Wij zijn een benijdbaar huisgezin, omdat vader en moeder zooveel
genoegen smaken van hun twee kinderen. Vader geeft het aan menigeen te
hooren, dat hij en moeder, door kinderen zooals zij hebben, trotsch
zouden worden, "bijaldien" dat in hen zat. Maar het zit niet in hen.
Trouwens, ook van vrijwel alle andere fouten dan trotschheid pleegt mijn
vader bij gelegenheid te belijden, dat hij en moeder eraan mank gaan
zouden, "bijaldien" ze in hen zaten. Maar, gelukkig, zit geen enkele
daarvan in hen. Onder al dergelijk betoog van vader knikt moeder dan
zedig-vredig, dat het zoo is.
Nu, ik en mijn zuster Trijn weten ook zelf wel, dat vader en moeder
boven velen bevoorrecht zijn met zoodanig kinderbezit als hun is
beschoren. Ten aanzien van Trijn valt hun ouderlijk voorrecht het
sterkst in het oog. Haar temidden der eenden ga te slaan is een
schouwspel, om menigen jongen knecht te beschamen. Zóó ziet gij haar
hier doende, en zóó alweer ginds bezig. Zij roept de eenden op, en ze
hobbelen van allen kant toe; zij schopt naar ze met den klomp, en ze
waggelen naar allen kant weg. "Bijaldien" onze Trijn onze Trijn niet
was, zou ons eendenbedrijf niet ons eendenbedrijf zijn, zoo getuigt
mijn vader. Ik, daar nu tegenover, ben tot het eendendom niet nut,
maar verstrek op mijn beurt het ouderpaar tot vreugde, dewijl ik zulke
"gaven" bezit. Vader kan "met een woord van waarheid" verklaren, dat hij
en moeder, wanneer zij "zichzelf in beskouwing nemen", niet bevatten,
vanwaar hun beider "zeun" deze "gaven" heeft. En zoo ontbreekt in ons
vriendelijk gezin geenszins die betamelijke waardeering, welke tevens
een zachte streeling verschaft zoowel aan dengene, die zulke waardeering
betoont, als aan dien, die haar ondervindt.
* * * * *
De Maandagmorgen-atmosfeer is, na de zondagsche opsparing van
werkvermogen, geladen met menschelijken arbeidsdrang. Ziet, hoe de
doorbrekende ochtendgloor uit alle schuilhoeken het leven doet
tevoorschijn springen. Het golft van de aarde op, den dageraad tegemoet.
De rose lucht trilt van den jubel der uitbarstende menschenkracht. De
buurt doet de wederopstanding van den arbeid kond met deurengeklep,
stemmengeroep, klompengeklots, watergeplomp, wielengeknars, hondengebas,
kindergejoel, emmersgegooi, mattengeklop, vatengeschuur, morgengegroet.
Op iedere plek, die het ochtendrood aanroert, ontstaat op datzelfde
oogenblik lustig vertier. Ook op ons eendenerf. Het opeengedrongen
eendenvolk ontwaakt. Er gaat een zachte deining door het veld van dons;
tegelijk steken zich daaruit de honderden groote snavels omhoog. Die
klapperen onhebbelijk open en dicht bij het toesnateren van den
ploertigen eendengroet aan de in luister verschijnende dagkoningin.
Moeder, het paarse nachtjak nog aan en de gehaakte nachtmuts nog op,
hangt de zondagsche kleeren te luchten aan de rij spijkers, die expres
ten dienste van deze Maandagochtend-bezigheid in den houten achterwand
van ons huis zijn geslagen. Aan het andere uiteinde van het erf dan
waar moeder de jassen en de japonnen van den Zondag ophangt staat vader
met een beugelnet nestvisch uit de kaar over te scheppen in de emmers.
Maar van een afstand gezien, lijkt hij, terwijl de nestvisch in de zon
blinkt, een toovenaar, die maar aldoor vloeibaar zilver opdelft uit een
sprookjesdiepte en uitgiet in sprookjesvaten. Trijn haalt den eenen
gevulden emmer na den anderen van vader weg, en wipt ermee over de
hokschotten, ze geleidelijk uitstortende onder het gevederde volk van
den altijddurenden hongersnood.
