En hij zeide: "Trijn, het brandewijntje was van "mijn"."

Toen Trijn dit hoorde, gedoogde zij, dat haar hand met den zakdoek in

Kreels hand bleef liggen.

Maar daar mijn kameraad Kreel thans ook den arm om haar schouder wilde

leggen, rukte zij zich onverhoeds los. Daarop liep zij in halven draf

naar de Koemarkt terug.

Doch nu mocht Kreel dan toch naast haar meedraven.

En in de herberg heeft zij daarna één keer met hem gedanst ook.

Terwijl dit een en ander aldus plaatshad, lagen mijn vader en moeder

diep slapend in hun bedstede, en ik evenzoo in de mijne.

Maar ruim halverwegen den nacht schrikten wij alle drie wakker. Dat kwam

door de eenden, die opeens vervaarlijk te keer gingen.

Vader sprong overeind, bemerkte ik. "Moeder, wat is er?" riep hij

slaapdronken, zoo hoorde ik.

Bij ons in Noord-Holland · 第 37 / 55 题