III.

Toen Trijn op dien afgesproken Zondag met haar vriendin naar de

Purmerender kermis ging, zag moeder haar door het venster met welbehagen

na. En toen Trijn in het voorbijgaan met haar arm naar het raam zwaaide,

zeide moeder tot vader, dat ieder zou moeten denken: "Wat 'n gnappe

maaid!" Mijn zuster Trijn had haar koonen glimmend gepoetst met zeep, en

witte handschoenen aangetrokken.

Mijn vader glunderde, toen moeder het zei; daarop ging hij naar de

schuur, om wat te "pluisteren". "Pluisteren" is: de slachteenden, na

ze gedood te hebben, plukken. Als de eenden blauwe koppen krijgen--en

die krijgen ze omstreeks eind-October--, kunt ge ze het gemakkelijkst

"pluisteren"; dan zitten de veeren los. Als ge "gepluisterd" hebt, zit

ge geheel onder het eendedons. Daarom moet iemand, die "gepluisterd"

heeft, vervolgens ook zichzelf "pluisteren".

Nadat mijn zuster en haar vriendin te Purmerend aangekomen waren, gingen

zij eerst in de rödelbaan. Terwijl zij in den wagen de baan afrolden,

gilden zij. Dat doen alle meisjes, die de rödelbaan afvliegen. De

jongens niet; die hebben een groote sigaar in den mond. Vier keeren

hebben Trijn en haar vriendin zich over de rödelbaan laten rijden.

Daarna hadden zij honger; zij gingen poffers eten.

Daarna hadden zij dorst; zij gingen limonade drinken.

In de Breedstraat zagen zij langs de kramen mijn kameraad Kreel

aankomen.

Mijn kameraad Kreel is kort en breed. Zijn gezicht is vol en wit. Zijn

haar is strookleur. Hij is goed.

Mijn kameraad Kreel zegt niets, als hij niets behoeft te zeggen. Hij

weet niet, wat hij dan zou moeten zeggen. Hij is, naar hetgeen mijn

zuster Trijn vindt, saai.

Mijn zuster Trijn is niet saai.

Wie verwacht mocht hebben, dat Kreel de meisjes zou zijn voorbijgestapt,

had onbekend moeten wezen met de gevoelens en gedachten dezes jonkmans.

Hij keerde, integendeel, terug, en verzelde ze, daarbij de zijde

houdende van mijn zuster Trijn.

De meisjes staken bij elkaar den arm in, en giegelden saam, in het

geheel niet Kreel, doch aldoor maar elkander aankijkend.

Kreel ook gaf zich iets lacherigs, 't welk hem er zeer rampzalig deed

uitzien.

Zoo bereikten zij drieën het eind van de kramenrij. Daar verleende

mijn zuster voor het eerst rechtstreeks aandacht aan Kreel. Als met

plotselinge verbazing over zijn aanwezigheid vroeg zij hem, wat hij wou.

"Meeloopen", zei hij.

Trijn trok haar vriendin, met een verontwaardigden ruk aan heur arm, mee

rechtsomkeer, en begon met haar den gekomen weg terug te wandelen.

Maar ook op die terugwandeling week mijn kameraad niet van de zij mijner

zuster. Hij keek niet naar den kant van de twee meisjes noch naar den

anderen kant, maar recht vooruit. Hij floot.

En de meisjes legden den terugweg langs de kramen af, niet giegelend,

gelijk op den heenweg, doch met stijf-booze gezichten. Bovendien klemden

zij de lippen saam; tevens trokken zij de kinnen in.

Toen zij terugbeland waren daar, waar, bij de kerk, de kramen begonnen,

riep mijn zuster tot Kreel: "Ga toch heen, jongen!" Daarbij gaf zij hem

met haar vuist een harden stoot tegen den schouder.

Nu ging Kreel vlak voor mijn zuster staan. Hij zag haar een poos

zwaarmoedig in de oogen. Vervolgens droop hij af in de nauwe steeg

achterom de kerk, en donkerde daar weg in de schemering.

Daarna hebben mijn zuster Trijn en haar vriendin nog veel genoten. Zij

gingen in den zweefmolen en in den draaimolen. In den eerstvermelden

molen zweefde mijn zuster Trijn, alsof zweven eigenlijk haar normale

wijze van voortbeweging was, zoo schoon. Die het aanzagen bewonderden

haar zeer.

Hierop gingen zij om de "arrestasie". Die zou worden "opestuurd",

beloofde de meid van dominee. Dat vonden zij goed.

