Maar wat wij, bij ons thuis, van de hoogere burgerschool wisten,
was weinig meer dan de naam, die evenwel door het "burger" onzen
gemeenschapszin, en door het "hoogere" onze eigenliefde bekoorde.
Voorts wisten wij van den weg, om tot dien tempel der wijsheid toegang
te verkrijgen, in het geheel niets. Onderzoek naar een en ander had
reeds voorlang, weliswaar, even snel als gemakkelijk licht kunnen
verschaffen. Doch vooreerst zou zulke opheldering menig uur van knus
tafel-geredekavel over het onbekende uit onze huiselijke gemoedelijkheid
hebben gelicht. En bovendien moet hier worden beleden, dat kwieke
doortastendheid bij ons geen deel uitmaakt van het vele
bewonderenswaardige in de zeden des lands.
Nu echter zou mijn vader zich dan toch tot den schooldirecteur om
inlichting wenden, en zulks persoonlijk, rechtstreeks en onverwijld.
Ziet, de lente was in het land gekomen, zij, die ondernemenslust en
handelensdrang in de aderen stuwt.
Wij, overigen, zaten wel even verplet bij het vernemen van vaders koene
plan; maar mijn vader, dit ontwarende, lachte licht-smadelijk. Welzeker
zou hij naar den schooldirecteur gaan! Waarom zou hij niet naar den man
gaan? Hij kwam met het geld, dat de geleerdheid moest kosten, in den
zak.
Dit vonden wij daarop ook.
Doch thans werd vaders voornemen uitgebreid tot een plan van nog
grooteren opzet, tengevolge waarvan den anderen morgen niet alleen hij,
maar met hem moeder stadwaarts toog, en ook mijn zuster Trijn. Terwijl
vader zich liet inlichten, kon moeder dan met onze Trijn eens naar
het gasthuis gaan. Mijn zuster Trijn was den laatsten tijd lang niet
goed. En het gasthuis is voor ongerusten over eigen of over anderer
gezondheidsstaat het beste adres, wijl men daar "aan de hoogeschool"
is. Vervolgens wilde moeder eens naar een nieuwen paaschhoed zien voor
Trijn, en Trijn naar een zilveren pinkring voor haar vriendin. Vader
zou thuis terug wezen tegen het uur van het eendenvoeren, en moeder met
Trijn zoo omtrent den tijd, waarop vader de voedering van de eenden zou
hebben voltooid. Tot zoolang zat ik neder in de eenzaamheid, met welke
ik trouwens immer in geestelijke vriendschap geleefd heb.
Des avonds, nadat alles volgens ontwerp was uitgevoerd, hoorde vader
moeders, en moeder vaders, en ik beider verslag over den dag met
belangstelling aan.
Den pinkring hadden moeder en Trijn meegebracht. De paaschhoed zou
gezonden worden. De gasthuisdokter was vriendelijk geweest. Hij had aan
onze Trijn zijn volle aandacht besteed. Bij het afscheid had hij mijn
moeder op den schouder geklopt, en gezegd: "Nog geen doodsgevaar voor uw
dochter, hoor, vrouwtje! Er is, in plaats van verlies van leven, juist
aanwinst van leven in het vooruitzicht." Hoewel mijn moeder dit in
stilte reeds een heel weinigje vermoed had, moest zij toch over de
manier, waarop die dokter zooiets inkleedde, nu nog lachen. En wij,
anderen, eveneens. Trijn zelf ook, maar die niet erg. Er werd gevonden,
dat met een huwelijk van onze Trijn en mijn kameraad Kreel maar niet
moest getalmd worden, en besloten, dat mijn zuster Trijn dit den
aanstaanden Zondagavond met Kreel, bij diens minnaarsbezoek, zou
overleggen en regelen. Den pinkring, dien Trijn voor haar vriendin
gekocht had, prezen wij zeer.
Doch bovenal vaders relaas van diens wedervaren vermocht ons te boeien,
en daar omheen hoofdzakelijk bewogen zich onze besprekingen in den
familiekring. Wij konden niet nalaten, den durf van vaders verrichting
te loven en het gewicht ervan te erkennen.
Mijn vader had aan verschillende politiedienaars en brievenbestellers
den kant naar de hoogere burgerschool gevraagd, totdat de laatste dezer
voorlichters hem de bel aanwees, aan welke hij had te trekken. Daar trok
mijn vader toen aan.
Als een postbesteller of een politieman mijn vader te woord had
gestaan, tikte mijn vader aan de pet, en dan deden zij dat ook.
Neen, mijn vader had den directeur niet gesproken. Maar wel een anderen
heer, die, naar samenwerking van vaders herinnering en mijn
school-Fransch aan den dag bracht, de concierge was geweest.
Mijn vader had reeds dadelijk ontwaard, dat den concierge of den
directeur te spreken op hetzelfde neerkwam. Maar, zoo vertelde de eerste
mijn vader, den directeur kon men alleen op diens spreekuren raadplegen,
en den concierge te allen tijde. Dat vonden wij mal van den directeur en
redelijk van den concierge.
