Ik en vader ontstelden van moeders volharding. En Trijn zorgde ervoor,
onze ontsteltenis te rechtvaardigen.
Zij wendde plotseling haar gelaat tot ons. Het was, alsof vlammen langs
haar wangen laaiden en vuur uit haar pupillen sprong. Zij siste: "Ik wil
hem niet, dat spook, dien "iester"!" Zij stoof, het lichaam schokkend
van toorn, ter deur uit.
Mijn vader mompelde iets van "de meid overstuur maken." Mijn moeder boog
zich onder dat verwijt, een traan van wroeging in elken ooghoek. Voorts
merkte mijn vader op, dat hij, goddank, voor Trijn nog te eten had,
"bijaldien" zij den knaap dan toch niet wou.
Ik verklaarde, dat ik wat "aan den loop" ging.
"Aan den loop" zijnde, staarde ik droomerig op naar de volle maan. En
weldra geloofde ik vast, dat de maan haar breeden mond tegen mij bewoog,
en mij mijn taak toemurmelde.
Dientengevolge begaf ik mij tot mijn kameraad Kreel.
Hij bemerkte mijn binnenkomst niet dadelijk, daar hij, diep gebukt, zijn
schoenveter zat te strikken. Toen hij, nadat de strik gelegd was, zich
ophief, klaar tot den minnaarsgang naar onze Trijn, ontdekte hij mij
echter.