Hij zeide niets; maar zijn wit gezicht werd even lichtrood, en daarna
opnieuw wit. Hij bukte zich andermaal. Hij begon zijn laarzen weer los
te rijgen.
Ik zeide: "Het geeft niets met Trijn." Hij schopte een zijner schoenen
uit, en antwoordde: "Neen."
Nog zeide ik: "Zooiets gaat aan het hart." Hij antwoordde: "Ja." Hij
wipte den anderen schoen uit.
Daarna verliet ik mijn kameraad Kreel. Terwijl ik mij omdraaide, zag ik,
dat zijn oogen wel "effies" vochtig leken. Hij is zacht.
Voor 't overige verkeerde mijn eigen levensstaat in een te belangwekkend
tijdperk, dan dat Kreels harteleed mij overzwaar kon bezighouden. Op
mijn nabijzijnde ontmoeting met den directeur was al mijn denken
saamgetrokken en heel mijn verbeelding gespannen.
Dien plechtigen dag droeg mijn vader, in plaats van de pet, zijn zelden
voor menschenoog zichtbaren hoed. Onder den hoed bolde zelfbewustheid
zijn hoogblozende wangen. Mij aangaande, ik vrees, dat ik, terwijl
ik nevens hem langs de dorpsstraat schreed, ietwat bleeker onder
de oogen en om den mond was dan ik placht. In de hand droeg ik mijn
opstellenschrift. Vader was van meening, met een vergunning tot inzage
daarvan den directeur te zullen vergenoegen.
De eenden van ons erf kwaakten ons "goed succes" achterna. De
lentemorgen, die ons omringde, jubelde. De wei, waar ons pad doorheen
liep, straalde. De bloeiende vlier in de hagen, waar wij langs kwamen,
geurde. In het iepegroen, waaronder wij doorgingen, zong de zwarte
lijster uit alle macht, bewonderd door zijn grauwe vrouwken. Welke
koning, op weg naar den roem, ontving zulk een uitgeleide als mij werd
geboden?
Daarna sloften wij door het hart van Amsterdam. In het kille halflicht
tusschen de hooge huizen joegen de menschen om ons heen voort. Ik liep,
geloofde ik, ieder van die menschen in den weg, en ik dacht, dat zij
allen boos naar mij zagen. Een sjouwer botste tegen mijn vader op, en
schold hem uit. Mijn vader zag rond naar een zijner vrienden van den
post- of den politiedienst, om den weg te vragen, doch vond er geen.
Daarom trok hij mij met zich in een slijterij, en kocht bier voor ons
beiden; de man, die ons het bier verkocht, zeide ons den weg. Toen wij
moe waren, gingen wij in de vensterbank van een boekwinkel zitten; maar
de boekhandelaar zond zijn bediende, om ons te verdrijven.
Hierop begon het te regenen.
Toen wij zagen, dat wij nat geworden waren, bemerkten wij, dat wij
honger hadden daarenboven. Nadat wij dit laatste aan elkander hadden
beleden, stond vader stil, om zich te beraden. Tevens kwam hem een
klinker, dien een onachtzame straatmaker op zij wierp, tegen de scheen,
weshalve mijn vader sprak: "Vooruit, zeun!" en groote stappen begon te
maken. Ik deed achter hem aan drie passen tegen twee van de zijne, dacht
aan mijn moeder en aan Trijn, beschouwde mijn druipend opstellenschrift,
en werd moedeloos. Het was duidelijk, dat mijn vader dezelfde straten,
die wij doorloopen hadden, zorgvuldig terugzocht. Hiervan was ten slotte
de uitkomst, dat hij, door mij gevolgd, andermaal binnentrad bij den
man, die ons het bier verkocht had.
Thans ontvingen wij van den kastelein koffie en brood. Terwijl wij het
nuttigden, onthulde mijn vader hem ons reisdoel. De waard beschreef
ons, hoe wandelensmoede menschen door trammen dat doel konden bereiken.
Daarvoor bedankte mijn vader hem oprecht. Bij het afscheid noodigde hij
den slijter uit, "onze eendenbedoening eens te komen in oogenskouw
nemen."
Het stoppen der tram vlak voor de hoogere burgerschool geschiedde
alleen, om ons tweeën uit te laten; althans zoo zag vader het in, en
het wekte zijn voldoening. In een winkel tegenover de school vroeg hij
twee sigaren. Hij betoogde den winkelier, dat "goeiïg" soort vereischt
was, wijl wij ermee voor den directeur hadden te verschijnen. Nadat de
koopman ons de sigaren, welke met een rood-en-gouden band versierd
waren, had helpen aansteken, kruisten wij de straat over.
Tot den concierge, die de deur, waaraan vader belde, opende, zei mijn
vader goedhartig: "Morjen!"
"Om den directeur?" vroeg de concierge.
"Waar aers om?" vroeg mijn vader terug.
Toen wij, binnengelaten, de schoenen begonnen uit te trekken, zeide de
concierge, dat wij ze mochten aanhouden, maar dat hij, tot wij van den
directeur terugkwamen, onze sigaren wel voor ons wilde bewaren.
