VIII.

Nu wil ik nog opschrijven, waarom mijn zuster Trijn niet getrouwd is,

en hoe het andere is afgeloopen. Wij verheugen er ons elken dag opnieuw

over, dat Trijn thuis is gebleven, want haar kindje is een schat.

En zij is niet in het huwelijk gegaan, omdat zij, tegendat "het beuren

zou," het toch "wel niet leek te willen." En als zij "altemet" in het

water was gesprongen, zou het "heel vreeselijk" geweest zijn.

Want er zijn weleens meisjes, die een man, aan wien zij geen

"zenieïgheid" hadden, moesten nemen, in het water gesprongen.

Daarom heeft mijn vader Kreel, toen deze weer op liefdesbezoek kwam,

bij de achterdeur "waargenomen", en hem openhartig, "maar altijd in het

gnappe", meegedeeld, dat hij, wilde hij niet van het erf worden gegooid,

daar nooit meer een voet op had te zetten.

Dit laatste heeft mijn kameraad Kreel toen ook nooit meer gedaan, daar

hij goedig is.

Maar hij is "puur" tevreden met den prijs, dien hij voor zijn varkens

heeft gemaakt, nadat hij ze groot gemest had.

Hij is van plan, voortaan elk voorjaar biggen in te koopen. De

voldoening, die, naar hij thans ondervonden heeft, de opkweeking van

biggen verschaft, heeft hem bij vernieuwing lust aan het leven doen

krijgen.

En zoo is dan toch nog het geluk in zijn bestaan gekomen. Dat geluk is

mijn kameraad Kreel ook waard. Want hij is braaf.

Ik ben voor mijn examen gezakt. Daar zijn wij, thuis, allen zeer blij

om. Want wij vinden, dat ik aan een groot gevaar ben ontglipt, bewaard

als ik gebleven ben voor de vulling van mijn geest met al dergelijke

malle dingen, als waarnaar op het examen gevraagd werd. Ik kon, van

het examen thuiskomende, mededeelen, dat er op ons dorp heelwat meer

verstand was dan bij al die examen-heeren. Zij op ons dorp, aan wie ik

dit meedeelde, waren hier zeer door gesticht.

Zelfs tegen mijn opstel hadden de examen-heeren "in te leggen". "Ik en

vader", en dan weer: "ik en Trijn", stond in mijn examen-opstel, dat

over onze "eendenbeweging" handelde; maar de heeren zeiden, dat men

altoos zichzelf het laatst, en den ander vooraf moest noemen. Zij weten

nieteens, dat ieder, die het over zich en een evenmensch heeft, nooit

anders dan aan zijn eigen persoon eerst, en aan den evenmensch pas

daarna denkt. Allen dan ook op ons dorp, aan wie ik dit vertelde, hebben

de examen-heeren uitgelachen.

Zoo heeft alles de meest gewenschte uitkomst bereikt.

Mijn zuster Trijn klimt weer iederen dag lustig en licht over de

schotten in de eendenhokken, den emmer met nestvisch aan de hand. En als

gij haar niet hoort zingen, hoort gij haar lachen; en hoort gij haar

niet lachen, zoo hoort gij haar zingen.

Zij zal op de aanstaande Purmerender kermis, evenals verleden jaar, "aan

de lijn" gaan. Dat is zoowel aardig als natuurlijk.

En dan had mijn zuster Trijn nog altijd veel "adee", om lid van de kerk

te worden. Daarom gaat zij van den winter weer "te vragenleering

loopen". Maar ik niet.

[Decoratieve Illustratie]

[Illustratie]

Bij ons in Noord-Holland · 第 46 / 55 题