Ik zou u nog vertellen van de biggen. Het waren er zeventien. Mijn
kameraad Kreel kocht ze.
Mijn kameraad Kreel had een blauwen kiel, die hem los over de knieën
hing, aan, toen hij ter markt reed, om de biggen te koopen. Hij droeg
de pet tot op de wenkbrauwen, en de kousen over de broekspijpen, en
geschuurde klompen aan de voeten. Hij zat scheef op de voermansbank
van den bakwagen. In de rechterhand hield hij paardenleidsel en zweep,
en met de linker sloeg hij zich af en toe op de borst, om zich te
verwarmen. De vier zijden van den bakwagen waren verhoogd met een houten
hek. Ik stond binnen het hek, en praatte met mijn kameraad door de
reten.
Ik praatte met hem over den marktprijs van de biggen, gevoelig zijnde
voor zijn leed over de liefdesbreuk met onze Trijn. Dat hij prijsgesteld
had op mijn tegenwoordigheid bij zijn biggenhandel, doordrong mij
opnieuw van de voortreffelijkheid zijner geaardheid.
Wij reden voort door de kille morgenvroegte, links van ons het
inkrimpende nachtdonker, rechts de opkruipende dagschemering.
Evenzoo, dus dacht ik dichterlijk, zou mogelijk de ondervinding van de
onveranderlijkheid mijner vriendschap voor Kreel de morgenzon kunnen
zijn, die zich toch weer drong in zijn nachtelijk hart, en ik zeide tot
hem, dat hij, naar mijn gedachte, de biggen zou hebben voor tien gulden
het stuk.
Hij knikte traag, en zag tegelijk zwaarmoedig op naar een
spreeuwen-wolk, die, met verhonderdvoudigd gepiep, uit de lucht neerviel
in het grauwende veld.
"Er zijn veel spreeuwen", merkte hij op; hij is nu en dan wijsgeerig.
"Die zijn niet te tellen", bevestigde ik.
"Die zijn zwart", zei hij
Ik begreep hem; daarom zeide ik: "Die vliegen evengoed weer weg als zij
aanvliegen".
Er kwamen ons boeren en boerendeernen tegen, die, de emmers aan
het juk, het rundvee gingen melken, dat sinds enkele dagen uit de
stallen verhuisd was naar de voorjaarswei. Zij bleven aan den kant
van den smallen weg staan, om hun jukken dwars te houden, teneinde
onzen breeden bakwagen voorbij te laten. Daarbij zeiden zij ons
"goedenmorgen", en dan beantwoordde Kreel telkens hun ochtendgroet met
zijn zweep ietwat op te lichten.
Met de minuut won de dageraad terrein op den nacht, en rees in breeder
gezichtswijdte het land op uit de schaduwen. Grazende schapen plekten
tot heel in de verte witte vlekken op het weidegroen. En de gevlokte
ochtendwolkjes leken wel hun weerkaatsing aan het hemelblauw. Springende
lammeren trokken om het statige moederschaap heen grillige lijnen. Met
hun capriolen joegen zij hier en daar een reiger op van den waterkant.
Hennen op de erven klokten haar kiekens naar zich toe. Ons paard stak
den kop op, en hinnikte vroolijk tegen de opgaande zon. Andere paarden
draafden aan de overzij der wegvaart een eindweegs over de wei met het
onze mee. Verheuging golfde door de morgenlucht, en klom op tegen onzen
bakwagen, en zette zich neer nevens mij en mijn kameraad Kreel.
"Misschien doen de biggen maar negen gulden het stuk", raamde ik, in
mijn klimmende behoefte, om de dingen des levens hoopvol te zien. En
Kreel keek nu van zijn voermansbank de wereld ook met wat lustiger oogen
in dan bij de eerste wentelingen onzer wagenwielen.
In de herberg, waar wij stalden, gaf hij mij brandewijn; mij en zichzelf
gaf hij dien.
Wij wandelden over de varkensmarkt. Aldaar was de overvloed van
varkensmoeders met haar kroost groot.
