V.

Toen "onderlaatst" een onzer loopeenden plotseling ging zwemmen, wat

te eenenmale in strijd is zoowel met den naam als met de natuur van een

loopeend, heb ik van verbazing een vloek gezegd. Ik wist niet, dat het

een vloek was; maar Trijn wist het. Zij geloofde tenminste, dat het er

een was, naar hetgeen haar van de "vragenleering" voorstond. Wij hoopten

allen, dat Trijn zich vergiste. Want er mag bij de eendenhokken niet

gevloekt worden. Er zijn wel eendenhouders, die het doen; maar dat is

roekeloos.

Wie tusschen zijn vee--hetzij pluim- of ook ander vee--met

verwenschingen in den mond rondloopt, jaagt zeer lichtelijk den zegen en

het geluk uit kooi of stal weg.

Wij hebben korten tijd een knecht gehad, die op de eenden placht te

vloeken. Mijn vader voegde den knecht toe: "Vloek in mijn huis tegen

mij; dan vloek ik terug. Maar vloek niet op mijn "worf" tegen mijn

beesten." Hij ontsloeg hem. Mijn vader bedankte ervoor, arm te worden

door een knecht. Mijn vader is kalm; doch toen hij den knecht ontsloeg,

was hij opgewonden.

Want naar de eenden strekt zich uit het teerhartigste van al ons voelen.

Alzoo betaamt het. Wat toch is redelijker dan de liefde eens menschen

jegens de bron zijns gewins?

En toch bestaat er iets, dat de liên dezes lands bijna even hoog

schatten als gewin. Dit is "begaafdheid".

Wie "gaven" heeft, volgt, naar ons rang-instinct, in eerbiedwaardigheid

onmiddellijk op dengene, die geld heeft.

Ikzelf mag dat ondervinden. Want weinig minder roem dan mijn ouders

openlijk dragen op de winst-nuttigheid hunner dochter, dragen zij, leest

ge in hun hart, op de geestesgaven huns zoons.

Die ervaring heeft mij in mijmeringen geleid over den zielkundigen

achtergrond van dit verschijnsel. Volgenderwijs kabbelde mijn zoet

gemijmer voort.

Wij, ingeborenen dezer streken, geven noch ook vragen onszelf rekenschap

omtrent onze vereering van het verstandslicht. Wij vereeren het bij

ingeving.

Wat ons op die ingeving voorbeschikt, is geen overtuiging van de

plichtmatigheid, doch ons vaag vermoeden van de doeltreffendheid der

vereering van het verstandelijk licht.

Want wij huldigen bij die vereering een ons onbekenden god. Daaruit

reeds volgt, dat de drang tot onze aanbidding zijn oorsprong heeft niet

in, maar naast het voorwerp onzer eerbewijzing.

Dit is ook metterdaad het geval. Van ontzag voor de wetenschap om

haarzelf is bij ons geen sprake. Neen, ons eerbiedig opzien tot het rijk

des geestes staat in den nauwsten samenhang met ons nog eerbiediger

opzien tot het rijk des stofs. Het roerend te pas komen in onze

stoffelijkheidskraam van de verstandelijke verlichting trekt het

verbindingsteeken in onze dubbele liefde.

Er is immers nog een derde grootmacht: de godsdienst. Dezelve is dwars

en barsch van aard. De grijphand, juist uitgestrekt naar wat in haar

bereik raakt van gewin of van geneugt, krijgt op datzelfde oogenblik van

den godsdienst keer op keer diens norschen tik op de vingers.

Wij nu houden van ten deze op de vingers getikt, of zelfs maar op de

vingers gezien te worden, minder dan van wat ook.

Evenwel, er schemert ons zooiets van, dat daar ontkoming is aan de

dwingelandij van den godsdienst onder de hoede der wetenschap. In

dezelfde mate als ons begrip van de wetenschap, van haar wezen zoowel

als van haar gebied, duister is, is ons vertrouwen levendig, dat zij den

weg tot onzer zinnen lust vrij maakt van de belemmeringen, met welke de

godsdienst eens menschen pad naar het voordeel gedurig verspert.

En aldus geschiedt het, dat onze lust aan het vleesch ons voert tot

vereering van den geest.

Na deze slotsom mijner mijmeringen over de oorzaak onzer vereering voor

de verlichting, richtten zich mijn gepeinzen ook op de billijkheid van

deze onze vereering. Dit hief mij op in de volgende gedachtenvlucht.

De godsdienst, met zijn karakter van dwang op ons doen en laten, komt

uit den bijbel.

De bijbel is vol met allerlei, dat niet kan.

Wij, bij ons thuis, hebben wel geen bijbel; maar dit verhindert ons

niet, om, in overeenstemming met het groote meerendeel onzer

rasgenooten, te weten, dat, naar luid der wetenschap, het meeste,

wat in den bijbel staat, niet kan.

Dit vonnis der wetenschap, die wij niet kennen, over den bijbel, dien

wij niet kennen, maakt ons in elk geval aan de wetenschap ten hoogste

verplicht. Haar vonnis is immers tevens onze rechtvaardiging, wanneer

wij voor onzen handel en wandel den maatstaf van den godsdienst wraken,

en vergunt ons, om onder het stelsel van leven naar lust "gnappe

personen", gerust op onze rechtschapenheid, te zijn.

Deze steun, dien wij de wetenschap achten te geven tegelijk aan onze

toegeeflijkheid en onze hoogschatting voor onszelf, legt op ons dan

toch een blijvende dankbaarheidsschuld. Derhalve, dat wij, waar wij de

aanwezigheid der verlichting raden, ons buigen in hulde, is als een

betoon van niet geheel bewust, maar met dat al treffend juist gevoel aan

te merken.

En zoo wedijveren dan naar waarheid in onze vereering voor de

verborgenheid der wetenschap verklaarbaarheid en billijkheid met

elkander om strijd.

Toen ik dit had bijeengemijmerd naar aanleiding van de waardeering,

die thuis en buitenshuis aan mijn "gaven" te beurt valt, was ik met mijn

beschouwing zeer tevreden. Wij, menschen dezer oorden, verheerlijken dus

de verlichting, om haar, in ons stoffelijk en zinnelijk belang, uit te

spelen tegen den godsdienst.

En toch ook, op een anderen keer huldigen wij, nu weer eens omgekeerd,

den godsdienst, om dien uit te spelen tegen de verlichting. Dat mag een

blijk heeten van de rijke samengesteldheid onzes innerlijken levens.

Niet in het minste schromen wij, aan de verlichting op haar beurt de

deur te wijzen, zoodra wij niet deze, doch den godsdienst in ons belang

en voordeel oordeelen te zijn.

Daarom, bijvoorbeeld, vloekt een rechtgeaard lid onzer rasgemeenschap

niet tegen zijn beesten, 't welk het geluk en den voorspoed uit kooi of

stal wegjaagt.

Hier namen mijn overpeinzingen haar einde. En indien iemand soms deze

proeve van zielsontleding waarlijk buitengewoon mocht vinden voor eens

eendenhouders zoon, schier met den jongenskiel nog om de schouders, zoo

verblijdt mij dat bovenmate. Want uit dat gevoelen blijkt dan deste

meer, hoe onaanvechtbaar mijn faam van "begaafdheid" valt te achten,

en hoe redelijk vaders denkbeeld, mij naar de hoogere burgerschool te

zenden, was.

Bij ons in Noord-Holland · 第 41 / 55 题