Zij zijn nog in twee spellen geweest.

Daar het nu gevorderde avond was geworden, haastten zij zich naar de

Koemarkt. Aldaar zijn zeer veel herbergen. Op de kermisdagen komt uit de

deuren der herbergen muziek, geroes, geklots, zoomede een uit alcohol,

tabak, menschenzweet en menschenadem samengetrokken walm. Maar de walm,

die eruit komt, doet weinig afbreuk aan den walm, die erbinnen blijft.

Mijn zuster en haar vriendin gingen "aan de lijn". "Aan de lijn" staan

dusdanige jongedochters, die zich met de kermis in een rij langs de

muren der herbergzaal scharen. Zulks verrichten de jongemaagden, welke

tot hiertoe geen "verkeering" hebben, noch "vaste", noch "losse".

Zij doen daarmede kond, dat zij zich ter beschikking stellen van de

jongemans, die haar ten dans, en, mocht het geval zoo loopen, ook ter

verdere lots-samenvoeging zouden willen leiden.

Mijn zuster en haar vriendin gingen derhalve "aan de lijn" op de

Koemarkt. De markt heet evenwel zoo naar de koebeesten, die er des

Dinsdags aan de lijn staan, te kijk zoowel als te koop.

Herhaaldelijk kwam een "jongkerel" Trijn of haar vriendin van "de lijn"

halen, danste met haar, en bracht haar terug "aan de lijn". Dat laatste

was goed, om haar telkens eens wat van de warmte te laten bekomen.

Terwijl mijn zuster "aan de lijn" stond, werd haar door den bediende een

glaasje brandewijn met suiker, dat zij niet besteld had, gebracht. Dit

gebeurt in die gevallen wel meer. Dan heeft de ontvangster van de

versnapering onder de schare een verborgen bewonderaar, die zich later

wel als den geheimzinnigen weldoener aan haar ontsluiert.

Trijn nuttigde den brandewijn in veel kleine teugen. Tusschen twee

teugen in roerde zij telkens de suiker. Het overschot der suiker at zij

ten slotte van den kleinen lepel.

Nauw was zij hiermede klaar, of zij moest alweer dansen. Van toen af

heeft zij wel anderhalf uur lang bijna onafgebroken gedanst.

En daarna zag zij mijn kameraad Kreel voor zich staan. Zij merkte hem

pas nu op in de danszaal. Maar hij moet er, heeft zij later begrepen,

toch reeds heel geruimen tijd geweest zijn.

Mijn kameraad Kreel voerde zwijgend een zachtwiegende beweging met

het bovenlijf voor haar uit, die, gepaard aan een schroomvallige

uitstrekking van de armen, duidelijk een noodiging ten dans vertolkte.

Juist toen mijn zuster "ja" of "neen", maar denkelijk wel "ja", zeggen

wou, kwam een jongeling op haar af, die een sigaret rookte.

Trijn wist niet, wie deze jongeling was noch waar hij woonde. Maar hij

had een stoomfiets. Daarop snorde hij weleens onze eendenboerderij

voorbij. Toen draaide mijn zuster Trijn haar rug naar Kreel, en danste

met den jongeling.

Na dit gedaan te hebben, ging zij naarbuiten. Want zij wilde eens

luchtscheppen. Zij ging alleen. Want haar vriendin was vertrokken met

een jongmensch, dat de vriendin op wafelen wou tracteeren.

Mijn zuster Trijn wandelde de Koemarkt af, en de mooie, stille laan, die

naar den Purmerpolder voert, in. Onder een boom bleef zij even staan.

Zij keek naar de schaduwen der stammen en takken, die het maanlicht op

den breeden weg teekende. Zij keek vervolgens ook naar de sterren, die

zij door het dunne herfstloof heen zien kon. Zij was er blij om, dat zij

een oogenblik uit de vreugde was weggeloopen. Zij nam haar zakdoek, en

wischte haar warme gezicht af.

Zij zou haar zakdoek weer bergen, toen haar hand zacht werd gegrepen.

Daar "verschoot" zij van. Maar het was Kreel, die het deed, zooals zij

tegelijkertijd zag.

Mijn kameraad Kreel was haar over de afgevallen bladeren doodsstil

nageloopen.

Mijn zuster werd heel driftig. Zij trok aan de hand, die Kreel

vasthield. Maar Kreel wou de hand niet loslaten.

Bij ons in Noord-Holland · 第 36 / 55 题