Ik hield van den concierge. Ik gaf er bij mijzelf vader gelijk in, dat
de concierge beleefd was.
Hij bracht ons een vertrek binnen, waarin een tafel met groen-lakensch
kleed stond. Hij verliet ons, en wij wachtten. Wij spraken niet
met elkander. Wij durfden dat, hoewel het dwaas was, niet om het
groen-lakensche tafelkleed, zooals wij elkaar later bekenden. Wij
staarden naar de deur, die de concierge achter zich had toegetrokken,
en dan weer naar het venster, waardoor men den regen kon zien vallen.
Lang wachtten wij.
Ik bevond, dat ik licht hijgde. Het groen-lakensche tafelkleed maakte
mij onbegrijpelijk beklemd. Ik hoorde mijn vader kuchen, maar het klonk
als iets zeer verafs. Ik voelde een groot verlangen, om temidden van het
eendengekwaak en de nestvisch-geur te zijn.
Heel lang wachtten wij.
Ik kreeg een indruk van een bril met voorhoofdrimpels erboven. De
directeur stond ons aan te zien. Ik dacht, dat uit den bril naalden naar
ons priemden, en dat de rimpels zich tot vraagteekens vormden. Ik was
verward en ontdaan.
Mijn vader, juist andersom, hervond al zijn onbevangenheid. Met een
zelfvertrouwen, dat mij ontstelde, onderrichtte hij den directeur van
mijn "gaven" en van zijn voornemen, om door mijnheer wat van mij te
laten maken, en vroeg den directeur, wat het kostte, hem vergunnende,
te nemen, wat hem toekwam.
"Het jongemensch kan den hoed wel afzetten", was alwat de directeur
voorshands opmerkte.
Dat vond mijn vader best; insgelijks, dat hij bijgevolg den zijnen
mocht ophouden. Het woord hernemende, sloeg hij den directeur voor,
dat door dezen in onze woonplaats inlichting zou worden genomen naar
zijn promptheid van betalen. Hij verklaarde, aan ieder te geven, wat hij
schuldig was. Daarin bestond, zeide hij, zijn godsdienst, dien hij stipt
hield, omdat hij hiertoe niet alleen eerlijk verplicht, maar ook ruim
bij machte was. Het laatste lichtte hij toe met een uiteenzetting
over den aard en den omvang van zijn eendenbedrijf, waarbij hij ook
de spaarzaamheid van moeder en de vaardigheid van mijn zuster Trijn
met roem vermeldde. Naar dit alles luisterde de directeur met een zoo
beminnelijk geduld, dat ik, allengs ten aanzien van hem op mijn gemak
gekomen, onbedremmeld vermocht te antwoorden op de plotselinge vraag,
die hij tot mij richtte, naar mijn leeftijd.
"Veertien jaar is oud", luidde zijn uitspraak.
Daaromtrent bracht mijn vader dit in het midden, dat mijn kennis
overeenkomstig mijn ouderdom was. Hij gaf een overzicht van mijn
roemvolle loopbaan op de dorpsschool. Maar, getuigde hij, het meest
verstellende was hetgeen ik mijzelf geleerd had. Wat ik, na sinds mijn
schoolontslag mijn eigen leeraar te zijn geworden, in het hoofd had
opgegaard, aarzelde mijn vader niet met "mirakel" te kenschetsen. Ook
dit vertoog doorstond de directeur met vriendelijke gedweeheid, tot en
met het slot, waarin mijn vader de ronde verklaring van den directeur
vroeg, of hij mij hebben wilde, al dan niet.
De directeur besliste: "Het jongemensch kan toegelaten worden, mits zijn
bekwaamheid blijkt uit een examen of uit een getuigschrift van zijn
schoolhoofd".
Dat was, antwoordde mijn vader, "allebei malligheid", al nam hij het
den directeur niet kwalijk. "Het schrift, zeun!" gelastte vader.
Ik stak mijn opstellenschrift aan den directeur toe. Inmiddels herhaalde
mijn vader des directeurs woorden: "Zijn bekwaamheid!" en lachte
daarover zeer vermaakt.
Maar de directeur trok de hand van het opstellenschrift terug. "Dat is
nat," sprak hij.
"Vanbinnen is het droger", verzekerde mijn vader.
Onverhoeds bracht de directeur, op een knop drukkende, een bel aan het
rinkelen, 't welk den concierge tevoorschijn tooverde. Terwijl deze ons
met zachten drang naar den kameruitgang voerde, hoorden wij achter ons
den directeur nogeens zeggen: "Dus een schriftelijk bewijs of een
examen".
"Dan moet het maar op zoo'n bewijssie af," zei mijn vader in het
heengaan.
Op den terugweg naarhuis bleek, dat mijn vader over den directeur
matig en over zichzelf volkomen tevreden was, maar ontevreden over den
concierge, dewijl deze slinkselijk onze sigaren behouden had.
Toen vader des avonds ons wedervaren aan moeder verhaalde, zeide zij,
dat wij nu nog niet wisten, wat de kosten waren.
Toen ik den volgenden dag den meester om het bewijsje kwam verzoeken,
zeide hij, dat hij dit niet geven kon.
"Dan moet het maar op zoo'n examen af," zei mijn vader.