Er was een reuze-varkensfokker; deze droeg een zwarten kiel, en krauwde
met het uiteinde van zijn rotting de rose ruggetjes zijner gemarkte
biggen. Kreel wierp, langs den varkensfokker loopend, een blik uit het
linkeroog, en, langs hem terugloopend, een blik uit het rechteroog op
de krioelende marktwaar dezes mans.
Toen hij de opmerkzaamheid van den biggenkoopman scheen te trekken,
maakte hij zijn gezicht suffig, en lummelde weg. Maar daarna--en
thans stond zijn gelaat zeer sluw--zond hij mij terug naar de
biggen-uitstalling, met de opdracht, hem ijlings te waarschuwen, zoodra
zich aan den varkenshandelaar een gegadigde mocht opdoen.
Waarna ik mij tot mijn verspiederspost, en hij zich ter herberg begaf.
Maar de varkensboer kreeg geen gegadigde. Soms is de markt willig, en
soms is zij het niet. Dezen keer dan was zij het niet. De koopman begon
aan toebereidselen, om zijn onbegeerd artikel van de markt te voeren.
Doch dit deed hij, hoewel hij toch mistroostig gestemd moest wezen, met
een gelijkmoedig aanschijn. Want omtrent gemoedsstemming verklappen de
gelaatstrekken van een waar varkensmarkter even weinig als die zijner
beesten.
Des mans gemoedsstemming desondanks te ontdekken en te ontginnen is
echter een der geheimen van voordeeligen handel. Gezwind zocht ik dan
ook een punt, vanwaar ik den "misblijïgen" biggenboer met mijn wakend
oog, en mijn wachtenden kameraad Kreel met mijn dringend armgezwaai kon
bereiken.
Natuurlijk was de tronie, waarmee Kreel kwam aanslenteren, die van een
nagenoeg simpele.
Ongeveer gelijkelijk redeloos blikten hij en de biggen elkander een
tijdlang aan. Het gesprek werd ingezet van den kant der biggen, bij
monde haars meesters, die heur volmaakte gezondheid tot Kreels kennis
bracht. Mijn kameraad Kreel riep zijn onnoozelste grijns tevoorschijn.
"'k Mot geen biggen", beweerde hij, en slungelde eenige stappen op. Hij
wist, dat de varkensfokker hem zou naloopen.
Die deed dit dan ook. Hij legde mijn kameraad de hand op den schouder.
"Handel?" vroeg hij.
Kreel schudde zich des varkensfokkers hand af. "'k Mot geen biggen",
herhaalde hij.
"Voor niet te veul", beloofde de ander. Kreel bleef staan; hij krabde
zich onder de pet. Hij zweeg.
Toen hervatte de fokker: "De zeventien met mekaar, elk een tientje".
"'k Mot niet", zei Kreel. Hij zette zich wederom in logge beweging.
De varkensboer voegde zich weer bij de zwijnenjongen. Maar vandaar begon
hij Kreel een reeks nieuwe voorstellen na te roepen, aanvangende bij
"negen en drie kwart", en voorts in snelle afdaling. Kreel was, al
voortboemelend, gelijk een, die doofstom is.
Nogmaals schreeuwde de markter mijn kameraad een verlaagd aanbod toe;
dit aanbod nu was een spotaanbod. In een ommezien stond Kreel tegenover
den koopman. "Hou hand op!" sprak Kreel. De biggenboer hield de hand op,
en Kreel sloeg erin. Daarna hield Kreel de hand op, en de biggenboer
klapte erin. Vervolgens Kreel nogeens in de hand van den biggenboer, en
de biggenboer nogeens in de hand van Kreel.
Na den handslag, welke plechtigheid, naar het recht aller veeliên en
aller marktgoôn, een koop onverbrekelijk maakt, haalde Kreel paard en
bakwagen. Van den laatsten nam hij het hek af en sloeg hij de achterklep
neer; thans wierpen hij en de varkensboer de biggen stuk voor stuk in
den wagen. Natuurlijk openbaarden de biggen, overeenkomstig haar dwarsen
geslachtsaard, de gezindheid, zich weer uit den wagen te laten vallen,
zoodra haar nieuwe of haar oude meester ze erin wierp. Maar ik stiet,
schuins achter den bakwagen staande, elke big, die zich eruit wilde
laten rollen, met de vuist terug. Twaalf speenvarkentjes zaten ten
slotte op den vloer van den bakwagen, en de vijf overige op deze twaalf.
