VII.

Ik zou u nog vertellen van de biggen. Het waren er zeventien. Mijn

kameraad Kreel kocht ze.

Mijn kameraad Kreel had een blauwen kiel, die hem los over de knieën

hing, aan, toen hij ter markt reed, om de biggen te koopen. Hij droeg

de pet tot op de wenkbrauwen, en de kousen over de broekspijpen, en

geschuurde klompen aan de voeten. Hij zat scheef op de voermansbank

van den bakwagen. In de rechterhand hield hij paardenleidsel en zweep,

en met de linker sloeg hij zich af en toe op de borst, om zich te

verwarmen. De vier zijden van den bakwagen waren verhoogd met een houten

hek. Ik stond binnen het hek, en praatte met mijn kameraad door de

reten.

Ik praatte met hem over den marktprijs van de biggen, gevoelig zijnde

voor zijn leed over de liefdesbreuk met onze Trijn. Dat hij prijsgesteld

had op mijn tegenwoordigheid bij zijn biggenhandel, doordrong mij

opnieuw van de voortreffelijkheid zijner geaardheid.

Wij reden voort door de kille morgenvroegte, links van ons het

inkrimpende nachtdonker, rechts de opkruipende dagschemering.

Evenzoo, dus dacht ik dichterlijk, zou mogelijk de ondervinding van de

onveranderlijkheid mijner vriendschap voor Kreel de morgenzon kunnen

zijn, die zich toch weer drong in zijn nachtelijk hart, en ik zeide tot

hem, dat hij, naar mijn gedachte, de biggen zou hebben voor tien gulden

het stuk.

Hij knikte traag, en zag tegelijk zwaarmoedig op naar een

spreeuwen-wolk, die, met verhonderdvoudigd gepiep, uit de lucht neerviel

in het grauwende veld.

"Er zijn veel spreeuwen", merkte hij op; hij is nu en dan wijsgeerig.

"Die zijn niet te tellen", bevestigde ik.

"Die zijn zwart", zei hij

Ik begreep hem; daarom zeide ik: "Die vliegen evengoed weer weg als zij

aanvliegen".

Er kwamen ons boeren en boerendeernen tegen, die, de emmers aan

het juk, het rundvee gingen melken, dat sinds enkele dagen uit de

stallen verhuisd was naar de voorjaarswei. Zij bleven aan den kant

van den smallen weg staan, om hun jukken dwars te houden, teneinde

onzen breeden bakwagen voorbij te laten. Daarbij zeiden zij ons

"goedenmorgen", en dan beantwoordde Kreel telkens hun ochtendgroet met

zijn zweep ietwat op te lichten.

Met de minuut won de dageraad terrein op den nacht, en rees in breeder

gezichtswijdte het land op uit de schaduwen. Grazende schapen plekten

tot heel in de verte witte vlekken op het weidegroen. En de gevlokte

ochtendwolkjes leken wel hun weerkaatsing aan het hemelblauw. Springende

lammeren trokken om het statige moederschaap heen grillige lijnen. Met

hun capriolen joegen zij hier en daar een reiger op van den waterkant.

Hennen op de erven klokten haar kiekens naar zich toe. Ons paard stak

den kop op, en hinnikte vroolijk tegen de opgaande zon. Andere paarden

draafden aan de overzij der wegvaart een eindweegs over de wei met het

onze mee. Verheuging golfde door de morgenlucht, en klom op tegen onzen

bakwagen, en zette zich neer nevens mij en mijn kameraad Kreel.

"Misschien doen de biggen maar negen gulden het stuk", raamde ik, in

mijn klimmende behoefte, om de dingen des levens hoopvol te zien. En

Kreel keek nu van zijn voermansbank de wereld ook met wat lustiger oogen

in dan bij de eerste wentelingen onzer wagenwielen.

In de herberg, waar wij stalden, gaf hij mij brandewijn; mij en zichzelf

gaf hij dien.

Wij wandelden over de varkensmarkt. Aldaar was de overvloed van

varkensmoeders met haar kroost groot.

