IV.

Wij zijn een benijdbaar huisgezin, omdat vader en moeder zooveel

genoegen smaken van hun twee kinderen. Vader geeft het aan menigeen te

hooren, dat hij en moeder, door kinderen zooals zij hebben, trotsch

zouden worden, "bijaldien" dat in hen zat. Maar het zit niet in hen.

Trouwens, ook van vrijwel alle andere fouten dan trotschheid pleegt mijn

vader bij gelegenheid te belijden, dat hij en moeder eraan mank gaan

zouden, "bijaldien" ze in hen zaten. Maar, gelukkig, zit geen enkele

daarvan in hen. Onder al dergelijk betoog van vader knikt moeder dan

zedig-vredig, dat het zoo is.

Nu, ik en mijn zuster Trijn weten ook zelf wel, dat vader en moeder

boven velen bevoorrecht zijn met zoodanig kinderbezit als hun is

beschoren. Ten aanzien van Trijn valt hun ouderlijk voorrecht het

sterkst in het oog. Haar temidden der eenden ga te slaan is een

schouwspel, om menigen jongen knecht te beschamen. Zóó ziet gij haar

hier doende, en zóó alweer ginds bezig. Zij roept de eenden op, en ze

hobbelen van allen kant toe; zij schopt naar ze met den klomp, en ze

waggelen naar allen kant weg. "Bijaldien" onze Trijn onze Trijn niet

was, zou ons eendenbedrijf niet ons eendenbedrijf zijn, zoo getuigt

mijn vader. Ik, daar nu tegenover, ben tot het eendendom niet nut,

maar verstrek op mijn beurt het ouderpaar tot vreugde, dewijl ik zulke

"gaven" bezit. Vader kan "met een woord van waarheid" verklaren, dat hij

en moeder, wanneer zij "zichzelf in beskouwing nemen", niet bevatten,

vanwaar hun beider "zeun" deze "gaven" heeft. En zoo ontbreekt in ons

vriendelijk gezin geenszins die betamelijke waardeering, welke tevens

een zachte streeling verschaft zoowel aan dengene, die zulke waardeering

betoont, als aan dien, die haar ondervindt.

* * * * *

De Maandagmorgen-atmosfeer is, na de zondagsche opsparing van

werkvermogen, geladen met menschelijken arbeidsdrang. Ziet, hoe de

doorbrekende ochtendgloor uit alle schuilhoeken het leven doet

tevoorschijn springen. Het golft van de aarde op, den dageraad tegemoet.

De rose lucht trilt van den jubel der uitbarstende menschenkracht. De

buurt doet de wederopstanding van den arbeid kond met deurengeklep,

stemmengeroep, klompengeklots, watergeplomp, wielengeknars, hondengebas,

kindergejoel, emmersgegooi, mattengeklop, vatengeschuur, morgengegroet.

Op iedere plek, die het ochtendrood aanroert, ontstaat op datzelfde

oogenblik lustig vertier. Ook op ons eendenerf. Het opeengedrongen

eendenvolk ontwaakt. Er gaat een zachte deining door het veld van dons;

tegelijk steken zich daaruit de honderden groote snavels omhoog. Die

klapperen onhebbelijk open en dicht bij het toesnateren van den

ploertigen eendengroet aan de in luister verschijnende dagkoningin.

Moeder, het paarse nachtjak nog aan en de gehaakte nachtmuts nog op,

hangt de zondagsche kleeren te luchten aan de rij spijkers, die expres

ten dienste van deze Maandagochtend-bezigheid in den houten achterwand

van ons huis zijn geslagen. Aan het andere uiteinde van het erf dan

waar moeder de jassen en de japonnen van den Zondag ophangt staat vader

met een beugelnet nestvisch uit de kaar over te scheppen in de emmers.

Maar van een afstand gezien, lijkt hij, terwijl de nestvisch in de zon

blinkt, een toovenaar, die maar aldoor vloeibaar zilver opdelft uit een

sprookjesdiepte en uitgiet in sprookjesvaten. Trijn haalt den eenen

gevulden emmer na den anderen van vader weg, en wipt ermee over de

hokschotten, ze geleidelijk uitstortende onder het gevederde volk van

den altijddurenden hongersnood.