Vader wijst moeder uit de verte naar Trijn, zijn trots, zijn roem. Hij
schreeuwt boven het eendengekwaak uit: "Moeder, het is "mirakel"!" In
Trijn ziet hij zijn kermis-ideaal gehuldigd, 't welk luidt: "Bij nacht
een man, ook bij dag een man!" Laten nu dezen vroegen Maandagmorgen haar
wangen iets lichter dan meestal blozen en haar oogen iets matter dan
doorgaans stralen, een onfrisch gezicht met doffe kijkers ziet er nog
altijd heel anders uit. En dit flauwe spoor is er dan ook het eenige
spoor van, dat zij twee derden van den jongsten nacht in de vreugd, en
slechts het laatste derde in de rust is geweest. Desondanks vindt geen
minuut na den gezetten tijd haar aan heur ochtendtaak, de hand rap, den
voet vlug, het lijf lenig als immer of ooit. Daar zwelt vaders borst en
zwelgt vaders geest van, en dat noemt hij "mirakel". En voor zooiets
bestaat ook geen andere benaming.
Dit is het ontwaken van de werkweek, dat ik, zooals ik het u thans
beschreef, gadesloeg, terwijl ik, staande in den post der achterdeur,
mij een scheiding in het haar kamde. Wijl de spiegel in de kamer hangt,
die moeder "gnap houdt", maken wij des ochtends op den tast ons toilet.
Alleen mijn zuster Trijn doet het, als zij uit moet, voor den spiegel.
Toen de scheiding klaar was, was ik ook klaar.
Vervolgens liep ik langen tijd ons erf en het dorp rond, daarbij pijpen
rookend. Ten slotte zag ik ook nog mijn kameraad Kreel.
Hij was juist opgestaan. Hij wiesch zich het hoofd aan den slootkant.
Hij was welvergenoegd. Hij sprak van mijn zuster Trijn, en vertelde van
het thuisbrengen in het rijtuig.
Mijn kameraad Kreel vertelt mij bijna altijd bijna alles.
Ik vroeg Trijn, toen ik thuiskwam, of zij Kreel mocht.
"Dien?" vroeg zij terug, met zulk een overvloed van minachting, dat het
een wonder is, hoe iemand dezen in vier letters met een vraagteeken
bergen kan. Voorts trok zij de wenkbrauwen in een boog, op de manier,
die zij wel meer over zich heeft, en die mij, als ik dan mijn zuster
Trijn aanzie, altijd, ik weet niet hoe, dwingt, aan een koningin te
denken. En zij ging voort te vragen: "Dien? Dien "saggeryn"?"
* * * * *
Ziezoo, nu wentelen de raderen van het bezigheidsleven weer rond. Zes
dagen verloopen, alle aan elkander gelijk, alle even druk, geen van alle
overdruk.
De machine van de dagtaak houdt ons in gestadigen gang, en wij doen het
de machine, totdat zij tegen den Zondag opnieuw langzaam uitsnort.
Thans andermaal loopt het raderwerk van den arbeid een dag lang traag,
hoewel het bij ons in het eendengedoe nooit geheel stopstaat.
* * * * *
Mijn zuster Trijn heeft een lijdzame natuur.
Denkt niet, dat iemand haar heeft hooren morren, omdat aan dezen Zondag
het kermisgenoegen van den voorafgaanden ontbrak. Integendeel, op de
herinnering harer vriendin: "Aers op heden as vorige week!" haalde zij
gelaten de schouders op.
Dit riep haar vriendin door ons venster, terwijl zij voorbijkwam met
haar grootmoeder. Tevens stak zij haar kerkboekje omhoog, ter
aanduiding, dat zij "naar de preek" ging.
Haar grootmoeder zegt: "Ter kermis, uitstekend! Maar ook ter kerk!"
Haar grootmoeder is "puur" godsdienstig.
Wij zijn niet godsdienstig. Wij hebben daar te veel eenden voor. Maar
wij zijn evengoed best.
Trijn was, toen haar vriendin langs ons raam ging, juist in huis terug
van de eendenvoedering, die zij, gelijk gebruikelijk, met vader saam
had ten uitvoer gebracht. Mijn vader, daarentegen, was nog wat op de
"worf" blijven rondwandelen; dat is hem op den Zondagvoormiddag tot een
liefelijk bedrijf. Ik bestudeerde in de woonkamer het ochtendblad. In
het "achtereind" schilde moeder de aardappelen.
Trijn kwam naast mij op de knieën liggen, de ellebogen op de tafel. Als
zij zoo doet, wil zij, dat ik haar uit de krant vertel. Dat deed ik.
Inmiddels maakte zij alvast langzaam haar kapsel los, om zich straks te
gaan opknappen.
