graag wilt dienen voor een stuk brood en een

glas rooden wijn. Intusschen moet gij de teugels van uw paard stevig

in handen houden, want Koulash is gewoon in hetzelfde gelid te gaan

als de strijdrossen van den tsaar en hij zou u kunnen verraden!"

Nadat de broeders hun goeden raad gegeven hadden, nam Milosh afscheid

van hen en van zijn moeder en stuurde hij zijn paard in de richting

van den huwelijksstoet; in het gebergte Zagoryé haalde hij hen in. Toen

zij den vreemdeling zagen, riepen de svats hem aan.

"Vanwaar komt gij, kleine, jeugdige Bulgaar?" En Milosh antwoordde:

"Van verre!" gelijk zijn broeders hem hadden aangeraden. Toen namen

de svats hem dadelijk in hun kring op, zeggende: "Dat gij gelukkig

in ons gezelschap moogt zijn, kleine, jonge Bulgaar! Wij zijn altijd

blij, als we weer iemand meer in onze nabijheid hebben!"

Het vorstelijk gezelschap, stralend van de schitterende kleuren

der luisterrijke uniformen, terwijl de lansen en harnassen in de

zon glinsterden, reed door, totdat het in een vallei kwam. Nu had

Milosh de slechte gewoonte, die hij zich in het gebergte Shar bij

het hoeden van zijn schapen had eigen gemaakt, om tegen den middag

in te slapen en terwijl zijn Koulash fier voortstapte, viel hij in

een diepen slaap en zoo kwam het, dat zijn hand de teugels losser

vast hield. Zoodra Koulash voelde, dat de toom losser was, kromde

hij zijn nek en vloog als een pijl uit den boog door de rijen van

den ruiterstoet, waarbij hij paarden en ruiters omverwierp, totdat

hij de paarden van den tsaar had bereikt. Toen drong hij zich in hun

gelid en nam denzelfden, langzamen, regelmatigen pas aan.

Maar nu was de geheele stoet in wanorde geraakt en een menigte Lales

[52] zou op de onschuldige oorzaak van de beroering zijn aangevallen,

indien Doushan niet tusschenbeide was gekomen om hem te beschermen:

"Slaat dezen jeugdigen Bulgaar niet; hij is een herder en herders

hebben de gewoonte tegen den middag in te dommelen onder het hoeden

van hun schapen; weest niet boos, maar maakt hem zacht wakker."

Daarop wekten de svats Milosh, roepende: "Ontwaak, o dwaze, jonge

Bulgaar! Dat de Almachtige uw oude moeder spare, die u niet heeft

kunnen doen begrijpen, dat gij het niet wagen moogt u bij het

gezelschap van den tsaar te voegen!"

De sprong van Koulash.

Milosh ontwaakte plotseling en zag, dat de tsaar met zijn diepe,

zwarte oogen naar hem keek en zie! zijn Koulash liep in de koninklijke

rij. Hij draalde geen oogenblik, maar nam de teugels stevig in de hand

en gaf zijn paard flink de sporen. Een oogenblik trilde Koulash van

zijn kop tot zijn hoeven, daarna sprong hij als waanzinnig in in de

lucht, drie lansen hoog, vier lansen ver terzijde, en over een afstand

van zooveel lansen vooruit, dat niemand ze kon tellen! Vuur kwam

uit zijn bek en blauwe vlammen kwamen uit zijn neusvleugels! Twaalf

duizend svats aanschouwden met ontzag en bewondering den verbazenden

sprong van het Bulgaarsche paard en riepen als één man uit: "Vader

der barmhartigheid, welk een groot wonder!" Toen zeiden eenigen

tegen anderen: "Hoe komt zulk een goed paard in het bezit van zoo

iemand? Zulk een wonder hebben wij te voren nooit gezien!"

Anderen zeiden: "Er was werkelijk één ros als dit in de stallen van

den schoonzoon van onzen tsaar; en nu is het in bezit van zijn neven,

de beide broeders Voïnovitchs".

Onder de helden, die het paard bewonderden, waren Voutché van

Dyakovitza, Yanko van Nestopolyé en een jongeling uit Priepolyé. Dezen

spraken aldus tegen elkaar: "Wat een prachtig paard heeft die

Bulgaar! Zijns gelijke is in dezen huwelijksstoet niet te vinden,

zelfs onze eigen tsaar heeft er geen zoo. Laat ons wat achter blijven

en trachten er hem van te berooven".

