Toen "onderlaatst" een onzer loopeenden plotseling ging zwemmen, wat
te eenenmale in strijd is zoowel met den naam als met de natuur van een
loopeend, heb ik van verbazing een vloek gezegd. Ik wist niet, dat het
een vloek was; maar Trijn wist het. Zij geloofde tenminste, dat het er
een was, naar hetgeen haar van de "vragenleering" voorstond. Wij hoopten
allen, dat Trijn zich vergiste. Want er mag bij de eendenhokken niet
gevloekt worden. Er zijn wel eendenhouders, die het doen; maar dat is
roekeloos.
Wie tusschen zijn vee--hetzij pluim- of ook ander vee--met
verwenschingen in den mond rondloopt, jaagt zeer lichtelijk den zegen en
het geluk uit kooi of stal weg.
Wij hebben korten tijd een knecht gehad, die op de eenden placht te
vloeken. Mijn vader voegde den knecht toe: "Vloek in mijn huis tegen
mij; dan vloek ik terug. Maar vloek niet op mijn "worf" tegen mijn
beesten." Hij ontsloeg hem. Mijn vader bedankte ervoor, arm te worden
door een knecht. Mijn vader is kalm; doch toen hij den knecht ontsloeg,
was hij opgewonden.
Want naar de eenden strekt zich uit het teerhartigste van al ons voelen.
Alzoo betaamt het. Wat toch is redelijker dan de liefde eens menschen
jegens de bron zijns gewins?
En toch bestaat er iets, dat de liên dezes lands bijna even hoog
schatten als gewin. Dit is "begaafdheid".
Wie "gaven" heeft, volgt, naar ons rang-instinct, in eerbiedwaardigheid
onmiddellijk op dengene, die geld heeft.
Ikzelf mag dat ondervinden. Want weinig minder roem dan mijn ouders
openlijk dragen op de winst-nuttigheid hunner dochter, dragen zij, leest
ge in hun hart, op de geestesgaven huns zoons.
Die ervaring heeft mij in mijmeringen geleid over den zielkundigen
achtergrond van dit verschijnsel. Volgenderwijs kabbelde mijn zoet
gemijmer voort.
Wij, ingeborenen dezer streken, geven noch ook vragen onszelf rekenschap
omtrent onze vereering van het verstandslicht. Wij vereeren het bij
ingeving.
Wat ons op die ingeving voorbeschikt, is geen overtuiging van de
plichtmatigheid, doch ons vaag vermoeden van de doeltreffendheid der
vereering van het verstandelijk licht.
Want wij huldigen bij die vereering een ons onbekenden god. Daaruit
reeds volgt, dat de drang tot onze aanbidding zijn oorsprong heeft niet
in, maar naast het voorwerp onzer eerbewijzing.
Dit is ook metterdaad het geval. Van ontzag voor de wetenschap om
haarzelf is bij ons geen sprake. Neen, ons eerbiedig opzien tot het rijk
des geestes staat in den nauwsten samenhang met ons nog eerbiediger
opzien tot het rijk des stofs. Het roerend te pas komen in onze
stoffelijkheidskraam van de verstandelijke verlichting trekt het
verbindingsteeken in onze dubbele liefde.
Er is immers nog een derde grootmacht: de godsdienst. Dezelve is dwars
en barsch van aard. De grijphand, juist uitgestrekt naar wat in haar
bereik raakt van gewin of van geneugt, krijgt op datzelfde oogenblik van
den godsdienst keer op keer diens norschen tik op de vingers.
Wij nu houden van ten deze op de vingers getikt, of zelfs maar op de
vingers gezien te worden, minder dan van wat ook.
Evenwel, er schemert ons zooiets van, dat daar ontkoming is aan de
dwingelandij van den godsdienst onder de hoede der wetenschap. In
dezelfde mate als ons begrip van de wetenschap, van haar wezen zoowel
als van haar gebied, duister is, is ons vertrouwen levendig, dat zij den
weg tot onzer zinnen lust vrij maakt van de belemmeringen, met welke de
godsdienst eens menschen pad naar het voordeel gedurig verspert.
En aldus geschiedt het, dat onze lust aan het vleesch ons voert tot
vereering van den geest.
Na deze slotsom mijner mijmeringen over de oorzaak onzer vereering voor
de verlichting, richtten zich mijn gepeinzen ook op de billijkheid van
deze onze vereering. Dit hief mij op in de volgende gedachtenvlucht.
De godsdienst, met zijn karakter van dwang op ons doen en laten, komt
uit den bijbel.
De bijbel is vol met allerlei, dat niet kan.
Wij, bij ons thuis, hebben wel geen bijbel; maar dit verhindert ons
niet, om, in overeenstemming met het groote meerendeel onzer
rasgenooten, te weten, dat, naar luid der wetenschap, het meeste,
wat in den bijbel staat, niet kan.
Dit vonnis der wetenschap, die wij niet kennen, over den bijbel, dien
wij niet kennen, maakt ons in elk geval aan de wetenschap ten hoogste
verplicht. Haar vonnis is immers tevens onze rechtvaardiging, wanneer
wij voor onzen handel en wandel den maatstaf van den godsdienst wraken,
en vergunt ons, om onder het stelsel van leven naar lust "gnappe
personen", gerust op onze rechtschapenheid, te zijn.
Deze steun, dien wij de wetenschap achten te geven tegelijk aan onze
toegeeflijkheid en onze hoogschatting voor onszelf, legt op ons dan
toch een blijvende dankbaarheidsschuld. Derhalve, dat wij, waar wij de
aanwezigheid der verlichting raden, ons buigen in hulde, is als een
betoon van niet geheel bewust, maar met dat al treffend juist gevoel aan
te merken.
En zoo wedijveren dan naar waarheid in onze vereering voor de
verborgenheid der wetenschap verklaarbaarheid en billijkheid met
elkander om strijd.
Toen ik dit had bijeengemijmerd naar aanleiding van de waardeering,
die thuis en buitenshuis aan mijn "gaven" te beurt valt, was ik met mijn
beschouwing zeer tevreden. Wij, menschen dezer oorden, verheerlijken dus
de verlichting, om haar, in ons stoffelijk en zinnelijk belang, uit te
spelen tegen den godsdienst.
En toch ook, op een anderen keer huldigen wij, nu weer eens omgekeerd,
den godsdienst, om dien uit te spelen tegen de verlichting. Dat mag een
blijk heeten van de rijke samengesteldheid onzes innerlijken levens.
Niet in het minste schromen wij, aan de verlichting op haar beurt de
deur te wijzen, zoodra wij niet deze, doch den godsdienst in ons belang
en voordeel oordeelen te zijn.
Daarom, bijvoorbeeld, vloekt een rechtgeaard lid onzer rasgemeenschap
niet tegen zijn beesten, 't welk het geluk en den voorspoed uit kooi of
stal wegjaagt.
Hier namen mijn overpeinzingen haar einde. En indien iemand soms deze
proeve van zielsontleding waarlijk buitengewoon mocht vinden voor eens
eendenhouders zoon, schier met den jongenskiel nog om de schouders, zoo
verblijdt mij dat bovenmate. Want uit dat gevoelen blijkt dan deste
meer, hoe onaanvechtbaar mijn faam van "begaafdheid" valt te achten,
en hoe redelijk vaders denkbeeld, mij naar de hoogere burgerschool te
zenden, was.