VI.

Maar wat wij, bij ons thuis, van de hoogere burgerschool wisten,

was weinig meer dan de naam, die evenwel door het "burger" onzen

gemeenschapszin, en door het "hoogere" onze eigenliefde bekoorde.

Voorts wisten wij van den weg, om tot dien tempel der wijsheid toegang

te verkrijgen, in het geheel niets. Onderzoek naar een en ander had

reeds voorlang, weliswaar, even snel als gemakkelijk licht kunnen

verschaffen. Doch vooreerst zou zulke opheldering menig uur van knus

tafel-geredekavel over het onbekende uit onze huiselijke gemoedelijkheid

hebben gelicht. En bovendien moet hier worden beleden, dat kwieke

doortastendheid bij ons geen deel uitmaakt van het vele

bewonderenswaardige in de zeden des lands.

Nu echter zou mijn vader zich dan toch tot den schooldirecteur om

inlichting wenden, en zulks persoonlijk, rechtstreeks en onverwijld.

Ziet, de lente was in het land gekomen, zij, die ondernemenslust en

handelensdrang in de aderen stuwt.

Wij, overigen, zaten wel even verplet bij het vernemen van vaders koene

plan; maar mijn vader, dit ontwarende, lachte licht-smadelijk. Welzeker

zou hij naar den schooldirecteur gaan! Waarom zou hij niet naar den man

gaan? Hij kwam met het geld, dat de geleerdheid moest kosten, in den

zak.

Dit vonden wij daarop ook.

Doch thans werd vaders voornemen uitgebreid tot een plan van nog

grooteren opzet, tengevolge waarvan den anderen morgen niet alleen hij,

maar met hem moeder stadwaarts toog, en ook mijn zuster Trijn. Terwijl

vader zich liet inlichten, kon moeder dan met onze Trijn eens naar

het gasthuis gaan. Mijn zuster Trijn was den laatsten tijd lang niet

goed. En het gasthuis is voor ongerusten over eigen of over anderer

gezondheidsstaat het beste adres, wijl men daar "aan de hoogeschool"

is. Vervolgens wilde moeder eens naar een nieuwen paaschhoed zien voor

Trijn, en Trijn naar een zilveren pinkring voor haar vriendin. Vader

zou thuis terug wezen tegen het uur van het eendenvoeren, en moeder met

Trijn zoo omtrent den tijd, waarop vader de voedering van de eenden zou

hebben voltooid. Tot zoolang zat ik neder in de eenzaamheid, met welke

ik trouwens immer in geestelijke vriendschap geleefd heb.

Des avonds, nadat alles volgens ontwerp was uitgevoerd, hoorde vader

moeders, en moeder vaders, en ik beider verslag over den dag met

belangstelling aan.

Den pinkring hadden moeder en Trijn meegebracht. De paaschhoed zou

gezonden worden. De gasthuisdokter was vriendelijk geweest. Hij had aan

onze Trijn zijn volle aandacht besteed. Bij het afscheid had hij mijn

moeder op den schouder geklopt, en gezegd: "Nog geen doodsgevaar voor uw

dochter, hoor, vrouwtje! Er is, in plaats van verlies van leven, juist

aanwinst van leven in het vooruitzicht." Hoewel mijn moeder dit in

stilte reeds een heel weinigje vermoed had, moest zij toch over de

manier, waarop die dokter zooiets inkleedde, nu nog lachen. En wij,

anderen, eveneens. Trijn zelf ook, maar die niet erg. Er werd gevonden,

dat met een huwelijk van onze Trijn en mijn kameraad Kreel maar niet

moest getalmd worden, en besloten, dat mijn zuster Trijn dit den

aanstaanden Zondagavond met Kreel, bij diens minnaarsbezoek, zou

overleggen en regelen. Den pinkring, dien Trijn voor haar vriendin

gekocht had, prezen wij zeer.

Doch bovenal vaders relaas van diens wedervaren vermocht ons te boeien,

en daar omheen hoofdzakelijk bewogen zich onze besprekingen in den

familiekring. Wij konden niet nalaten, den durf van vaders verrichting

te loven en het gewicht ervan te erkennen.

Mijn vader had aan verschillende politiedienaars en brievenbestellers

den kant naar de hoogere burgerschool gevraagd, totdat de laatste dezer

voorlichters hem de bel aanwees, aan welke hij had te trekken. Daar trok

mijn vader toen aan.

Als een postbesteller of een politieman mijn vader te woord had

gestaan, tikte mijn vader aan de pet, en dan deden zij dat ook.

Neen, mijn vader had den directeur niet gesproken. Maar wel een anderen

heer, die, naar samenwerking van vaders herinnering en mijn

school-Fransch aan den dag bracht, de concierge was geweest.

Mijn vader had reeds dadelijk ontwaard, dat den concierge of den

directeur te spreken op hetzelfde neerkwam. Maar, zoo vertelde de eerste

mijn vader, den directeur kon men alleen op diens spreekuren raadplegen,

en den concierge te allen tijde. Dat vonden wij mal van den directeur en

redelijk van den concierge.