Toen flapte Kreel het achterschot toe, en wij beiden, hij op den bok
en ik op het achterwiel staande, plaatsten het hek weder op de vier
wagenwanden. Alsnu restten nog de betaling en de bedrinking van den
koop. Nadat beide in de herberg bewerkstelligd was, namen ik en Kreel op
vriendschappelijke wijs afscheid van den varkensfokker, en plaatsten ons
nevens elkander op de voermansbank. En toen wij nog geen kwartier met de
biggenlading hadden gereden, liepen ons paard de zweetstrepen reeds
langs de achterschonken, onder den ongebreidelden gloed der Meische
middagzon.
Onze aankomst met den biggenwagen bracht de buurt in rep en roer.
Terwijl wij samen de zwijntjes uit de kar in Kreels varkenskot deels
joegen, deels droegen, verschenen in vijf deurposten huismoeders, om
het tierige schouwspel ga te slaan. De overbuurman liep ervoor van zijn
maaltijd. De kinderen, op weg naar de namiddagschool, kwamen op hun
klompjes van allen kant aanklotsen. Uitroepen van verteedering en van
genegenheid volgden de ronde dikhuidjes op hun gang naar het
biggenverblijf.
Nu snuffelen de biggen de binnenwanden van haar nieuwe woning langs, en
ruiken, dat zij thuis zijn. En nu leggen de reizensmoede krulstaartjes
zich, het eene na het andere, op de zijde, lui uitstrekkend de korte,
stijve pootjes. En nu sluit Kreel achter hen de deur, die niet weer voor
hen zal opengaan, aleer zij, van het aanminnige volkje, dat zij thans
zijn, tot zwaarlijvige matrones zullen zijn uitgegroeid.
Deze deur, die zich aan de achterzij van het kot bevindt, verzekerd
hebbende, gaat mijn kameraad Kreel met de ellebogen over het half-hooge
schot hangen, dat het varkenshok aan den voorkant afpaalt.
Een huisman, die over den rand van een varkenskot hangt, van de markt
meegebrachte biggen beschouwende, pleegt een beeld van zielsgeluk te
vertoonen. Dat beeld vertoont Kreel ook. Ik ga naast hem met de armen
over het varkensschot hangen. Wij zeggen niets tot elkaar. Kreel geniet
van zijn gedachten, en ik geniet van Kreels geluksstemming.
Eindelijk moet ik de zeventien bronnen van Kreels hartevreugd vaarwel
zeggen.
Zijn aangezicht glimt.
Maar kon ik weten, dat het dàt was?
Hij houdt mij terug, als ik gaan wil. Hij scheurt een stuk van zijn
tabakszak af. Hij schrijft daarop, het dak van het varkenshok als tafel
bezigend, met groote potloodletters: "Trijn, de biggen zijn voor uwee".
Hij drukt mij het omkoopingsschrift in de hand. Hij knikt tegen mij.
Vele der biggen zijn ingesluimerd. Er gonst een vredig geronk uit het
varkenskot.
Ik knik tegen Kreel. Ik neem de pet af, berg daarin Kreels brief, en zet
de pet wederom op.
Ik steek de handen in de broekzakken. Ik wandel naarhuis. Ik zing
binnensmonds.
Ik zoek mijn zuster Trijn. Zij zit op den kant van den regenbak, met de
bloote armen uit de korte borstrokmouwen, vanwege de namiddag-hitte. Zij
lacht tegen mij. Dat doet zij meestal, als ik thuiskom. Mijn zuster
Trijn houdt van mij.
Ik laat haar den brief uit mijn pet nemen. Mijn zuster leest den brief.
Zij werpt hem op den grond. Zij springt van den regenbak; dan schopt zij
tegen den brief.