Toen zij Klissoura bereikten, waren de drie ruiters ver achter

de andere svats; en Milosh reed daar ook alleen. Toen naderden de

helden hem en terwijl zij zich zeer beleefd voordeden, spraken zij

hem aldus aan: "Luister naar ons, gij jeugdige Bulgaar! Wilt gij uw

paard voor een beter ruilen? Wij zullen u bovendien honderd dukaten

geven en daarbij een ploeg en een paar ossen, opdat gij uw akkers

kunt bebouwen en in vrede het overige van uw dagen kunt slijten!"

Maar Milosh antwoordde: "Laat mij met rust, o, gij drie machtige

ruiters! Ik wensch geen beter paard dan dat, hetwelk ik reeds heb;

want hebt gij niet gezien, dat ik dit zelfs niet rustig kan houden? En

wat uw koopsom betreft, wat zou ik met zooveel dukaten doen? Ik weet

niet, hoe ik ze moet wegen en ik kan ook niet tellen tot honderd. Wat

zou ik doen met uw ploeg en ossen? Mijn vader heeft nooit een ploeg op

zijn akkers gebruikt en toch hebben zijn kinderen nooit honger gekend!"

De strijd om Koulash.

Op het hooren van dit antwoord zeiden de drie ruiters toornig: "Gij

deedt beter ons voorstel te aanvaarden, o, hooghartige Bulgaar, opdat

wij niet met geweld uw paard nemen!" Op deze bedreiging antwoordde

Milosh: "Het is waar: met geweld neemt men zelfs landen en steden;

hoe gemakkelijk moet het dan aan drie mannen niet vallen om mijn paard

met geweld te ontnemen! Daarom ruil ik het liever, want ik ben niet

in staat te voet te reizen".

Dit zeggende deed Milosh alsof hij gewillig afstand van Koulash deed;

hij stak zijn rechterhand onder zijn ruwen mantel. Zij meenden, dat

hij zijn sporen wilde afnemen, maar zij vergisten zich deerlijk, want

dadelijk daarop kwam zijn zeshoekige knots te voorschijn en voordat

zij nog van hun verbijstering bekomen waren, gaf Milosh Voutché een

zacht tikje, dat hem drie keer na elkaar deed ombuitelen. Daarna sprak

Milosh hem spottend toe: "Dat de vruchtbaarheid uwer wijngaarden in

uw vreedzaam landgoed Dyakovitza even groot zij als uw dapperheid!"

Toen hij zag, hoe het zijn makker verging, vluchtte Yanko in allerijl,

maar Koulash had bijna geen tijd noodig om het vluchtende paard te

achterhalen en Milosh liet op den schouder van zijn ruiter zulk een

slag vallen, dat ook hij op den grond werd geslingerd, waar hij vier

keer omtuimelde, voordat hij liggen bleef.

"Wacht even! O, Yanko!" smaalde Milosh. "Dat de vruchtbaarheid der

appelboomen op uw vreedzaam landgoed even overvloedig zij als de

dapperheid, die gij heden aan den dag hebt gelegd!"

Nu bleef nog slechts de man uit Priepolyé over, die ondertusschen een

eind verder was gevlucht. Maar de snelheid van zijn paard baatte hem

niet bij de vlugheid van Koulash en Milosh bereikte hem spoedig en

gaf hem met zijn strijdknots een tik, die hem niet minder dan zes keer

kopje deed duikelen. Of hij het hooren kon of niet, Milosh riep luid

uit: "Houd u vast, o jonge man van Priepolyé, en als gij teruggaat

naar Priepolyé, dan moogt gij er wat mij aangaat tegen de meisjes op

pochen, hoe gij heden met geweld een Bulgaarsch paard hebt genomen".