Vader wijst moeder uit de verte naar Trijn, zijn trots, zijn roem. Hij

schreeuwt boven het eendengekwaak uit: "Moeder, het is "mirakel"!" In

Trijn ziet hij zijn kermis-ideaal gehuldigd, 't welk luidt: "Bij nacht

een man, ook bij dag een man!" Laten nu dezen vroegen Maandagmorgen haar

wangen iets lichter dan meestal blozen en haar oogen iets matter dan

doorgaans stralen, een onfrisch gezicht met doffe kijkers ziet er nog

altijd heel anders uit. En dit flauwe spoor is er dan ook het eenige

spoor van, dat zij twee derden van den jongsten nacht in de vreugd, en

slechts het laatste derde in de rust is geweest. Desondanks vindt geen

minuut na den gezetten tijd haar aan heur ochtendtaak, de hand rap, den

voet vlug, het lijf lenig als immer of ooit. Daar zwelt vaders borst en

zwelgt vaders geest van, en dat noemt hij "mirakel". En voor zooiets

bestaat ook geen andere benaming.

Dit is het ontwaken van de werkweek, dat ik, zooals ik het u thans

beschreef, gadesloeg, terwijl ik, staande in den post der achterdeur,

mij een scheiding in het haar kamde. Wijl de spiegel in de kamer hangt,

die moeder "gnap houdt", maken wij des ochtends op den tast ons toilet.

Alleen mijn zuster Trijn doet het, als zij uit moet, voor den spiegel.

Toen de scheiding klaar was, was ik ook klaar.

Vervolgens liep ik langen tijd ons erf en het dorp rond, daarbij pijpen

rookend. Ten slotte zag ik ook nog mijn kameraad Kreel.

Hij was juist opgestaan. Hij wiesch zich het hoofd aan den slootkant.

Hij was welvergenoegd. Hij sprak van mijn zuster Trijn, en vertelde van

het thuisbrengen in het rijtuig.

Mijn kameraad Kreel vertelt mij bijna altijd bijna alles.

Ik vroeg Trijn, toen ik thuiskwam, of zij Kreel mocht.

"Dien?" vroeg zij terug, met zulk een overvloed van minachting, dat het

een wonder is, hoe iemand dezen in vier letters met een vraagteeken

bergen kan. Voorts trok zij de wenkbrauwen in een boog, op de manier,

die zij wel meer over zich heeft, en die mij, als ik dan mijn zuster

Trijn aanzie, altijd, ik weet niet hoe, dwingt, aan een koningin te

denken. En zij ging voort te vragen: "Dien? Dien "saggeryn"?"

* * * * *

Ziezoo, nu wentelen de raderen van het bezigheidsleven weer rond. Zes

dagen verloopen, alle aan elkander gelijk, alle even druk, geen van alle

overdruk.

De machine van de dagtaak houdt ons in gestadigen gang, en wij doen het

de machine, totdat zij tegen den Zondag opnieuw langzaam uitsnort.

Thans andermaal loopt het raderwerk van den arbeid een dag lang traag,

hoewel het bij ons in het eendengedoe nooit geheel stopstaat.

* * * * *

Mijn zuster Trijn heeft een lijdzame natuur.

Denkt niet, dat iemand haar heeft hooren morren, omdat aan dezen Zondag

het kermisgenoegen van den voorafgaanden ontbrak. Integendeel, op de

herinnering harer vriendin: "Aers op heden as vorige week!" haalde zij

gelaten de schouders op.

Dit riep haar vriendin door ons venster, terwijl zij voorbijkwam met

haar grootmoeder. Tevens stak zij haar kerkboekje omhoog, ter

aanduiding, dat zij "naar de preek" ging.

Haar grootmoeder zegt: "Ter kermis, uitstekend! Maar ook ter kerk!"

Haar grootmoeder is "puur" godsdienstig.

Wij zijn niet godsdienstig. Wij hebben daar te veel eenden voor. Maar

wij zijn evengoed best.

Trijn was, toen haar vriendin langs ons raam ging, juist in huis terug

van de eendenvoedering, die zij, gelijk gebruikelijk, met vader saam

had ten uitvoer gebracht. Mijn vader, daarentegen, was nog wat op de

"worf" blijven rondwandelen; dat is hem op den Zondagvoormiddag tot een

liefelijk bedrijf. Ik bestudeerde in de woonkamer het ochtendblad. In

het "achtereind" schilde moeder de aardappelen.

Trijn kwam naast mij op de knieën liggen, de ellebogen op de tafel. Als

zij zoo doet, wil zij, dat ik haar uit de krant vertel. Dat deed ik.

Inmiddels maakte zij alvast langzaam haar kapsel los, om zich straks te

gaan opknappen.

Hierop kwam vader dit vredig Zondagochtend-tafereel eenigszins storen.