Zij gaat de eenden oproepen voor het avondmaal.
Tegen schemer haal ik mijn rijwiel uit de voerschuur. Als ik erop wil
stappen, roept Trijn mij aan de achterdeur. En als ik dichtbij haar ben
komen staan, vraagt zij: "Hoeveel biggen zijn het?"
Ik antwoord: "Zeventien".
Dan zegt Trijn weer, dat het haar niets kan schelen, hoeveel het er
zijn.
Als ik, omtrent donker van mijn rijwiel-rit terugkeerend, Kreels erf
langs fiets, zie ik mijn zuster Trijn aan den ingang daarvan staan. Zij
wenkt mij. Ik stap af. "Ga mee", zegt mijn zuster Trijn.
Haastig stappend, brengt zij mij bij de mouw naar het kot, waarin de
ronde vormen der biggen nog net zijn te onderscheiden.
En zooals dien middag ik en Kreel naast elkaar over het varkensschot
hingen, zoo leunen daarover thans in het halfdonker nevens elkander ik
en Trijn.
En wij zeggen niets tot malkaar. Wij zwijgen, zoo schat ik, een minuut
of tien.
Dan, terwijl het geheel duister geworden is, spreekt Trijn opeens tot
mij: "Jongen, fluit!"
Wanneer ik langs Kreels huis ga, en ik wil hem hebben, zoo fluit ik, en
hij komt. En wanneer Kreel langs onze woning gaat, en hij wil mij zien,
zoo fluit hij, en ik kom. Trijn weet, dat ik en hij in zulk een
fluit-gemeenschap met elkander staan.
Ik fluit.
Een bundel licht, die over het donkere erf schiet, toont, dat de
huisdeur opengaat. En wij zien in den lichtbundel de breede, korte
gestalte van mijn kameraad Kreel verschijnen. Hij draait, zoekend, het
hoofd naar rechts en naar links.
"Fluit, zeun!" fluistert Trijn. Ik fluit.
Dan staat Kreel met enkele groote stappen tusschen ons.
Mijn zuster Trijn doet, zooals iemand doet, die een spook ziet. Zij
keert zich om, en sluipt, ineengedoken, naar den uitgang van Kreels erf.
Doch Kreel haalt haar met twee schreden in, en neemt haar bij den arm.
En als Trijn haar arm toch niet kan loskrijgen, vraagt zij maar: "Is het
gemeend, dat ze voor mij zijn?"
Kreel zegt tot vijfmaal toe: "Ja". Ook laat hij Trijns arm los, en omvat
heur leest. En dat gedoogt mijn zuster Trijn.
Ik zoek mijn fiets op. En geen der beiden bemerkt, dat ik met mijn
rijwiel aan de hand van het tooneel verdwijn.
Naderhand brengt Kreel mijn zuster Trijn thuis. En hij blijft, tot
moeder hem een kopje koffie heeft geschonken. En hij vertelt aan vader
van de biggen. Maar van den verbroken minnehandel spreekt niemand, en
niemand ook van den weer-aangeknoopten minnehandel.
Er zijn dingen, waarvan men bij ons spreekt, en dingen, waarvan men bij
ons zwijgt. Daar trekt een aandoenlijk gevoel van kieschheid de grens
tusschen.
Als de Zondagavond is aangebroken, brengt mijn kameraad Kreel weder,
gelijk van ouds, zijn verkeeringsbezoek. En elken veertiendaagschen
Zondagavond.
En mijn zuster Trijn gaat dagelijks naar de biggen zien; dat doet zij,
wanneer Kreel met de nestvisch vanhuis is.
De menschen van het dorp zeggen, dat Kreel, mijn kameraad, met mijn
zuster Trijn in het huwelijk zal gaan tegen het eind van Zomermaand.
In Zomermaand is het mooi. Dan lijkt dikwijls de weide wel goud door al
de paardenbloemen. Dat is een rijk gezicht. Maar de boeren vinden het
niet, daar zij aan de paardenbloemen minder hebben dan aan het gras.