Hierop wendde Milosh zijn ros om en bereikte weldra den

huwelijksstoet. Te zijner tijd bereikte de processie de witte stad

Ledyen en de Serviërs sloegen hun witte tenten onder de muren op. De

stalknechts gaven aan de paarden gerst, maar zij gaven niets aan

Koulash. Toen Milosh dit zag, nam hij in zijn linkerhand een voederzak

en van paard tot paard loopend, nam hij met zijn rechterhand van elk

een handvol weg, totdat hij den zak voor zijn trouwen Koulash had

gevuld. Daarna ging hij naar den opperwijnschenker en verzocht hem

om een glas wijn. Maar deze weigerde, zeggende: "Ga heen, gij zwarte

Bulgaar! Indien gij uw ruwen Bulgaarschen houten nap had meegebracht,

zou ik er wellicht een dronk ingeschonken hebben, maar deze gouden

bekers zijn niet voor u!" Milosh wierp een donkeren blik op den lompen

wijnbewaarder, en liet dien volgen door een zachten tik op zijn wang,

die drie gezonde tanden naar zijn keel zond. Toen werd de man bang en

hij verzocht Milosh: "Laat uw hand rusten, o machtige Bulgaar! Gij

zult wijn in overvloed hebben, zelfs al zou onze tsaar er bij te

kort komen".

Maar Milosh lette niet meer op den man, doch hielp zich zelf. Toen

hij door den pittigen wijn verkwikt was, daagde de dag en de zon

begon te schijnen.

De eerste proef.

Toen Milosh in de frissche schoonheid van den vroegen morgen stond

te drinken, riep een page van koning Michael luid van een toren van

het koninklijk kasteel: "Luister o, Servische tsaar Doushan! Zie,

in de vallei onder de muren der stad bevindt zich de kampioen van

onzen koning! Gij moet een tweegevecht met hem aangaan, gij zelf

of een plaatsvervanger. Indien gij hem niet overwint, zult gij deze

plaats niet ongedeerd verlaten, evenmin zal een uwer bruiloftsgasten

terugkeeren! En nog minder zult gij prinses Roksanda met u meevoeren!"

Doushan hoorde de hooghartige boodschap en hij zond een omroeper,

die een krachtige stem had, rond onder de bruiloftsgasten. Hier en

daar stond hij stil om de boodschap van den tsaar luid uit te roepen:

"Heeft een moeder het leven geschonken aan een onbevreesden held,

die de uitdaging voor onzen tsaar wil aannemen? Hij, die dapper genoeg

is om den strijd tegen den kampioen aan te binden, zal door den tsaar

in den adelstand worden verheven."

Maar helaas! toen de omroeper het kamp door was gegaan, was niemand

naar voren getreden, om de eer op te eischen voor den tsaar te

strijden.

Toen Doushan dit hoorde, sloeg hij met zijn rechterhand op zijn

knie en riep uit: "Wee mij! o machtige Schepper! Indien ik nu mijn

lievelingsneven, de twee voïnovitchs bij mij had, dan zou ik niet

zonder kampioen zijn. De tsaar had nauwelijks zijn jammerklacht

geslaakt, of Milosh, zijn paard bij den toom leidend, verscheen voor

de tent van den tsaar.

"O, mijn heer, gij machtige tsaar!" zei hij, "staat gij mij toe dit

tweegevecht aan te gaan?"

De tsaar antwoordde: "Gij moogt het aanvaarden, o jeugdige

Bulgaar! Maar helaas, er is maar weinig kans, dat gij dien pochenden

kampioen van den koning kunt overwinnen. Maar als gij slaagt, waarlijk

dan zal ik u in den adelstand verheffen!"

Milosh sprong in het zadel en toen hij zijn vurigen Koulash van den

tsaar afwendde, wierp hij achteloos zijn lans over zijn schouder

met de punt naar achteren. Dit ziende riep Doushan hem toe: "O,

mijn zoon, draag uw lans zoo niet. Draag de punt vooruit, opdat

de trotsche Venetianen u niet uitlachen!" Maar Milosh antwoordde:

"Zie toe, o tsaar, dat gij uw eigen waardigheid hoog houdt, en maak u

niet bezorgd over de mijne! Indien het noodig is, zal ik gemakkelijk

mijn lans op het juiste oogenblik omkeeren, zoo niet, dan kan ik ze

even goed op deze verkeerde manier houden!"

Terwijl Milosh over de vlakte van Ledyen reed, zagen de vrouwen

en meisjes van Ledyen hem, en lachend riepen zij uit: "Heiligen in

den hemel! Een wonder! Welk een plaatsvervanger voor een Servisch

keizer! De jonge man heeft zelfs geen ordentelijke kleeren aan! Wees

blij, gij kampioen van den koning, want gij zult nauwelijks uw zwaard

uit de scheede behoeven te halen!"