Er was een reuze-varkensfokker; deze droeg een zwarten kiel, en krauwde

met het uiteinde van zijn rotting de rose ruggetjes zijner gemarkte

biggen. Kreel wierp, langs den varkensfokker loopend, een blik uit het

linkeroog, en, langs hem terugloopend, een blik uit het rechteroog op

de krioelende marktwaar dezes mans.

Toen hij de opmerkzaamheid van den biggenkoopman scheen te trekken,

maakte hij zijn gezicht suffig, en lummelde weg. Maar daarna--en

thans stond zijn gelaat zeer sluw--zond hij mij terug naar de

biggen-uitstalling, met de opdracht, hem ijlings te waarschuwen, zoodra

zich aan den varkenshandelaar een gegadigde mocht opdoen.

Waarna ik mij tot mijn verspiederspost, en hij zich ter herberg begaf.

Maar de varkensboer kreeg geen gegadigde. Soms is de markt willig, en

soms is zij het niet. Dezen keer dan was zij het niet. De koopman begon

aan toebereidselen, om zijn onbegeerd artikel van de markt te voeren.

Doch dit deed hij, hoewel hij toch mistroostig gestemd moest wezen, met

een gelijkmoedig aanschijn. Want omtrent gemoedsstemming verklappen de

gelaatstrekken van een waar varkensmarkter even weinig als die zijner

beesten.

Des mans gemoedsstemming desondanks te ontdekken en te ontginnen is

echter een der geheimen van voordeeligen handel. Gezwind zocht ik dan

ook een punt, vanwaar ik den "misblijïgen" biggenboer met mijn wakend

oog, en mijn wachtenden kameraad Kreel met mijn dringend armgezwaai kon

bereiken.

Natuurlijk was de tronie, waarmee Kreel kwam aanslenteren, die van een

nagenoeg simpele.

Ongeveer gelijkelijk redeloos blikten hij en de biggen elkander een

tijdlang aan. Het gesprek werd ingezet van den kant der biggen, bij

monde haars meesters, die heur volmaakte gezondheid tot Kreels kennis

bracht. Mijn kameraad Kreel riep zijn onnoozelste grijns tevoorschijn.

"'k Mot geen biggen", beweerde hij, en slungelde eenige stappen op. Hij

wist, dat de varkensfokker hem zou naloopen.

Die deed dit dan ook. Hij legde mijn kameraad de hand op den schouder.

"Handel?" vroeg hij.

Kreel schudde zich des varkensfokkers hand af. "'k Mot geen biggen",

herhaalde hij.

"Voor niet te veul", beloofde de ander. Kreel bleef staan; hij krabde

zich onder de pet. Hij zweeg.

Toen hervatte de fokker: "De zeventien met mekaar, elk een tientje".

"'k Mot niet", zei Kreel. Hij zette zich wederom in logge beweging.

De varkensboer voegde zich weer bij de zwijnenjongen. Maar vandaar begon

hij Kreel een reeks nieuwe voorstellen na te roepen, aanvangende bij

"negen en drie kwart", en voorts in snelle afdaling. Kreel was, al

voortboemelend, gelijk een, die doofstom is.

Nogmaals schreeuwde de markter mijn kameraad een verlaagd aanbod toe;

dit aanbod nu was een spotaanbod. In een ommezien stond Kreel tegenover

den koopman. "Hou hand op!" sprak Kreel. De biggenboer hield de hand op,

en Kreel sloeg erin. Daarna hield Kreel de hand op, en de biggenboer

klapte erin. Vervolgens Kreel nogeens in de hand van den biggenboer, en

de biggenboer nogeens in de hand van Kreel.

Na den handslag, welke plechtigheid, naar het recht aller veeliên en

aller marktgoôn, een koop onverbrekelijk maakt, haalde Kreel paard en

bakwagen. Van den laatsten nam hij het hek af en sloeg hij de achterklep

neer; thans wierpen hij en de varkensboer de biggen stuk voor stuk in

den wagen. Natuurlijk openbaarden de biggen, overeenkomstig haar dwarsen

geslachtsaard, de gezindheid, zich weer uit den wagen te laten vallen,

zoodra haar nieuwe of haar oude meester ze erin wierp. Maar ik stiet,

schuins achter den bakwagen staande, elke big, die zich eruit wilde

laten rollen, met de vuist terug. Twaalf speenvarkentjes zaten ten

slotte op den vloer van den bakwagen, en de vijf overige op deze twaalf.

