Nu wil ik nog opschrijven, waarom mijn zuster Trijn niet getrouwd is,
en hoe het andere is afgeloopen. Wij verheugen er ons elken dag opnieuw
over, dat Trijn thuis is gebleven, want haar kindje is een schat.
En zij is niet in het huwelijk gegaan, omdat zij, tegendat "het beuren
zou," het toch "wel niet leek te willen." En als zij "altemet" in het
water was gesprongen, zou het "heel vreeselijk" geweest zijn.
Want er zijn weleens meisjes, die een man, aan wien zij geen
"zenieïgheid" hadden, moesten nemen, in het water gesprongen.
Daarom heeft mijn vader Kreel, toen deze weer op liefdesbezoek kwam,
bij de achterdeur "waargenomen", en hem openhartig, "maar altijd in het
gnappe", meegedeeld, dat hij, wilde hij niet van het erf worden gegooid,
daar nooit meer een voet op had te zetten.
Dit laatste heeft mijn kameraad Kreel toen ook nooit meer gedaan, daar
hij goedig is.
Maar hij is "puur" tevreden met den prijs, dien hij voor zijn varkens
heeft gemaakt, nadat hij ze groot gemest had.
Hij is van plan, voortaan elk voorjaar biggen in te koopen. De
voldoening, die, naar hij thans ondervonden heeft, de opkweeking van
biggen verschaft, heeft hem bij vernieuwing lust aan het leven doen
krijgen.
En zoo is dan toch nog het geluk in zijn bestaan gekomen. Dat geluk is
mijn kameraad Kreel ook waard. Want hij is braaf.
Ik ben voor mijn examen gezakt. Daar zijn wij, thuis, allen zeer blij
om. Want wij vinden, dat ik aan een groot gevaar ben ontglipt, bewaard
als ik gebleven ben voor de vulling van mijn geest met al dergelijke
malle dingen, als waarnaar op het examen gevraagd werd. Ik kon, van
het examen thuiskomende, mededeelen, dat er op ons dorp heelwat meer
verstand was dan bij al die examen-heeren. Zij op ons dorp, aan wie ik
dit meedeelde, waren hier zeer door gesticht.
Zelfs tegen mijn opstel hadden de examen-heeren "in te leggen". "Ik en
vader", en dan weer: "ik en Trijn", stond in mijn examen-opstel, dat
over onze "eendenbeweging" handelde; maar de heeren zeiden, dat men
altoos zichzelf het laatst, en den ander vooraf moest noemen. Zij weten
nieteens, dat ieder, die het over zich en een evenmensch heeft, nooit
anders dan aan zijn eigen persoon eerst, en aan den evenmensch pas
daarna denkt. Allen dan ook op ons dorp, aan wie ik dit vertelde, hebben
de examen-heeren uitgelachen.
Zoo heeft alles de meest gewenschte uitkomst bereikt.
Mijn zuster Trijn klimt weer iederen dag lustig en licht over de
schotten in de eendenhokken, den emmer met nestvisch aan de hand. En als
gij haar niet hoort zingen, hoort gij haar lachen; en hoort gij haar
niet lachen, zoo hoort gij haar zingen.
Zij zal op de aanstaande Purmerender kermis, evenals verleden jaar, "aan
de lijn" gaan. Dat is zoowel aardig als natuurlijk.
En dan had mijn zuster Trijn nog altijd veel "adee", om lid van de kerk
te worden. Daarom gaat zij van den winter weer "te vragenleering
loopen". Maar ik niet.
[Decoratieve Illustratie]
[Illustratie]