Ondertusschen had Milosh de tent bereikt, waarin de kampioen van

den Venetiaanschen koning zat. Voor den ingang had hij zijn lans

diep in den grond gestoken en hieraan had hij zijn grijs paard

vastgebonden. Milosh sprak aldus den kampioen aan: "Sta op, kleine,

blanke Venetiaansche heer; wij zullen samen vechten voor de eer van

onze meesters!"

Maar de kampioen antwoordde toornig: "Scheer u weg, gij leelijke,

zwarte Bulgaar! Mijn zwaard is niet voor dezulken als gij zijt! Ik

zou mijn staal niet willen bezoedelen door het in zulk een in lompen

gehulden kerel te steken!"

Deze opmerking maakte Milosh zeer boos en hij riep uit: "Sta op,

hooghartige Venetiaan! Gij hebt werkelijk een rijker gewaad; ik zal

het u ontnemen en wie zal dan de mooiere veeren hebben?"

Nu sprong de kampioen op en besteeg zijn grijs paard, dat hij over het

veld liet steigeren en springen. Milosh stond er kalm naar te kijken,

totdat de Venetiaan plotseling zijn lans recht naar de borst van

Milosh slingerde. De behoedzame Serviër ving ze op den gouden knop

van zijn knots op en terwijl hij het wapen over zijn hoofd wierp,

brak hij het in drie stukken.

Deze behendigheid verontrustte den kampioen en hij riep uit: "Wacht een

oogenblik, jij leelijke, zwarte Bulgaar! Mijn lans deugde niet, wacht,

totdat ik er een betere heb gekregen!" Hiermede gaf hij zijn paard de

sporen, maar Milosh riep hem na: "Wacht, gij blanke Venetiaan! Gij

zult mij niet ontkomen!" Tegelijk gaf hij zijn Koulash de sporen,

joeg den lafhartigen kampioen achterna, en vervolgde hem tot vlak aan

de poorten van Ledyen. Jammer genoeg voor den vluchteling waren de

poorten gesloten! Een oogenblik stond de kampioen besluiteloos stil en

dit oogenblik was zijn laatste. Milosh zond zijn onfeilbare lans af;

zij floot door de morgenlucht en de kampioen was aan de poort genageld.

Toen steeg Milosh van zijn paard, sloeg het hoofd van den Venetiaan

af, en wierp het in den voederzak van Koulash. Daarna greep hij het

grijze paard en reed er mee naar den tsaar. "Hier, o machtige tsaar",

zei hij, "is het hoofd van den kampioen van den koning!"

Doushan was meer dan verheugd over zijn dapperheid en gaf hem veel

goud. "Ga, mijn zoon" zei hij vriendelijk, "drink wat goeden wijn,

en dadelijk zal ik u in den adelstand verheffen!"

De tweede proef.

Nauwelijks had Milosh plaats genomen achter zijn beker wijn of weer

riep een page met luider stem van het koninklijk kasteel: "Zie, o

Servische tsaar! Ginds beneden in de weide kunt gij drie vurige paarden

gezadeld zien; op iederen rug is een vlammend zwaard bevestigd met

de punt omhoog. Indien gij in vrede van hier wilt gaan en de dochter

van den koning medenemen, dan moet gij of uw plaatsvervanger over

deze vlammende zwaarden springen."

Weer zond de tsaar een omroeper zijn kamp rond: "O, Serviërs" riep

hij, "heeft niet een moeder het leven geschonken aan een held, die

den sprong wil wagen over de drie paarden en de vlammende zwaarden,

die op hun rug zijn bevestigd?"

Weer ging hij het geheele kamp door, waarbij hij er voor zorgde, dat

zijn woorden door elken svat gehoord konden worden, maar weer kwam

er geen enkele held zich aanbieden. Terwijl de tsaar nog in angstig

gepeins over het vraagstuk verzonken zat, keek hij op en zie! weer

stond Milosh voor hem. "O, roemruchtige tsaar!" zei hij, "staat gij mij

toe deze heldendaad te beproeven?" En de tsaar antwoordde dadelijk:

"Zeker moogt gij gaan, mijn lieve zoon! Maar doe eerst dien lompen

Bulgaarschen mantel af! Dat God den dommen kleermaker straffe, die

hem zoo maakte!" Maar Milosh zei:

"Wees gerust, o machtige tsaar en drink uw koelen wijn! Maak u niet

bezorgd over mijn ruwen mantel. Indien de held een hart heeft, dan zal

zijn mantel hem niet in den weg zijn; en indien een schaap haar vacht

te zwaar vindt, dan is er geen schaap in haar noch wol op haar huid!"