Toen flapte Kreel het achterschot toe, en wij beiden, hij op den bok

en ik op het achterwiel staande, plaatsten het hek weder op de vier

wagenwanden. Alsnu restten nog de betaling en de bedrinking van den

koop. Nadat beide in de herberg bewerkstelligd was, namen ik en Kreel op

vriendschappelijke wijs afscheid van den varkensfokker, en plaatsten ons

nevens elkander op de voermansbank. En toen wij nog geen kwartier met de

biggenlading hadden gereden, liepen ons paard de zweetstrepen reeds

langs de achterschonken, onder den ongebreidelden gloed der Meische

middagzon.

Onze aankomst met den biggenwagen bracht de buurt in rep en roer.

Terwijl wij samen de zwijntjes uit de kar in Kreels varkenskot deels

joegen, deels droegen, verschenen in vijf deurposten huismoeders, om

het tierige schouwspel ga te slaan. De overbuurman liep ervoor van zijn

maaltijd. De kinderen, op weg naar de namiddagschool, kwamen op hun

klompjes van allen kant aanklotsen. Uitroepen van verteedering en van

genegenheid volgden de ronde dikhuidjes op hun gang naar het

biggenverblijf.

Nu snuffelen de biggen de binnenwanden van haar nieuwe woning langs, en

ruiken, dat zij thuis zijn. En nu leggen de reizensmoede krulstaartjes

zich, het eene na het andere, op de zijde, lui uitstrekkend de korte,

stijve pootjes. En nu sluit Kreel achter hen de deur, die niet weer voor

hen zal opengaan, aleer zij, van het aanminnige volkje, dat zij thans

zijn, tot zwaarlijvige matrones zullen zijn uitgegroeid.

Deze deur, die zich aan de achterzij van het kot bevindt, verzekerd

hebbende, gaat mijn kameraad Kreel met de ellebogen over het half-hooge

schot hangen, dat het varkenshok aan den voorkant afpaalt.

Een huisman, die over den rand van een varkenskot hangt, van de markt

meegebrachte biggen beschouwende, pleegt een beeld van zielsgeluk te

vertoonen. Dat beeld vertoont Kreel ook. Ik ga naast hem met de armen

over het varkensschot hangen. Wij zeggen niets tot elkaar. Kreel geniet

van zijn gedachten, en ik geniet van Kreels geluksstemming.

Eindelijk moet ik de zeventien bronnen van Kreels hartevreugd vaarwel

zeggen.

Zijn aangezicht glimt.

Maar kon ik weten, dat het dàt was?

Hij houdt mij terug, als ik gaan wil. Hij scheurt een stuk van zijn

tabakszak af. Hij schrijft daarop, het dak van het varkenshok als tafel

bezigend, met groote potloodletters: "Trijn, de biggen zijn voor uwee".

Hij drukt mij het omkoopingsschrift in de hand. Hij knikt tegen mij.

Vele der biggen zijn ingesluimerd. Er gonst een vredig geronk uit het

varkenskot.

Ik knik tegen Kreel. Ik neem de pet af, berg daarin Kreels brief, en zet

de pet wederom op.

Ik steek de handen in de broekzakken. Ik wandel naarhuis. Ik zing

binnensmonds.

Ik zoek mijn zuster Trijn. Zij zit op den kant van den regenbak, met de

bloote armen uit de korte borstrokmouwen, vanwege de namiddag-hitte. Zij

lacht tegen mij. Dat doet zij meestal, als ik thuiskom. Mijn zuster

Trijn houdt van mij.

Ik laat haar den brief uit mijn pet nemen. Mijn zuster leest den brief.

Zij werpt hem op den grond. Zij springt van den regenbak; dan schopt zij

tegen den brief.