Hij droeg een woerd, welken hij dood gevonden had, bij de pooten.

Moeder, die den aardappelbak had neergezet, volgde vader onder

zacht-droeve uitroepjes. Wij alle vier schaarden ons meewarig rondom den

schoonen dooden woerd.

Hij gaf ons aanleiding tot een breedvoerig gesprek over de broosheid des

levens van de eenden. Onder alle wezens, die er zijn, zijn de eenden het

sterfelijkst. Een eend heeft geen ziekteverloop. In hetzelfde oogenblik,

waarop men het een eend aanziet: "Gij lijkt wel niet goed te worden",

valt zij om, en is reeds niet meer.

Ach, onze schoone doode woerd!

Onze sierlijke woerd, met den glanzigen blauwgroenen kop en de

veelkleurige vlerken!

Want gij weet toch zeker, dat onder de eenden, en in het algemeen onder

de vogelen, het schoone geslacht niet het vrouwelijke is, maar het

mannelijke.

Aan het eind onzer beschouwingen maakte mijn vader met een touw, dat

hij uit den zak haalde, een lus aan de pooten van den woerd. Daarmee

ging hij den woerd tegen den voordeur-stijl hangen. Zoodra dan de

opkooper van dergelijke artikelen voorbijkwam, zou deze kunnen zien,

dat er handel voor hem was.

Gelijk de voormiddag, zoo werd ook de namiddag dezes dags door ons in

betamelijkheid doorgebracht. Ik deed een fietstocht, en dronk onderweg

bier, hoewel ik geen dorst had. Mijn zuster Trijn wandelde met haar

vriendin heel den namiddag de dorpsstraat van eind tot eind op en neer,

almaar onder gepraat; als zij samen zijn, praten zij steeds, hetzij

tegelijk, hetzij om beurten. Mijn vader liet te bed zijn oogen wat

beschieten, en mijn moeder, na het vaatgerei te hebben gewasschen en

gedroogd, knapte een uiltje in vaders grooten stoel.

Des avonds bezocht mijn kameraad Kreel ons. Mijn vader kaartte met

hem. Kaarten met uw bezoekers is aan te bevelen. Met wijsheid zegt

mijn vader: ""Bijaldien" ge niet met hen kaart, wordt er maar

kwaadgesproken." Ik las. Mijn zuster Trijn haakte. Mijn moeder keek naar

het haken, totdat haar oogen strak werden, en toevielen. Het eenige,

wat gesproken werd, was het annonceeren van de spellen door de twee

kaarters. Vreedzaam zweefden de uren over onzen stillen avondkring heen.

Moeders dommelhoofd wiegelde zacht heen en weder. Maar op een zeker

oogenblik schokte haar hoofd op zijde, zoo opeens, dat haar halswervel

er lichtelijk van kraakte. Dit deed ons allen van onze bezigheid opzien,

en het maakte vader erop indachtig, dat het bedtijd was. Hij legde de

kaarten uit de hand.

Dat deed Kreel ook. Maar deze gaf geen blijk van eenigerlei neiging tot

vertrekken. Tevens boog mijn zuster Trijn zich dieper dan tot hiertoe

over haar handwerk, en begon daaraan grooteren ijver te besteden dan

zij er heel den avond nog aan ten koste gelegd had. Hieraan zagen wij,

dat Kreels bedoeling met diens bezoek was, bij mijn zuster "de koffie te

halen", zulks naar het recht des jonkmans, die een week tevoren met een

jongedochter "te feest" is geweest.

En dus begaven wij, anderen, ons naar ons nachtverblijf.

Niet lang daarna zoemde een regelmatig ademhalingsduet van de ouderlijke

legerstee naar de mijne over. Vader en moeder waren derhalve reeds op

het droomenpad naar het morgen.

Langs de zolderbalken van het slaapvertrek glom een smalle lichtstreep,

die gekropen kwam uit een kier boven de deur, waarachter de twee

jongelui tezaam waren gebleven. Ik lag door het nachtgrauw naar de

lichtstreep boven mijn hoofd te staren.

Vrij langen tijd hoorde ik mijn zuster Trijn stommelen in de

binnenkamer. Zekere neventonen, die zich door haar gestommel mengden,

maakten duidelijk, dat zij bezig was, den verschuldigden geurigen drank

aan haar vereerder te bereiden en voorts toe te dienen.

Hierop rinkelde daarbinnen de lamp even. In hetzelfde oogenblik verzwond

de lichtstreep van de balken.