Zoo reed hij naar de weide van Ledyen, waar de drie paarden naast

elkaar vastgebonden stonden en den grond met hun voorpooten

omwoelden. De jonge man steeg van zijn Koulash af en ging op

verscheidene passen van het derde paard naast hem staan; daarna

streelde hij Koulash zacht over zijn trotschen nek en zei: "Je zult

hier rustig staan blijven, totdat ik weer op het zadel kom!" Toen liep

hij de paarden voorbij, bleef op korten afstand van het eerste paard

staan, waar hij zich omwendde, zoodat zijn gelaat naar de op eenigen

afstand van elkaar op een rij geplaatste paarden gekeerd was. Daarna

danste hij eerst op den eenen voet en toen op den anderen, waarop hij

plotseling als een vlug hert vooruit schoot en toen, hoog opspringende,

zich over de drie paarden met de vlammende zwaarden wierp, waarna

hij veilig op het zadel van zijn eigen Koulash terecht kwam. Nadat

hij dit gedaan had, nam hij de teugels van de drie rossen, en reed

er mede in triomf naar den Servischen tsaar.

De derde proef.

Heel spoedig kwam de page van den Venetiaanschen koning weer naar

den toren van het koninklijk kasteel en sprak aldus: "Luister,

gij tsaar van de Serviërs! Onder den hoogsten toren van dit kasteel

bevindt zich een slanke lans, waarop een gouden appel is gestoken;

op twaalf pas afstand is een ring: gij moet een pijl door den ring

schieten en den appel doorboren--gij of uw afgezant!"

Dezen keer wilde Milosh niet wachten, tot de omroeper zijn boodschap

gedaan had, maar ging regelrecht naar den tsaar en verkreeg zijn

toestemming om de taak te vervullen. Na zijn gouden pijl en boog

genomen te hebben, begaf hij zich naar de aangewezen plaats, plaatste

zijn pijl op het koord van den boog en de pijl ging recht door den

ring en trof het hart van den appel, dien hij in zijn hand opving,

toen hij viel. Weer schonk de tsaar hem ontelbaar veel gouden dukaten.

De vierde proef.

Nauwelijks was dit wonderbare heldenfeit volbracht, of de vorstelijke

page verscheen weer op den toren van het kasteel:

"Zie, o tsaar van de Serviërs! De twee koninklijke prinsen hebben

voor het paleis des konings drie schoone meisjes gebracht, allen

precies gelijk en gekleed in gelijke gewaden. De koning verzoekt u

te raden, wie van de drie prinsessen Roksanda is! Wee u, als gij een

ander meisje aanraakt dan Roksanda! Gij zult de prinses niet als uw

bruid meevoeren, noch zult gij heengaan met uw hoofd op uw schouders,

en evenmin zullen uw gasten deze plaats levend verlaten!"

Toen Doushan deze boodschap hoorde, liet hij dadelijk zijn raadsman

Theodoor komen en beval: "Ga, Theodoor, en zeg wie Roksanda is!" Maar

Theodoor verklaarde, dat hij haar maar zoo'n kort oogenblik had gezien,

dat het hem onmogelijk zou zijn van de drie meisjes, die allen op

elkaar geleken, de eene aan te wijzen, die hij gezien had bij het

licht van den ring zijns meesters.

Toen hij dit hoorde, sloeg de tsaar in wanhoop met zijn hand

op zijn knie, uitroepende: "Helaas: helaas! Moeten wij na vele

verbazingwekkende heldendaden te hebben uitgevoerd, terugkeeren zonder

de bruid en geschandvlekt in de oogen van ons volk?" Juist op dat

oogenblik kwam Milosh, die begrepen had in welke moeilijkheden de

tsaar zich bevond, naar de keizerlijke tent en sprak aldus: "Staat

gij mij toe, o tsaar, om voor u te raden wie van de meisjes prinses

Roksanda is?" En de tsaar antwoordde verheugd: "Mijn volmacht hebt

gij, o mijn lievelingszoon. Maar gering is de hoop, dat gij juist

zult raden, daar gij de prinses nooit te voren hebt gezien!"