Hierop kwam vader dit vredig Zondagochtend-tafereel eenigszins storen.
Hij droeg een woerd, welken hij dood gevonden had, bij de pooten.
Moeder, die den aardappelbak had neergezet, volgde vader onder
zacht-droeve uitroepjes. Wij alle vier schaarden ons meewarig rondom den
schoonen dooden woerd.
Hij gaf ons aanleiding tot een breedvoerig gesprek over de broosheid des
levens van de eenden. Onder alle wezens, die er zijn, zijn de eenden het
sterfelijkst. Een eend heeft geen ziekteverloop. In hetzelfde oogenblik,
waarop men het een eend aanziet: "Gij lijkt wel niet goed te worden",
valt zij om, en is reeds niet meer.
Ach, onze schoone doode woerd!
Onze sierlijke woerd, met den glanzigen blauwgroenen kop en de
veelkleurige vlerken!
Want gij weet toch zeker, dat onder de eenden, en in het algemeen onder
de vogelen, het schoone geslacht niet het vrouwelijke is, maar het
mannelijke.
Aan het eind onzer beschouwingen maakte mijn vader met een touw, dat
hij uit den zak haalde, een lus aan de pooten van den woerd. Daarmee
ging hij den woerd tegen den voordeur-stijl hangen. Zoodra dan de
opkooper van dergelijke artikelen voorbijkwam, zou deze kunnen zien,
dat er handel voor hem was.
Gelijk de voormiddag, zoo werd ook de namiddag dezes dags door ons in
betamelijkheid doorgebracht. Ik deed een fietstocht, en dronk onderweg
bier, hoewel ik geen dorst had. Mijn zuster Trijn wandelde met haar
vriendin heel den namiddag de dorpsstraat van eind tot eind op en neer,
almaar onder gepraat; als zij samen zijn, praten zij steeds, hetzij
tegelijk, hetzij om beurten. Mijn vader liet te bed zijn oogen wat
beschieten, en mijn moeder, na het vaatgerei te hebben gewasschen en
gedroogd, knapte een uiltje in vaders grooten stoel.
Des avonds bezocht mijn kameraad Kreel ons. Mijn vader kaartte met
hem. Kaarten met uw bezoekers is aan te bevelen. Met wijsheid zegt
mijn vader: ""Bijaldien" ge niet met hen kaart, wordt er maar
kwaadgesproken." Ik las. Mijn zuster Trijn haakte. Mijn moeder keek naar
het haken, totdat haar oogen strak werden, en toevielen. Het eenige,
wat gesproken werd, was het annonceeren van de spellen door de twee
kaarters. Vreedzaam zweefden de uren over onzen stillen avondkring heen.
Moeders dommelhoofd wiegelde zacht heen en weder. Maar op een zeker
oogenblik schokte haar hoofd op zijde, zoo opeens, dat haar halswervel
er lichtelijk van kraakte. Dit deed ons allen van onze bezigheid opzien,
en het maakte vader erop indachtig, dat het bedtijd was. Hij legde de
kaarten uit de hand.
Dat deed Kreel ook. Maar deze gaf geen blijk van eenigerlei neiging tot
vertrekken. Tevens boog mijn zuster Trijn zich dieper dan tot hiertoe
over haar handwerk, en begon daaraan grooteren ijver te besteden dan
zij er heel den avond nog aan ten koste gelegd had. Hieraan zagen wij,
dat Kreels bedoeling met diens bezoek was, bij mijn zuster "de koffie te
halen", zulks naar het recht des jonkmans, die een week tevoren met een
jongedochter "te feest" is geweest.
En dus begaven wij, anderen, ons naar ons nachtverblijf.
Niet lang daarna zoemde een regelmatig ademhalingsduet van de ouderlijke
legerstee naar de mijne over. Vader en moeder waren derhalve reeds op
het droomenpad naar het morgen.
Langs de zolderbalken van het slaapvertrek glom een smalle lichtstreep,
die gekropen kwam uit een kier boven de deur, waarachter de twee
jongelui tezaam waren gebleven. Ik lag door het nachtgrauw naar de
lichtstreep boven mijn hoofd te staren.
Vrij langen tijd hoorde ik mijn zuster Trijn stommelen in de
binnenkamer. Zekere neventonen, die zich door haar gestommel mengden,
maakten duidelijk, dat zij bezig was, den verschuldigden geurigen drank
aan haar vereerder te bereiden en voorts toe te dienen.
Hierop rinkelde daarbinnen de lamp even. In hetzelfde oogenblik verzwond
de lichtstreep van de balken.