Het was mijn vader gebleken, dat de concierge van de wegen, die gevolgd,
en de voorwaarden, die vervuld moesten worden, om op de hoogere
burgerschool te komen, alles wist. Wat mijn vader daaromtrent had
vernomen, kon hij ons echter niet volkomen meedeelen, daar hij niet
alles begrepen had. En het overige, dat hij meende te hebben begrepen,
begrepen wij niet. Maar mijn vader was met de beleefdheid der ontvangst,
die hij van zijn zegsman genoten had, zeer ingenomen. En daarom waren
wij dat ook. Wij besloten, dat de beleefde heer, die met mijn vader
gesproken had, van mij, als ik op de hoogere burgerschool was, een
braadeend zou ontvangen.
Wij vergaten op dezen avond, in de gezelligheid onzer beschouwingen over
vaders bezoek aan mijn toekomstige wijsheidsbron, een half uur lang
onze slapensklok. Toen op een bepaald oogenblik vluchtig de vraag--ik
herinner mij niet, wie onzer erop kwam,--in het gesprek opdook, wat wij
thans meer wisten dan voor vaders reis van heden, ontstond een moeilijk
zwijgen van twee minuten in onzen kring. Mijn vader peinsde zwaar.
"Wij weten "puur" meer!" ontdekte hij opeens. Hij liet zich door moeder
de jas geven, die hij in de stad had gedragen.
Denkt gij, dat hij zelf de jas van den stoel nam, waarop zij lag, met
de andere zondagsche kleedingstukken, welke hij bij zijn thuiskomst van
de reis uitgetrokken had? Neen, hoewel de stoel bijna onder zijn bereik
stond, beduidde hij, met een waardigen armzwaai, aan moeder, dat zij hem
de jas brengen zou. Indien gij aan onze gezinsinzettingen vreemd zijt,
zoudt gij in vaders handelwijs allicht een teeken zien van een staat
van slavernij der huismoeder in onze gezinsverhoudingen. Maar gij moet
hier, integendeel, opmerken een hulde aan haar heerschappij binnen de
echtelijke muren. Mijn vader moest wel hondsch van aard geweest zijn,
indien hij zoo maar zelf de jas had gegrepen, in plaats van moeder
daartoe den kring om de tafel te laten loopen. In onzen onderlingen
omgang zijn wij heel fijnluisterend en teergevoelig.
Uit de jas bracht mijn vader een beschreven blaadje tevoorschijn, dat
hij, niet zonder eerbied, op de tafel neerlei, met de uitlegging: "De
spreekuren van den directeur". Die had de concierge voor hem
opgeteekend.
Ik mocht de spreekuren voorlezen. Toen ik het laatste ervan noemde,
sprak mijn vader bondig: "Dan gaan wij op hem af". Het bleek nader,
dat hij met "hem" den directeur, en met "wij" mij en zichzelf op het
oog had. Hij had bevroed, dat te gaan spreken over een leergierigen
jongeling, die er zelf niet bij was, "geen werk" is. Wanneer hij dit
inzicht deelachtig was geworden, zeide hij niet; mij echter docht: zoo
ongeveer in hetzelfde oogenblik, waarop hij het ons ontvouwde. Maar het
denkbeeld, mij aan vaders zijde eerstdaags voor het aangezicht van den
geheimzinnigen geleerde te zullen stellen, vervulde mij met
schroomvallige vreugde.
Vader droeg aan moeder op, "de spreekuren van den directeur" voorshands
in de linnenkast te bergen.
Denkt gij, dat hij ze zelf in de linnenkast bergde? Neen, ofschoon dit
meubel zich vlak achter zijn zetel verhief, droeg hij deze werkzaamheid
aan moeder op, ingevolge hetzelfde grondbeginsel, waarnaar zij hem de
jas had moeten aanreiken, dewelke zij nu tevens weder naar de plaats op
den stoel terugdroeg.
Voor ditmaal was hiermede het onderwerp afgedaan.
Maar op den eersten Zondagavond, die volgde, trachtte mijn vader het
opnieuw in te leiden, door met geveinsde onwetendheid aan moeder te
vragen, waar zij ook weer "de spreekuren van den directeur" geborgen
had.
De vraag mijns vaders werd echter, noodlottigerwijs, gekruist door de
gelijktijdige mededeeling mijner zuster Trijn, dat zij naar haar
vriendin moest. Zij stond op. Zij keerde zich naar de deur.
Achter haar rug zagen vader en moeder over de tafel heen elkander aan.
Zij deden dat met bedenkelijkheid.
Mijn moeder vermande zich. "Trijn, vanavond?" vroeg zij bescheiden.
"Ik moet naar haar toe," zei mijn zuster Trijn koppig. Dat moeders
lichte tegenwerping onze Trijn geprikkeld had, is niet verbazingwekkend,
vermits in onze gezinnen de bewegingsvrijheid der kinderen behoort tot
de kostbaarste goederen.