Daarop antwoordde Milosh "Wees niet bevreesd, mijn roemruchtige

heer! Toen ik nog een herder was en in het gebergte Shar de wacht

hield bij twaalf duizend schapen, werden er in een nacht drie honderd

lammeren geboren en ik was in staat van elk lam te zeggen uit welke

moeder het geboren was. Hoeveel gemakkelijker zal het zijn Roksanda

te herkennen, die toch eenige gelijkenis moet hebben met haar broers!"

"Ga, ga dan, mijn lievelingszoon! Dat God u bijsta, wanneer gij

raadt. Indien gij slaagt, dan zal ik u het geheele land van Skender

geven; gij zult er heerschen, zoolang gij leeft!"

Milosh ging over de uitgestrekte vlakte, totdat hij aan de plaats

kwam, waar de drie meisjes stonden te wachten. Met een snelle en

onverwachte beweging, zwaaide hij den ruwen bonten muts van zijn

hoofd, wierp hij den zwaren mantel van zijn schouders, waardoor het

scharlaken fluweel en het gouden harnas, dat er onder verborgen was,

zichtbaar werden. Waarlijk, hij schitterde in het groene veld als de

ondergaande zon achter een bosch! Milosh spreidde zijn mantel op het

gras uit en wierp daarop ringen, parelen en kostbare steenen. Daarna

trok hij zijn fijn-gehard zwaard uit de scheede en sprak de drie mooie

meisjes aldus aan: "Dat zij, die prinses Roksanda is, haar sleep bij

elkaar neme en haar mouwen en deze ringen, parelen en kostbare steenen

oprape! Indien iemand anders dan Roksanda deze schoone voorwerpen zou

durven aanraken, zweer ik bij mijn vast geloof, dat ik haar dadelijk

beide handen zal afhouwen, ja, tot aan haar ellebogen!"

De drie schoone meisjes waren ontsteld en twee van haar keken

beteekenisvol naar haar gezellin, die in het midden stond. Dit was de

prinses en na een oogenblik aarzelens nam Roksanda haar zijden sleep

en mouwen bijeen en begon de ringen, parelen en kostbare steenen

op te rapen. De twee andere meisjes waren op het punt te vluchten,

maar Milosh nam haar zacht bij de hand en geleidde alle drie naar

den tsaar, aan wien hij prinses Roksanda voorstelde; deze eer viel

ook een van haar gezellinnen te beurt, die als haar hofdame bij haar

blijven mocht, maar het andere meisje hield hij voor zich zelf. De

tsaar kuste Milosh tusschen zijn vurige oogen; nog altijd wist hij

niet, wie Milosh was of vanwaar hij kwam.

Het vertrek der Serviërs.

De ceremoniemeesters riepen nu overluid: "Maak u gereed, gij svats! Het

wordt hoog tijd, dat wij ons naar huis spoeden!" En de svats maakten

zich gereed voor de reis en spoedig begaven zij zich op weg en namen

de schoone prinses Roksanda mee.

Toen zij de poorten van de stad verlieten, naderde Milosh den tsaar en

zei: "O, mijn heer, gij Servische tsaar Doushan, luister naar mij! Er

is in de stad Ledyen een geweldig held, Balatchko, de voïvode genaamd;

ik ken hem en hij kent mij. Balatchko heeft drie hoofden: uit een

er van komt een blauwe vlam, uit het andere blaast een ijskoude

wind. Wee hem, naar wien een van deze gericht is! Maar indien een

held ze weerstaat, dan is het niet moeilijk Balatchko te verslaan,

als zijn wind en vlam hem hebben verlaten. De Venetiaansche koning

heeft hem zeven jaar geoefend, want het is zijn voornemen hem te

gebruiken om den koninklijken huwelijksstoet te vernietigen en prinses

Roksanda te bevrijden, voor het geval gij er in zoudt slagen haar in

uw bezit te krijgen. Nu is het zeker, dat hij hem zal zenden om u te

overvallen. Vervolg uw weg en ik zal achter blijven met driehonderd

uitgelezen helden, om het monster tegen te houden, als het u vervolgt."