Het was mijn vader gebleken, dat de concierge van de wegen, die gevolgd,

en de voorwaarden, die vervuld moesten worden, om op de hoogere

burgerschool te komen, alles wist. Wat mijn vader daaromtrent had

vernomen, kon hij ons echter niet volkomen meedeelen, daar hij niet

alles begrepen had. En het overige, dat hij meende te hebben begrepen,

begrepen wij niet. Maar mijn vader was met de beleefdheid der ontvangst,

die hij van zijn zegsman genoten had, zeer ingenomen. En daarom waren

wij dat ook. Wij besloten, dat de beleefde heer, die met mijn vader

gesproken had, van mij, als ik op de hoogere burgerschool was, een

braadeend zou ontvangen.

Wij vergaten op dezen avond, in de gezelligheid onzer beschouwingen over

vaders bezoek aan mijn toekomstige wijsheidsbron, een half uur lang

onze slapensklok. Toen op een bepaald oogenblik vluchtig de vraag--ik

herinner mij niet, wie onzer erop kwam,--in het gesprek opdook, wat wij

thans meer wisten dan voor vaders reis van heden, ontstond een moeilijk

zwijgen van twee minuten in onzen kring. Mijn vader peinsde zwaar.

"Wij weten "puur" meer!" ontdekte hij opeens. Hij liet zich door moeder

de jas geven, die hij in de stad had gedragen.

Denkt gij, dat hij zelf de jas van den stoel nam, waarop zij lag, met

de andere zondagsche kleedingstukken, welke hij bij zijn thuiskomst van

de reis uitgetrokken had? Neen, hoewel de stoel bijna onder zijn bereik

stond, beduidde hij, met een waardigen armzwaai, aan moeder, dat zij hem

de jas brengen zou. Indien gij aan onze gezinsinzettingen vreemd zijt,

zoudt gij in vaders handelwijs allicht een teeken zien van een staat

van slavernij der huismoeder in onze gezinsverhoudingen. Maar gij moet

hier, integendeel, opmerken een hulde aan haar heerschappij binnen de

echtelijke muren. Mijn vader moest wel hondsch van aard geweest zijn,

indien hij zoo maar zelf de jas had gegrepen, in plaats van moeder

daartoe den kring om de tafel te laten loopen. In onzen onderlingen

omgang zijn wij heel fijnluisterend en teergevoelig.

Uit de jas bracht mijn vader een beschreven blaadje tevoorschijn, dat

hij, niet zonder eerbied, op de tafel neerlei, met de uitlegging: "De

spreekuren van den directeur". Die had de concierge voor hem

opgeteekend.

Ik mocht de spreekuren voorlezen. Toen ik het laatste ervan noemde,

sprak mijn vader bondig: "Dan gaan wij op hem af". Het bleek nader,

dat hij met "hem" den directeur, en met "wij" mij en zichzelf op het

oog had. Hij had bevroed, dat te gaan spreken over een leergierigen

jongeling, die er zelf niet bij was, "geen werk" is. Wanneer hij dit

inzicht deelachtig was geworden, zeide hij niet; mij echter docht: zoo

ongeveer in hetzelfde oogenblik, waarop hij het ons ontvouwde. Maar het

denkbeeld, mij aan vaders zijde eerstdaags voor het aangezicht van den

geheimzinnigen geleerde te zullen stellen, vervulde mij met

schroomvallige vreugde.

Vader droeg aan moeder op, "de spreekuren van den directeur" voorshands

in de linnenkast te bergen.

Denkt gij, dat hij ze zelf in de linnenkast bergde? Neen, ofschoon dit

meubel zich vlak achter zijn zetel verhief, droeg hij deze werkzaamheid

aan moeder op, ingevolge hetzelfde grondbeginsel, waarnaar zij hem de

jas had moeten aanreiken, dewelke zij nu tevens weder naar de plaats op

den stoel terugdroeg.

Voor ditmaal was hiermede het onderwerp afgedaan.

Maar op den eersten Zondagavond, die volgde, trachtte mijn vader het

opnieuw in te leiden, door met geveinsde onwetendheid aan moeder te

vragen, waar zij ook weer "de spreekuren van den directeur" geborgen

had.

De vraag mijns vaders werd echter, noodlottigerwijs, gekruist door de

gelijktijdige mededeeling mijner zuster Trijn, dat zij naar haar

vriendin moest. Zij stond op. Zij keerde zich naar de deur.

Achter haar rug zagen vader en moeder over de tafel heen elkander aan.

Zij deden dat met bedenkelijkheid.

Mijn moeder vermande zich. "Trijn, vanavond?" vroeg zij bescheiden.

"Ik moet naar haar toe," zei mijn zuster Trijn koppig. Dat moeders

lichte tegenwerping onze Trijn geprikkeld had, is niet verbazingwekkend,

vermits in onze gezinnen de bewegingsvrijheid der kinderen behoort tot

de kostbaarste goederen.

Bij ons in Noord-Holland · 第 42 / 55 题