Van toen af bleef het muisstil in de donkere kamer, waarbinnen het

bekoorlijk landsgebruik van het "koffie halen" werd gehuldigd.

En mij greep de slaap.

In den voornacht ontwaakte ik even, om flauw te beseffen, dat iemand

langs mijn bed ging, en vlak daarop de buitendeur achter zich toeklapte;

dit was Kreel, die vertrok. Nog drong het, te hooren aan wat ritsel- en

daarna kraakgeluiden, vagelijk tot mij door, dat thans mijn zuster Trijn

zich ter ruste begaf.

* * * * *

Dien Zondag na veertien dagen lag ik des avonds weer op mijn sponde

naar de lichtstreep te turen, totdat binnen de lamp rinkelde, en

tegelijk de lichtstreep verzwond.

En vervolgens heel een reeks van om-de-andere-weeksche Zondagavonden

desgelijks.

En wanneer Kreel 's nachts heenging, en Trijn hierna haar leger opzocht,

werd ik er niet meer wakker van.

Maar zoodoende hadden dan nu mijn kameraad en mijn zuster "vaste

verkeering" gekregen. Dit verheugde mij zeer.

Ik zei tot mijn zuster Trijn--het mag in de Kerst- of de Nieuwjaarsweek

of daaromtrent geweest zijn--, hoe schoon ik het vond, dat zij van

Kreel was gaan houden. Toen spatten uit haar oogen vonken, om mij van

hoofd tot teenen te verschroeien. "Aap!" giftigde zij. Ik herdenk met

ontroering dit woord eener zuster tot een broeder, die beiden zoo

"gnappe" kinderen van zoo "gnappe" ouders zijn als ik en Trijn. Trijn

heeft er dan ook geen rust bij gehad, en haar onvertogen woord goed

willen maken, door, na nog geen uur, te zeggen, dat zij er niet mij mee

gemeend had, doch Kreel maar. Daaraan kon ik weder, zooal niet haar

waarheids-, dan toch haar zusterliefde zien.

Maar op het noodlots-oogenblik zelf trilde alles aan haar van drift. En

zoo vloog zij de kamer uit. En moeder, die in het "achtereind" Trijn

tot staan bracht, riep mij toe, dat ik een kwajongen was, en vroeg den

kwajongen, of zijn vader en moeder zich soms bemoeiden met hetgeen

"Trijn met Kreel had."

Ik voelde mij op dat pas zeer schuldig, vermits ik aan mijn vader en

moeder moet nageven, dat zij zich daar inderdaad niet mee bemoeiden.

* * * * *

Toen de verkeering van mijn zuster Trijn enkele maanden oud was, ontving

zij een treffende openbaring. Het verscheen haar op eenmaal voor den

geest, dat de aanspraken, welke de vriendschap heeft, in heiligheid niet

onderdoen voor die van de min. Dit nieuw-gewonnen inzicht opende haar

het oog voor heur roeping, meer gezet dan tot hiertoe het tehuis harer

vriendin met haar aanwezigheid te gaan vervroolijken. En als zij zich

dier roeping bewust werd, was het telkens op Kreels bezoekavond. Dat

zij ons dan tot afscheidsgroet "wel te rusten" wenschte, diende ter

kennisgeving van haar voornemen, om ook den nacht onder het

vriendinnedak te doortoeven.

Bij Kreels verschijning troostten wij hem alsdan over zijn

teleurstelling met menigerlei vriendelijk verzinsel. Daar antwoordde hij

dan weinig op; hij druilde weg.

Een volgenden keer troostte Trijn zelf hem, door ditmaal weer eens

goedgunstig zijn komst te wachten.

Mijn kameraad Kreel is geduldig en getrouw. Eens echter moet hij, schoon

met schroom, tot Trijn hebben gezegd, dat hij ophield met de verkeering,

als zij hem nog eenmaal vergeefs liet komen. Toen liet mijn zuster Trijn

hem tweemaal vergeefs komen. Maar hij hield niet op.

Toch was hij begonnen, 's morgens en 's avonds zijn knechtje met de

nestvisch te zenden, in plaats van die langer zelf te bezorgen. Hij had

van deze betooging tegen Trijns gedrag jegens hem nochtans geen wil,

daar zij aan de opmerkzaamheid mijner zuster ontging. Toen ik er haar

aandacht op vestigde, zei ze, dat het er alleen toe deed, of het

eendenvoer kwam, niet wie het bracht.

Bij ons in Noord-Holland · 第 40 / 55 题