Zij gaat de eenden oproepen voor het avondmaal.

Tegen schemer haal ik mijn rijwiel uit de voerschuur. Als ik erop wil

stappen, roept Trijn mij aan de achterdeur. En als ik dichtbij haar ben

komen staan, vraagt zij: "Hoeveel biggen zijn het?"

Ik antwoord: "Zeventien".

Dan zegt Trijn weer, dat het haar niets kan schelen, hoeveel het er

zijn.

Als ik, omtrent donker van mijn rijwiel-rit terugkeerend, Kreels erf

langs fiets, zie ik mijn zuster Trijn aan den ingang daarvan staan. Zij

wenkt mij. Ik stap af. "Ga mee", zegt mijn zuster Trijn.

Haastig stappend, brengt zij mij bij de mouw naar het kot, waarin de

ronde vormen der biggen nog net zijn te onderscheiden.

En zooals dien middag ik en Kreel naast elkaar over het varkensschot

hingen, zoo leunen daarover thans in het halfdonker nevens elkander ik

en Trijn.

En wij zeggen niets tot malkaar. Wij zwijgen, zoo schat ik, een minuut

of tien.

Dan, terwijl het geheel duister geworden is, spreekt Trijn opeens tot

mij: "Jongen, fluit!"

Wanneer ik langs Kreels huis ga, en ik wil hem hebben, zoo fluit ik, en

hij komt. En wanneer Kreel langs onze woning gaat, en hij wil mij zien,

zoo fluit hij, en ik kom. Trijn weet, dat ik en hij in zulk een

fluit-gemeenschap met elkander staan.

Ik fluit.

Een bundel licht, die over het donkere erf schiet, toont, dat de

huisdeur opengaat. En wij zien in den lichtbundel de breede, korte

gestalte van mijn kameraad Kreel verschijnen. Hij draait, zoekend, het

hoofd naar rechts en naar links.

"Fluit, zeun!" fluistert Trijn. Ik fluit.

Dan staat Kreel met enkele groote stappen tusschen ons.

Mijn zuster Trijn doet, zooals iemand doet, die een spook ziet. Zij

keert zich om, en sluipt, ineengedoken, naar den uitgang van Kreels erf.

Doch Kreel haalt haar met twee schreden in, en neemt haar bij den arm.

En als Trijn haar arm toch niet kan loskrijgen, vraagt zij maar: "Is het

gemeend, dat ze voor mij zijn?"

Kreel zegt tot vijfmaal toe: "Ja". Ook laat hij Trijns arm los, en omvat

heur leest. En dat gedoogt mijn zuster Trijn.

Ik zoek mijn fiets op. En geen der beiden bemerkt, dat ik met mijn

rijwiel aan de hand van het tooneel verdwijn.

Naderhand brengt Kreel mijn zuster Trijn thuis. En hij blijft, tot

moeder hem een kopje koffie heeft geschonken. En hij vertelt aan vader

van de biggen. Maar van den verbroken minnehandel spreekt niemand, en

niemand ook van den weer-aangeknoopten minnehandel.

Er zijn dingen, waarvan men bij ons spreekt, en dingen, waarvan men bij

ons zwijgt. Daar trekt een aandoenlijk gevoel van kieschheid de grens

tusschen.

Als de Zondagavond is aangebroken, brengt mijn kameraad Kreel weder,

gelijk van ouds, zijn verkeeringsbezoek. En elken veertiendaagschen

Zondagavond.

En mijn zuster Trijn gaat dagelijks naar de biggen zien; dat doet zij,

wanneer Kreel met de nestvisch vanhuis is.

De menschen van het dorp zeggen, dat Kreel, mijn kameraad, met mijn

zuster Trijn in het huwelijk zal gaan tegen het eind van Zomermaand.

In Zomermaand is het mooi. Dan lijkt dikwijls de weide wel goud door al

de paardenbloemen. Dat is een rijk gezicht. Maar de boeren vinden het

niet, daar zij aan de paardenbloemen minder hebben dan aan het gras.

Bij ons in Noord-Holland · 第 45 / 55 题