Van toen af bleef het muisstil in de donkere kamer, waarbinnen het
bekoorlijk landsgebruik van het "koffie halen" werd gehuldigd.
En mij greep de slaap.
In den voornacht ontwaakte ik even, om flauw te beseffen, dat iemand
langs mijn bed ging, en vlak daarop de buitendeur achter zich toeklapte;
dit was Kreel, die vertrok. Nog drong het, te hooren aan wat ritsel- en
daarna kraakgeluiden, vagelijk tot mij door, dat thans mijn zuster Trijn
zich ter ruste begaf.
* * * * *
Dien Zondag na veertien dagen lag ik des avonds weer op mijn sponde
naar de lichtstreep te turen, totdat binnen de lamp rinkelde, en
tegelijk de lichtstreep verzwond.
En vervolgens heel een reeks van om-de-andere-weeksche Zondagavonden
desgelijks.
En wanneer Kreel 's nachts heenging, en Trijn hierna haar leger opzocht,
werd ik er niet meer wakker van.
Maar zoodoende hadden dan nu mijn kameraad en mijn zuster "vaste
verkeering" gekregen. Dit verheugde mij zeer.
Ik zei tot mijn zuster Trijn--het mag in de Kerst- of de Nieuwjaarsweek
of daaromtrent geweest zijn--, hoe schoon ik het vond, dat zij van
Kreel was gaan houden. Toen spatten uit haar oogen vonken, om mij van
hoofd tot teenen te verschroeien. "Aap!" giftigde zij. Ik herdenk met
ontroering dit woord eener zuster tot een broeder, die beiden zoo
"gnappe" kinderen van zoo "gnappe" ouders zijn als ik en Trijn. Trijn
heeft er dan ook geen rust bij gehad, en haar onvertogen woord goed
willen maken, door, na nog geen uur, te zeggen, dat zij er niet mij mee
gemeend had, doch Kreel maar. Daaraan kon ik weder, zooal niet haar
waarheids-, dan toch haar zusterliefde zien.
Maar op het noodlots-oogenblik zelf trilde alles aan haar van drift. En
zoo vloog zij de kamer uit. En moeder, die in het "achtereind" Trijn
tot staan bracht, riep mij toe, dat ik een kwajongen was, en vroeg den
kwajongen, of zijn vader en moeder zich soms bemoeiden met hetgeen
"Trijn met Kreel had."
Ik voelde mij op dat pas zeer schuldig, vermits ik aan mijn vader en
moeder moet nageven, dat zij zich daar inderdaad niet mee bemoeiden.
* * * * *
Toen de verkeering van mijn zuster Trijn enkele maanden oud was, ontving
zij een treffende openbaring. Het verscheen haar op eenmaal voor den
geest, dat de aanspraken, welke de vriendschap heeft, in heiligheid niet
onderdoen voor die van de min. Dit nieuw-gewonnen inzicht opende haar
het oog voor heur roeping, meer gezet dan tot hiertoe het tehuis harer
vriendin met haar aanwezigheid te gaan vervroolijken. En als zij zich
dier roeping bewust werd, was het telkens op Kreels bezoekavond. Dat
zij ons dan tot afscheidsgroet "wel te rusten" wenschte, diende ter
kennisgeving van haar voornemen, om ook den nacht onder het
vriendinnedak te doortoeven.
Bij Kreels verschijning troostten wij hem alsdan over zijn
teleurstelling met menigerlei vriendelijk verzinsel. Daar antwoordde hij
dan weinig op; hij druilde weg.
Een volgenden keer troostte Trijn zelf hem, door ditmaal weer eens
goedgunstig zijn komst te wachten.
Mijn kameraad Kreel is geduldig en getrouw. Eens echter moet hij, schoon
met schroom, tot Trijn hebben gezegd, dat hij ophield met de verkeering,
als zij hem nog eenmaal vergeefs liet komen. Toen liet mijn zuster Trijn
hem tweemaal vergeefs komen. Maar hij hield niet op.
Toch was hij begonnen, 's morgens en 's avonds zijn knechtje met de
nestvisch te zenden, in plaats van die langer zelf te bezorgen. Hij had
van deze betooging tegen Trijns gedrag jegens hem nochtans geen wil,
daar zij aan de opmerkzaamheid mijner zuster ontging. Toen ik er haar
aandacht op vestigde, zei ze, dat het er alleen toe deed, of het
eendenvoer kwam, niet wie het bracht.