Daarom bleef Milosh met zijn driehonderd makkers in het groene woud,

terwijl de svats verder gingen met de schoone prinses Roksanda.

De svats hadden ternauwernood hun tenten opgebroken, of koning Michael

liet den voïvode Balatchko roepen. "O Balatchko, mijn getrouwe

dienstknecht," zei hij, "kunt gij vertrouwen op uw dapperheid en

uittrekken tegen de svats van den tsaar, om mijn dochter Roksanda

terug te brengen?"

En Balatchko antwoordde: "Mijn heer, gij koning van Ledyen! Zeg

mij eerst, wie die moedige held was, die de groote heldendaden heeft

verricht, waartoe gij den Servischen tsaar hebt uitgedaagd?" De koning

van Ledyen antwoordde hem: "O, Balatchko, mijn getrouwe dienaar? Hij is

geen held; hij is slechts een jeugdige zwarte Bulgaar." En Balatchko

antwoordde: "Neen, gij vergist u; hij is geen zwarte Bulgaar. Ik

ken hem goed; hij is prins Milosh Voïnovitch zelf, dien zelfs

den Servischen tsaar niet kon herkennen onder zijn vermomming als

herder. Waarlijk, hij is geen gewoon held, en een, die niet licht

geacht mag worden door eenig krijgsman, hoe onbevreesd hij ook moge

zijn." Toch drong de koning aan: "Trek op tegen de svats, o voïvode

Balatchko! Indien gij de prinses weer terugwint, dan geef ik u haar

tot vrouw!"

De strijd met Balatchko.

Op het vernemen van deze belofte zadelde Balatchko zijn merrie

Bedevia en begaf zich op weg om de svats te vervolgen, vergezeld van

zeshonderd Venetiaansche kurassiers. Toen zij het bosch bereikten,

zagen zij Koulash midden op den hoofdweg staan en Milosh te voet

achter hem. Balatchko sprak den prins aan met deze woorden: "O

Milosh, klaarblijkelijk hebt gij op mij gewacht!" Hierna richtte

hij zijn blauwe vlam op hem, die slechts het bont van Milosh zengde;

waarop hij, toen hij zag, dat hij den held geen ernstig letsel had

toegebracht, zijn ijskouden wind over hem liet heengaan. Koulash

tuimelde driemaal om en in het stof, maar de wind had geen invloed op

zijn meester. Met den uitroep: "Hier hebt gij iets, dat gij niet had

verwacht!" slingerde Milosh zijn driehoekige knots en gaf Balatchko

een zachten slag, die hem uit het zadel lichtte. Toen wierp Milosh

zijn lans en stak den kerel aan den grond, waarna hij de drie hoofden

afsloeg en ze in den voederzak van Koulash wierp. Na dit gedaan te

hebben besteeg hij zijn paard en voerde zijn driehonderd Serviërs aan

tegen de Venetiaansche kurassiers en kliefde driehonderd hoofden;

de overlevenden werden op de vlucht gedreven. Daarna haastte hij

zich en haalde spoedig den tsaar in, aan wiens voeten hij de drie

grimmige hoofden van Balatchko wierp. De tsaar verheugde zich

over zijn overwinning en gaf hem duizend dukaten, daarna zette de

processie haar tocht naar Prisrend voort. Midden op de vlakte van

Kossovo ging de weg van Milosh naar de vesting Voutchitrn naar rechts,

en hij naderde den tsaar om afscheid van hem te nemen. "Dat God met u

zij, mijn lieve oom!" zei hij. Toen pas hoorde de tsaar, dat de man,

dien hij voor een Bulgaar gehouden had, niemand anders was dan zijn

neef Prins Milosh Voïnovitch. Overstelpt door blijdschap riep hij

uit: "Zijt gij het, mijn lieve Milosh? Zijt gij het, mijn liefste

neef? Gelukkig is de moeder, die u het leven schonk, en gelukkig de

oom, die zulk een dapperen neef heeft! Waarom hebt gij u niet dadelijk

bekend gemaakt? Waarlijk, ik zou u niet buiten gesloten hebben van

mijn gezelschap."

Wee hem, die zijn eigen bloedverwanten over het hoofd ziet.

Heldensagen en Legenden van de Serviërs · 第 32 / 47 题